Snuitje

Midden in de grote oceaan bevindt zich een eiland dat wordt bestierd door een dominante koning. Hij en zijn vrouw hebben een zoon die de naam Carlos draagt. Kroonprins Carlos dus. Op het eiland gaan er geruchten rond dat de prins, die samen met zijn ouders op het enorme kasteel woont, een jong meisje heeft weggestuurd omdat zij hem van het leven wilde beroven.

De koninklijke familie is bij het volk erg geliefd en zij kunnen zich niet voorstellen dat er iemand onder hen de prins zou willen doden. Ze waren dus enorm geschrokken en besloten opzoek te gaan naar het meisje. Stel je voor dat ze alsnog haar plan zou gaan uitvoeren. Nee, ze moesten ervoor zorgen dat zij gevangen en gestraft zou worden en als het niet anders kon dan zouden ze haar doden.

Gewapend met stokken en wolvenklemmen gingen ze op zoek naar het meisje en struinden het merendeel van het eiland af. Ze liepen om het grote bos heen, want niemand waagde het om dat bos in te gaan. Elk huis, hoekje of steeg werd onderzocht. Niets werd aan het toeval overgelaten, maar Brechtje, zo heet het meisje, werd niet gevonden.

En zoals het zo vaak gaat met geruchten, werd het verhaal steeds heftiger en langer.  Er werd verteld dat de prins maar ternauwernood aan de dood had kunnen ontsnappen. Het meisje had een groot scherp mes bij zich gedragen dat ze had verstop in een deken. De prins had haar gevraagd wat ze met zich mee droeg en toen had ze zonder enige schaamte het mes tevoorschijn gehaald en had hem in één klap willen vermoorden. Het mes zou wel een halve meter groot zijn geweest.

Al die verhalen werden zo opgeklopt dat sommige mensen het verhaal niet meer geloofde en naar huis gingen. Toch bleef er een meerderheid over die wel in het verhaal geloofde en die gingen door met hun zoektocht naar het meisje.

Verloren

Het meisje was de opjagende mensenmassa steeds een stapje voor, maar de winter deed zijn intreden en de scherpe wind sneed door haar veel te dunne jurk. Ze bleef alert en rende maar voort, maar de vermoeidheid ging zijn tol eisen en ze vroeg zich af hoelang ze dit nog vol zou kunnen houden.

 

In één van de dorpen bleef ze even staan om wat uit te rusten en een plan te bedenken hoe ze zich uit deze situatie zou kunnen redden. Angstig keek ze om haar heen en kon maar tot één conclusie komen. Het bos… Natuurlijk was ze bang en was ze zich bewust van de gevaren die het bos met zich meebracht, maar had ze een keuze? Nee, niet echt. Het is het één of het ander. Gedood worden door de woedende dorpelingen of zich zien te redden uit de klauwen van de beesten die in het bos wonen.

 

Inmiddels was de zon al ondergegaan en de schemering zou haar hopelijk wat bescherming bieden. Rillend en op blote voeten wandelt het meisje over het dorpsplein.  Even verderop stonden een paar vrouwen voor de etalage van de bakkerswinkel, met elkaar te praten. Ze probeerde ongemerkt weg te komen, maar toen riep één van de vrouwen. ‘Kijk, daar loopt ze, laten we achter haar aan gaan! Er is een grote beloning uitgeloofd voor degene die haar vangt. Dood of levend.

 

Vele deuren gingen open en opnieuw werd het meisje opgejaagd. Haar lichaam deed pijn en haar voeten konden haar nog nauwelijks dragen, maar toch bleef ze rennen. Ze hoorde de schreeuwende mensen snel naderen, maar ze gaf niet op. Toen ze bij het bos aankwam, keek ze nog éénmaal om en zag maar één oplossing en liep het dichte bos in. Ze kon geen hand voor ogen zien, zo donker was het. Toch voelde ze een rust in zich opkomen, want als zij niets kon zien, dan zouden de andere dat ook niet kunnen.

 

Doodstil was het in het bos en ze probeerde een lichtpuntje op te vangen, maar te vergeefs. Het meisje voelde dat de kracht langzaam uit haar lichaam verdween en liet zich op de grond zakken. Net toen ze de grond raakte zag ze de maan vanachter de wolken tevoorschijn komen. Ze zou opgelucht moeten zijn, maar ze voelde zich zwak en koud. Even verderop kon ze door het maanlicht een flinke beukenboom onderscheiden en zo zwak als ze was, sleepte ze zich ernaartoe. Tegen de buikige boom nestelde ze zich tussen de boomstronken. Ze besefte dat het niet lang meer zou duren voordat de dieren haar geur zouden opvangen.

 

Liefdevol slaat ze het dekentje, dat ze al die tijd op haar borst had meegedragen open en fluisterde: ‘Het spijt me schat, dit wilde ik niet. Ik hoop zo dat je gered wordt.’

Langzaam zakte ze weg en voelde dat het leven uit haar wegvloeide. Toen werd het zwart voor haar ogen.

Intussen op het kasteel

In de wandelgangen hoorde de prins dat Brechtje was overleden en hij vroeg om het bewijs daarvan, maar zijn ouders verboden hem om naar de plaats des onheils af te reizen.

‘Lieve jongen, je zult het met deze berichten moeten doen. De gevaren, die daarbuiten heersen zijn te groot om het risico te nemen, om jou te laten vertrekken. Het bos is al niet toegankelijk voor de gewone burger, laat staan voor de opvolger van de troon. Nee, het is wat het is. Je blijft hier en daarbij komt dat het morgen een hele belangrijke dag is. Een blijde en belangrijke dag voor ons en voor het volk. Wij weten zeker dat de prinses van onze naaste buren je goedkeuring zal wegdragen. Ze is een prachtige verschijning en ze schijnt erg begaafd te zijn. Daarbij komt dat als je met haar trouwt, koning zal zijn over niet één maar twee koninkrijken,’ probeert de koning tot zijn zoon door te dringen en hem tot rust te manen. 

