De Terugkeer

Door het oeroude bos lopen vier Gnomen met hun kopjes gericht naar de grond. De druilige regen doorweekt hun mutsjes en jassen. Al dagen zijn ze onderweg en het lijkt wel alsof er geen eind aan deze barre tocht komt. Ze vragen zich af of ze er wel goed aan hebben gedaan om terug te keren naar het Oerbos. Het bos waar ze jaren geleden met stel en sprong moesten vertrekken omdat zij er hun leven niet zeker waren. Het was hun thuis geweest en ze waren er blij en gelukkig, totdat een alles vernietigende modderstroom al hun bezittingen met zich meevoerden. Het weinige dat zij nog bezaten hadden ze bijeengeraapt en met zijn allen waren ze vertrokken in de hoop elders een nieuw onderkomen op te kunnen bouwen. Dat was hen ook gelukt, maar sommige hadden na jaren nog altijd heimwee naar hun oude plekje in het Oerbos.

 

Jorhim, Foxie, Davidri en Grentina verlangde terug naar hun oude plekje dat ooit hun thuis was.  Natuurlijk begrijpen ze dat ze zich hun herinneringen misschien mooier voorstelde dan dat ze in werkelijkheid waren, maar toch wil het viertal het avontuur aangaan. Samen gaan ze opzoek naar de plek, waar ze indertijd in allerijl moesten vertrekken.

‘Jorhim, ik ben ontzettend moe en hongerig. Kunnen we niet even uitrusten,’ oppert Foxie?

‘Je hebt gelijk lief. Daarginds zie ik een grot, misschien kunnen we daar wat rusten en ons opwarmen.’

Als het viertal bij de grot aankomt ontdekken ze tot hun vreugde dat de grot een geschikte schuilplaats is. Je weet maar nooit in een onbekende omgeving kunnen gevaren om de hoek liggen, maar deze grot is volkomen veilig. IJverig verzamelen ze wat droog materiaal om er een vuurtje mee te kunnen maken. Dat is niet zo eenvoudig omdat het al dagen regent, maar het viertal weet wat ze zoeken en al snel zitten ze gezamenlijk rond een behaaglijk vuur en eten wat van het voedsel dat zij hebben meegenomen.

‘Zou het nog ver zijn,’ vraagt Grentina?

‘Ik denk dat we nog wel even onderweg zullen zijn,’ antwoordt Davidri. ‘Maar precies weet ik het niet. Het was bij ons vertrek indertijd zo hectisch.’

‘Ja, dat is waar. Hopelijk komen we iemand tegen die ons kan vertellen of we de juiste weg bewandelen.’

‘Weet je Grentien, dat hoop ik ook en daarbij hoop ik maar dat ze ons goed gezind zullen zijn. Ons volkje staat niet overal in positieve zin bekend.’

‘Ja, maar daar hadden wij vroeger toch geen last van. We konden het toch altijd goed vinden met onze kaboutervrienden?’

‘Dat wel, maar tijden veranderen en misschien woont Karel daar allang niet meer. Je weet het niet hè.’

‘Maar lieve Davi, waarom heb je mij dat niet eerder verteld? Ik weet zeker dat ik dan nooit zou zijn meegegaan.’

‘Dat weet ik, daarom heb ik niets gezegd,’ antwoordt Davidri.

Jorhim en Foxie luisteren naar de conversatie van hun vrienden en in hun buikje groeit wat onrust.

‘Wat denk jij, komt het goed. Zullen de kabouters ons opvangen,’ fluistert Foxie?

‘Ik denk het wel, maar we zullen ons wel moeten aanpassen. Wat ik van ze weet is dat ze altijd bereid waren andere te helpen.’

‘Maar waarom hebben ze ons dan toen niet geholpen,’ vraagt Foxie?

‘Logisch, ook zij hadden te maken met modderstromen en de wegen tussen hen en ons waren niet begaanbaar. Dus ze konden simpelweg niet bij ons komen en wij niet bij hen,’ antwoordt Jorhim. ‘Kom laten we wat gaan slapen, morgen gaan we weer op pad.’

Foxie lag nog lang wakker. Mannen, waarom vertellen ze ons vrouwen niet alles, piekert ze en uiteindelijk valt ze in een diepe slaap.

De volgende morgen als het viertal wakker wordt is het opgehouden met regenen. De zon laat zijn ochtendstralen zwak door de bomen schijnen en dat brengt een mooie rode gloed te weeg.

Vergenoegt kijkt het viertal naar buiten. Hun kleding is door het vuur gedroogd en ze besluiten om eerst nog wat te eten, zodat ze met een volle maag op pad kunnen.

Jorhim kijkt op zijn kompas en wijst hen de richting aan waarvan hij denkt dat dat de juiste is. Plotseling horen ze iemand zingen.

 

‘Hup, hup,hup alle kabouters dansen rond de put.

Pootje hier, pootje daar, welk kaboutervrouwtje wil zwieren hier.’

 

Het viertal blijft zwijgend staan, niet wetende wat te doen. Moeten ze zich verstoppen of de vreemdeling vragen of hij hen de juiste weg kan wijzen. Maar lang om daarover na te denken krijgen ze niet. Ook de vreemdeling heeft hen ontdekt en blijft staan.

‘Wat heb ik daar aan mijn schoen hangen,’ fluistert de vreemdeling. ‘Gnomen…, die zijn toch al jaren geleden vertrokken?’

Voorzichtig loopt hij op het viertal af en vraagt hen waar ze naar opzoek zijn.

Jorhim neemt zoals gewoonlijk de leiding en vertelt de vreemdeling dat zij opzoek zijn naar het dorp waar zij ooit hebben gewoond. We moesten het dorp verlaten omdat een modderstroom deze in zijn geheel had verwoest. Helaas waren wij toen nog zo jong en daarom weten we niet precies meer waar of deze zich bevindt.

Oh, maar dan zijn jullie van de Gnomenfamilie Freumen,’ antwoordt de vreemdeling.

‘Ja dat klopt, kent u onze familie?’

‘Ja, wij waren buren. We hebben ons lang afgevraagd of alles goed met jullie zou zijn.’

 

‘Ja, het gaat goed. De ouderen hebben elders een geheel nieuw dorp opgebouwd en zijn gelukkig daar. Alleen wij vieren, wij hebben heimwee en willen heel graag weer terug naar ons oude plekje. Weet u waar deze zich bevindt?’

‘Ja zeker, dat weet ik. Maar weet je zeker dat je daarnaartoe wilt?’

Jorhim knikt en de vreemdeling haalt verwondert zijn schouders op.

‘Oké als dat je wens is, dan zal ik je de weg wijzen. Ik ben Frummel en woon in het dorp dat naast dat van jullie lag.’

‘Woont u in het dorp waar Karel woonde,’ vraagt Jorhim verbaast?

‘Ja zeker,’ antwoordt Frummel.

‘Onze ouders hebben het zo vaak over jullie gehad en dat is ook de reden dat wij vieren het aandurfde om deze reis te ondernemen.’

‘Ik begrijp het. We waren altijd goede buren met de Gnomen, maar je moet er wel op rekenen dat de andere in het dorp jullie met voorzichtige scheden tegemoet zullen treden. De meesten kennen jullie familie immers niet.’

‘Dat begrijpen wij best, maar geloof me jullie hebben niets van ons te vrezen.’

‘Oké we zullen zien,’ antwoordt Frummel. ‘Kom, loop maar achter mij aan.’

 

Samen met Frummel lopen ze richting Oetel waar de bewoners met grote verbazing de vier zullen ontmoeten.