Angstaanjagend
Deel 2
Zo rijgen de dagen zich aan elkaar en op een dag arriveert er een vrachtwagen met Duitse soldaten die tot hun grootste vreugde de door Pien geregelde materialen kwam afleveren. Er was zelfs aan een kleine shovel gedacht. Pien had ze verteld dat zij en haar man heel graag een klein waterbassin wilde aanleggen, als reservevoorraad voor eventuele droge zomers en daar hadden zij deze materialen voor nodig. Ze nam ze dankbaar in ontvangst en bereiden een lekkere maaltijd voor de soldaten en schonk ze de drank in, die de soldaten overigens zelf hadden meegenomen. Het werd een klein feestje en er werd gedanst en gelachen.
Zev en zijn gezin hielden zich weer schuil achter het hooi in de stal. Op een gegeven moment sluipt Zev naar de boerderij en gluurt door het raam naar binnen. Daar ziet hij Pien dansen met enkele soldaten en hij krijgt er een brok in zijn keel van. Somber sluipt hij terug naar zijn gezin en vertelt zijn vrouw wat hij had gezien. Ze haalt haar schouders op en fluistert: ‘Laten we ons rustig houden, stel je voor dat ze ons vinden. Dan zijn we de klos.’
Zev viel uiteindelijk in slaap, maar in zijn dromen zag hij telkens de boerin in de armen van die soldaten dansen. Plots voelt hij dat er aan hem geschut wordt. Als hij zijn ogen opent dan ziet hij Hans die zijn vinger tegen zijn mond houdt, als teken dat ze stil moeten zijn en gebaard het gezin hem te volgen.
Ze sluipen naar het bos en verschuilen zich achter de struiken.
‘Blijf hier en als de kust weer veilig is dan kom ik of mijn vrouw jullie weer ophalen,’ fluistert Hans en behoedzaam sluipt hij weer terug naar de boerderij.
Tegen de tijd dat alle Duitsers vertrokken, hoopte Zev dat hij en zijn gezin snel zou worden opgehaald, maar plots hoorde ze opnieuw een vrachtauto het erf oprijden. Stil wachtte ze vanachter de struiken af en hoopte maar dat er niets aan de hand zou zijn.
Hans en Pien die vermoeid aan de keukentafel zaten en naar bed wilde horen ook de vrachtauto het erf op rijden.
‘Misschien zijn ze iets vergeten,’ oppert Pien. ‘Het lijkt mij het beste dat je Zev en de andere het bos in stuurt.’
‘Lieverd dat heb ik al gedaan, ik had zo naar voorgevoel vanavond. Ze zijn veilig.’
‘Ik ga wel even vragen wat ze willen,’ stelt Pien voor.
Hans hoort Pien druk in gesprek met de soldaten die haar vertellen dat zij opdracht hebben gekregen om de boerderij te doorzoeken. Ook Hans besluit naar buiten te gaan en te vragen waarom ze hen zo laat in de avond nog komen storen.
‘Zijn jullie iets vergeten, mijn vrouw en ik stonden juist op het punt om naar bed te gaan.’
Ze duwen hem opzij en een SS-officier vraagt hem of hij joden in zijn huis heeft verborgen.
‘Onderduikers, hoe komt u erbij. Wij staan aan jullie kant, dat is toch bekend. Nee, u vergist zich, hoe komt u erbij, maar als u het nodig vindt, kijk dan maar rustig rond. Als u het niet erg vindt gaan mijn vrouw en ik naar bed, want morgen wacht er weer een drukke dag voor ons.’
Hans wordt hardhandig naar binnen geduwd een het huis wordt van top tot teen onderzocht. De kinderen die inmiddels ook wakker geworden waren gaan slaperig bij hun moeder zitten. Gelukkig vallen de meisjes tegen haar aan weer inslaap. Alleen Jan is nog wakker, maar die doet net alsof hij op de bank weer inslaap is gevallen. Geduldig wachtten ze af totdat ze klaar zijn met het doorzoeken van de boerderij. Elke minuut dat ze bezig zijn lijkt wel een uur.
Plots staat de SS-officier weer voor ze en vraagt waarom die shovel achter de boerderij staat.
Pien gaat voor hem staan en barst in lachen uit. ‘Wilt u weten waarvoor we die gebruiken. Nou heel simpel, meneer de officier. We graven een schuilkelder voor het geval de vijand ons bombardeert. Ik herinner me nog heel goed dat jullie bommen naar beneden kwamen. Op het huis van één van onze buren kwam dat ding terecht en het hele gezin kwam daarbij om. Wij hebben deze shovel te leen en dat kunt u navragen bij u meerdere. Vraag hem dan ook direct of hij ons verdenkt van verraad,’
‘Ik denk dat mijn vrouw u nu wel heeft uitgelegd waarvoor wij de shovel te leen hebben en daarbij komt dat wij in de zomermaanden een waterbekken nodig hebben om ons gewas te besproeien,’ valt Hans zijn vrouw bij.