De prins kijkt zijn vader bedenkelijk aan. Wat heeft dit alles met Brechtje te maken. Hij wilde weten wat er met haar was gebeurd. Na haar vertrek was hij erg bedroefd en begreep niet waarom ze er ineens niet meer was. Nog nooit had hij zo’n lief en aardig persoontje, als haar ontmoet. Van haar hoorde hij hoe het er op het eiland werkelijk aan toe ging. Sommige verhalen waren triest, maar andere weer spannend en zo kwam hij erachter waarom zijn ouders hem ver van het volk vandaan hielden. Door al die gesprekken die ze samen voerde werd de band tussen hen steeds sterker. Zijn ouders hadden al vaker gedreigd haar te ontslaan als zijn kamermeisje, maar hij had dat altijd tegen kunnen houden. Tot op de dag dat ze ineens verdwenen was en niemand hem wilde vertellen wat er met haar was gebeurd. Ook nu wilde zijn vader hem niet de waarheid vertellen. Want dat ze zomaar was verdwenen, daar geloofde hij niets van.

‘Pap, ik wil weten waarom ze plotseling verdween en ik wil met mijn eigen ogen haar stoffelijk overschot zien.’ Zijn vader was niet over te halen hem te laten gaan en vragend en smekend keek hij zijn moeder aan. Maar moeder had geen enkele zeggenschap over de besluiten die zijn vader nam, dus hoefde hij van haar geen hulp te verwachten. Van schaamte en machteloosheid draaide ze haar hoofd van hem weg.  

De smeekbede van de prins maakte geen indruk op de koning en hij snauwde zijn zoon toe dat hij zich beter kon gaan voorbereiden op zijn verloving met de prinses.

Met zijn hoofd diep gebogen van verdriet verliet de prins de kamer. Hij had er geen idee van wat hem de komende dagen te wachten stond. De prinses, die zijn vader voor hem had uitgekozen had hij nog nooit gezien, en in gedachten zag hij alleen maar het lieve gezichtje van Brechtje.

In zijn kamer tuurde hij door het raam naar de prachtige aangelegde tuin, die omringt werd door een hoge kasteelmuur. Bij het zien van die muur voelde hij zich plots heel eenzaam en gevangen. Wat had al die rijkdom voor zin als je alleen maar binnen deze muren kunt blijven, gaat het door hem heen. ‘Hier heb je dan wel geen tralies, maar om je een gevangene te voelen heb je die niet nodig,’ fluistert hij.

Het nieuwe kamermeisje vroeg hem of hij misschien iets wilde eten of drinken, maar de prins antwoordde dat hij niets wenste. Hij keek haar na en bedacht dat ze zo heel anders was dan Brechtje, niet dat ze onaardig was, nee beslist niet. Ze was totaal anders dan haar voorganger, misschien was de keuze van de koning daarom wel juist op dit meisje gevallen. Ze kwam van het andere eiland, waarschijnlijk hetzelfde als zijn toekomstige verloofde, gaat het door hem heen.

 

De volgende dag kreeg zijn vader bericht van de koning van het andere eiland. Er zou geen verloving worden afgekondigd tussen zijn dochter en de prins. Gezien de geruchten die er rondgingen en inmiddels ook het andere eiland hadden bereikt, achtte de koning het eiland van de prins niet veilig genoeg voor zijn dochter. Toen zijn vader de prins hem vertelde dat de verloving niet doorging was hij er totaal niet verdrietig om, nee integendeel, het luchtte hem juist op. En ook deze keer vertelde de koning zijn zoon niet de werkelijke reden van de afwijzing.

 

De dagen verstreken en zijn moeder moest lijdzaam toezien hoe verdrietig de prins was. Ze probeerde hem te troosten, maar dat lukte haar niet. Het enige wat hij haar vertelde was dat hij Brechtje miste en hij niet wilde geloven dat ze dood was. ‘Waarom mag ik van vader niet gaan zoeken?’

‘Lieverd, ze is er niet meer. En daarbij komt, vader zal nooit toestemming geven voor jullie liefde,’ fluisterde ze hem toe. Verbaast had hij haar aangekeken en pas toen begreep hij dat hij inderdaad van haar was gaan houden en die wetenschap deed hem nog meer pijn. Door zijn verdriet ad de prins heel weinig en viel kilo’s af. Op een dag lag hij op zijn rug naar het plafon te staren en legde zijn handen in zijn nek. Zijn gedachten tolde door elkaar. Hij wilde zeker weten dat ze niet meer in leven was en begon een plan uit te roeien.

 

De ontdekking

Vroeg in de morgen vond een man aan de rand van het bos het levenloze lichaam van het meisje. Men had er geen idee van hoe dit wezentje hier te recht was gekomen. Ook de mensen die tegenover het bos woonde taste in het duister. Ze verdrongen zich om het meisje en keken naar haar.

‘Nou ze heeft haar straf in ieder geval niet kunnen ontlopen,’ roept één van de toegesnelde vrouwen.

‘Zeg dat wel,’ valt een ander haar bij en zo had iedereen wel een mening over het meisje.

Even verderop lag een deken en de man die haar had gevonden liep erop af.

‘Daar zit vast dat wapen in,’ riep de vrouw. Maar er bleek geen wapen in te zijn gewikkeld en de ze besluiten om omgeving te doorzoeken. Misschien had ze het verstopt, maar het wapen werd niet gevonden.

Het meisje werd meegenomen en in een onbekend graf op het kerkhof begraven. Het leven van alle dag werd weer opgepakt en al snel was men het meisje vergeten.  

Een paar uur eerder

Een oude vrouw loopt door het voor haar zo bekende bos. Ze kent bijna elk hoekje en weet zowat blindelings de weg. Plots ziet ze even verderop een vreemd hoopje liggen. Vreemd, dat lag er gisteren nog niet. Voorzichtig loopt ze erop af, maar dan krijgt ze de schrik van haar leven. Voor haar voeten ligt het levenloze lichaam van een jonge vrouw. Blijkbaar heeft ze zich willen warmen met het kleine dekentje dat ze tegen haar borst houdt. Ze wil het dekentje oprapen, maar dan worden haar ogen groot van verbazing. Tussen het dekentje, dat het dode meisje tegen haar borst houdt, ligt een pasgeboren baby. Voorzichtig pakt ze de baby op en stopt het tussen haar warme boezems. ‘Lieve help, kind wat heeft jou zo gedreven om met dit kindje het bos in te lopen. Je moet wel heel wanhopig zijn geweest,’ fluistert de oude vrouw.

