Angstaanjagend
De laatste woorden worden door de oude vrouw aan het papier toevertrouwd. Zuchtend kijkt ze over de landerijen, dat haar zo dierbaar is. Binnen niet al te lange tijd zal ze sterven en het doet haar goed dat ze haar belevenissen uit de tijd, waar ze liever niet meer aan terug wil denken, nog op tijd heeft kunnen opschrijven.
1940 – ‘45
Hans en zijn vrouw Pien zijn in het bezit van een prachtige boerderij. Vergeleken met de overige boeren om hen heen is hun bezit maar klein en ze moeten hun uiterste best doen, om hun hoofd bovenwater te houden. Menig boer in de omgeving aast op hun grondgebied, om deze bij hun eigen landerijen te voegen. Mocht er iets gebeuren, dan hoeven ze dus niet op de medewerking van hun buren te rekenen. Behalve als het gaat om een eventuele verkoop van hun grond, maar Hans en zijn vrouw bezitten een oeroud boereninstinct en gaan door tot het einde.
Samen met hun drie kinderen, de zusjes Fien van negen, Trientje van vier en hun broer Jan van veertien, zitten ze deze middag in de tuin en genieten van een kop koffie en de zon.
Plots horen ze een enorm kabaal dat afkomstig is van een aantal stuka’s dat over hun akkers scheert. Angstig kijkt het gezin naar de hemel en proberen snel dekking te zoeken. Behalve Jan, want Jan kan zijn ogen er niet van afhouden. Dat enorme lawaai van de stuka’s en die snelheid waarmee ze door de hemelsblauwe hemel scheren, fascineert hem enorm. Fien geeft haar broer een duw en schreeuwt dat hij bescherming moet zoeken. Trientje, de jongste begrijpt er niets van en wordt door haar moeder opgepakt om zich schuil te houden onder de grote beukenboom. Zo plotseling als ze gekomen zijn, zijn ze ook weer verdwenen, maar de schrik zit er goed in.
‘Wat gaaf hè, ik kreeg er kippenvel van,’ roept hij en tuurt in de richting waar de stuka’s zijn verdwenen. De meisjes begrijpen er niets van, maar Jan begrijpt wel wat dit mogelijk zou kunnen betekenen.
Aan het eind van de middag is er een bijeenkomst in het dorpshuis waar de bewoners mogelijk meer informatie zullen krijgen over het gebeuren. Hans, die er absoluut geen zin in heeft om te gaan, wordt door zijn vrouw overgehaald om toch te gaan.
Als hij het dorpshuis betreedt wordt hem al snel duidelijk dat de overige boeren, liever zijn hielen dan zijn tenen zien. Fier en met opgeheven hoofd neemt hij de informatie tot zich.
‘Het is er dan toch van gekomen, de Duitsers zijn het land binnengevallen. Ondanks het feit dat men dacht dat we, ook deze keer weer neutraal zouden kunnen blijven, is de oorlog toch uitgebroken.
‘Dit is wat we u op dit moment kunnen mededelen, later krijgt u meer informatie,’ vertelt de pastoor.
De menigte gaan ontgoocheld op weg naar huis. Eén van de rijke boeren tikt Hans op zijn schouders en fluistert in zijn oor: ‘Hans, ik geef je een goede prijs voor je grond. Pak die kans want straks zullen de Duitsers vast en zeker je grond innemen en ben je het sowieso kwijt.’
Hans voelt woede in zich opkomen en legt zijn grote eeltige hand, op de schouders van de boer en trekt hem naar zich toe. ‘Wat hebben die Duitsers nou aan mijn kleine stukje grond, tenzij jij ze voor het karretje spant en met de vijand heult,’ antwoordt hij en duwt de man van zich af.
Op de terugweg naar huis vraagt hij zich af of die reactie van hem, hem geen narigheid gaat bezorgen. Maar als je het van de andere kant bekijkt, weet hij nu in ieder geval uit welke richting de wind waait.
Twee jaar later
Twee jaar waren ze nu al in oorlog met de Duitsers en eigenlijk was er maar weinig van te merken. Ja, zo af en toe reden er vrachtwagens voorbij waarin mensen werden vervoerd. Al snel werd duidelijk dat de mensen die ze vervoerden, opgepakte joden waren, maar buiten de geruchten dat deze mensen als veevoer werden behandeld, ging alles zijn gewone gang in het dorp en op de boerderijen.
Op het kleine stukje land van Hans en Pien liepen een paar geiten en vier koeien rond. Naast hetgeen ze konden verbouwen en de oosten van de appels en perenbomen, die ze konden inblikken, hadden ze goed te eten. Melk hadden ze van de koeien en Pien maakte Kaas, daarnaast liepen er op het erf nog een aantal kippen rond en hadden ze een aantal konijnenhokken.
Genoeg voedsel om de kinderen gezond te houden.
