Angstaanjagend

Deel 3

Weken gingen voorbij en, zoals Zev al had voorspeld werd er steeds vaker een beroep op de boer en boerin gedaan. Soms was het maar voor een paar dagen, omdat de persoon naar elders moest worden vervoerd, maar er kwamen ook mensen bij die nergens anders konden worden geplaatst.

Pien vroeg zich af wie in het verzet aan het roer stond en waarom werd er telkens een beroep op hen gedaan. Zou Jan erachter zitten, vroeg Pien zich af? Als dat zo was, dan is dat in ieder geval een teken dat hij nog in leven is. Op de één of andere manier putte zij er kracht uit. Als de jongen het kan, dan moeten wij dit toch ook vol kunnen houden, troost ze zichzelf.

Via de weinige berichten die zij doorkregen kwamen ze erachter dat er een heel netwerk aan verzet mensen bezig was en hoe minder je erover wist, hoe beter dat zou zijn. Als je niets weet, kon je ook niet doorslaan. Pien was daar inmiddels ook van overtuigt. Hans was immers ook al een aantal keren verhoord en dat het er niet zachtzinnig aan toeging wisten ze inmiddels ook.

Als ze in het dorp was werd ze door bepaalde mensen gemeden of nagekeken. Soms zei ze er tegen Hans wat over en dan mopperde hij dat dat misschien ook kon voortkomen uit angst. ‘Waarschijnlijk weten wij net zoveel over hun, dan zij over ons,’ was zijn antwoordt geweest.

Pien wist niet zo goed wat ze ervan moest denken. Wat ze wel wist, was dat de oorlog over niet al te lange tijd afgelopen zou zijn. Ook dat boezemde haar angst in, want wat zou er dan gebeuren. De meeste waren ervan overtuigd dat…

Pien besluit om even naar buiten te gaan, even de frisse lucht in. Even weg uit huis.  

Buiten is het koud en er licht een dun laagje sneeuw die de wegen bedekt. Ze pakt haar oude fiets en fiets het pad af, maar even verderop ziet ze een jongeman met een hoge Duitse SS’er staan praten. Ze zet haar fiets tussen de struiken en sluipt door heb bos. Plots hoort ze haar naam noemen en een angstig voorgevoel bekruipt haar.

Snel sluipt ze weer terug en thuis vertelt ze Hans wat ze heeft gezien en gehoord.

‘Weet je zeker dat ze jouw naam noemde?’

‘Ja wel, maar wat moeten we doen,’ vraagt ze radeloos?

‘Ik weet het niet, het groeit ons boven het hoofd,’ antwoordt Hans somber.

Verslagen loopt Pien naar de stal en pakt uit een bergruimte een Duits pistool, dat ze van één van de soldaten had weten te bemachtigen. Hulpeloos kijkt ze ernaar, maar legt hem uiteindelijk weer terug op de plek waar ze hem had verborgen.

Hans, die denkt dat zijn vrouw naar de stal is gelopen om de beesten te controleren heeft niets in de gaten over wat er op dit moment in zijn vrouw omgaat. Hij besluit koffie te zetten, omdat hij in de veronderstelling is dat ze zo wel terug zal zijn. Veel dieren zijn er niet meer te controleren. De Duitsers hadden de meeste in beslag genomen of waren door de mensen uit de stad uit het weiland gestolen. De Duitsers hadden er in ieder geval nog voor betaalt, ook al zou dat geld na de oorlog niet veel meer waard zijn. Pien komt uiteindelijk weer de keuken binnen en hij kijkt haar onderzoekend aan. Ze is veranderd, gaat er door hem heen, maar zijn we dat niet allemaal. Ben ook ik, niet veranderd? Ze is nog steeds mooi, maar haar ogen hebben hun glans verloren. Hij vraagt zich af of hun liefde na de oorlog nog aanwezig zou zijn. Soms vroeg hij zich midden in de nacht af wat er van haar hartstocht is overgebleven. ‘Koffie…,’ vraagt hij zacht?