Met haar jas van wolvenbond en haar eigen lichaamswarmte, houdt ze de baby warm en ze hoopt maar dat hij niet te veel geleden heeft van de kou.

Zo snel als haar oude benen haar nog kunnen dragen loopt ze naar haar huis, dat zich diep verscholen in het bos bevindt. Thuis stookt ze de haard nog even flink op en uit de kast trekt ze een lade, waarin ze een kussen inlegt. De baby legt ze in de lade en dekt hem toe met een berenhuidje. Inmiddels voelt ze dat de kachel de kamer al aardig verwarmd. ‘Lieverd wat is er toch met jou en je mama gebeurd en waarom moest jouw mama sterven.’

De volgende morgen als de zon door de dichtbeboste bomen haar stralen laat schijnen, kijkt ze door het raam waar de wolven in de kou tussen de bomen in de diepe sneeuw liggen. De kou die het meisje noodlottig werd.

 

Ontsnapping

Met behulp van enkele stalknechten zag de prins kans om via de stallen het kasteel uit te komen. Hij en Brechtje hadden samen vaak zitten mijmeren hoe het zou zijn als hij geen prins zou zijn geweest. Zou het mogelijk kunnen zijn om uit deze gouden kooi te ontsnappen, had hij wel eens gevraagd? ‘Dat kan, maar dan zou je alles en iedereen achter moeten laten, kan je dat,’ had zij hem vragend geantwoord?

Hij had haar daar geen antwoord op kunnen geven, maar haar wel gevraagd, hoe ze dan, zonder dat ze gezien zouden worden, zouden kunnen ontsnappen. ‘Simpel, verkleed en via de stallen,’ was haar antwoord.

Hij had er om gelachen, maar nu kwamen haar woorden hem als geroepen en hoopte hij dat het hem zou lukken om ongezien het kasteel uit te komen.

 

Het lukte hem inderdaad en hij zwierf wekenlang rondom het eiland. Op zoek naar haar, die hij maar niet vergeten kon. Waar hij ook informeerde waar het meisje zou kunnen zijn en of zij ergens gezien was, het liep steeds op niets uit. Telkens kreeg hij hetzelfde antwoord. Ze hadden haar levenloze lichaam aan de rand van het bos gevonden. Gestorven door uitputting en de kou.

‘U moet wel heel veel van haar gehouden hebben. Alleen mensen die zo verliefd op elkaar zijn, geven hun zoektocht niet op,’ had een oude man hem gezegd.

Hij was inderdaad verliefd op haar geworden. Waarom heb ik dat nooit eerder begrepen. Waarom was het voor mij zo vanzelfsprekend dat ze er was en waarom heb ik niet voor haar gevochten? Al deze vragen speelde hem parten.

‘U heeft gelijk, ik hield veel van haar. Zij was de enige die mijn vertrouwen had, ze was mijn vriendin en mijn maatje. Nu begrijp ik pas goed hoe veel ik van haar hield,’ fluistert hij.

 

Na al die omzwerving keert de prins verslagen terug naar het kasteel, waar hij door zijn ouders hartelijk werd verwelkomd. Zijn zoektocht had hem overtuigd dat de vrouw waar hij van had gehouden was overleden en hij moest zijn verdriet een plekje gaan geven. Hoe hij dat zou moeten klaren, dat zou de tijd moeten uitmaken.

 

De wolf

In het kleine huisje, dat diep in het bos verscholen lag, moest de oude vrouw de gevonden baby in leven zien te houden. Het kleintje warm houden was geen probleem, maar over de voeding maakte ze zich wel zorgen. Ze deed wat ze kon, maar hoe zou ze de baby kunnen voeden, wat alleen zijn moeder zou kunnen geven. Dat had ze immers niet in huis. Ze legde het kleintje in het geïmproviseerde bedje en dekte hem met het berenhuidje toe. Gelukkig had ze Rosie, haar geit en Rosie produceerde genoeg melk om ook de baby te voeden. Ze trok haar warme mantel aan en liep naar het schuurtje, dat zich op enige afstand van haar huisje bevond. In de wintermaanden stond Rosie altijd op stal, maar zodra de lente in aantocht was mocht ze naar buiten. ‘Hallo schat,’ begroet ze het dier en liefdevol aait ze over haar kopje. Rosie laat de liefkozingen gewillig over zich heen gaan. De oude vrouw gaat op een krukje zitten en zet het emmertje onder de tepel van de geit. ‘Lieverd, je bent een geschenk uit de hemel, weet je dat. Met jou melk, kunnen we dat kleine jongentje in leven houden.  Ik zou niet weten wat ik zonder jou had moeten doen.’

De geit kijkt haar met haar kraaloogjes bedenkelijk aan en gaat dan weer verder met het eten van het gedroogde gras, dat zij van de oude vrouw gekregen had.

‘Zo, dat is wel genoeg voor nu. Ga jij maar lekker verder met eten. Straks kom ik nog wel even naar je kijken, maar ik moet nu eerst de baby en de wolvin gaan verzorgen.’ Ze staat op en aait nog even over de rug van de geit. Sjokkend loopt ze terug naar haar huisje. Naar de baby en de gewonde wolvin, die in een hoekje van de kamer ligt. Daar knielt ze neer bij het gewonde dier, die zij zwaargewond in het bos had aangetroffen. Ze had haar met een karretje opgehaald en had haar eerst naar de schuur gebracht. Maar omdat ze zag dat de wolvin intensief verzorgd zou moeten worden besloot ze haar mee te nemen naar haar huisje. Daar had ze haar wonden schoongemaakt en ingesmeerd met de geneeskrachtige kruiden die zij had verzameld in het bos. ‘Ach lieverd, zo gewond en dan nog zwanger ook. Ik hoop zo dat je het haalt.’

Ze aait haar liefdevol over haar kop en de wolvin kijkt haar dankbaar aan.

