De vergeten belofte
Proloog
Gespannen loopt de man achter de oudere dame naar het eind van de lange gang. Ze opent een deur en vraagt hem de ruimte te betreden. Daar staat in het midden een enorme tafel dat aan de bovenzijde bekleed is met een zacht fluwelen stof. In de muren bevinden zich ontelbare kluisjes en één daarvan wordt door de vrouw geopend. Behoedzaam schuift zij er een kistje uit, dat zij voor hem op tafel zet.
‘Neemt u toch plaats,’ zegt ze uitnodigend.
Ze gaat tegenover hem zitten en reikt hem de sleutel aan.
Deel 1
1969
Over de Zuid-Chinese zee raasde een tyfoon en Bert, die op de brug stond probeerde het vrachtschip op de wind te houden. Plotseling viel de motor uit en werd het schip dwars op de golven geduwd. De machinist deed verwoede pogingen om de motor weer opgang te brengen. Bert ging beneden polshoogte nemen en zag dat het koelwater, die de motor moesten afkoelen uit de defecte deksel spoot.
‘Ik heb de motor minder omwentelingen moeten laten maken,’ schreeuwde Lart hem toe.
Bert wist dat ze daarmee het vrachtschip niet op de wind zouden kunnen houden. Ze moesten proberen de klept te sluiten, misschien konden ze hem stutten.
Intussen werd het schip telkens op stuurboordzij gegooid. Ze deden hun uiterste best om de klep te sluiten, maar net voordat ze de klus konden klaren werd het schip hard geraakt en niet veel later helde ze langzaam naar stuurboord over.
‘Bert dat gaat niet goed, we moeten maken dat we hier weg komen,’ schreeuwde Lart.
Het water begon de machinekamer binnen te stromen en door de stroming van het water moesten ze vechten om aan dek te komen. Bert verloor zijn evenwicht en viel achterover, maar werd met een ruk naar boven getrokken. Aan dek keek hij in de ogen van Larry, die hij wilde bedanken.
‘Bedank me maar nog niet, daar hebben we geen tijd voor,’ schreeuwde hij hem toe en reikte hem een zwemvest aan.
Veel tijd om na te denken hadden ze niet omdat het schip met zijn boeg al half onderwater lag.
Toch leek het erop dat de wind minder was, maar dat kwam omdat ze zich in de luwte aan stuurboord bevonden. Paul dook plots uit het niets op en vertelde hun dat de reddingsboot overboord was geslagen. Hij wees naar de golven en daar zagen ze inderdaad de reddingsboot als een speelbal op de golven dansen.
‘Voordat hij lossloeg, heb ik er nog een tros in kunnen smijten. We zullen dus moeten springen en proberen de boot te bereiken. Dick, onze schotse vriend, bevindt zich al in de boot. Die had zich al in veiligheid kunnen brengen, maar toen kreeg de wind plots grip op de boot en brak de verankering los. Ik hoop maar dat Dick de lijn heeft opgepakt, zodat hij ons kan binnenhalen.’
De golven beukte tegen het vrachtschip en ze begrepen dat ze niet langer konden wachten. Ze moesten wel de zee trotseren of anders met het schip ten onder gaan. Eén voor één sprongen ze de woeste zee in en probeerde de lijn, die de Schot hem toewierp vast te grijpen. Met hun laatste krachten trachtten ze aan boord van de reddingsboot te komen. Uitgeput vielen ze in het bootje en Bert keek nog één keer angstig naar het ondergaande schip. Hij wist dat één van hen en de kapitein het niet hadden gered.
De kameraden van verschillende nationaliteiten hadden jaren op het schip, dat ginder ten onder ging, gevaren en een hechte vriendschap opgebouwd. Buiten Luis (de Portugees) waren ze ook deze reis weer aan boord gegaan. Luis was thuisgebleven en Bert vroeg zich af of hij misschien een voorgevoel had gehad.
De zee speelde met de reddingsboot alsof het een notendop was. Zwijgend hadden ze naar elkaar gekeken en eenieder had de angst in zijn ogen omdat ze wisten dat zij dit gevecht nooit zouden kunnen winnen. Uitgeput vielen sommige in slaap.
Bert merkte plotseling op dat de wind in snelheid afnam en dat er alleen nog maar sprake was van een lange deining. Toen hij zich oprichtte zag hij niet ver van hen vandaan een vissersschip liggen en schreeuwend probeerde hij hun aandacht te trekken. Hij zag dat het schip hun richting opvoer en de bemanning vertelde hem dat ze hun noodsignaal hadden ontvangen met de coördinaten. Ze vertelde hun dat de tyfoon nog niet voorbij was. Ze bevonden zich in het oog daarvan, dus veilig waren ze nog niet. Met horten en stoten vocht het visserschip tegen de tyfoon op en wonder boven wonder lukte het de bemanning van het visserschip hen uit de gevarenzone te halen.