Aarzelend kijkt de officier hem aan en besluit om zijn manschappen terug te roepen. ‘Ik denk dat hier sprake is van een misverstand. Goedenacht…,’ antwoordt hij en rijdt op zijn motor het erf af.
De overige soldaten stappen in de vrachtauto en verdwijnen ook van het erf.
Trillend van de zenuwen valt Pien in de armen van Hans, die haar kalmerend toespreekt.
‘Mam, zijn ze weer weg,’ horen ze Jan vragen?
‘Ja schat, ze zijn weg. Kom ik breng je weer naar je kamer. Daar stopt ze haar oudste onder de wol en geeft hem een kus. ‘Ga maar weer lekker slapen.’
Jan trekt de dekens over zich heen en kijkt naar het zolderraam dat een klein stukje van de sterrenhemel prijsgeeft. Zijn kamer is klein, maar hij vindt het heerlijk vertoeven daar. Vanuit het raam kan hij niet alleen de sterren zien, maar ook hoort hij vaak de vliegtuigen overvliegen die richting Engeland vlogen. Het geronk van de motoren, daar kreeg hij koude rillingen van. Dat geluid vindt hij geweldig om naar te luisteren en soms vliegen ze zo laag dat de dakpannen ervan trillen en dan kan hij de bommenwerpers goed bewonderen.
Ook de meisjes worden weer naar bed gebracht en Pien hoopte maar dat ze niet veel van de gebeurtenis hadden meegekregen.
Intussen is Hans naar het bos gelopen en meldt Zev en zijn gezin dat het weer veilig is om terug te keren.
‘We moeten ervoor zorgen dat de schuilkelder zo snel mogelijk af is. De volgende keer hebben we misschien niet zoveel geluk,’ oppert Zev.
‘Je hebt gelijk, ik was even bang dat ze jullie zouden ontdekken.’
‘Wat ik wel heb gezien is, dat één van de soldaten de gierput onderzocht. Toen riep hij er een andere soldaat bij en gaf hem het bevel om zijn hand erin te steken. Ik dacht nog, straks zijn we erbij, maar het liep goed af. Hij moest trouwens wel behoorlijk kotsen, nadat hij er met zijn hand doorheen had geroerd. Toen ontdekte ze de shovel, die ze ook van onder tot boven bekeken.’
‘Dat klopt, ze vroegen waarom wij in het bezit waren van een shovel. Pien gaf hem daar antwoord op en zei dat hij dat maar aan zijn meerdere moest vragen en toen was het hele gebeuren snel afgelopen en vertrokken ze.’
‘Weet je Hans, ik heb bewondering voor jullie. Ik weet niet of ik zo sterk in mijn schoenen zou staan. Als we dit overleven, zijn jullie voor altijd onze helden.’
‘Ach…, laten we daar maar even niet bij stil staan. We moeten alert blijven, dan overleven we het misschien. Maar Zev, die truc met die gierput werkt dus. Geen enkele mof zal met zijn hand door de stront gaan roeren,’ glimlacht Hans en samen lachen ze om het beeld die zij in gedachten zien.
Na deze nacht is het ijs tussen beide mannen gebroken en is er een wederzijds vertrouwen ontstaan.
Zev legt zijn hand op de schouder van Hans en fluistert: ‘Hans…, misschien denk jij er anders over, maar ik maak mij zorgen om jullie kinderen. Die weten wat hier gebeurt en ik moet er niet aan denken wat er met ze gebeurt als de moffen de kinderen onderdruk zouden gaan zetten.’
‘Je hebt gelijk, ik moet het er met Pien over hebben. Ook ik maak mij daar al een tijdje zorgen over.’
Dezelfde nacht nog hebben Hans en Pien een gesprek over hun kinderen en ze zijn het er beiden over eens dat het tijd wordt dat ze naar een veilig onderkomen moeten worden overgebracht. Hoe ironisch is de situatie. Zij die mensen helpen om een veilig onderkomen te krijgen, zijn nu genoodzaakt hun eigen kinderen in veiligheid te brengen. Deze nacht huilt Pien voor het eerst om haar kinderen, die haar zo dierbaar zijn.
‘Schat je hebt gelijk,’ had ze Hans geantwoord toen hij haar vertelden dat, niet alleen hij maar ook Zev zich zorgen maakte over de kinderen. ‘Ook ik heb er al over nagedacht en heb al contact met iemand opgenomen, maar ik zeg niet wie. Wat je niet weet, kan je ook niet verraden.’