 

Twee dagen later baardt de wolvin drie puppy’s, die als het ware direct opzoek gaan naar één van de tepels van hun moeder. Tevreden en glimlachend had de oude vrouw ernaar gekeken. De wolvin gaf ze gedroogd spek en liet haar melk drinken. De kleintjes hadden genoeg aan de melk van hun moeder.

Eén van de kleine wolfjes liep telkens naar het bedje van de baby, waar hij zich dan naast nestelde. De oude vrouw had hem meerdere keren teruggelegd bij zijn moeder, maar zodra zij zich omdraaide liep hij weer terug naar het bedje. De oude vrouw keek toe hoe hij zich gedroeg ten opzichte van de baby, maar het wolfje ging teder en liefdevol met hem om. Als één van de andere twee wolfjes bij de baby wilde komen dan joeg hij ze weg. De oude vrouw zag dat hij haar kleine jongen beschermde en liet het toe.

 

De wolvin geneest snel en na een dag of tien is ze weer aangesterkt en trekt de natuur weer aan haar. De vrouw neemt afscheid van haar en de jongen. Maar dat ene jong komt telkens teruglopen en huilt hartverscheurend. Een paar keer komt de wolvin terug en neemt ze hem tussen haar tanden en sleept hem mee terug het bos in. Maar de volgende dag keert hij weer terug naar het huisje en dan besluit de wolvin het op te geven en hem daar te laten, waar hij wil zijn. Nooit hebben moeder en zoon elkaar nog gezien en groeide het kleine wolfje, samen met de vondeling op bij de oude vrouw.

 

De vondeling en de jonge wolf groeide als kool en de oude vrouw besloot de baby de naam Snuit te geven. Ze kwam op deze naam omdat hij en de wolf elkaar meerdere keren op de dag begroette door met hun neuzen tegen elkaar aan te wrijven. Snuit en de wolf werden dikke maatjes en naar mate ze groter werden, werd hun band dichter en dichter. Dat kleine wolfje, dat groeide uit tot een reusachtig dier, waar menig wolf in het bos ontzag voor had. Hij was zo groot, dat hij Snuit met gemak bovenop zijn rug kon meevoeren en dat gebeurde dan ook vaak en zo struinde ze dikwijls door het bos.

De gezondheid van de oude vrouw liep achteruit en op een dag besloot ze om Snuit mee te nemen naar de plek waar zij hem ooit had gevonden. ‘Lieverd, we moeten even ernstig met elkaar praten,’ fluistert ze. ‘Ik heb je tot nu toe kunnen beschermen, nou eigenlijk niet alleen ik, Wolf beschermt je ook. Maar ik voel dat mijn krachten teruglopen en over niet al te lange tijd zal ik sterven. Schat, niet schikken. Zo is het leven nou éénmaal. Ik zal je vertellen wat ik van je weet. Dit is de plek waar ik je gevonden heb. Je lag hier in de armen van je dode moeder, die jou dicht tegen haar borst had gehouden om je zo lang mogelijk te verwarmen.

Ze had je in een dekentje gewikkeld, samen met deze medaillon.’ Ze overhandigde Snuit het medaillon, dat hij verbaasd aanpakte. Als hij het medaillon opent kijkt hij naar een allerliefst portretje. Wolf, die wel in de gaten heeft dat hier iets speciaals aan de gang is, stoot met zijn natte neus tegen de wang van Snuit en huilt zacht.

‘Lieve Snuit, dit behoorde je moeder toe. Ik was te laat en heb me vaak genoeg schuldig gevoeld omdat ik haar niet heb kunnen redden. Was ik die dag maar eerder van huis gegaan, heb ik vaak gedacht. En nu, nu is de tijd bijna gekomen, dat ook ik je los zal moeten laten. Weet je lieverd, je bent dan wel je moeder kwijt, maar ergens moet er een vader zijn en misschien zou je hem op een dag kunnen gaan zoeken. En als je hem dan vindt en dit mogelijke erfstuk overhandig, dan moet dat hem toch kunnen overtuigen, dat jij zijn zoon bent.’

Teder kijkt ze hem aan omdat ze weet dat dit alles wat ze hem vandaag vertelt, een groot litteken zal achterlaten en zij zal hem daar niet meer bij kunnen helpen.

Snuit neemt haar in zijn armen. ‘Ik heb jou altijd als mijn moeder gezien, een moeder naar mijn hart en ook al ben je niet mijn echte moeder, voor mijn gevoel ben je dat wel.’ Hij knuffelt haar en zegt: ‘Kom laten we naar huis gaan, daar waar we samen horen. Later zien we wel hoe het gaat.’

Samen met Wolf lopen ze terug naar huis. Wolf fier voorop gevolgd door Snuit en zijn moeder, die samen liefdevol gearmd lopen en moeten lachen om de trotse wolf die voor hen loopt. 

 

Moeder overleed inderdaad niet lang erna en haar laatste wens was dat hij haar dicht bij haar huisje zou begraven. Daar waar de zon door de bomen zijn zonnestralen liet gelden.

 

Wolf en Snuit bleven alleen achter, maar na enkele jaren begon Snuit zich af te vragen wat er in het verleden was gebeurd en wat was de reden geweest waarom dat jonge meisje, dat zijn moeder was, zo alleen in die ijzige kou het bos was in gelopen. Op een dag sloot hij het oude vertrouwde huisje zorgvuldig af en nam afscheid van de dieren, waar Wolf en hij de afgelopen jaren bevriend mee waren geraakt. Het medaillon stopte hij in één van zijn zakken en klom op de rug van Wolf, die hem naar de rand van het bos bracht.

Aan de rand van het bos stopt Wolf en kijkt zijn vriend vragend aan. ‘Blijf maar dicht bij mij,’ fluistert Snuit. Stapvoets lopen ze het dorp in en zien dat de mensen met een grote boog om hen heen gaan. Snuit realiseert zich dat de mensen angstig zijn voor wolven. En Wolf is, vergeleken met alle andere wolven, supergroot. Hij probeert in contact te komen met de dorpelingen, maar iedereen rent weg, zodra hij hen wil aanspreken.