Toen ze op de wal aankwamen werden ze opgevangen door een aardige bevolking. Niet alleen de warmte van de zon maar ook de liefdevolle verzorging van de inwoners deed hen goed. Al snel moesten de mannen één voor één afscheid van elkaar nemen en geen van hen wist wanneer ze elkaar ooit weer zouden ontmoeten. Bert was als laatste overgebleven in het kleine dorpje, maar toen kwam de dag dat ook hij moest vertrekken.
Een man kwam met uitgestoken hand op hem af en stelde zich voor als de stuurman van de Mathilde. ‘Fijn om je te zien. Je bent wel heel ver van de bewoonde wereld terechtgekomen,’ begroette hij Bert. U kunt met ons meevaren. Ik heb begrepen dat u vorige reis niet al te best verlopen is.’
Bert had geknikt en zacht gezucht. ‘Dat kan je wel zeggen, laat ik eerst maar weer thuis zien te komen. Dank u voor u aanbod.’
Het schip was minder kolossaal dan hetgeen waar hij op had gevaren. Hij kreeg een hut toegewezen en al na een paar dagen kon hij het goed met de bemanning van het schip vinden. Al was er toch enige afstand tussen hen. Hij voelde de spanning op hun gezichten en de vragen die ze hem wilde stellen, maar hij kon of wilde er niet over vertellen.
De kapitein stelde hem gerust en raadde hem aan zijn leven weer op orde zien te krijgen. ‘Blijf er niet te lang in hangen,’ had hij hem geadviseerd. ‘Mocht je erover willen praten, dan weet je me te vinden.’
Terug in zijn kooi gingen zijn gedachten terug naar zijn vrienden. Twee daarvan hadden het niet gehaald en plots brak hij en barste in huilen uit.
Hij hoopte dat het thuisfront het nieuws, dat zijn schip ten onder was gegaan, maar dat hij het er levend van af had gebracht, hadden vernomen.
Er werd op de deur van zijn hut geklopt en de kapitein meldde dat ze spoedig aan zouden meren. Hij had geregeld dat hij de verdere reis naar huis, per vliegtuig zou mogen afleggen.
‘Wij moeten nog een paar havens aandoen en dat wil ik je besparen.’
Bert bedankte hem met een lichte glimlach, maar ook met tranen in zijn ogen. De kapitein nam plaats en haalde een klein flesje whisky en twee glaasjes uit zijn zak.
‘Laten we proosten op het leven en je thuiskomst.’
Ze babbelde nog wat en voor het eerst kon Bert iets vertellen over zijn laatste reis en zijn vrienden die hij mistte.
‘Ik heb twee goede vrienden verloren. We waren met zijn zevenen en ik had nooit gedacht dat het leven zo’n afschrikwekkende ommekeer kon maken. We hebben jarenlang zo’n plezier gehad en niets was ons te gek. Gewoon echte vrienden, maar het leven is niet te voorspellen. Dat is wat ik ervan geleerd heb. Je moet niet te ver vooruitplannen, maar genieten van het moment.’
De kapitein keek hem vragend aan en nieuwsgierig vroeg hij: ‘Wat is die vreemde tatoeage die je achter op je bovenarm hebt laten tatoeëren?’
Verbaast keek Bert hem aan en trok de huid van zijn bovenarm naar voren. In de spiegel tegenover hem kon hij hem enigszins onderscheiden. ‘Het is een zeepaartje, maar ik kan me er weinig van herinneren. We moeten behoorlijk dronken zijn geweest, want al mijn vrienden hebben dezelfde tattoo op hun arm. En dan te bedenken dat ik er helemaal niet van hou om mijn lichaam met tekeningen te versieren.’
‘Ach ja, het probleem is wel dat je het er niet meer af krijgt,’ lacht de kapitein die hem een flinke hand geeft. ‘Het ga je goed Bert, over een paar uur leggen we aan en dan wacht er een taxi die je naar het vliegveld brengt.’
Tijdens het aanmeren nam Bert afscheid van de overige bemanning en stapte vervolgens in de taxi op weg naar het vliegtuig.
Uren later lande hij op Schiphol en vandaaruit nam hij de KLM-bus naar Den Haag en stapte op de trein naar Rotterdam.
Thuis gekomen werd hij met veel liefde verwelkomd. Zijn vader melde hem dat de maatschappij had gevraagd of hij zich zo spoedig mogelijk bij hen zou willen melden. ‘Ze hebben ook al een ander schip op het oog, dus je kan zo weer de vaart op,’ vertelde zijn vader.
Bert melde zich de volgende dag bij de maatschappij en was teleurgesteld in de koude en koele wijze waarop ze hem te woord stonden. Ze keerde hem zijn gage uit en vertelde hem dat hij over twee dagen kon aanmonsteren op de Cornelia. De reis zou enkele maanden gaan duren.
Bert had hem aangekeken en gaf de man geen antwoord, waarop deze ongeduldig reageerde: ‘Nou graag of niet, er zijn genoeg anderen die je plaats willen innemen.’