Op een zonnige dag zag Pien tijdens het melken, dat er verderop de weg een auto hun pad insloeg. Ze maande de kinderen direct dat ze naar binnen moesten gaan en in hun eigen kamer moesten blijven. De auto bleek een Volkswagen Kübelwagen te zijn die werd gevolgd door een vrachtwagen met Duitse soldaten. Op het erf kwam hij tot stilstand en de mannen stapte uit de voertuigen.
Angstig keken Hans en Pien elkaar aan en vroegen zich af wat zij van hen wilde. Ze bleven dicht bij elkaar staan en wachtte rustig af op hetgeen er komen zou.
‘Goedemiddag dame, goedemiddag boer Verschoor,’ groet de Duitse man Hans en Pien. ‘U hoeft niet te schrikken, mijn mannen en ik zijn al drie dagen onderweg en door onze voorraad water heen. Kunt u ons voorzien van een nieuwe voorraad om onze dorst te lessen.’
Pien reageert direct en glimlachend antwoord ze: ‘Maar dat is toch geen probleem, we zijn niet bang voor u, om de eenvoudige reden dat wij niets te verbergen hebben. Als u wilt kunt u rustig even rondkijken, ga gerust u gang.’ Met haar allerliefste glimlach kijkt ze de man met de pet, waarop het SS-embleem en een doodskop stond, vrolijk aan.
Ze overdonderde de man en hij wierp haar een flauwe glimlach toe, wreef langs zijn kin en keek haar na toen ze het huis inliep.
Even later komt ze terug met twee kannen, één met water en één met melk. Ook heeft ze een mand met appels en peren, die ze uitdeelt en hun drinkmokken vult met water of melk.
Toen de soldaten weer vertrokken bedankten ze de boer en zijn vrouw voor hun verfrissing en het fruit. Opgelucht keken Hans en Pien ze na.
Op een vroege zaterdag lag er een envelop op de deurmat. Voorzichtig opende Hans de envelop en las dat ze bij één van de grote boeren waren uitgenodigd. Hans wilde weigeren, maar Pien stond erop dat ze de uitnodiging moesten aannemen. Er ontstond een felle discussie tussen hen, maar uiteindelijk kon ze haar man toch overhalen dat ze zouden gaan.
De uitnodiging werd aangenomen en op de desbetreffende dag zorgde ze ervoor dat ze er op hun allerbest uitzagen. Samen met de kinderen wandelde ze naar de boerderij van de boer waar de bijeenkomst zou plaatsvinden. Ze werden hartelijk ontvangen en uitgenodigd om vooral iets te eten en te drinken. Hans en zijn vrouw bewonderde de grote pracht en praal die de rijke boer had uitgestald. Bedenkelijk keken ze elkaar aan. Het viel Pien op dat de vrouwen van de andere boeren zich flink hadden opgedoft en hun kostbaarste juwelen droegen. Even waande ze zich zo’n 75 jaar terug, toen de rijke boeren hun knechten voor een grijpstuiver gedurende de oost lieten werken en die ze dan na de oost, buiten een vaste knecht, weer de laan uitstuurde. En op zondag pochte, diezelfde boeren wekelijks in de kerk met hun rijkdom.
De opschepperige boeren waren trots op hun verdiensten die ze op dit moment verdiende. ‘Vorige week heb ik voor een mud-aardappelen een stel diamanten oorbellen met bijpassende halsketting verdiend. Van die stadse mensen, man daar kan je flink wat aan verdienen, geloof mij maar,’ schepte hij op.
Pien die het ene na het andere verhaal aanhoorde voelde zich zo nu en dan misselijk worden en moest grote moeite doen om haar ware gedachten en mening, niet te uiten. Stil trok ze zich terug in een hoek van de grote ruimte. Ze ziet één van de vrouwen naar haar toe komen lopen en zucht diep om zich te herstellen van haar verontwaardiging over hetgeen ze hoort en ziet.
‘Hallo Pien, wat fijn dat je er bent. Hoe gaat het met je,’ vraagt de vrouw? ‘Ik moet je eigenlijk, namens alle aanwezige hier onze excuses aanbieden. We hebben jullie behoorlijk dwars gezeten, maar nu we weten dat jullie aan onze kant staan en wij ons in jullie hebben vergist, hopen we dat je onze excuses wilt aanvaarden.’
‘Ach misverstanden komen in de beste families voor,’ antwoordt Pien met opgeheven hoofd.
Pien heeft geen idee wie de vrouw is. Het enige wat ze van haar weet is dat zij en haar man in het dorp zijn komen wonen toen de oorlog uitbrak. En toch ergens kwam ze haar bekend voor, maar sympathiek vond ze haar niet. Nu ging ze enigszins begrijpen waarom de boeren plots op de hand van haar en haar man zijn. Zouden zij onder druk worden gezet door dit stel?