‘Weet je Wolf, dat gaat het hem echt niet worden. Op deze manier vinden we mijn vader nooit.’

Samen trekken ze verder het eiland in. Ze lopen door groene weilanden, weilanden die vol staan met een veelheid van gekleurde bloemen, maar ze komen ook zandgronden tegen. Snuit en Wolf genieten van het veelzijdige eiland. Maar waar ze zich ook bevinden, geen mens wil met hen spreken.

Zo trekken ze weken rond. Water is er genoeg, maar zijn rugtas met voedsel dat hij had meegenomen, begint aardig leeg te raken. Over Wolf hoefde hij zich geen zorgen te maken, die ving altijd wel ergens een wild konijn of een ander wild dier. Slapen deden ze vaak onder een dicht struikgewas. Soms had hij er wel eens spijt van dat ze van huis waren vertrokken, maar aan de andere kant was hij ook nieuwsgierig en avontuurlijk bovendien. Toch knaagt het aan hem en de volgende morgen bij het krieken van de dag vraagt Snuit zich af of het wel verstandig is om naar zijn vader te zoeken. Wolf voelt aan dat Snuit worstelt met zijn gevoelens en drukt zijn natte snuit tegen zijn neus. Snuit moet even lachen en zegt: ‘Zo ben ik aan mijn naam gekomen, weet je nog? Ik begrijp je, jij wilt mij vertellen dat ik het nog niet moet opgeven, toch?’

Wolf knikt heftig met zijn hoofd. Samen gaan ze weer op pad en na een flinke wandeling komen ze aan bij een boerderij. De oren van Wolf gaan plots rechtop staan en dan horen ze iemand schreeuwen. Even verderop zien ze dat een man een jonge vrouw slaat met een stok. Voorzichtig loopt Wolf erop af en Snuit kijkt met afschuw naar het gebeuren. Opnieuw slaat de man de vrouw en Snuit kan het niet meer aanzien. De man heeft Snuit en Wolf niet zien aankomen en schrikt als hij plotseling oog in oog staat met die enorme wolf. Als Wolf grommend zijn tanden laat zien kruipt de man ineen van angst. Nu bemoeit ook Snuit zich ermee en schreeuwt de man toe: ‘Wegwezen en laat je hier nooit meer zien.’

Hij richt zich tot de jonge vrouw, die hem angstig aankijkt. ‘Niet bang zijn, mijn wolf doet je geen kwaad,’ probeert hij haar gerust te stellen.

Met haar gescheurde jurk kijkt ze hem verontwaardigend aan. ‘Waar bemoeit u zich mee. U stuurt de man weg, die mijn te eten geeft. Waar moet ik nu heen, ik ben immers aan hem gekluisterd,’ schreeuwt ze hem toe.

Snuit begrijpt niets van haar verontwaardiging. Je blijft toch zeker niet bij iemand die je slaat, denkt hij.

‘Het spijt me. Ik kan u mijn rugtas geven, daar zit nog wel wat te eten in,’ antwoordt hij, maar dat weigert ze.

Hij snapte dat hij iets had gedaan, wat hij beter niet had kunnen doen, maar kon niet goed bevatte wat hij verkeerd had gedaan. Hij had haar immers alleen maar willen helpen.

‘Sorry, maar mag ik u iets vragen?’

‘Natuurlijk, waar kan ik je mee helpen?’

‘Ik ben opzoek naar mijn vader, maar de enige aanwijzing die ik heb is dit medaillon.’ Behoedzaam haalt hij het medaillon uit zijn zak en laat het haar zien. ‘Kent u misschien deze dame?’

Lange tijd kijkt de jonge vrouw naar het medaillon en Snuit wacht gespannen af.

‘Ik weet het niet, maar haar gezicht komt me wel bekent voor. Ik ben er niet zeker van, het is al heel lang geleden dat ik haar voor het laatst gezien heb. Het enige wat ik weet is dat er verderop een eenzame vrouw woont. Ik vermoed dat ze niet gevonden wil worden en zich daarom verstopt. Als je deze weg afloopt en het eerste pad rechts neemt komt u een oud vervallen huisje tegen. Het ligt tegen het bos aan en je moet goed kijken, want door de dichte begroeiing rondom het huisje, is de kans groot dat je het mist.’

Snuit bedankt haar vriendelijk en loopt samen met Wolf de weg af.

Het huisje was, zoals de jonge vrouw al had gemeld, moeilijk te vinden, maar Wolf ving de geur van een mens op en uiteindelijk vonden ze het bijna vergane huisje. Het was omgeven door een al even oud hekwerk, dat Snuit voorzichtig opende. Even dacht hij dat het onmogelijk was dat er nog iemand in die bouwval zou wonen. Hij loopt om het huisje heen en ziet dat de achterdeur niet is afgesloten. ‘Hallo, hallo,’ roept hij, maar het blijft stil.

Hij kijkt om zich heen en hoort plots iemand schreeuwen. Snel loopt hij op het geschreeuw af en ziet dat Wolf met zijn tanden een deel van haar rok vast heeft. De vrouw kijkt de wolf angstig aan en Wolf gaat rechtop voor haar zitten. ‘U hoeft niet bang voor hem te zijn, hij zal u niets doen,’ stelt Snuit haar gerust.

‘Ik…, ik… dacht even dat mijn laatste uur geslagen had. Ik wil dat jullie weggaan,’ maant de vrouw hem.

‘Het spijt me dat Wolf u zo heeft laten schrikken, maar hij doet niemand kwaad. Sorry.’

Snuit kijkt de vrouw eens goed aan en meent een gelijkenis met de foto in zijn medaillon te zien. Hij wilde haar het portretje laten zien maar bedenkt zich. ‘Weet u, ik ben opzoek naar mijn vader, maar voordat ik ook maar aan iemand een vraag kan stellen, rennen ze voor ons weg.’

 

De vrouw haalt haar schouders op en hoopt maar dat de vreemdeling zo snel mogelijk vertrekt, maar toch heeft ze ook met hem te doen. ‘Ik heb niet veel, het enige wat ik u kan aanbieden is wat thee. Ik zie dat jullie honger hebben, dus ik kan u ook wat van mijn zelfgebakken brood aanbieden en misschien heb ik in het schuurtje nog wat vlees voor uw wolf.’