Pien knikt en Hans schenkt een extra grote mok koffie voor haar in en even komt er een glimlach rond haar mond. ‘Ik ben bezig om mijn kop in het zand te steken,’ oppert hij.

‘Waar heb je het over,’ vraagt Pien. ‘Wat bedoel je daarmee?’

‘Lieverd, ik zit net als jij in de knoop en vraag mij, waarschijnlijk net als jij, me af wat er na de oorlog van ons over zal zijn. Of onze liefde bestand is geweest tegen deze…, Ach laat maar, ik zei al ook ik ben in de war.’

‘Schat, ik begrijp je. Op dit moment maak ik mij meer zorgen over wat er na de oorlog met ons zal gebeuren. We hebben zoveel mensen gered, maar wie redt ons. Wie zal ons geloven? Welke kant er ook wint, wij zullen het gevecht hoogstwaarschijnlijk verliezen.’

‘Pien, misschien is het beter dat ook jij gaat vertrekken. Ik wil niet dat jij de dupe wordt. Waarom ga je niet naar je zus in het noorden?’

Ze kijkt hem argwanend aan en vraagt zich af waarom hij haar zo opeens weg wil hebben. Ook zij voelt al heel lang de verwijdering tussen hen. Of is het geen verwijdering en sluiten ze zich voor elkaar af in de hoop dat de ander minder pijn zal ervaren als het mis zou lopen.

‘Waarom zeg je dit? Nee, we zijn hier samen aan begonnen en maken het dus samen af. Vraag me dat niet nog eens.’

‘Ik bedoel het goed en denk in dit opzichte ook aan de kinderen, die hun moeder nodig hebben. Ik wil je niet weg hebben, daarvoor hou ik te veel van je. Maar stel…, stel dat je ervoor kiest. Ik zou het niet leuk vinden, maar ik wil dat jij en de kinderen gelukkig zijn.’ Hij realiseert zich plots dat hij haar heeft gezegd dat hij veel van haar houdt en daar is geen woord van gelogen. Bij hem is het gevoel nog aanwezig, is dat ook bij haar zo, vraagt hij zich af?

Ze staat op en gaat door haar knieën en legt haar hoofd op zijn schoot en begint hartverscheurend te huilen.

‘Het spijt me, ik wilde je niet zo van streek maken,’ fluistert Hans en streelt door haar haren.

‘Het hoeft je niet te spijten, dank je voor je liefde. Toch blijf ik bij mijn standpunt, ik verlaat je niet. Trouwens wat moet je nu zonder mij.’ Ze staat op en droogt haar tranen met de mouw van haar vest en glimlacht naar hem. 

‘Daar beneden zitten mensen die van ons afhankelijk zijn. Zolang de oorlog duurt, of zolang ze nog niet ontdekt zijn, zijn wij verantwoordelijk voor ze. We kunnen die mensen toch niet in de steek laten. Het komt vast goed.’ Ze streelt hem teder en kust hem.

‘Je hebt gelijk, het komt goed. We moeten dit afmaken. Ik ga nog even naar onze gasten kijken. Zev vertelde dat er wat problemen waren, maar die had hij inmiddels opgelost. Als ik terug ben kunnen we naar bed.’

De volgende morgen zijn Hans en Pien op weg naar het dorp en plots vliegen er veel toestellen over, die hun witte vliegtuigstrepen achter zich laten. In ieder geval vliegen ze richting Duitsland en zullen zij daar weinig van merken. Dat is een goed teken, komen ze beide tot de conclusie. Ook de buren van de overige boerderijen kijken toe hoe de bommenwerpers zich richting Duitsland begeven. ‘Pien,’ zegt één van de boeren. ‘Luister, je hoeft alleen maar te luisteren, meer niet.’

Pien kijkt hem aan en antwoordt: ‘Steek maar van wal, zou ik zeggen.’