De volgende avond vertelt Hans aan Zev wat Pien en hij hebben besloten. ‘Morgen, aan het eind van de dag worden ze alle drie opgehaald en worden ergens in het noorden ondergebracht. Meer kan ik je niet vertellen.’
Zev staart hem aan en buigt dan zijn hoofd. Langzaam gaan zijn handen omhoog en slaat ze voor zijn gezicht. Met tranen in zijn ogen fluistert hij: ‘Dat is toch beschamend, ik heb mijn volledige gezin bij me en jullie moeten je eigen kinderen verplaatsen om ons te redden. Dat kan ik toch niet toelaten…,’ maar verder komt hij niet omdat het hem te veel wordt.
‘Kom op Zev, het is oorlog en we hebben geen keuze. Ik vind het heel nobel van je, maar we kunnen jullie niet wegsturen. Als ik zou kunnen zou ik ook jouw kinderen meegeven, maar zo werkt het nou eenmaal niet. Kom Zev, laat het rusten.’
Pien die het gesprek tussen beide mannen heeft gevolgd, slaat een arm om de schouders van Zev.
‘Zev, zorg jij nu maar samen met mijn man dat die kelder afkomt. We zullen dan allemaal een stuk geruster zijn. Ik weet zeker dat er op een gegeven moment meer mensen zich bij ons zullen melden voor onderdak en dat betekent dat er verschillende culturen en geloven bij elkaar zullen komen. Jullie zullen elkaar kunnen steunen totdat die ellendige oorlog voorbij is. Als onze kinderen hier zouden blijven, en dat weet ook jij, is ook hun lot niet te voorspellen. Of ze nu Arisch zijn of niet.’
Zev knikt beschaamd en loopt naar zijn gezin. Tegenover zijn vrouw zwijgt hij over hetgeen Hans en Pien hem vertelde. ‘Schat, het zijn de fijnste en dapperste mensen die ik ooit heb ontmoet,’ zegt hij tegen zijn vrouw. Plots breekt hij en kan hij zijn tranen niet meer bedwingen. Troostend neemt zijn vrouw hem in haar armen en streelt door zijn haar, dat hem enigszins kalmeert.
‘Lieverd, ik vind jou ook heel dapper,’ fluistert ze.
Aan het eind van de dag nemen Hans en zijn vrouw afscheid van de kinderen. Trientje van vier huilt hartverscheurend omdat ze bij haar moeder wil blijven. Fien neemt troostend haar kleine zusje onder haar hoede en probeert haar eigen tranen te bedwingen. Hans en Pien hebben de kinderen zo goed als mogelijk is, uitgelegd dat dit de beste oplossing is. ‘Zodra alles weer voorbij is dan komen we jullie direct weer ophalen,’ probeert Pien de meisjes te troosten. Lang houdt ze ze liefdevol in haar armen en verbergt haar gezicht in hun lange blonde haren, zodat ze haar tranen niet kunnen zien. Ook Jan neemt ze in haar armen en vraagt hem vooral voorzichtig te zijn. De vorige avond hadden ze met hem gesproken en de situatie uitgelegd. Pien had hem een verzegelde brief gegeven en op zijn hart gedrukt dat hij deze pas na de oorlog zou mogen openen.
Voordat Fien de paardenwagen instapt, die hen naar het treinstation zou brengen, loopt ze nogmaals naar haar moeder: ‘Mam, zul je goed op jezelf passen,’ had ze wijs gesproken. ‘Ik ga je zo missen,’ maar dan vloeien er ook bij haar de tranen over haar wangen. Ook zij stapt nu in de paardenwagen, die langzaam het erf afrijdt.
De kinderen zullen met de trein naar het noorden gaan en Pien had geregeld dat ze vandaaruit zouden worden opgevangen door lieve mensen die ze vertrouwden. Het gaf haar rust dat ze veilig waren.
Voor de treinkaartjes en de reisdocumenten had ze een hoge prijs moeten betalen. Niet een prijs in geldelijk opzicht, nee ze had ze van een SS’er en die wilde in ruil voor de kaartjes een paar uurtjes van haar lichaam gebruik maken. Even had ze getwijfeld, maar de veiligheid van haar kinderen was haar veel waard en dus had ze ermee in gestemd. Ze was er niet trots op, voelde zich vies en uitgewoond.
Tegenstribbelen had geen zin gehad en dus had ze wederom haar acteertalent ingezet en de man op zijn kamer zijn gang laten gaan. Het gevoel haar man ontrouw te zijn geweest eisten zijn tol, maar ze wist ook dat hij er niet mee zou kunnen leven. Ze kende hem maar al te goed. Nee, deze gebeurtenis zou ze voor de rest van haar leven voor zich moeten houden.