‘Ik zou best wel een kop thee lusten en een boterham gaat er ook wel in. Het is al een tijdje geleden dat ik een versgebakken broodje heb gegeten. U hoeft niet bang voor ons te zijn, wij zullen u echt niets doen,’ antwoordt Snuitje.

De vrouw zet een sterke pot thee en snijdt wat boterhammen voor de jonge man die tegenover haar zit. Voor Wolf haalt ze een stuk spek uit de schuur, die hij gretig opeet. Snuit en de vrouw raken aan de praat en al snel durft ze haar verhaal te vertellen. Een verhaal dat ze nog nooit aan iemand had verteld. Het voelde goed dat ze dat een keer met iemand kon delen. Het was ook al zo lang geleden dat ze met iemand had gesproken. ‘Toen ik jong was, heb ik moeten vluchten omdat de koning mij wilde doden omdat…’

Plotseling zwijgt ze, omdat ze zich bedenkt. Stel dat de jongen naar haar opzoek zou zijn. Stel dat ze erachter zijn gekomen dat…, gaat het door haar heen.

‘Het is al laat, als jullie willen kunnen jullie hier wel overnachten, veel heb ik niet maar ik wil jullie niet midden in de nacht het bos insturen.’

‘Dat is erg lief van u en we zijn inderdaad moe van het reizen,’ antwoordt Snuit.

Ze wijst hen een kamer aan en voor het eerst in weken kan Snuit weer eens in een bed slapen. Samen met Wolf aan zijn voeten valt hij in een diepe slaap.

 

Als hij de volgende dag buiten komt ligt er volop hertenvlees, brood, groente en vruchten. Als dank voor haar zorgen repareert Snuit haar huisje, dat er zienderogen beter uitgaat zien.

Dagen verstrijken en uiteindelijk durft ze het aan om hem haar hele verhaal te vertellen. 

‘Eens was ik als kamermeisje van de prins in dienst van de koning. De prins en ik konden het samen goed vinden en daar was de koning niet zo blij mee. Op een dag werd ik het kasteel uitgezet en werd het gerucht verspreid dat ik de prins zou hebben willen vermoorden. Ik moest vluchten anders hadden ze me vermoord. Gelukkig had ik een vriendin die mij onderdak gaf. Ik hoorde dat ze mijn ouders gevangen hadden genomen en dat ze niet lang daarna zijn overleden. De ouders van mijn vriendin waren al jaren geleden overleden, dus niemand wist waar ik mij bevond. Ik kwam erachter dat ik een kindje kreeg. Een kindje van de prins. Ik weet zeker dat hij daar heel gelukkig mee zou zijn geweest. Maar omdat de haat naar mij toe zo groot geworden was en er een enorme beloning op mijn hoofd stond, kon ik mij nergens vertonen. Ik kreeg een jongentje, zo mooi en lief. Maar ik had te weinig melk voor hem en was bang dat hij zou sterven. Op een dag werd ook mijn vriendin ziek en ze werd steeds zwakker. Toen kwam ze op het idee om mijn zoon een beter leven te geven. Ze was ervan overtuigd dat de koning ons op een dag toch zou weten te vinden, dus zou ze met haar laatste krachten de baby meenemen en haar aan haar tante geven. Zij zou hem dan grootbrengen en zo zou de baby in ieder geval buiten gevaar zijn. Ze ging weg en ik heb haar nooit meer terug gezien. Later hoorde ik dat er aan de rand van het bos een meisje was gevonden. Ze was overleden van uitputting en de kou, maar een baby hadden ze niet gevonden. Wat er met mijn kindje is gebeurd, weet ik dus niet en daar zal ik waarschijnlijk nooit achter komen.’

Met verbazing had Snuit naar haar verhaal geluisterd en kon geen woord uitbrengen.

‘Wel jongen, dat was mijn verhaal. Wil je nu ook vertellen waar jij vandaan komt en wat het verhaal achter jouw vriendschap is met Wolf?’

Snuit kon haar alleen maar sprakeloos aankijken en de vrouw begreep niets van hem.

‘Snuit, wat heb je opeens. Geloof je mijn verhaal niet,’ vraagt ze geërgerd.

Verdoofd haalt Snuit het medaillon uit zijn zak en geeft het aan haar.

De vrouw schikt en blijft naar het medaillon staren. ‘Herken je haar,’ vraagt Snuit?

Met tranen in haar ogen fluistert ze: ‘Dat ben ik…, hoe kom je eraan?’

Hij vertelde haar hoe hij het na jaren van zijn moeder had gekregen die hem vertelde dat zij hem als baby in het bos had gevonden op de borst van een dode vrouw. ‘Ik ben in het bos opgevoed, samen met de dieren en een lieve moeder. Ze wist niet beter dan dat de vrouw, die zij had gevonden mijn moeder was en dus…. Zou het mogelijk zijn dat ik…’

Hij kijkt de vrouw die voor hem zit aan en zij barst in tranen uit. ‘Maar dan moet jij mijn zoon zijn,’ oppert ze.

‘Dat kan niet anders,’ antwoordt Snuit en dan laat ze zich in zijn armen vallen.

Wolf, die van dit alles niets begrijpt springt op en kruipt tussen hen in en likt de zoute tranen van het gezicht van de vrouw.

Toen ze uitgehuild was waren ze beiden weer in staat om verder te praten en vertelde ze elkaar het verdere beloop van het verhaal.

 

De prins

Jaren duurde het voordat de prins uiteindelijk over het verlies van zijn geliefde heen was. De koning werd een dag je ouder en het werd tijd dat zijn zoon hem zou opvolgen, maar voordat dat zover was zou hij eerst in het huwelijk moeten treden. Na diverse pogingen van de koning was het hem dan eindelijk gelukt om zijn zoon zover te krijgen om in het huwelijk te treden. Zijn zoon zag nu wel in dat ze het koninkrijk alleen konden behouden door in het huwelijk te treden. Zijn moeder was vorig jaar overleden en de koning was ook al op leeftijd.  Om zijn vader op te volgen had hij een vrouw aan zijn zijde nodig en dus kon hij zich niet meer verzetten tegen een huwelijk. Hij had zich erin verzoend, maar meer ook niet.