Bert schudde met zijn hoofd en antwoordde: ‘Weet u wat…, neem maar één van de andere in mijn plaats. Ik hou het voorgezien. Ik wens u en de rest een fijne dag,’ en liet de man in opperste verbazing achter.
Toen Bert het kantoor uitliep voelde hij een last van zijn schouder afvallen. De zon die stralend scheen, verwarmde zijn gezicht. Hij liet zijn blik over het erf glijden en voelde zich, ondanks dat de zon zijn warmte afgaf, vanbinnen koud worden. Hij liep het parkje even verderop in en ging op een bankje zitten en peinsde over zijn beslissing. Heb ik er nou wel goed aangedaan, vroeg hij zich af? Maar vervolgens dwaalde zijn gedachten naar zijn kameraden en hoopte dat er ooit een tijd kwam dat hij ze weer zou zien en dat het voor nu, goed met ze ging.
Als hij zijn ogen sloot zag hij nog steeds die verwoestende golven en kwam tot de conclusie dat hij er goed aan had gedaan om zich niet aan te monsteren op de Cornelia. ‘Verzuip zelf maar…,’ riep hij.
De jonge vrouw die naast hem op het bankje was komen zitten, keek hem glimlachend aan.
‘Nou lekker dan, waar heb ik dat aan verdient,’ vroeg ze hem glimlachend?
‘Oh sorry, ik was een beetje boos, maar niet op u hoor,’ antwoordde hij.
Ze had hem vriendelijk toegelachen en geantwoord: ‘Ik kan heel goed luisteren, misschien is het goed als u erover praat.’
Hij vertelde haar zijn verhaal en dat hij zo even het kantoor van de rederij was uitgelopen. Ze liet hem in alle rust uitpraten. Toen hij zijn verhaal had verteld viel er geruime tijd een stilte. De vrouw keek hem aan en reageerde: ‘Dat is een heftig verhaal, maar het verbaast me niets. Sommige rederijen kunnen meedogenloos zijn en ze knipperen dan niet eens met hun ogen. Ik denk dat het heel verstandig van u is om een tijdje rust te nemen. U moet deze gebeurtenissen een plekje geven en wie weet trekt de zee u, over een tijdje, vanzelf weer aan. Maak u zich niet al te druk om wat de mensen ervan vinden, ze begrijpen er toch niets van, maar oh wee als henzelf iets overkomt,’ was haar reactie op zijn verhaal.
Voordat ze er erg in hadden vloog de tijd voorbij. Hij waardeerde het dat ze naar hem had geluisterd en ze spraken af dat ze elkaar nog eens zouden ontmoeten.
Thuis begrepen ze niet waarom hij die beslissing had genomen. Hoe kon hij nou zijn ontslag indienen, wat zou hij nu voor werk moeten gaan doen, vroegen ze zich af.
‘En hoe denk je nu de kost te gaan verdienen,’ werd hem gevraagd?
Hij had zijn schouders opgehaald maar begreep dat ze ergens wel gelijk hadden, maar terug de zee op…, nee geen sprake van. Zijn besluit stond vast.
Er ging een week voorbij. Een week waarin Bert veel had nagedacht, maar inmiddels had hij er een probleem bij. Of het een probleem was, was hem op dit moment nog niet duidelijk. Feit was wel dat hij de jonge vrouw die hij in het parkje had ontmoet maar niet uit zijn gedachte kon krijgen. In zijn slaap dook ze op en dan leek het net alsof hij haar geur rook. Ook het lieve gezichtje van de kleine meid in de wagen was hem inmiddels vertrouwd geworden. Wat weet ik nou eigenlijk over haar, mijmerde hij. Misschien is ze wel getrouwd, maar waarom had ze hem dan haar adres gegeven. Je geeft als vrouw toch je adres niet aan een wildvreemde kerel als je getrouwd bent. Kom op man, daar kom je maar op één manier achter. Zoek haar op!
In de stratengids zocht hij haar adres, dat ze hem gegeven had, en vond uit hoe hij daar met het openbaar vervoer zou kunnen komen. Toen hij de tram uitstapte sprak hij een wat oudere vrouw aan en vroeg haar of zij hem de weg naar het bewuste adres zou kunnen wijzen.
De vrouw keek hem een tijdje argwanend aan en Bert vroeg haar nogmaals of zij hem de weg kon wijzen. ‘Weet u nu wel of niet, waar zich het adres bevindt,’ vroeg hij ongeduldig?
Ze wees hem de richting en antwoordde: ‘Jonge man, weet waar je aan begint. Meer zeg ik niet!’
Bert haalde zijn schouders op en liep naar de hem aangewezen straat.
Hij belde aan en wachtte geduldig totdat de deur werd geopend. Fleur deed open en op haar arm droeg ze de kleine meid. Ze lachte hem toe en liet hem binnen. Bert liet zijn blik door de ruimte glijden. Een ruimte die er sober, maar netjes en schoon uitzag.
‘Ga toch zitten,’ zei Fleur.