‘Excuus aanvaard, ten slotte houden wij ons met zijn alle met hetzelfde bezig en proberen we zo goed mogelijk te boeren. Ik hoop dat we na de oorlog ook bevriend kunnen blijven,’ antwoordt Pien.
‘Zolang u maar deze weg blijft volgen, ben ik daarvan overtuigd,’ oppert de echtgenoot van de vrouw die zich bij hen heeft gevoegd.
Plots horen ze een aantal vrachtwagens het erf op komen rijden en hoort Pien één van de aanwezige zeggen: ‘Nee joh, die hoeven niet hier te zijn. Ze moeten natuurlijk bij…,’ maar de man houdt plots zijn mond als hij Pien ziet staan.
Pien krijgt het idee dat alle aanwezige haar kant opkijken, maar als ze lieflijk glimlacht gaan ze weer verder met hun gesprek.
‘Pien…,’ hoort ze Hans vragen? ‘Pien…, het is tijd om te gaan. De kinderen moeten naar hun bed.’
‘Je hebt gelijk, het is de hoogste tijd. Kom laten we afscheid nemen,’ antwoordt Pien.
‘We begrijpen dat jullie al moeten vertrekken. Natuurlijk gaan de kinderen voor, zij hebben hun rust nodig, ten slotte zijn zij de toekomst,’ zegt de pastoor, die een hand op haar schouder legt en een brede glimlach laat zien.
Samen met de kinderen lopen Hans en Pien weer terug naar hun eigen boerderij. Naar mate ze hun eigen erf naderen verstomt het lawaai van het feest. Als ze bij hun eigen kleine gezellige boerderij aankomen stoppen er twee vrachtwagens met Duitse soldaten en verwelkomen de boer en zijn vrouw.
‘Komt u binnen, kinderen haal even melk en water voor de soldaten,’ zegt Pien lachend.
De soldaten gaan zitten en drinken gretig van de melk en eten van de kaas en de zelfgemaakte worst dat hen wordt aangeboden. Hans zorgt ervoor dat de kinderen naar bed gaan en na een uur vertrekken de soldaten, die de boer en boerin bedanken voor hun gastvrijheid.
‘Fijn dat er nog Hollanders zijn die niet zo moeilijk doen. Jullie zullen hier zeker voor worden beloond,’ zegt de soldaat met de hoogste in rang.
Hans en zijn vrouw glimlachen hem toe en Pien zegt: ‘Ach, wij houden nou eenmaal van het Duitse volk. Laten we hopen dat we er allen na de oorlog beter van worden.’
In haar hoofd is een stemmetje dat zegt: ‘Het ligt er maar aan hoe het kwartje valt, aan de kant van de adelaar of het hoofd van Wilhelmina.’
In de maanden die volgen wordt de druk steeds groter. Ze krijgen steeds meer Duitse soldaten en N.S.B’ers op bezoek. Voor de mensen die doorgaans bij hen langskomen voor wat voedsel, wordt het te gevaarlijk om bij hen aan te kloppen.
Op een dag staat er een sterk vermagerde man met zijn fiets voor de staldeur. Hij vertelt Pien dat zij zijn laatste hoop is en ze krijgt medelijden met hem.
‘Ik kom hier niet voor voedsel.’
‘Maar waarvoor dan wel,’ vraagt Pien?
‘Ik kan niet naar huis, is het mogelijk dat ik misschien hier een nacht in het hooi kan blijven slapen. Ik beloof u dat ik u geen last zal bezorgen. Ik weet dat hetgeen ik u vraag gevaarlijk is, want als ze mij vinden dan breng ik u en uw gezin ook in gevaar. Als u weigert, dan begrijp ik dat en ga ik direct weer verder,’ antwoordt hij
De man kijkt haar oprecht aan en ze raakt enigszins emotioneel van zijn verhaal. ‘Komt u maar even verder, dan krijgt u wat te drinken.’ In de keuken gaat hij aan de keukentafel zitten en legt zijn pet op tafel. Pien observeert de man zorgvuldig en probeert hem te doorgronden.
‘Misschien doe ik er geen goed aan om u binnen te vragen, maar u verhaal boeit mij. Waarom wil je hier overnachten?’
Hij kijkt haar aan en er komt een lichte glimlach rondom zijn mond en fluistert: ‘Ik wil u absoluut niet tot last zijn, maar omdat u vraagt waarom ik hier wil overnachten zal ik het proberen uit te leggen. Ik hoop maar dat ik daar niet door in de problemen raak.’
Voorzichtig legt Pien haar hand op de zijne en zegt: ‘Ik begrijp het, u hoeft het me niet te vertellen, maar u kunt me vertrouwen en misschien is het beter als we beide weten wat we aan elkaar hebben. Als ik u kwaad had willen doen dan zat u hier niet in mijn keuken.’
De man twijfelt of hij zijn ausweisdocument aan haar zou laten zien en of hij daar wel goed aan deed. Pien schenk voor beiden een kop sterke koffie in en dan besluit de man dat hij haar zijn verhaal moet vertellen.
