De Flaminco's

In kabouterdorp Oetel is het een prachtige dag. Niet alleen de zon schijnt vol aan de hemel, maar ook de bloemen dansen vrolijk heen en weer. Ook de kleintjes genieten volop van het prachtige weer, het is al even geleden dat het weer zo mooi was geweest, dus die heerlijke zonnestralen zijn meer dan welkom. Plotseling horen ze een daverend mekkerend geluid, dat niemand kan thuisbrengen, omdat ze het gewoon weg nog nooit hadden gehoord. Nieuwsgierig rennen ze met zijn alle naar de plek waar dat bijzondere gemekker vandaan komt.

 

Daar aangekomen vallen hun mondjes open van verbazing. Zoiets moois hadden ze nog nooit gezien. Midden in het bos staan tientallen roze vogels, die verdwaast om zich heen kijken.

Behoedzaam loopt Kabouter Karel naar de vreemde vogels toe en vraagt: ‘Hallo, waar komen jullie vandaan. Wat voor een vreemde vogels zijn jullie en waar willen jullie naar toe?’

Verward en hongerig loopt de grootste vogel naar kabouter Karel toe en antwoordt: ‘Dat zijn wel veel vragen in één, maar ik kan u vertellen dat wij geen kwaad in de zin hebben.

Wij zijn flamingo’s en ergens moeten wij op onze tocht een verkeerde afslag hebben genomen. We zijn verdwaald en hongerig.’

‘Ik weet niet wat jullie doorgaans eten, maar wij willen jullie best helpen om aan voedsel te komen. Waar zijn jullie naar op zoek.’ vraagt Karel.

‘Wij zijn op weg naar het blauwe kreeftenmeer, maar we hebben geen idee hoe we daar, van hieruit moeten komen. Het bos is hier zo dicht. Wel mooi hoor, maar niet voor flamingo’s, door al die bomen kunnen wij ons niet oriënteren.’

Kabouter Karel begrijpt wat de vogel bedoelt. Ook hij heeft er geen idee van hoe hij bij het kreeftenmeer zou moeten komen. Er is maar één kabouter die dat weet en dat is…

 

Misschien raden jullie het al. Dat is de kabouter die altijd met zijn handelswaar onderweg is. Ja inderdaad, kabouter Frummel en laat die nou net het dorp uit zijn. Niemand weet wanneer hij terugkomt, dus moeten de kabouters in die tussentijd iets verzinnen om de flamingo’s te helpen.

Kabouter Karel legt de flamenco uit dat Frummel de enige is die ze zou kunnen helpen, maar helaas is hij momenteel niet in het dorp en niemand weet wanneer hij terugkomt. ‘Dus, er zit niets anders op dan tot die tijd hier in het dorp te verblijven,’ legt Karel uit.

‘Dat begrijp ik,’ antwoordt de flamenco. ‘Dat is niet het grootste probleem, maar we hebben honger en hier is geen water waar we voedsel in kunnen vinden.’

 

Plotseling rent de kleine Trixie naar voren en roept. ‘Maar dat is geen probleem hoor. Even verderop is een grote plas en daar kunt u vast wel wat voedsel vinden dat jullie kunnen eten.’

‘Natuurlijk, wat ben je toch een slimme meid, kleine Trixie. Dat we daar niet aan gedacht hebben. Loop jij maar voorop en leidt de vogels naar de plas, maar wel voorzichtig hoor.’

 

Trixie doet wat kabouter Karel vraagt en al snel smikkelen en smullen de flamenco’s van al dat lekkers uit de plas. Met zijn alle kijken ze toe, het is zo’n komisch gezicht. De flamenco’s staan op één poot in het water en met hun snavel filteren ze het voedsel uit de poel.

 

Twee dagen later komt kabouter Frummel fluitend het dorp binnen en de andere rennen op hem af. Opgewonden vertellen ze hem het verhaal van de flamenco’s, die ginds in de kleine poel verblijven en graag verder willen trekken, maar dat ze zijn hulp daarbij nodig hebben.

‘Oh, maar dat is niet zo’n probleem hoor. Zo ver hiervandaan ligt dat blauwe kreeftenmeer niet. Morgen zal ik ze de weg wijzen en dan kunnen ze weer vertrekken.

 

En zo gebeurt dat ook. De volgende dag wijst Frummel ze de weg en brengt ze naar een open plek waar ze kunnen opstijgen en hun reis naar het blauwe kreeftenmeer kunnen hervatten.  

 

Eén voor één stijgen ze op en als de laatste is vertrokken keren enkele nog even terug om de bewoners als groep te groeten. 

‘Wel jammer,’ fluistert Trixie. ‘Ik vond het best wel gezellig met die mooie roze vogels. Ik hou van roze.’

‘Ach kindje, er zijn zoveel mooie dingen in het leven, maar die kunnen we niet allemaal bij ons houden. Anders wordt het hier wel heel erg vol, maar we hebben er wel een stel leuke vrienden bij. Vind je niet?’

 

Daar is Trixie het helemaal mee eens, maar stiekem blijft ze het toch jammer vinden.