Bert wilde plaatsnemen, maar Fleur fluisterde: ‘Nee, niet deze stoel, die zakt te ver door. Wil je misschien een kop koffie? Het is wel de goedkoopste, maar daar moeten we het maar mee doen.’
Bert knikte en Fleur wilde de baby in een soort sinaasappelkist zetten en toen ze zag dat hij haar verbaast aankeek zei ze: ‘Oh, maak je maar niet ongerust hoor. Dat gaat prima.’
‘Weet je,’ antwoordde Bert. ‘Geef haar maar aan mij.’
‘Ook goed, ik ga even koffiezetten.’ Ze gaf hem de baby en hij nam haar op zijn schoot. De kleine meid keek hem vrolijk aan en klapte in haar handjes.
Maanden verstreken, maanden waarin Fleur en hij naar elkaar toegroeiden. Zijn spaargeld slonk gestaag en de buurt waar Fleur woonde was uitgesproken arm en de woningen oud en vervallen. Ze werden door de eigenaren niet onderhouden en waren in principe nauwelijks bewoonbaar. Ondanks dat Fleur haar best deed om haar woning leefbaar te houden zakte ook haar de moed soms in de schoenen. De vrouwen bevonden zich vaak op straat en roddels waren een welkome afwisseling voor hen. Ook de naam van Fleur en hij gingen vaak rond. Op een dag vroeg één van de vrouwen Bert brutaal en op een doordachte manier of hij de vader van Fleurs kind was?
Verrast door de vraag antwoordde hij op zijn spontane, maar misschien roekeloze manier: ‘Dat klopt, maar was u daar niet zeker van?’
Met opgeheven hoofd liep hij door en hoofdschuddend stak hij de sleutel in het slot. Nog éénmaal keek hij de vrouwen aan die direct hun blik van hem afwenden.
Het drong nu pas goed tot hem door wat Fleur moest doorstaan in deze kleine gemeenschap. Om het haar niet nog zwaarder te maken zou hij in het vervolg wat meer op zijn hoede moeten zijn. Ze had het al zwaar genoeg.
Er moest een oplossing komen voor dit probleem, bedacht hij zich.
De volgende dag besprak hij het probleem met zijn ouders en verrassend genoeg had zijn moeder een voorstel.
‘Lieve schat, Ella woont niet meer thuis en als jij zo verkikkerd op Fleur bent, dan kom je toch voorlopig bij ons inwonen? We hebben ruimte genoeg. Neem boven de grootste kamer en gebruik je eigen kamer als kinderkamer voor de kleine meid,’ had moeder geopperd.
‘Meen je dat echt mam? Daar hoef ik niet lang over na te denken en ik weet zeker dat jullie blij met haar zullen zijn.’
‘Jongen, dat doen je vader en ik al. Overleg het met haar en dan horen we het wel.’
Opgelaten had hij zijn jas van de kapstok getrokken en ging op weg naar Fleur. Opgewonden van blijdschap nam hij haar in zijn armen en vroeg haar zonder omwegen ten huwelijk.
Verbaast had ze hem aangekeken en geantwoord: ‘Jeetje Bert, die vraag komt zowat uit je tenen. Tja, je overvalt me, maar ook weer niet. Ik moet jou ook wat opbiechten. Je wordt vader! Maar je weet ook hoe de mensen hier in de buurt over mij denken, misschien hebben ze wel gelijk. Weet dus wel waar je aan begint?’
‘Wat zeg je nou. Word ik vader, maar dat is geweldig. Nu kan je me zeker niet afwijzen,’ had hij gegrapt. ‘Wat kan het mij schelen wat ze hier in de buurt van ons vinden. Ik ben gek op je en samen worden we een mooi paar, samen met kleine Emma.’
Fleur was in zijn armen gesprongen en de tranen waren over haar wangen gestroomd, maar deze keer niet van verdriet of ellende, maar van geluk. Ze had Emma in haar armen genomen en met haar als een mallemolen door de kamer gewalst.
Plotseling was ze gestopt en had hem angstig aangekeken. ‘Sorry Bert, ik kan het niet. Ik kan niet met je trouwen, dat zou niet eerlijk zijn tegenover jou. Je moet me vergeten en naar huis gaan,’ had ze gesnikt.
Bert begreep er niets van: ‘Maar schat, waarom zou het niet eerlijk zijn,’ had hij gevraagd en hij had de angst in haar ogen gezien. ‘Vertel me dan wat er is?’
‘De vader van Emma…, al die tijd dat we samen zijn heb je nog nooit naar de vader van Emma gevraagd. Ben je daar dan niet nieuwsgierig naar?’
Sprakeloos keek hij haar aan. Niet wetende wat hij moest doen om haar te overtuigen dat hij van haar hield. Hij had diep gezucht en haar aangekeken en geantwoord: ‘Dat ik niet haar vader ben staat als een paal boven water, maar dat is nog geen reden om niet van haar te houden. Ik vertrouw erop dat je mij op een dag zal vertellen wie haar vader is en wat er is gebeurd, maar voor nu interesseert het mij geen moer. Als jij van me houdt dan trouw je met me, meer vraag ik niet.’