Somber was ze thuisgekomen met de benodigde papieren en de kaartjes. Zijdelings had hij haar gevraagd hoe ze deze had weten te bemachtigen. ‘Ach, het lijkt mij beter om je dit niet te vertellen,’ had ze geantwoord. Argwaanend had hij haar aangekeken en ze had vol schaamte haar gezicht van hem afgewend.
De weken vlogen voorbij en eindelijk was de schuilkelder gereed. De Duitse soldaten waren nog éénmaal aankomen waaien en van hen vernamen ze dat de meeste van hen naar het oostfront werden gezonden. Op een gegeven moment vroeg één van de officieren naar het uniform dat hij in het verleden was vergeten mee te nemen. ‘Ik denk dat u zich vergist, hier is nooit een uniform blijven liggen. Waarschijnlijk heeft één van uw soldaten deze meegenomen en is het u ontgaan,’ had Pien geantwoord. Voordat de officier kon antwoorden stond Hans achter haar en zweeg de officier over het onderwerp. Ze namen afscheid van de mannen die ze regelmatig hadden ontvangen en wenste ze veel geluk.
Hans en Pien realiseerde zich dat ze de soldaten waar ze afscheid van hadden genomen waarschijnlijk nooit meer terug zouden zien. Met sommige hadden ze diepgaande gesprekken gevoerd, zeker als degene vervelende berichten van het thuisfront had gekregen. Enkele hadden ze moeten troosten omdat ze hun vrouw en kinderen mistte of als er een geliefd familielid was gestorven. Op dat moment zag je duidelijk dat er van beide kanten veel verdriet werd geleden, ongeacht aan welke kant je stond. En op zo’n moment schaamde Hans en Pien zich dat ze hen gebruikte voor eigen gewin.
Na zo’n moment hadden ze vaak een gesprek met Zev, die hen op een gemoedelijke wijze aanhoorde. ‘Ik begrijp jullie best. Het merendeel van deze jongens waren niet slecht voor jullie. En ja, jullie moesten ze wel gebruiken, maar hoe je het ook went of keert, het zijn ook maar mensen. Ik haat ze ook, maar vergeet niet dat er veel aan vooraf is gegaan. De meeste leden blinde armoede en toen kwam de Führer die beloofde hem gouden bergen. Dat noemen ze massapsychologie, geloof me of niet, maar dat is een groot psychologisch proces. Indoctrinatie, dat speelt al zo lang de mensheid bestaat. En straks als alles voorbij is, herhaalt de geschiedenis zich over 100 jaar opnieuw. Ik ben van Joodse afkomst, maar niet belijdend. Door mijn wetenschappelijke inzichten heb ik mij er altijd ver van gehouden, maar je afkomst kun je niet verloochenen. Als je niet meegaat in het geheel dan word je op een zijspoor gezet. En of je het nu leuk vindt of niet, meestal is dat gewoon zo. Iemand vertelde mij eens een gezegde: ‘Er zijn altijd mensen, die slimmer zijn dan jezelf ’en geloof me, ik kan dat beamen. Tot nu toe zijn jullie de Duitsers telkens te slim af geweest en laten we hopen dat we met zijn alle ongehavend de oorlog doorkomen. Maar beeld je nu eens in. Stel…, stel…, de oorlog is afgelopen, en wat dan…?’
Pien had hem aangehoord en zegt: ‘Weet je lieverd, ik had het niet mooier en wijzer kunnen verwoorden. Je hebt gelijk,’ fluistert ze en omhelst hem vriendschappelijk.
‘Ik hoop dat we met zijn alle de oorlog ongeschonden mogen overleven en ja we zullen er dikwijls aan terugdenken en de angst en de pijn voelen die we met zijn alle moeten doorstaan, maar wie niet sterk is moet slim zijn, toch? Kom laten we je gezin naar de schuilkelder brengen. In de nacht, als er ten minste geen gevaar dreigt, kunnen jullie misschien weer luchten.’
Ze halen de andere op en lopen naar de schuilkelder. Eerst wordt de schuif aan de zijkant van de gierput omhooggeschoven en een laagje gier uit de put geschept. Dan komt het luik tevoorschijn die met een ring omhoog wordt getrokken. Doormiddel van een trap loopt het gezin naar beneden en wordt er in de ruimte een olielamp ontstoken. De schuilplaats wordt weer afgesloten en opnieuw voorzien van een laag gier.
Hans en Pien lopen terug naar de boerderij waar Hans een schakelaar omzet, die de schuilkelder goed verlicht en ze de olielamp kunnen doven. Drie omgehakte bomen, die ze voor de kelder gebruikte waren vanbinnen uitgehold en bij één daarvan was een regenpijp ingeschoven. Die pijp kwam uit op één van de schoorstenen van de boerderij. De overige twee boomstammen werden gebruikt voor voedseldropping. Op deze manier was het mogelijk om zelf hun maaltijden te bereiden, omdat de rook via de regenpijp naar het dak werd verplaatst. Alles was tot in de puntjes uitgeprobeerd en pas toen ze vonden dat het veilig was, werd de kelder in gebruik genomen.