Hij loopt naar het raam, iets wat hij al jaren niet meer had gedaan. Vroeger ja, toen Brechtje er nog was, gaat het door hem heen. Toen had hij elke ochtend voor het raam gestaan om haar te zien. Elke ochtend, voordat ze hem kwam wekken, liep ze in de tuin te wandelen. Nooit had hij haar verteld dat hij in werkelijkheid allang wakker was, als zij hem kwam wekken. Verliefd had hij altijd naar haar sierlijke lijfje gekeken als ze in de tuin wandelde.  En nu…, straks liep in dezelfde tuin niet zijn Brechtje, maar een vrouw die voor hem was uitgekozen. Soms wilde hij dat hij in de wieg van een molenaar was beland. Hij begrijpt niet dat mensen zo op kunnen kijken tegen een koninklijke titel. Als hij kon, dan zou hij die titel zo inleveren. Plots ziet hij dat iemand vanuit de tuin naar hem zwaait. Zou de spanning me te veel worden, gaat het door hem heen, maar dan hoort hij een hoog gerumoer van uit de gang en loopt zijn kamermeisje opgewonden de kamer binnen. Ze rent naar het raam en verbaast vraagt hij: ‘Wat heb jij, is de prinses al gearriveerd?’

Ze schudt heftig met haar hoofd en vraagt hem om naar het raam te komen. Eigenlijk heeft hij daar niet veel zin in, zeker niet na die ervaring van zo even. Toch schuifelt hij naar het raam en met verbazing kijkt hij naar de enorme wolf die bij de ingang van de poort staan. Naast hem staan twee personen en ‘denkt er één van te herkennen, maar weet niet waarvan.

‘Nee, hoogheid, u droomt niet. Geen van de wachters heeft ze durven tegenhouden. Ze denken allemaal dat ze bij uw toekomstige vrouw horen.’

‘Laten ze er in ieder geval voor zorgen dat ze de trouwerij niet verstoren,’ bromt hij.

 

Een paar uur later is het zover. In de kleine kathedraal van het kasteel staat de prins in zijn statige uniform te wachten op de binnenkomst van zijn toekomstige vrouw. De zaal is prachtig versierd. Niets is aan het toeval overgelaten en de geur van bloemen overheerst de ruimte en de aanwezige kijken gespannen naar het moment dat de deuren zich zullen openen en de bruid zal binnentreden.

De dominee, die het huwelijk zal inzegenen knikt de prins vaderlijk toe, alsof hij wil zeggen: ‘Nog even geduld en dan is het zover.’ 

Eindelijk gaan de deuren open en de prinses komt de kathedraal binnen. Op de muziek scheidt ze stapje voor stapje naar het altaar. Het hart van de prins gaat sneller kloppen en hij moet toegeven dat ze een prachtige verschijning is.

De dienst begint en dan is het moment daar dat de dominee vraagt of ze elkaar de hand willen reiken en bereid zijn met elkaar in het huwelijk te treden. Maar voordat ze hun ja-woord kunnen uitspreken worden de deuren opnieuw geopend en staat Wolf in het gangpad. Achter hem lopen Snuit en zijn metgezel en gedrieën lopen ze naar voren.

‘Waarom verstoort u mijn huwelijk,’ vraagt de prins op vriendelijke toon?

 Wolf draait zijn kop van links naar rechts. Hij is er niet gerust op, je weet nooit wat die vreemde mensen daar in die hoek van plan zijn met die wapens. Dicht bij Snuit gaat hij voor zijn voeten liggen en legt zijn kop op zijn poten.

‘Ik vind het vreselijk dat wij u moeten storen en u zult zich vast wel afvragen wie wij zijn. Dat zal ik u proberen uit te leggen. Ik ben erachter gekomen dat u mijn vader bent,’ zegt Snuit en laat een lange stilte vallen. Gespannen wachten ze de reactie van de prins af.

De bruid die totaal van slag is door deze gebeurtenis loopt huilend de kathedraal uit. De overige gasten smoezelen van verontwaardiging en wachten af wat er verder gebeurt. ‘De prins is vader, hoe kan dat nou. Wie is dan de moeder van die zogenaamde zoon. Schandalig, hoe durft die man zich hier te vertonen en dan nog wel op de trouwdag van de prins.’

Brechtje, die schuin achter Snuitje staat, moet even glimlachen om het geroezemoes om haar heen. Voor het eerst na al die jaren schept ze genoegen in hetgeen er gebeurt.

‘Waarom staat u te glimlachen, mevrouw. Wat is er zo leuk aan deze situatie,’ vraagt de prins haar?

‘Ach mijn prins, soms is het leuk om te zien hoe andere terecht worden gewezen om hetgeen jaren geleden mij is overkomen.’

Prins Carlos kijkt haar verbeten aan en antwoordt: ‘Wat u en deze jonge man hier aanrichten, is niet goed te praten. U moet wel met een heel geloofwaardig verhaal komen om dit recht te praten.’ Oplettend kijkt hij de vrouw aan en vraagt zich af wie ze is. ‘Uw stem komt me bekent voor, maar verder…’

‘Je herkent mijn stem, maar mij niet. Dat begrijp ik best, mijn uiterlijk heeft, net als mijn ziel veel geleden uit verdriet om jou en onze zoon. Ik ben de moeder van deze moedige jonge man, jouw zoon.’

Vol ongeloof kijkt de prins van de één naar de ander. ‘Dat is onmogelijk, de vrouw waar ik ooit van hield is overleden. Gevonden in het bos.’

Brechtje loopt naar hem toe en fluistert: ‘Ik weet dat je denkt dat je droomt, maar dat is niet zo. Ik ben het echt. Ik zal het je bewijzen.’

Ze loopt naar Snuit en vraagt hem om het medaillon en laat het kostbare geschenk aan de prins zien.