Hij had Emma opgepakt en haar in de box gezet. Ging naast Fleur zitten en nam haar handen in de zijne.
‘Bert, er is zoveel dat je niet weet. Waarom denk je dat ze mij in de buurt mijden als de pest?’
‘Dat weet ik niet, en inmiddels heb ik wel begrepen dat die vrouwen van een mug een olifant maken, maar als jij me iets wil vertellen dan zal ik aandachtig naar je luisteren en je niet in de rede vallen.’
Ze had hem aangekeken en getwijfeld of ze hem de waarheid kon vertellen. Maar aan de andere kant kon ze ook niet met haar geheim verder leven en hem in het ongewisse laten. Als hij zou besluiten om te vertrekken, moest ze de consequenties maar aanvaarde, peinsde ze.
Ze boog haar hoofd en met een zachte trillende stem begon ze haar verhaal.
‘Ik heb je verteld dat mijn vader tijdens zijn werkzaamheden op één van de schepen is verongelukt. Hij werkte als classificeerder en werkte op dat moment met een zeer gevaarlijke stof, dat hem noodlottig is geworden. Hij is gestikt en toen ze hem vonden was het al te laat. Vanaf dat moment stond mijn moeder er alleen voor en dat was in die tijd geen pretje. Ze moest rondkomen van een beetje steun of wat giften van de kerk. Geloof me dat was geen vetpot.’ Even viel ze stil, maar ging toen dapper verder met haar verhaal: ‘Op een gegeven moment moesten we uit onze woning, omdat ze de huur niet meer kon betalen. We zwierven wat rond, totdat we een vaste plek kregen op een zolderkamer boven een café. Moeder werkte daar, maar ik had er in het begin geen idee van wat ze precies deed. Dat hoorde ik later op school, daar vertelde de kinderen mij in geuren en kleuren, wat of mij moeder voor werk deed. Je begrijp misschien wel dat ik mijn moeder verdedigde en schreeuwde mijn klasgenootjes toe dat dat leugens waren.’
Opnieuw stopte ze met haar verhaal en Bert wreef geruststellend over haar hand. ‘Als het je te zwaar valt om het mij te vertellen, dan hoeft het niet hoor.’
Fleur had hem aangekeken en geknikt en met opgeheven hoofd had ze geantwoord: ‘Nee, het is belangrijk dat je het weet. Ik bleef mijn moeder verdedigen en weet je eigenlijk wist ik niet eens wat die kinderen nou eigenlijk bedoelde. Mam en ik hadden het goed en ik heb haar nooit verteld dat de kinderen op school mij het leven zo zuur maakten. Een paar jaar geleden overleed moeder en achteraf kwam ik erachter dat zij was gestorven van verdriet. Ik was er kapot van, maar werd opgevangen door een alleraardigste man. Hij troostte me, nam me overal mee naar toe en verzorgde me. Ik vertrouwde hem tot op het bot en ik begon weer wat uit een dal op te krabbelen. Totdat ik erachter kwam dat ik zwanger van hem was. Ik schaam me diep over hetgeen er toen gebeurde.
We waren die dag in Amsterdam geweest en het was al wat laat. Hij stopte op het haventerrein, het terrein voor het kantoor van zijn vader, hetzelfde kantoor waar jij voor voer. We keken naar de ondergaande zon en toen besloot ik dat het tijd werd dat ik hem moest vertellen dat ik zwanger was. Nou, geloof me. Toen kwam zijn ware aard naar boven. Hij keek me nijdig aan en verweet me dat ik hem erin had geluisd. Hij begon wild om zich heen te slaan en ik moest de ene na de andere klap incasseren. Hij bleef maar schelden dat ik hem gebruikte om zijn geld en dat ik net als mijn moeder een vuile rot hoer was. Je begrijpt misschien wel dat ik door de klappen en geschreeuw als een vogeltje in elkaar dook. Ik kon niet geloven dat hij zo anders was dan ik mij had voorgesteld. Hij gooide het portier van de auto open en schopte mij letterlijk de auto uit.
Geschokt stond ik daar aan de kade en wat er toen gebeurde gaat mijn verstand te boven. Hij bleef maar schelden en plots kreeg ik een waas voor mijn ogen. Ik opende het portier, greep zijn haren en sloeg zijn hoofd tegen het stuur. Ik trok de handrem los en duwde de auto de kade af. Ik zag de auto richting het water rijden en op dat moment kwam ik tot bezinning. Ik wilde de auto nog tegenhouden, maar dat lukte mij niet. De politie verklaarde later dat het ongeluk was veroorzaakt doordat hij onder invloed had gereden. Er werd een promillage in zijn bloed gevonden die drie keer de toegestane hoeveelheid bevatte en dus werd er geen onderzoek ingesteld.’