‘Hans, als Zev met al zijn kennis, ons pad niet was gekruist, hadden we dit nooit voor elkaar gekregen,’ oppert Pien.
‘Ach schat, Zev zou zeggen, dat is het lot.’
Zo gingen de dagen in alle rust voorbij en was er gelegenheid om wat uit te rusten van alle spanning en inspanning. De dorpelingen keken meer en meer met een scheef oog naar Hans en Pien en die voelde de verwijdering duidelijk aan.
Zo gingen de dagen in alle rust voorbij en was er gelegenheid om wat uit te rusten van alle spanning en inspanning. De dorpelingen keken meer en meer met een scheef oog naar Hans en Pien en die voelde de verwijdering duidelijk aan.
Inmiddels werd het voedselprobleem groter en groter in het land, niet dat de dorpelingen er veel van meekregen. Op de boerderijen was nog genoeg in voorraad en via de kerk werd er hier en daar wat uitgedeeld aan de armen. Dat was dan ook de voornaamste reden waarom de meeste zich bij de kerk hadden aangesloten, waar ze dan ook elke zondag trouw naar toe gingen. Pien gaf niet veel om het geloof, maar voelde zich verplicht, gezien de positie waarin zij en Hans zich bevonden om toch elke zondag te gaan. Ze wisselde elkaar af, de ene zondag ging Hans en de andere zij. De sfeer jegens hen werd vijandiger en tijdens één van die zondagen siste er een mannenstem achter Pien.
‘Als de oorlog voorbij is, kun je maar beter maken dat je wegkomt. Je begrijpt toch wel dat wij in het dorp allang op de hoogte zijn van het feit dat jullie met de Duitsers heulen.’
Ze draait zich om en kijkt in de ogen van een wildvreemde man. Ze had hem nog nooit gezien of gesproken. Ze loopt op hem af, maar hij verdwijnt in een steeg. Plots hoort ze een auto starten en wegrijden. Vreemd, eigenlijk leek het er meer op dat hij haar wilde waarschuwen, maar wie is hij toch?
Bij thuiskomst ziet Pien, Hans achter het huis met een vrouw praten en als ze naderbij komt roept hij: ‘Kijk daar is mijn vrouw. Schat, kom eens. Deze vrouw is hier op de fiets en vertelt dat ze zich nog maar net uit de handen van de Duitsers kon onttrekken.’
‘Maar lieverd, wat hebben wij hier mee te maken. Dit is een boerderij, geen politiebureau. Mevrouw u kunt beter vertrekken.’
De jonge vrouw buigt haar hoofd en verontschuldig zich voor het feit dat ze ze heeft lastiggevallen en stapt weer op de fiets en zegt: ‘Sorry, ik ben bang dat ik me heb vergist en me bij de verkeerde boerderij heb aangemeld. Jan, die ik in het noorden van het land heb ontmoet, vertelde mij dat hij vanuit zijn zolderraam naar de sterren kon kijken en ik meende dat hij de naam van deze boerderij had opgegeven.’
‘Hoe oud was die jongen, die u dat verhaal vertelde,’ vraagt Hans.
‘Dat heb ik hem nooit gevraagd, maar ik meen dat hij een jaar of 17-18 is. Ik kan u ook geen bewijs overhandigen omdat ik de route uit mijn hoofd moest leren. Ik zou de boerderij herkennen aan een hek met twee witte ezels,’ fluistert de vrouw die Hans en Pien angstig en bevend aankijkt.
Pien loopt naar haar toe en pakt de handen van de vrouw vast en knikt geruststellend. ‘Kom maar binnen, dan leg ik u onze regels uit. Uw verhaal klopt.’
‘In de keuken laten ze de vrouw plaatsnemen aan de keukentafel en Hans legt haar de regels uit. ‘Ik zal u zo dadelijk naar de stal brengen, waar u zich tot vannacht moet schuilhouden. Straks krijgt u een deken, wat brood, melk, kaas en fruit, maar drink eerst u kopje koffie leeg.’