‘Ik was,’ begint hij voorzichtig. ‘Ik was samen met mijn twee buren op pad om wat voedsel voor onze kinderen te scoren. We waren al uren onderweg en moesten voor spertijd weer terug zijn, maar de bezoeken aan de boerderijen vergde meer tijd dan we dachten. De meesten boeren ruilen het voedsel alleen voor sieraden, maar we zijn arme zielen dus wat hebben wij te bieden en ik vertik het om mijn trouwring in te wisselen voor een halve mud-aardappelen. We besloten om nog één boerderij aan te doen, maar toen bleek dat de Duitsers midden op de weg een versperring hadden opgebouwd. Ik vertrouwde het niet en stelde voor om terug te keren, maar mijn buren zeiden dat we rustig door konden lopen. We hadden immers een ausweisdocument.
Ik bleef op een veilige afstand, want ik vond het niet safe. Vanuit de verte zag ik dat de Duitsers om hun papieren vroegen, die mijn buren ook aan hem overhandigde. Het document maakte geen indruk en ze werden zonder pardon en hardhandig de vrachtwagen in gejaagd. Ik verstopte me in de berm en ben even later teruggefietst en realiseerde me tegelijkertijd dat het me niet meer zou lukken om voor spertijd in de stad terug te zijn. Weet u ik schaam me, had ik niet met de mannen mee moeten gaan? Het enige waar ik op dat moment aan kon denken was aan mijn gezin, hoe zouden zij het zonder mij moeten redden?’
‘U heeft goed gehandeld, drink u koffie maar op. Ondanks dat het gevaarlijk is om u hier te laten overnachten, laat ik u blijven. Ga naar het bos, daar is een kleine schuilplaats. Ik zal mijn man straks vragen u wat te eten en een stel dekens te brengen. Blijf daar tot één van ons u weer komt ophalen, belooft u dat?’
De man knikt en bedankt haar voor haar hulp. Ze legt hem uit waar hij moet zijn en dan gaat hij op pad.
De volgende morgen wordt de man opgehaald en geven ze hem een zak met voedsel mee voor zijn gezin. Pien geeft hem nog een kop koffie en Hans gaat informeren of het veilig is dat hij zijn weg kan vervolgen. Net op het moment dat de man van de boerderij wil wegfietsen komt Hans terug en vertelt hem dat het op dit moment niet mogelijk is, om veilig naar huis terug te keren. Overal zijn er wegversperringen opgezet. ‘Daar kom je met geen mogelijkheid doorheen,’ vertelt Hans hem.
‘Ik red me wel, ik moet beslist naar huis. Het is een gok, maar zo lang als de oorlog zal duren, zal je moeten gokken. En daarbij komt, hoe langer ik hier blijf, hoe meer ik jullie in gevaar breng,’ antwoordt hij maar Pien vindt dat hij niet moet gaan.
‘Wacht, ik heb een plan,’ roept Pien en overlegt kort met Hans en legt hem haar plan uit. Hans is totaal niet over het plan te spreken, maar Pien dringt, zoals gewoonlijk aan en dan legt Hans zich erbij neer. Ze loopt naar binnen en komt terug met een Duits uniform in haar handen. De man schrikt en vraagt zich serieus af of hij zich in een wespennest heeft gestort.
‘Trek dit uniform aan,’ maant Pien hem.
‘Waarom en hoe komt u aan dat uniform?’
‘Doe nou maar wat ik zeg,’ antwoordt ze ongeduldig. Waarom zijn mannen altijd zo vervelend, kunnen ze nou niet eens gewoon doen wat ze wordt opgedragen, die twijfels altijd. Wij vrouwen kunnen er wat van, maar mannen, gaat het door haar heen.
‘Ik snap er niets van en voel me er niet prettig bij. Ach wat kan het me ook schelen, het is een gestoord plan en er zit niets anders op dan jullie te vertrouwen.’ zegt de man.
Hij trekt het pak aan luistert naar het plan van Pien. Als hij het pak aantrekt lijkt het wel alsof hij jeuk krijgt over zijn hele lichaam. Dat zal wel komen door dat Duitse uniform, denkt hij sceptisch, allergie, glimlacht hij in zichzelf.
‘Probeer net te doen alsof je hevig verliefd op me bent. Geeft niet wat je doet, als je maar veilig je weg kan vervolgen,’ maant Pien hem. ‘Kijk zo,’ en ze pakt hem stevig beet en kust hem stevig op zijn mond. ‘Dat bedoel ik, hoe echter het lijkt, hoe beter het overkomt. Er gebeurt je niets, want in je zak zit een ausweis waarop staat dat je één of andere hoge piet bent. Kijk maar naar je uniform, ze zullen je geen strobreed in de weg leggen.’