Wanhopig had ze hem aangekeken en beiden hadden op dit moment geen idee wat of ze tegen elkaar moesten zeggen. Fleur begon te trillen en Bert nam haar in zijn armen en zwijgend bleven ze gestrengeld in elkaars armen zitten. Plots begon Emma te huilen en Bert nam haar uit de box en liep met haar door de kamer totdat ze in zijn armen in slaap viel. Hij legde haar zacht terug in haar box en dekte haar toe met haar zachte dekentje, waar de kleine meid zo dol op was. In haar ene handje greep ze haar dekentje vast en de duim van haar andere handje stak ze in haar mondje. Liefkozend streelde Bert over haar bolletje en een golf van vertedering stroomde door zijn lichaam. Toen hij zich omdraaide zag hij Fleur vertwijfeld naar hem kijken.
‘Het spijt me dat ik mijn probleem nu ook op jouw bordje gooi,’ verontschuldigde zich en boog haar hoofd van schaamte.
‘Ach lieverd, ik ben wel wat gewend. Als die schoft nog had rondgelopen had ik misschien zelf zijn kop van zijn romp geslagen. Laat het rusten, hij is er niet meer en feit is, je zult met je geweten in reine moeten komen. Je geheim is bij mij veilig en ik zal er niet minder om van je houden. Ik denk dat jouw straf nu groter is, dan je ooit zou hebben gekregen als de waarheid naar boven gekomen zou zijn. Je bent flexibeler dan je denkt. Kijk wat er in de box ligt, je bent een fantastische moeder van een kind dat haar echte vader nooit zal leren kennen, maar ik denk dat dat eerder een zegen is dan een gemis. Hij trok haar omhoog en nam haar in zijn armen. ‘Trouw met me en vergeet het verleden. Wees niet bang, voor de buitenwereld ben ik de vader van Emma, dat heb ik ze al eens eerder verteld’
‘Wat bedoel je?’
‘Nou, één van die roddeltantes vroeg mij op de man af of ik de vader van jouw kind was en toen heb ik haar gevraagd of ze daaraan twijfelde, dus maak je niet druk om die lui.’
‘Daar heb je me niets over verteld.’
‘Ach, ik vond het niet zo belangrijk. Ik moet je trouwens nog iets vertellen. Gisteren had ik een gesprek met mijn ouders en vertelde in wat voor een slechte woning je eigenlijk woont. Zij boden aan om voorlopig bij hen in te trekken. We kunnen boven de grote kamer als zit-slaapkamer inrichten en we kunnen voor Emma mijn slaapkamer gebruiken.’
‘Maar schat, ik ben zwanger dat kan toch niet?’
‘Waarom niet, vandaaruit kunnen we opzoek gaan naar een andere woning. Ik ben volop aan het solliciteren en als we sparen kunnen we op een dag misschien een kleine woning kopen.’
‘Meen je dat echt, ondanks hetgeen ik je net hebt opgebiecht.’
‘Ik hou van je Fleur en niet alleen van jou, maar ook van die kleine daar.’
‘Weet je zeker dat je een mens bent en niet één of andere engel?’
‘Nou, ik heb nog geen vleugels kunnen ontdekken en opstijgen kan ik ook nog niet, dus wat is je antwoord?’
Ze had hem gekust en geantwoord dat niets ter wereld haar daarvan kon weerhouden.
De weken die volgde vlogen voorbij. Samen knapte ze de twee kamers op en de verstandhouding tussen de ouders van Bert werd hechter en hechter. Fleur was niet te beroerd om ook hen bij te staan. Even was ze bang geweest om de reactie die ze zouden krijgen als ze de twee oudjes moesten vertellen dat ze opnieuw zwanger was, maar die angst was ongegrond. De ouders vonden het geweldig.
De trouwdag werd klein gevierd. Fleur had een crèmekleurige japon aan en de kleine Emma droeg een jurkje van dezelfde stof. De zit-slaapkamer was knus en gezellig. Bert had inmiddels een baan gevonden als kraandrijver en op een dag werd hun zoon geboren, die ze naar zijn opa vernoemde. Drie jaar woonde ze nog bij de ouders van Bert in en toen konden ze een kleine eengezinswoning kopen met een grote achtertuin en niet al te ver van de ouders van Bert.
Deel 2
2019
Kerstdagen
Inmiddels waren er 50 jaar verstreken. 50 jaar met ups en downs, maar Bert en Fleur hielden nog net zoveel van elkaar als toen. Inmiddels waren de kinderen het huis al lang uitgevlogen en genoten ze beiden van een rustige oude dag. Ze woonde nog steeds in hun eigen woning die ze indertijd hadden gekocht en omdat de hypotheek inmiddels was afgelost hadden ze het goed. Ze waren rijk zeiden ze altijd. Niet dat ze het nou zo breed hadden, nee maar ze waren rijk genoeg om zich geen zorgen te hoeven maken dat zij de rekeningen niet konden betalen. Soms vroegen ze zich af of het misschien niet beter voor hen zou zijn om naar een seniorenwoning uit te kijken, maar beiden wilde diep in hun hart in hun huisje blijven. Verhuizen, nieuwe buren. Nee, hier kende ze iedereen. Niet dat ze elkaar overliepen, maar gewoon een praatje op zijn tijd daar voelde ze zich goed bij. En Fleur had nog zoveel plezier in haar tuin. De tuin die hen in de loop van de jaren zo veel goeds had gegeven. Ze zou haar kweekkastje, dat Bert voor haar had gebouwd, en waar ze groente en fruit in kweekte gaan missen. Nee, zo lang als ze in hun eigen huisje zouden kunnen blijven wonen zouden ze dat doen.