‘Dit is mijn bewijs, als je je dit niet meer kan herinneren vertrekken we en zul je ons nooit meer zien,’ zegt ze en reikt hem het medaillon aan.

Lang heeft de prins niet nodig om het medaillon te herkennen. ‘Dit is het medaillon dat ik… haar gegeven heb. Brechtje, ben je het echt? Hij pakt haar beet en tilt haar op. Diep snuift hij haar geur op en dan is er geen twijfel mogelijk ze is het, gaat het door hem heen en hij kust haar.

Wolf, die de prins Brechtje ziet optillen denkt dat hij haar kwaad wil doen en staat grommend op.

‘Het is goed Wolf, goed volk… of liever prinsenvolk,’ waarschuwt Snuit Wolf.

De prins kon zijn geluk niet op, wat volgens vele de mooiste dag van zijn leven zou moeten zijn, werd uiteindelijk toch zijn mooiste dag. Maar verliep heel anders, dan andere hadden gepland. Het kasteelpersoneel had hem nog nooit zo opgelaten meegemaakt.

Blijdschap of niet?

Het drietal had elkaar veel te vertellen en daardoor kwam ook aan het licht wat de vader van de prins in het verleden had aangericht. De prins dacht aan al de pijn en het verdriet dat zij hadden moeten doorstaan en aan al die jaren die verloren waren gegaan. Jaren die vol blijdschap en geluk hadden moeten zijn. Diep in hem begonnen wraakgevoelens te groeien ten opzichte van zijn vader. Brechtje zag die haat in zijn ogen en kon deze alleen maar met lede ogen aanzien. Ze hoopte dat die gevoelens in de loop van de jaren milder zouden worden. Snuit was onder de indruk van hetgeen er zich jaren geleden op het kasteel had afgespeeld. Hij was blij dat hij zijn vader had gevonden en dat hij ook nog zijn moeder zou vinden, dat had hij in zijn stoutste dromen niet kunnen verwachten. Toch was er een keerzijde aan al die vreugde.

Het leven op het kasteel was totaal anders dan hetgeen waarin hij was opgegroeid. Het bosleven bleef aan hem trekken. Dikwijls dacht hij aan zijn bosmoeder en de dieren om hen heen. Hij wilde terug naar dat alles, maar wilde zijn moeder niet in de steek laten. Hij trok zich steeds meer terug in zijn kamer en vroeg zich af wat zijn vader en de koning met hem van plan waren. Plots werd er op de deur geklopt en melde het kamermeisje dat zijn moeder hem wilde spreken.

Als hij de kamer van zijn moeder binnenkomt ziet hij dat Wolf prinsheerlijk voor de openhaard ligt. Sinds ze op het kasteel waren aangekomen was hij grotendeels in de nabijheid van zijn moeder te vinden.

‘Lieverd, je vader en ik zien dat je met je gevoelens worstelt. Kunnen wij iets voor je betekenen,’ vraagt zijn moeder?

‘Ik worstel inderdaad met mijn gevoelens. Allereerst mis ik het bos, maar waar ik mij meer zorgen om maak is de sfeer hier onderling,’ begint Snuit voorzichtig en kijkt daarbij zijn vader aan.

‘Kan ik iets voor je doen, zoon?’

‘Pa, ik hou het kort. Het gaat om jou en de wijze waarop je op wraak uit bent. Je vindt jezelf misschien zielig omdat je jaren van vrouw en kind bent verstoten. Maar begrijp je wat moeder en ik hebben moeten doormaken.’

De prins wil hem onderbreken, maar daar geeft Snuit hem geen kans voor. ‘Ik weet dat je het niet met me eens bent, maar wij hebben hier ook een stem in. Als u besluit om wraak te nemen op uw vader dan bent u geen haar beter dan hij. Als u die wraakgevoelens omzet in daden, dan zie ik geen andere oplossing dan dat Wolf en ik genoodzaakt zullen zijn om het kasteel te verlaten en ik zal niet twijfelen om moeder mee te nemen. Wraak lost niets op en daarbij komt dat moeder en ik elders ook gelukkig kunnen zijn. Wij hebben al deze pracht en praal niet nodig om ons goed te voelen. Ik hoop dat u daar eens goed over na wilt denken en uw wraakgevoelens ten opzichte van opa kunt laten varen.’

Snuit kijkt zijn vader vragend aan, maar zijn vader loopt zonder iets te zeggen de kamer uit.

‘Sorry mam, ik hoop dat ik u geluk niet heb verknald. Zwijgend gaan ze tegenover elkaar zitten en staren naar de vlammen van de openhaard.

Niet veel later komt de prins met gebogen hoofd weer de kamer binnen. Vol schaamte geeft hij toe dat hij zich te veel door zijn gevoelens heeft laten leiden en dat het inderdaad geen zin heeft om wraak te nemen en dat hij heeft besloten om zijn vader zijn fouten te vergeven.

 

EINDE

Het had even tijd nodig om elkaar te begrijpen, maar uiteindelijk vonden de mensen die in het kasteel woonden elkaar. Brechtje en de prins kregen de zegen van de koning om te trouwen. Op hun trouwdag deed de koning afstand van de troon en gaf de scepter over aan de prins.

 

Al die gebeurtenissen had het volk behoorlijk in beroering gebracht en waren ze het vertrouwen in de oude koning totaal verloren. De nieuwe koning sprak het volk toe en vertelde dat alles weer goed was tussen zijn vader en hem en dat zijn vader hem beloofd had om zich op de achtergrond te houden.

 

De oud-koning had te kennen gegeven dat hij zich zou terugtrekken en een ander onderkomen zou gaan zoeken. Dat vond hij in het bos, hij betrok het huisje waar Snuit was grootgebracht. Hij knapte het eigenhandig op en kreeg gezelschap van Wolf. Wolf was namelijk met hem meegegaan, ten slotte hoorde en voelde hij zich daar meer thuis, dan in het kasteel.

 

Ook Snuit vond zijn draai in het koninkrijk van zijn vader en de heimwee naar het bos werd steeds minder, zeker toen hij op een zonnige dag een molenaarsdochter leerde kennen.

Definitieve Einde

error: Content is protected !!