‘Ik begrijp dat je de meeste van ons niet vertrouwd of misschien vertrouw je ons geen van allen, maar ik geef je een paar namen, waar je absoluut voor moet uitkijken Niet iedereen is tegen jullie. Ook wij zijn, net als jullie met handen en voeten gebonden en moeten het spel meespelen. Je weet heel goed dat er geruchten de ronde gaan, dat jij en Hans onderduikers verbergen. Tot nu toe hebben de Duitsers ze niet kunnen vinden. Jullie nadeel is ook dat jullie in het begin met de Duitsers in zee zijn gegaan en dat is niet te rijmen. Misschien is het een afleiding, wat ik eerder denk, maar mocht het na de oorlog nodig zijn dan sta ik achter jullie en geloof me, ik ben niet de enige. Jullie kunnen op ons rekenen.’

De boer klopt haar op de schouders en fluistert: ‘Sterkte,’ en loop vervolgens door.

Pien kijkt hem na en in haar hoofd herhaalt ze de namen die de man haar heeft toegefluisterd. Het doet haar goed te weten dat Hans en zij niet de enige zijn die in deze benarde situatie zitten.

Hans komt naar haar toe wandelen en wil weten wat de buurman haar te vertellen had.

Pien vertelt hem wat hij haar had toegefluisterd.

‘Zou hij de waarheid hebben gesproken,’ vraagt Hans?

‘Iets in mij zegt van wel, maar eens zullen we er wel achter komen, denk ik.’

Samen lopen ze terug naar de boerderij, die hen zo dierbaar is.

Inmiddels hadden ze 16 onderduikers, wat eigenlijk te veel was voor de ruimte en al die monden moesten ook nog gevoed worden. Niet dat dat nou het grootste probleem was, nee het voedsel was geen moeilijke opgave. Buiten een paar incidenten, ging het over het algemeen goed. In groepjes mochten ze in de nacht even naar buiten, omdat een het anders zou kunnen opvallen, als er opeens zoveel mensen over hun land zouden lopen.

Ook deze nacht zijn de weersomstandigheden goed genoeg om hun gasten even naar buiten te laten gaan, maar als ze net buiten zijn horen ze het geluid van een Duitse legerauto die snel naderbij komt en hun erf oprijdt. De onderduikers rennen zo snel mogelijk terug naar hun schuilplaats. De truck komt met slippende banden over het grind tot stilstand. 

De soldaten springen uit de wagen en voordat ze er erg in hebben worden de onderduikers uit de schuilkelder gehaald. De schreeuwende soldaten met hun doorgeladen wapens sommeren de onderduikers in de vrachtauto te klimmen. Sommige krijgen een flinke duw of worden geslagen met de grip van het geweer, als het de soldaten niet snel genoeg gaat.

Ook Hans en Pien worden opgedragen in de wagen plaats te nemen. Als iedereen in de wagen is rijdt de legerauto weg en stopt dan even om nog enkele soldaten te laten instappen.

Als ze wegrijden zien Hans en Pien dat hun boerderij in vuur en vlam staat en horen een aantal zware explosies. Ze begrijpen dat hun boerderij tot op de grond toe gelijk is gemaakt en dat ze alles wat ze ooit hadden opgebouwd is verdwenen. Stil kruipen ze dicht tegen elkaar aan en houden elkaars handen vast.

Dit hele gebeuren had nog geen 15 minuten geduurd en met zijn alle kwam het besef dat dit wel eens hun laatste rit zou kunnen zijn.

Twee van de soldaten reiken hen opeens een Jodenster aan en commanderen dat zij deze moeten opspelden. De twee Engelse piloten protesteren hiertegen en proberen uit te leggen dat zij geen joden zijn, maar dat had geen enkele zin. De soldaat geeft hem een klap met zijn geweer en herhaalt nogmaals dat hij hem moet opspelden.

Zev, die naast Hans zit fluistert hem toe dat ze in noordelijk of oostelijke richting rijden. Hans die door het raam een blik in de truck kan werpen ziet dat naast de chauffeur een man zit, die op zijn hooft een pet draagt met het SS-teken en een doodskop erop. Dat moet dus een hoge pief zijn, gaat het door hem heen.