Samen gaan ze op weg, hij fiets en zij zit achter op de fiets. Als ze de straatweg oprijden staat er inderdaad net voor de bocht een verspering. Ze stappen af en lopen samen hand in hand verder.
‘Laten we ervoor gaan, later zullen we er hopelijk hartelijk om moeten lachen,’ fluistert Pien.
Ze wandelen op het wachtershuisje af en net voor dat de Duitse soldaat hen bereikt gaat Pien voor haar zogenaamde geliefde staan en begint een flinke vrijpartij. In rap Duits zegt ze: ‘Lieveling het doet me zo’n pijn dat je weer naar het front moet.’
Ze voelt dat zijn handen trillen en ze kijkt hem strak aan. In haar ooghoek ziet ze dat één van de soldaten naar hen toe komt en ze hoopt dat hun plan gaat lukken. De soldaat wil om hun ausweis vragen, maar dan roept een andere soldaat dat hij de man door kan laten gaan.
‘U wilt onze ausweis zien, vraagt Pien. Dat is geen probleem, het enige probleem dat hij heeft is dat hij nog zo dronken is. We hebben samen de nacht doorgebracht en…’
‘Ja…, ja…, het is al goed. Breng hem maar snel naar de vrachtwagen, daar even verderop, antwoordt de soldaat en loopt weer terug naar zijn maat.
Om geen argwaan te kweken sjokken Pien en de man verder en zien dat er een eindje verderop inderdaad een vrachtwagen staat. Tussen de struiken kleedt de man zich om en legt ze hem uit dat hij met zijn fiets, of hij nou wil of niet langs de vrachtwagen moet fietsen.
‘Zij weten niet beter dan dat ze je pas hebben gecontroleerd en dat ze je hebben doorgelaten.’
Met tegenzin doet hij wat ze zegt en stapt op zijn fiets en rijdt trots in de richting van de vrachtwagen. Even krijgt ze het zwaar benauwd van de schrik als ze plots in de gaten heeft…, maar dan wuift ze haar angstige gevoel weg alsof het niet belangrijk is. Ze kruist haar vingers op de goede afloop. Dan ziet ze de vrachtwagen naderen en haar voorbij rijd.
Een diepe zucht ontsnapt. Gelukkig het is gelukt.
In de hoop dat de Duitse soldaten, die zij op de heenweg te slim af was geweest, haar opnieuw met rust zullen laten, loopt ze gespannen de weg terug naar huis. Als ze langs de post loopt groet ze hen vriendelijk, maar zij tonen geen enkele interesse in haar. Opgelucht loopt ze door en kijkt nog even om. In de verte ziet ze een legerauto aankomen rijden, die als hij haar nadert, plotseling gas terugneemt en naast haar stil blijft staan. Even denkt ze, ik ben erbij, maar dan geeft de chauffeur weer gas en verdwijnt de vrachtauto in de verte. Intussen bonst haar hart zwaar in haar borstkas en besluit ze even in de berm te gaan zitten. Het angstzweet breekt haar uit en ze realiseert zich dat ze hier niet in de berm kan blijven zitten. Ze staat op en loopt flink doorstappend terug naar de boerderij.
Enkele dagen later hoort ze dat er die dag veel mensen waren opgepakt en weggevoerd. Het betroffen niet alleen de joodse mensen, die hier en daar onder waren gedoken, maar ook mensen die gewoon opzoek waren geweest naar voedsel voor hun gezin. Sommige werden, als ze zich verzette, zonder pardon overhoopgeschoten.
Tijdens een bezoek die enkele boeren aan Pien en Hans brachten, werd het hun duidelijk wat er zoal in het dorp gebeurde onder het bewind van de Duitsers.
‘Je moet wel goed gek zijn om onderduikers in je huis op te nemen. Die rotmoffen komen daar altijd achter. Hans, doe het niet, want je verraders slapen niet,’ waarschuwde één van de buren.
Pien had de man aangekeken en geantwoord: ‘Als ze denken dat ze hier onderduikers kunnen vinden, moeten ze zich niet schromen om de boerderij van onder tot boven te doorzoeken. Heb jij misschien onderduikers en ben je bang dat wij de Duitsers erover zullen inlichten.’
Pien wist dat de man pro-Duist was en op een vastberaden toon sprak ze hem toe: ‘Ik denk dat het voor beide partijen beter is dat je vertrekt en nooit meer één voet over de drempel van de boerderij zet. Ten minste, niet zolang wij hier wonen.’
Mopperend vertrok de boer en werd nagekeken door Hans en Pien. Toen hij uit het zicht was zuchtte Hans diep en fluisterde: ‘Hopelijk krijgen we hier niet al te veel problemen door.’
‘Wat bedoel je, waarom zeg je dit,’ antwoordt Pien.
Hans neemt haar in zijn armen en geeft haar een knuffel. ‘Lieverd, ik denk dat het tijd wordt dat we ervoor moeten gaan zorgen dat de kinderen in veiligheid worden gebracht. Ik ben er niet gerust op. Dat was ik altijd al, maar ik vermoed dat het nu toch echt te gevaarlijk wordt om ze hier te houden.’