Hans brengt de vrouw naar de stal en Pien gaat intussen uitgeput aan de keukentafel zitten. Haar lichaam doet pijn van vermoeidheid. Naar mate de oorlog vordert voelt ze haar krachten afnemen. Zo af en toe putte ze moed uit de berichtten die zij via de radio konden ontvangen, maar de laatste tijd gebeurde dat maar mondjesmaat. Dat kwam natuurlijk ook omdat ze alleen in de nacht gebruik konden maken van de radio en vaak waren ze te moe om daar nog naar te luisteren. Ze merkte wel dat de strijd steeds heftiger werd om dat de Duitse jagers meer dan gewoonlijk over het dorp heen vlogen. Het geluid deed haar angst nog meer toenemen dan gewoonlijk. De onzekerheid die ze met zich meedroeg over het feit dat Hans en zij niet wisten hoe het met de kinderen was, deed haar twijfelen of ze er wel goed aan hadden gedaan om andere levens te redden, terwijl ze hun eigen kinderen uit huis hadden moeten plaatsen. Vandaag had ze in ieder geval begrepen dat haar zoon de envelop, die ze hem had meegegeven, had geopend. Elke vezel in haar lichaam stond strak van de angst, dat de jongen misschien zou worden opgepakt en het geheim dat ze met ze meedroegen, uit zou komen.
‘Zeg liefje, er staan toch geen ezels op ons hek. Is het wel zeker dat we haar kunnen vertrouwen,’ hoort ze Hans plots vragen?
‘Sorry, ik was in gedachten. Ja, ik denk wel dat we haar kunnen vertrouwen. Ik heb onze zoon namelijk een envelop meegegeven en hem op het hart gedrukt deze pas na de oorlog te openen. Natuurlijk wist ik dat hij dat niet zou doen, maar daarin heb ik hem geschreven, dat mocht het nodig zijn, hij dat verhaal over dat hek met die ezels moest gebruiken. Sorry, ik had het je moeten vertellen.’
‘Dat geeft niet, het was best slim van je. Ik zou er nooit op zijn gekomen, maar ik ben ook maar een doodgewone boer,’ antwoorde hij en wierp haar een vragende blik toe.
Pien kleurde rood en wende snel haar gezicht af, omdat ze zich afvroeg of hij niet meer wist dan hij haar wilde toegeven. Zou hij weten dat ze haar lichaam had verkocht om aan treinkaartjes te komen voor de kinderen?
‘Wat is dat nou, je bloost schat. Is er nog meer dat je mij zou moeten vertellen,’ glimlacht hij en wandelde op zijn rustige wijze weer naar buiten.
De avond valt in en de nacht doet zijn intrede. Na dat de Zev en zijn gezin even naar buiten zijn geweest en Hans Zev had ingelicht over het feit dat ze gezelschap kregen van een jonge vrouw, wordt de vrouw naar de schuilkelder gebracht.
Pien maakt nog een kop thee en wacht op Hans, die opgewekt de keuken binnenkomt.
‘Zo, dat is geregeld, laten we nu even een moment van onze rust genieten. Beneden redden ze zich prima,’ oppert Hans.
Terwijl ze samen van hun kop thee genieten wordt er flink op de deur gebonsd en staat er een Duitse soldaat hijgend aan de deur.
‘Hallo Pien, ik kom jullie waarschuwen. Er zijn een aantal mensen uit het dorp die naar het NSB-bureau gegaan zijn, om te vertellen dat jullie onderduikers een schuilplaats bieden. Meer kan ik je niet vertellen, maar pas op je kunt niemand vertrouwen in het dorp, zelfs de pastoor niet.’
‘Jij bent toch de koster,’ vraagt Pien?
‘Het maakt niet uit wie ik ben, ik vertel je dit in vertrouwen.’
‘Laat ze maar komen, wij hebben geen onderduikers,’ zegt Pien en haalt volvertrouwen haar schouders op. Maar haar hoofd tolt en vraagt zich af wat ze moeten doen. Als de koster gelijk had dan zijn ze in gevaar en zijn ze in het dorp erachter gekomen dat ze connecties hebben met het verzet.
Hans vraagt de koster binnen en ze schikken van het gehavende lichaam van de man, dat in het licht van de keuken goed zichtbaar is.
‘Jeetje man, wat is er gebeurt?’
De koster legt in het kort uit dat zijn ouders van oorsprong Duits zijn en dat hij voor de oorlog verliefd werd op een vrouw uit het dorp en met haar trouwde. Mijn ouders hadden geen keus en moesten het adres van al hun kinderen doorgeven, ongeacht waar ze zich bevonden. Ik ben naar Duitsland teruggereisd en heb me gemeld voor het leger, anders hadden ze mijn ouders opgepakt. Ze zijn nu veilig, maar nu moet ik zien dat ik mijzelf in veiligheid breng. Ik weet niet of ik mijn vrouw ooit nog eens terug zal zien, maar ik vond het mijn plicht om jullie te waarschuwen voor het gevaar.’
Hans en Pien kijken de man met ongeloof aan en hebben er geen idee van of ze zijn verhaal nu moeten geloven of niet. Zou het misschien een valstrik kunnen zijn?