‘Wel Zev, dit is het dan. Dit gaan we niet redden. Ik denk dat we naar een doorvoer station worden overgebracht. Welke, ja dat is de vraag?’

Ze hadden er geen idee van hoelang de rit al duurde. In hun wanhoop verdween hun zin in het leven en iedereen was in gedachten met zichzelf bezig.

Plots komt de wagen tot stilstand en horen ze vanuit de cabine een harde Duitse toon.

‘Hier sind die papiere. Hinten sind juden. schauen sie mal rein

‘Wat zei hij,’ vraagt iemand aan Zev?

‘Hier zijn de papieren. We hebben joden achterin. Ga maar kijken.,’ fluistert Zev.

Verloren kijken ze elkaar aan en wachten gespannen af op wat er komen gaat.

Pien kijkt naar de mensen waar Hans en zij de afgelopen jaren voor hadden gezorgd en ziet hun hulpeloosheid. Al die jaren waren te vergeefs geweest, gaat het door haar heen.

Het zeil wordt opengeslagen en een Duitse soldaat schijnt met een zoeklicht langs de gezichten van de inzittende. Hij smijt het dekzeil weer dicht en horen hem schreeuwen: ‘Weiter, weitermachen.’

De wagen rijdt weer verder en als ze door het klapperende zeil de zon zien opkomen weten ze dat ze naar het noordoosten rijden.

‘Waarom schieten ze ons niet ter plekke neer,’ vraagt de vrouw van Zev die haar jongste kind dicht tegen zich aandrukt. ‘Dan is het maar gebeurd, toch.’

Eén van de soldaten, in de truck heft zijn wapen op en gebaart dat ze haar mond moet houden.

Opnieuw worden ze aangehouden, maar dat levert geen probleem op. Zev hoort één van de wachtposten in het Duits zeggen dat ze moeten opschieten, omdat de trein over een uur vertrekt.

Deze keer vertaalt hij niet wat hij heeft gehoord.

Niet veel later stoppen ze en als Hans door het raam van de cabine wil kijken merkt hij dat deze is afgesloten. Het beangstigt hem en er rijst een vermoeden dat ze…

‘Ik denk dat we er zijn,’ oppert de vrouw van Zev. ‘Hans en Pien, het is ons niet gelukt, maar toch wil ik jullie bedanken voor de hele fijne tijd die we bij jullie mochten doorbrengen.’ Ze verbergt haar gezicht omdat ze zachtjes begint te wenen en dat is iets wat ze die moffen niet wil laten zien. Nee, ze zouden haar niet moeten zien huilen. NOOIT.

Eén van de Engelse piloten neemt haar hand in de zijne en wrijft erover. Hij geeft haar een kus op haar wang en zegt: ‘Darling, you’re only dead, when you don’t know you’re dead. Keep hoping. I also thought my life was over when they shot us down.’

Vragend kijkt ze haar man aan. ‘Lieve schat, je bent pas dood als je niet weet dat je dood bent, blijf hopen. Ik dacht ook dat mijn leven voorbij was toen we werden neergeschoten, dat is wat hij zegt,’ vertaalt Zev.

Ze knijpt liefdevol in zijn hand en zegt dat ze hem begrijpt.

Na de korte onderbreking waarin de inzittende dachten dat hun laatste uur nu toch echt geslagen was, zet de truck zich weer in beweging. Opnieuw wachten ze zwijgend af.

De truck rijdt vervolgens over hobbelige wegen en de inzittende worden door elkaar geschut en dan stopt de truck opnieuw. Uitgeput van de rit wachten ze weer gespannen af wat er gaat gebeuren. Het zeil wordt opengeslagen en krijgt de zon de gelegenheid om de wagen in te schijnen.

Sommige voelen de warmte, die ze al zolang niet hebben gevoeld. En het licht van de zon doet hen goed.

‘Mam…, mam…,’ horen ze roepen!