Ze wist dat hij gelijk had en liefdevol kust ze zijn voorhoofd. ‘Laten we er een nachtje over slapen.’
In de verte was het lawaai te horen van de gevechtsvliegtuigen en zo af en toe hoorde ze een ontploffing. Ze waren maar net in slaap gevallen, toen er aan de deur werd geklopt. Pien loopt via de achterdeur rondom het huis en staat dan plots tegenover een persoon die geheel gekleed is in donkere kleding. Hij nadert haar voorzichtig en fluistert: ‘Niet schikken, goed volk, maar ik word nagezeten door de Duitsers, alstublieft help mij en mijn gezin. U bent mijn enige hoop.’
‘Loop maar snel met me mee,’ fluistert ze de smekende man toe. Ze gaat ze voor naar de stal, waar de koeien haar lobberig aankijken, en laat ze in het hooi plaatsnemen. Intussen is ook Hans de stal ingekomen en richt het schijnsel van zijn zoeklicht op het gezicht van de man. ‘U bent van Joodse afkomst, klopt dat?’
De man kijkt hem vertwijfelend aan en geeft met moeite toe dat dat zo is.
‘Tja, dan zit u inderdaad behoorlijk in de problemen, want u zit in het hol van de adelaar. Waar is de rest van uw gezin,’ vraagt Pien? ‘Ik begrijp het al, stom van mij. Dat gaat u mij natuurlijk niet vertellen.’ Ze kijkt de man doordringend aan. ‘We willen u best helpen, maar we zouden echt niet weten hoe.’
‘Dus, ik heb op het verkeerde adres aangeklopt. Een persoon vertelde ons dat we naar hier moesten vluchten en dat u mijn gezin zou redden. Het komt er dus op neer dat we verraden zijn en dat ik uw gezin waarschijnlijk erin meesleep. Uw man, die zojuist is weggelopen stelt op dit moment vast de NSB op de hoogte.’
‘Ik weet niet wie u naar hier heeft verwezen, maar u kunt ons vertrouwen. Mijn man en ik zullen nooit onschuldige mensen laten ombrengen.’
‘Als u het zegt,’ antwoordt de man en Pien ziet dat de man de uitputting nabij is en zich leek over te geven aan de situatie. Zover kan een mens dus gebracht worden, gaat het door Pien heen. Zover, dat het leven er niets meer toe doet, wat er ook met je gebeurt.
Zachtjes komt Hans de schuur weer in. Achter hem loopt een vrouw en twee kinderen. Als de vrouw haar man ontdekt vliegt ze hem om zijn hals. Na de omhelzing duwt de man haar voorzichtig van zich af en zegt: ‘Deze meneer heeft ons vertelt dat we van hen niets te vrezen hebben. Natuurlijk mogen we angstig zijn, dat zijn zij ook, maar ze gaan proberen om een schuilplaats voor ons te vinden.’
‘Ja schat, we overvallen ze. Dat heb ik inmiddels ook begrepen, maar het zijn lieve mensen. Dank jullie hiervoor,’ zegt de man terwijl hij zich tot Hans en Pien richt.
Hans loopt de schuur weer uit, maar komt even later terug met dekens en voedsel. ‘Voorlopig moeten jullie je achter het hooi verschuilen. Pas als wij zeggen dat het veilig is, kunnen jullie er weer achter vandaan komen, beloven jullie dat?’
Het gezin knikt instemmend en nestelt zich in het hooi en doen zich te goed aan het eten dat Hans ze gegeven heeft.
Door het nachtelijke bezoek is er die nacht van slapen weinig terecht gekomen en Hans en Pien piekeren hoe ze met deze situatie om moeten gaan.
Vroeg in de morgen gaat Pien naar de stal om de koeien te melken en ziet dat het gezin zich keurig aan de regels houdt. Ze neemt ze mee naar de bijkeuken en zet ze een goed ontbijt voor.
De man staart naar het ontbijt en voelt dezelfde wantrouwen in zich opbloeien als vannacht. Pien ziet dat hij haar argwanend aankijkt en gaat op een krukje bij ze zitten.
‘Lieve schatten, ik begrijp best dat jullie het niet vertrouwen, maar geloof me mijn man en ik doen ons uiterste best voor jullie. Vergeet niet dat als jullie hier worden ontdekt dat ook mijn man en ik de klos zijn. Ook wij hebben een gezin, maar dat maakt de Duitsers niet uit. We zullen allemaal de kogel krijgen, als dit uitkomt.’
De vrouw van de man kijkt Pien verslagen aan en antwoordt: ‘Ik begrijp jullie bezorgdheid en ik kan niet in een glazenbol kijken om te zien wat deze oorlog ons zal brengen, maar als jullie er niet gerust op zijn dan zullen we vertrekken. U heeft vannacht al zoveel voor ons gedaan en van dit ontbijt sterken we aan.’ Haar man buigt zijn hoofd en neemt haar hand in zijn hand en kust hem liefdevol.