‘Geef me één goede reden waarom we jou zouden vertrouwen,’ oppert Hans.
‘Oh…, maar dat begrijp ik best. Maar geloof me, ook ik heb mijn relaties hier in de buurt en die vertelde mij dat ik op jullie kon rekenen. Er was een vrouw die het over twee ezels op een wit hek had en ze gaf mij de route door. Het was een heel gepuzzel, omdat haar route niet helemaal klopte. Maar ja, ik ben de koster hier en toen zag ik jullie witte hek. Er staan dan wel geen ezels op, maar toch. Ik geeft toe het is ontzettend vaag, maar dat hek en de geruchten die over jullie de ronde gaan, zegt mij genoeg. Dat betekent dat jullie inderdaad onderduikers verbergen. Ik wil jullie niet in gevaar brengen, maar ik kan jullie wel vertellen dat ervoor morgen een razzia gepland staat, dus wees op je hoede.’
Pien kijkt de man bedenkelijk en ziet dat de man wil vertrekken, maar dan houdt ze hem tegen en zegt: ‘Laat me voor je vertrek eerst je wonden verzorgen, ik neem aan dat ze niet al onderweg zijn?’
‘Ik vertelde je toch al dat de razzia voor morgen staat gepland.’
Pien verzorgt de wonden van de man en komt tot de conclusie dat hij behoorlijk was toegetakeld.
Hij verzekerde haar dat ze zich om hem geen zorgen hoefde te maken omdat hij mensen kende die hem wel zullen helpen.
Na zijn vertrek zitten Hans en Pien bezorgd in de keuken en vragen zich af of het verhaal wel betrouwbaar was, maar gezien de verwondingen die de man had opgelopen, zou het de waarheid kunnen zijn.
‘Pien, was het de koster wel of heeft hij dat verhaal verzonnen.’
‘Ik weet het niet schat. Ik herken hem wel, maar hoe vaak komen wij nou in de kerk.’
‘We zouden voor de zekerheid onze gasten kunnen verbergen in het bos. We hebben daar nog altijd dat hutje. Oké, het is wat gammel, maar altijd beter dat, dan ontdekt worden.’
‘Dat kan, maar als ze onze schuilkelder ontdekken moeten we wel een goed verhaal kunnen aandragen.’
‘Je hebt gelijk Hans, maar we kunnen hen niet de dupe laten worden.’
‘Goed, laten we een paar uurtjes gaan slapen en morgenvroeg gaan we hen vertellen dat ze tijdelijk moeten vertrekken.’
Tegen zes uur die morgen gaan Hans en Pien naar hun gasten en leggen uit wat er gaande is.
‘Pien maak je geen zorgen,’ fluistert Zev. ‘We zullen doen wat jullie van ons vragen en laten we hopen dat het met een sisser afloopt. Laten we hopen dat het een storm in een glas water is, maar het lijkt er wel op dat jullie adres in beeld is bij zowel het verzet als bij de Duitsers. Het is ook mogelijk dat er binnenkort nog meer mensen om onderdak zullen vragen. Misschien wel van verschillende nationaliteiten en dat zou eventueel wel voor problemen onderling kunnen zorgen. Gelukkig spreek ik meerdere talen, dus als het nodig is kan ik altijd voor tolk worden ingezet.’
‘Je hebt vele talenten Zev, maar nu moeten jullie naar het bos. Jij kent de weg, omdat je daar al eens eerder met Hans bent geweest om hout te sprokkelen.’
Hans loopt een eindje met ze mee naar het bos en draagt de jongste van de twee meisjes op zijn arm. In die tussentijd ruimt Pien de kelder op om elk spoor van onderduikers te verbloemen. Ze kleedt het zo in dat het lijkt alsof het een opbergruimte, een schuilplaats voor bombardementen of een speelplek was voor de kinderen. Ze hoopte maar, dat als de ruimte zou worden ontdekt, haar verhaal geloofwaardig was.
Een paar uur later stopt er inderdaad een Duitse legerwagen, maar na ruim een uur verdwijnen ze weer. Het gehele huis is overhoopgehaald en Hans en Pien kijken naar de enorme bende die ze hebben achtergelaten. De boer en boerin hopen maar dat ze voorlopig van ze af zijn, maar het betekent wel dat ze nog voorzichtiger te werk moeten gaan, dan voorheen.