Pien schikt en meent de stem te herkennen. Nee…, laat het niet waar zijn. Niet Jan, laat het niet Jan zijn. Dat zou betekenen dat ze ook hem hebben opgepakt, piekert ze.

Langzaam loopt ze vanachter naar de voorkant van de truck en dan ziet ze haar zoon in het licht van de knalrode zon staan. De soldaten helpen haar om uit de truck te stappen en gebaren haar naar een bouwvallige woning te lopen, waar ze zal worden opgevangen. Daar wordt Pien herenigt met haar zoon en dochter Fien. Zoekend kijkt ze om haar heen. ‘Trientje, waar is Trientje, vraagt ze. ‘Waar is mijn schat?’

Jan buigt zijn hoofd. Die confrontatie kon hij niet aan en verslagen zakt hij in elkaar.

De hoge officier, die het transport had begeleid, gebaard de mannen dat ze de jongeman moeten opvangen. Zelf loopt hij op Pien af en gaat voor haar staan. Woedend kijkt ze hem aan en al haar woede, die ze al die jaren had meegedragen komen op dit moment naar boven drijven.

Ze heft haar arm omhoog en slaat de man met een enorme kracht in zijn gezicht. “Wat heb je met mij dochter gedaan,’ barst ze los.

‘Sorry, we konden niet anders,’ antwoordt de man. ‘Kijk me aan alsjeblieft, je bent veilig, echt waar.’ Hij richt zich tot Hans en vraagt: ‘Toe Hans zeg tocht iets,’ smeekt de man die zijn pet afzet en Hans aankijkt. Maar die schudt alleen maar met zijn hoofd, omdat ook hij er niets van begrijpt.

Verslagen loopt de man weg van de woning omdat andere hem zeiden dat het beter was dat hij Hans en Pien op dit moment maar beter even met rust kon laten.

Na een paar dagen, waarin ze wat bekomen waren van de angsten die ze tijdens de reis hadden doorstaan werden ze overgebracht naar een onderduikadres. Het verlies van hun jongste dochter had een flinke impact op Hans en Pien. Langzaam herstelde ze zich van de schik en waren ze weer in staat om zich aan te sluiten bij de andere. De man, die zich tijdens hun reis had voorgedaan als een hoge SS’er, kwam terug naar de boerderij, waar Pien en Hans waren ondergebracht. Ze hadden de man niet herkent en hij had het zo gelaten.

In de keuken van de boerderij zaten Hans, Pien, Zev en zijn vrouw op hem te wachten. Bij zijn binnenkomst groet hij ze en gaat tegenover hen aan de tafel zitten.

Pien observeert de man en staat dan plotseling op en fluistert: ‘Jij bent toch degene, die ik jaren geleden heb geholpen om langs de Duitse afzetting te leiden?’

‘Dat klopt, maar je gaat me nu toch niet opnieuw slaan,’ antwoordt de man.

Ze kijkt hem vragend aan en begrijpt niet goed wat hij bedoelt. ‘Heb ik u geslagen, nou daar herinner ik mij niets van,’ zegt Pien geërgerd.

De man kijkt haar lachend aan. ‘Toen jullie aankwamen, heeft u een SS’er lelijk in zijn gezicht geslagen. Nou schat, die SS’er was ik. Sorry, dat we jullie allemaal zo in doodangst hebben laten zitten, maar we konden geen risico’s nemen. Laten we eerst maar iets drinken en dan zal ik jullie mijn verhaal vertellen.’