‘Voorlopig zijn jullie achter de hooibalen veilig,’ zegt Pien.
Een paar dagen later krijgen Hans en Pien bezoek van Duitse officieren en het joodse gezin wordt gemaand om vooral niet achter de hooibalen vandaan te komen. Het gezin hoort dat er wordt gelachen en gedanst. Ze begrijpen er niets van.
‘Misschien moeten we toch maar vertrekken,’ oppert de man. ‘Volgens mij gebruiken ze ons. Er klopt hier iets niet.’ Zijn vrouw kijkt hem angstig aan en knikt instemmend.
De muziek wordt steeds luider en voorzichtig verlaten ze de stal, ook al hebben ze er geen flauw idee van waar ze naar toe zouden moeten gaan. Voorzichtig sluipen ze door het weiland naar het aangrenzende bos.
‘Blijf even staan,’ horen ze plots. ‘Jullie kunnen nergens heen, ga terug naar de stal. Ik vraag het maar één keer en als jullie besluiten om door te gaan, dan trekken wij onze handen van jullie af,’ waarschuwt Pien ze.
Om geen argwaan te wekken loopt Pien snel terug naar de boerderij. Stel je voor dat één van de Duitsers haar midden in het weiland zou ontdekken. Ze zou dan wel een hele goeie smoes moeten verzinnen om hem van zich af te schudden. Pien begrijpt heel goed waarom het joodse gezin is weggegaan. Ik geloof dat ik hetzelfde zou doen in hun geval en ze hoopte maar dat het goed gaat met die vier mensen, die haar inmiddels na aan het hart liggen.
Vroeg in de morgen vraagt ze haar kinderen of zij haar willen helpen met het melken en samen lopen ze met de schone emmers naar de stal. Plots blijft Jan midden in de stal staan en wijst naar de hooibalen. ‘Mam er zitten mensen achter de hooibalen.’
Verbaast kijkt ze Jan aan en dan ziet ze dat de joodse man zich voorzichtig laat zien. Verheugd loopt Pien op hem af en omhelst het gezin. ‘Oh, wat ben ik blij dat jullie mijn raad hebben opgevolgd. Kijk, dit is mijn zoon Jan en dat is mijn dochter Fien.’
Ook Hans komt de schuur binnen en groet het joodse gezin. ‘Mijn vrouw vertelde mij dat jullie op de vlucht waren geslagen. We begrijpen dat wel, later vertellen wij jullie hier meer over. Het zou fijn zijn als we jullie namen zouden kennen, dat praat wat makkelijker.’
De joodse man stelt zijn gezin aan hen voor: ‘dit is mijn vrouw Chaya, onze zoon Ozzi en Noya onze dochter en ik ben Zev.’
‘Het is goed om elkaar te leren kennen,’ antwoordt Hans. ‘Laten we even praten.’
‘Ik ben één en al oor,’ antwoordt Zev.
In de bijkeuken gaan Zev en Hans om de tafel zitten en Hans legt hem uit dat ze geen enkele vrees hoeven te hebben voor hem en zijn gezin. ‘Jullie hebben vannacht ongetwijfeld doodsangsten uitgestaan, maar je moet begrijpen dat dat onze strategie is. We proberen om zo min mogelijk argwaan te wekken in deze regio waar de meeste boeren samen werken met de moffen. Tenzij ze hun beurs kunnen spekken, want dan kijken ze ineens de andere kant op. Mijn vrouw en ik hebben de hele nacht wakker gelegen en gehoopt dat jij en je gezin een veilig onderkomen hadden gevonden. We willen jullie graag helpen en hopen dat het goed gaat, want niet alleen jullie lopen gevaar, maar ook ons gezin. Wat mijn vrouw en ik voor ogen hebben is waarschijnlijk moeilijk te verwezenlijken, maar we kunnen het proberen. Het probleem is dat ik weinig verstand heb van bouwen.’
‘Hans, mag ik je even onderbreken?’
‘Ja natuurlijk, ga je gang.’
‘Misschien kan ik je helpen. Ik ben namelijk bouwtechnisch tekenaar. Net voor de oorlog uitbrak heb ik mijn opleiding afgerond. Dus als je mij je plan vertelt dan kan ik misschien wat voor je betekenen.’
Hans wordt enthousiast en klopt hem op zijn schouders. ‘Dat is fantastisch, ik zal je mijn plan uitleggen.’ Na zijn uitleg vertelt Zev dat hij het een goed plan vindt en dat hij wel een idee heeft hoe hij de plannen van Hans op papier kan zetten. ‘Maar waar haal je het benodigde materiaal vandaan?’