Opnieuw verstrijken er een aantal maanden en de oorlog is voelbaarder dan ooit. De voorspelling van Zev werd werkelijkheid. Het verzet deed steeds vaker een beroep op ze. Hans en Pien zaten er middenin en er was geen terugkeer mogelijk. Pien maakte zich steeds meer zorgen om haar kinderen en zeker om haar zoon Jan. De Duitsers reden af en aan en telkens werd de boerderij aan een inspectie onderworpen. Gelukkig waren er ook mensen in het dorp die hen van tijd tot tijd waarschuwde als zij van tevoren wisten dat de boerderij zou worden onderzocht. Hans en Pien begrepen dat de kans dat hun geheim zou worden ontdekt steeds realistischer werd en hun geloofwaardigheid, die ze bij de Duitse officieren hadden opgebouwd, was omgeslagen in wantrouwen. De vriendelijkheid, waarmee ze hen in het begin mee bejegende, sloeg om in haat en dikwijls werd Hans door de mannen opgepakt en mishandeld. Hans veranderde van een rustige vriendelijke man in een wantrouwende en prikkelbare man. Vaak vroeg hij zich af hoe lang hij dit nog zou kunnen volhouden. Zijn rechtsvaardigheidsgevoel was groot. Nooit zou hij zijn gasten in de steek laten, maar dikwijls dacht hij er wel aan om zichzelf van het leven te beroven. Liever dat, dan door de Duitsers te worden doodgemarteld.
‘Schat, hoelang denk je nog dat we dit vol kunnen houden,’ vraagt hij somber?
‘Ik weet het niet lieverd. Vrijheid is niet te koop, daar moet je voor vechten. Ik begrijp wat je voelt, ook ik ben angstig en denk aan onze kinderen. Leven ze nog en Jan, past hij wel goed op zichzelf en gaat hij niet te ver mee in dat verzet? Soms wilde ik dat we er nooit aan begonnen waren.’
‘Ach schat, gedane zaken nemen geen keer.’
Hun gesprek wordt onderbroken door een vliegtuig dat een sputterende en knetterende motor laat horen. Ze lopen naar buiten en zien een bommenwerper dat in vuur en vlam staat en recht op hun boerderij afkomt. Zijn waggelende vleugels doen denken aan een vogel die de storm niet aankan. Hoog in de lucht zien ze twee parachutisten zweven. Even verderop stort de bommenwerper met een enorme knal neer en ontstaat er een gigantische steekvlam, die zich vrijwel direct weer dooft. Hans en Pien rennen erop af en zien dat het toestel in het meer is gestort en onderwater verdwijnt. De twee parachutisten landen achter hun boerderij in het kleine bos. Veel tijd om bij ze te komen hebben ze niet en helpen de mannen zich te bevrijden van hun parachute en verbergen deze voorlopig onder de struiken. De mannen zijn zwaargewond en niet in staat te lopen. Pien rent terug naar de boerderij om een kruiwagen te halen waar de mannen in worden gelegd. Hans gebaard de gewonde mannen dat ze zich stil moeten houden.
‘Ik weet dat jullie pijn hebben,’ spreekt hij ze in gebrekkig Engels toe.
Ze leggen de mannen in de stal onder het stro en rennen terug naar de boerderij. In de verte zien ze een paar Duitse legerwagens hun kant op komen en bij het meer stoppen.
‘Ik hoop maar dat er geen olie op het water ligt,’ fluistert Hans.
De Duitsers struinen de omgeving af en wandelen rondom het niet al te grote meer. Hans weet dat het meer behoorlijk diep is, zeker nadat er enkele jaren terug zand uit gewonnen was. Opgelucht zien ze de schreeuwende soldaten vertrekken. Als alles weer stil is durven ze zich om de twee gewonde mannen te ontfermen.
Pien zorgt zo goed als mogelijk is voor de twee mannen en Hans speurt de omgeving af om te kijken of er geen aanwijzingen zijn die naar hun boerderij wijzen. De parachutes begraaft hij, zodat het erop lijkt dat alle inzittende met het toestel in het meer is gestort en het niet hebben overleefd.
De twee mannen worden, nadat Pien de wonden had verzorgd, naar de schuilkelder gebracht, waar Zev hen verder zou verzorgen.
Inmiddels zijn er uren verstreken en is de nacht ingetreden. Het zag er naar uit dat de Duitsers het zoeken hadden gestaakt.
‘Wat een geluk dat het vliegtuig in het meer is gestort,’ fluistert Hans.
‘Misschien zaten er wel meerdere mensen in, ik moet er niet aan denken hoe verschrikkelijk deze mensen aan hun eind zijn gekomen,’ verzucht Pien.
‘Kom schat, laten we maar naar bed gaan. Het was weer een druk dagje vandaag.’
Geen van beide kunnen de slaap vatten en dan horen ze een gigantische harde knal en de boerderij trilt in haar voegen. Buiten zien ze een enorme vuurbal en vragen zich af wat daar de oorzaak van is.
Later hoorde ze dat de geallieerden wraak hadden genomen op het gebouw waar de NSB in was gesetteld