Ze nemen eerst een kop koffie en dan haalt de man uit zijn tas iets sterkers tevoorschijn en schenk voor iedereen een borrel in. Dan begint hij zijn verhaal te vertellen:

‘Om bij het begin te beginnen, moet ik jullie zeggen dat ik onder de indruk was van hetgeen Hans en Pien indertijd voor mij deden. Met gevaar voor eigen leven loosde ze mij door die afzetting en ik hoopte maar dat ze weer veilig thuis zou komen. Ik besloot dat ook ik iets moest doen, want toekijken had geen nut. Ik sloot me aan bij het verzet en zo kwamen mijn maten en ik bij toeval in contact met jullie zoon Jan. We besloten om met elkaar te gaan samenwerken. Ik was vaak bij jullie in de buurt en zo konden we ook in de gaten houden wat er zich daar afspeelde. Ik hoorde van jullie zoon dat er een koster uit jullie dorp was gearresteerd en naar Scheveningen was overgebracht, naar het door de gevangenen genoemde Oranjehotel. Nou ik kan je zeggen dat het er niet zo fraai vertoeven was. Herinner je dat Duitse uniform nog dat je in mijn zadeltas had gestopt toen ik me moest omkleden,’ vraagt hij Pien?

Pien knikt, en herinnert zich inderdaad nog dat ze zo was geschrokken omdat ze was vergeten het uit die tas te halen. Hans gaat weer verder: ‘Wat ik nu ga vertellen lijkt je voorstellingsvermogen te boven te gaan. Nog heb ik er nachtmerries over, maar wel nachtmerries met een voldoening als ik wakker word. Mijn maat en ik waren te weten gekomen dat de koster op een geheim adres zou worden ondervraagd en gemarteld, net zolang totdat hij hun zou vertellen wat ze van hem wilde weten. Dagen hebben we gepost bij de Scheveningse gevangenis, want we wisten wel dat hij zou worden overgebracht, maar niet wanneer. Eindelijk zagen we dat hij werd vervoerd en mijn maat en ik gingen er met onze oude rammelende fietsen achteraan. Gelukkig bleek de locatie waar hij naar werd overgebracht niet al te ver te zijn. Het bleek een Vila te zijn vlak bij een park. Een vreemd hoekhuis. Van horen zeggen wisten we dat de verhoortechnieken en martelingen in de kelder van die villa plaatsvonden. Die verhoren waren vele malen erger dan die werden toegepast in de gevangenis zelf.

Met lood in onze schoenen kwamen jullie zoon en ik op een nette Duitse manier binnen en vonden op de valreep ook nog papieren die één van onze mensen goed kon gebruiken. Echt het zweet breekt me nog uit als ik erover praat. We wisten dat als ze ons zouden ontdekken we niet meer levend dat huis uit zouden komen.’

De man stop even met zijn verhaal omdat de deur van de keuken wordt geopend en de zoon van Hans en Pien binnen komt en hen groet. Jan gaat zitten en neemt het gesprek van de man over.

‘Mam, deze man heeft zoveel overtuigingskracht, niet te geloven. Ik mag je zijn naam nog niet prijsgeven, maar zoals hij die koster uit de handen van die Duitsers heeft gekregen. Ongelofelijk. Zonder ook maar één papiertje te hoeven tonen kreeg hij de koster mee.’

‘Je moet niet overdrijven,’ valt de man hem in de rede. ‘Als ik jou niet aan mijn zijde had gehad, waren we door de mand gevallen. Man je gedroeg je als een voorbeeldig Duitse soldaat.’

Even dacht Pien terug aan het moment dat ze de man voorbij de afzetting moest lozen en hoe onzeker en angstig hij was geweest. In die tussentijd had hij heel wat bijgeleerd, gaat het door haar heen.

‘Nu we de koster hadden bevrijd moesten we hem ergens onderbrengen en we hadden daarbij aan jullie gedacht, maar de koster vertelde ons dat hij was doorgeslagen en dat de Duitsers wisten dat jullie onderduikers in huis hadden. We moesten dus snel handelen en proberen om jullie in veiligheid te brengen. Maar we wisten dat er op strategische plekken versperringen waren en dat het nooit zeker was, waar of die zouden zijn. We moesten er dus voor zorgen dat jullie wegkwamen uit jullie boerderij, maar dat we jullie ook ongeschonden door die wegversperringen moesten zien te krijgen en dus bedachten we die Jodensterren.’