‘Daar heb ik over nagedacht,’ antwoordt Hans. ‘Dat stuk bos, achter mijn boerderij is van mij. We hakken de dunste en langste bomen om en zetten deze zo dicht mogelijk onder de gierput, zodat deze wordt gestut en verstevigd.’
‘We zullen eerst de afmetingen van die gierput moeten weten en daarna kan ik het ontwerp maken.
‘Laten we zo snel mogelijk aan het werk gaan, zodat jullie een veilig onderkomen hebben. De ruimte kunnen we opvullen met meubilair dat we zelf kunnen vervaardigen. Hoe moeilijk kan het zijn om een bed en een tafel te maken. Over de overige spullen maak ik mij niet druk. Die Duitsers hebben en zwak voor mijn vrouw en ze krijgt veel van ze gedaan. Ze heeft er niet veel moeite mee om volovertuiging heil Hitler te roepen. Niet dat ze het leuk vindt, maar ze kan ze op die manier goed in de gaten houden. Het merendeel van de boeren blijken pro-Duits te zijn, maar we kunnen ons vergissen. Misschien houden sommige, net als wij, ze alleen maar te vriend. Wat de gevolgen van onze daden zullen zijn, dat merken we na de oorlog wel. Het kwartje kan twee kanten opvallen, dat zien we dan wel weer. Het is een gok, maar veel keuze hebben we niet.’
Tijdens het gesprek tussen de twee mannen was Pien ook aan de keukentafel aangeschoven en had het gesprek gevolgd. Stil en ingedachte zit ze voor zich uit te staren. Ze denkt na over hetgeen er in het dorp en de landerijen om haar heen gebeurt. Wie bevindt zich aan de goede kant en wie niet en wat zou na de oorlog de goede kant blijken te zijn?
‘Je zit wel heel diep in gedachten,’ hoort ze Zev plots zeggen.
‘Ja, dat kun je wel zeggen. Er gaat van alles en nog wat door mij heen, maar het is goed,’ antwoordt ze zonder op de details in te gaan.
Zev zou waarschijnlijk niet begrijpen waar zij met haar gedachten was. Voor hem was de oorlog totaal anders dan voor de boer en zijn vrouw. Hij liep in gevaar omdat hij Joods was, zij kozen ervoor om in het verzet te gaan. Niemand zou het hen kwalijk kunnen nemen als zij zich van hen af zouden wenden.
Ondanks dat Zev ze pas een paar dagen geleden had leren kennen had hij bewondering voor deze twee mensen. En nu, nu zitten we allemaal in hetzelfde schuitje, ik omdat ik Joods ben en zij omdat zij ons beschermen tegen de Duitsers, gaat het door hem heen.
‘Weet je Zev,’ gaat Pien verder. ‘Ook wij hebben slapeloze nachten en als wij jullie kunnen redden met deze plannen, dan zou dat fijn zijn. Ik weet het, het is een druppel op een gloeiende plaat, als je je bedenkt hoeveel mensen er worden afgevoerd. Ach… het wordt soms best wel wat ingewikkeld. We hebben het hier heel fijn en we zijn tevreden hier. Niemand kan ons op dit moment vertellen wat de toekomst in petto heeft. Gelukkig zijn mijn man en ik het eens over onze denkbeelden. Weet je Zev, denk er maar niet te veel over na. Ik moet jullie nu even alleen laten, omdat ik naar het dorp moet.’
Zev kijkt haar na en begrijpt niet wat ze precies bedoelt en opnieuw komen er angstige gevoelens bij hem boven drijven. Zijn wantrouwen is nog steeds niet afgenomen. Is zijn gezin hier werkelijk veilig of…? Hij staat op en gaat terug naar zijn vrouw. ‘Schat, op dit moment kunnen we eigenlijk niets anders. We hebben een keus, maar eigenlijk ook weer niet. Het enige wat we kunnen doen is hopen.’
Zijn vrouw legt haar hand tegen zijn wang en vraagt: ‘Wat heb je met de boer besproken?’
‘Hans heeft een groots plan en ik help hem daarmee. Laten we het er maar op wagen en hem vertrouwen.’
In de nachtelijke uren gaan ze aan het werk om het plan te verwezenlijken. Er wordt bepaald waar de boomstammen de grond in moeten om de onderduikkelder te stutten en Hans laat de technische werkzaamheden volledig aan Zev over. Als het zover is graven ze allereerst de aarde onder de gierput vandaan en stutten deze met de inmiddels afgezaagde bomen uit het bosperceel van Hans. Heel soms konden ze overdags verder werken aan hun plan en dikwijls vielen de mannen dan tijdens het avondeten van vermoeidheid heel even inslaap.
De hooiberg zal naar voren moeten worden verplaatst en de ingang van de kelder wordt op een vernuftige manier aan het zicht onttrokken. Van buitenaf zou niemand kunnen zien dat er meer dan alleen een hooiberg aanwezig zou zijn.
Einde van deel 1