Gisteren hadden ze samen de kerstboom opgezet en hij stond er ook dit jaar weer prachtig bij.
Elk jaar probeerde ze het huis feestelijk te versieren. Ze hield van de kerstdagen, zeker als het hele gezin weer bij elkaar was.
Plots werd de achterdeur geopend en kwam Emma binnenwandelen. ‘Hallo mam, wat is het weer gezellig. Je maakt er ook iedere kerst weer iets bijzonders van. Kijk ik heb nog wat leuke versiering voor de boom meegebracht.’
Ze overhandigde haar moeder enkele eigen gemaakte elfjes en Fleur bewonderde ze.
‘Kind, hoe doe je dat toch. Ze zijn prachtig.’
‘Fijn dat je ze mooi vindt. Ik wilde je even zeggen dat Ben en ik de eerste kerstdag naar jullie toekomen, maar wij koken en jullie gaan daar gewoon van genieten.’
Bert die zijn dochter een kus als begroeting gaf antwoordde: ‘Prima, als je er maar voor zorgt dat er ook een eigengemaakte appeltaart wordt gemaakt. Fijn dat jullie dat willen doen, dat koken voor het hele gezin valt ons tegenwoordig toch een beetje te zwaar. Eline, Rob en Jannie en de kleinkinderen komen ook de eerste kerstdag. Zijn die van jou er ook bij?’
‘Het spijt me pa, maar die hebben andere plannen. Ik moet jullie wel de groetjes overbrengen.’
‘Geen probleem hoor, ik begrijp het wel. Opa is maar een mopperkont. Doen we nog aan cadeaus dit jaar?’
‘De kinderen gaan met een groep skiën in Zwitserland, daarom zijn ze er niet bij dit jaar. Dat heeft dus niets met die mopperkont hier te maken en laat die cadeaus achterwegen. Koop er maar een lekkere fles cognac voor en voor mam een lekker luchtje.’
‘Een luchtje, ze stinkt toch niet?’ gapte hij.
‘Ja hoor pa,’ was haar antwoord en ze kuste hem op zijn wang. ‘Mopperkont,’ antwoordde ze.
‘Schat, ma en ik kijken uit naar de kerstdagen.’
De dag voor kerst zaten Bert en Fleur samen achter de laptop om het één en ander te regelen. Die laptop hadden ze van de kinderen gekregen, omdat ze vonden dat ze de digitale vaardigheden moesten aanleren. Bert en Fleur kregen inderdaad al snel in de gaten dat dat tegenwoordig geen overbodige luxe was. Gelukkig hadden ze snel in de gaten hoe ze ermee om moesten gaan.
Plotseling hoorde ze de deurbel en Fleur liep naar de voordeur. ‘Vast één van de bezorgers met een nieuwjaarskaartje, opperde ze. Ze pakte wat geld uit het potje dat ze aan de jongen zou geven.
‘Schat ik denk niet dat het één van de jongens is. Er staat een dure auto voor de deur, weet je laat mij maar opendoen, stelde Bert voor.
Bert opende de deur en daar stond een jonge vrouw in een keurig mantelpakje.
‘Goedemiddag mijnheer ik ben van de bank, schik niet ik kom niets halen en ook geen juwelen ophalen,’ begroette ze Bert.
Fleur die achter hem was aangelopen antwoordde: ‘Oh, maar die sieraden kunt u meekrijgen hoor, ik heb alleen een paar vergulde oorbellen, die mag u wel hebben. Geen probleem.’
De vrouw stelde zich voor en liet haar ID-kaart zien. Toen openende ze haar aktetas, liet Bert een envelop zien en vroeg: ‘Kloppen deze gegevens?’
Bert kon alleen maar knikken.
‘Mag ik misschien even binnenkomen, ik heb nog wat vragen en dat doe ik liever even privé.’
Nog wat aarzelend liet Bert haar binnen en bood haar aan om plaats te nemen.
‘Wilt u misschien een kopje thee,’ vroeg Fleur.
‘Ja graag,’ had de vrouw geantwoord en intussen haalde ze nog wat papieren uit haar leren tas.
‘Wees maar gerust, ik ben hier niet om u te beroven, integendeel.’