‘Ja,’ neemt Jan het gesprek weer over. ‘We moesten bij Ommen op enkele verzetsstrijders wachten, wat gelukkig niet al te lang duurde. Via secondaire wegen en hobbelige weilanden konden we verder rijden. We probeerde ons zo goed mogelijk aan ons schema te houden.

Onderweg stonden hier en daar één of meerdere personen die ons doormiddel van seinlichten lieten weten dat we veilig verder konden rijden, zo niet dan moesten we een alternatieve route nemen. Gelukkig is alles goed gegaan en iedereen is er veilig mee weggekomen. We konden jullie natuurlijk niet vertellen waarom jullie die ster moesten dragen. De reden daarvan was dat we bang waren dat jullie tijdens een controle gescheiden zouden worden en op deze manier bleven jullie bij elkaar. Hans en Pien, ik wil jullie mijn medeleven betuigen met het verlies van jullie jongste dochter en ik begrijp heel goed dat jullie daar veel verdriet van hebben en die pijn gaat niet zomaar voorbij.

Pien staat op en neemt hem in zijn armen en als ze hem weer loslaat fluistert ze met tranen in haar ogen: ‘Pas goed op jezelf en ik hoop dat we je eens in betere tijden veilig terug zullen zien.

‘Dat hoop ik ook en ik hoop ook dat dat snel gebeurt.’

Hans en Pien zien de man met rechte rug het erf af fietsen en het leek wel alsof hij twintig jaar ouder was geworden, sinds die keer dat ze hem door de afzetting loosde.

Fientje vertelde haar ouders dat Trientje vorig jaar besmet was geraakt door het mazelenvirus en als gevolg daarvan trad er als complicatie een hersenvliesontsteking op, waar ze niet meer bovenop kwam.

 

Het leven gaat door!

Hans, Pien en de kinderen moesten zich nog een halfjaar schuilhouden. Na de oorlog zijn ze nooit meer teruggekeerd naar hun dorp. Hun zoon verkocht de grond van hun oude boerderij en van de opbrengt kochten ze het boerderijtje, waar ze gedurende de laatste zes maanden van de oorlog onderdak hadden gekregen. Ze bouwde het bouwvallige boerderijtje weer op en kochten roodbonte koeien en wat kleiner vee om te boeren.

Gedurende de gehele verbouwing hielpen Zev en zijn gezin mee en zijn daarna naar Amerika vertrokken.

De man die Pien had geholpen om door de afzetting te komen en die haar en zovele had gered, was net voor het einde van de oorlog opgepakt en drie dagen later op de Waalsdorpersvlakte gefusilleerd. Zijn stoffelijk overschot is nooit gevonden.

De koster is nog één keer bij ze op bezoek geweest en vertelde dat hij na de oorlog de pastoor had aangegeven, maar met die melding was nooit iets gedaan. Later hoorde ze dat de koster de trauma’s, die hij tijdens de oorlog had opgelopen, nooit te boven was gekomen en zichzelf van het leven had beroofd. 

Van de piloten kregen ze een jaar na de oorlog een foto toegezonden waarop zij waren afgebeeld met hun gezinnen. Achter op de foto stond geschreven: 

Wij blijven jullie voor eeuwig dankbaar

Jullie zouden al jullie belevenissen moeten opschrijven, zodat deze voor het nageslacht bewaard zullen blijven

Vele jaren later

Pien is vernoemd naar haar grootmoeder en volgens vele, vertoont zij een sprekende gelijkenis met haar oma. Ze struint de zolder af en struikelt plotseling over losse vloerdelen. ‘Verdorrie,’ moppert ze en wil het losse onderdeel weer op zijn plaats leggen. Maar dan ontdekt ze een blankhouten kistje en rent ermee naar haar moeder. Samen openen ze het kistje en dan worden hun ogen groot van verbazing. In het kistje ligt een flinke bundel met de hand geschreven papieren. Op het eerste blad staat bovenaan geschreven:

Angstaanjagend

error: Content is protected !!