Fleur had inmiddels een flinke pot thee gezet en schonk voor ieder een kopje in. De vrouw bedankte haar vriendelijk en legde de papieren op tafel. Met een glimlach zei ze: ‘We hebben heel wat moeite moeten doen om u te vinden. Met deze papieren en de bijbehorende beschrijving kunt u zich melden bij deze bank.’ Ze wees hem de naam en het adres aan van een bank in Lissabon. ‘Daar zullen zij u uitleggen waar het precies om gaat. Hier zijn de tickets voor het vliegtuig en de reservering van het hotel. Ik begrijp dat ik u overval en dat u met vragen zit, maar die mag ik helaas niet beantwoorden. Ik kan u alleen maar geruststellen dat u niets zal overkomen. Hier is mijn kaartje en u kunt op elk moment contact met mij opnemen als u daar behoefte aan heeft. U kunt ook de desbetreffende bank bellen om uitleg, maar veel zullen ze u telefonisch niet meer vertellen dat dat ik nu doe. Alle kosten die met de reis gemoeid zijn worden uiteraard vergoed. Verbaast keken Bert en Fleur naar de papieren en beiden wisten niet wat zij nou van dit hele gebeuren moesten denken.
Ze namen afscheid van de vrouw en ze verzekerde nogmaals dat ze haar gerust konden bellen als dat nodig mocht zijn.
Fleur en Bert keken de papieren na. Aan alles was gedacht, zelfs aan een taxi die hen van en naar het vliegveld zou vervoeren. De reis stond gepland voor 1 januari 2020.
Die avond werd het nog laat en die nacht konden ze de slaap niet vatten. ‘Ik begrijp er niets van,’ had Bert telkens geroepen. ‘Ik zou echt niet weten wat hier aan de hand is. Dit kan toch niet waar zijn.’
Op eerste kerstdag stond Emma al vroeg in de keuken om het kerstdiner klaar te maken. Zo af en toe gleed haar blik naar haar ouders. Waarom had ze het gevoel alsof er iets aan de hand was. De dag verliep een beetje stroef omdat Bert en Fleur wat stil waren, maar ze deden hun best om hun verwarring niet te laten blijken. Toch werd het nog een gezellige dag en toen iedereen weer naar huis was schonk Bert zichzelf nog een glas cognac in en voor Fleur een glas wijn.
‘Bert, jij vertelde mij ooit dat je met je vroegere vrienden in Lissabon een tatoeage hebt laten zetten, weet je nog. Jullie waren toen met zijn zevenen? Zou dit reisje daar misschien iets mee te maken kunnen hebben. Met dat zeepaardje op je arm?’
‘Wel nee, dat dat in Lissabon was is toeval. Ja we waren goeden vrienden en we steunde elkaar. Die tattoo hebben we met zijn alle in een dronkenbui laten zetten. Het enige wat ik me daarvan kan herinneren is dat we zo dronken waren als een malloot. Luis, de Portugese man, was altijd de motor van ons zevenen. Hij riep altijd dat hij ons eens rijk zou maken, maar dat namen we met een korreltje zout. Ik denk dat hij erachter zit. Hij organiseert natuurlijk een reünie om ons nog een keer bij elkaar te brengen. Dat is het, denk ik. Ik verheug me erop om de andere te zien. Het is zo jammer dat we elkaar indertijd uit het oog zijn verloren. Weet je schat, wat kan ons nou nog gebeuren. We zijn op leeftijd en rijk zullen we nooit worden. Trouwens we zijn al zolang bij elkaar, dat is onze rijkdom toch? Laten we gewoon gaan, ik vind het best spannend.’
‘Je hebt gelijk Bert, laten we gaan. Wat kan ons nog gebeuren, maar mysterieus is het wel. Wie maakt er op onze leeftijd nog zoiets spannends mee.
De dagen kropen voorbij en beide piekerde over het feit of ze de kinderen zouden moeten inlichten over hetgeen hen overkwam. Konden ze de kinderen hier wel buiten laten? Ze zouden ongetwijfeld hun bezwaren hebben tegen het feit dat ze hadden besloten om te gaan, maar nee verzwijgen, dat konden ze niet. Dus besloten ze hen op het laatste moment te vertellen wat hen was overkomen. Natuurlijk hadden zij hun bedenkingen, maar het verhaal van Bert dat het ongetwijfeld om een reünie zou gaan vonden ze aannemelijk.
‘Pa, als je wilt ga ik met jullie mee. Natuurlijk op mijn eigen kosten, maar dan ben ik in ieder geval in de buurt,’ had Rob geopperd.
‘Nee jongen, je moeder en ik zijn mans genoeg en we beloven dat we contact met jullie zullen houden.’
Op de eerste januari werden ze op de afgesproken tijd opgehaald door een taxi die hen naar Schiphol bracht. De chauffeur hielp hen met het in- en uitladen van de koffers en ze melden zich bij de balie voor vertrek. De grondstewardess vertelde hun naar welke gate ze zich konden begeven voor vertrek. Bert en Fleur wandelde nog wat door de gangen en Fleur keek haar ogen uit in de taxfreeshops. ‘Bert, stel je toch eens voor dat je deze dure producten kon kopen.’
‘Ach meid, je kunt toch maar één jurk of één paar schoenen dragen’ was zijn antwoord geweest.
‘Je hebt gelijk, maar toch!’
Eindelijk konden ze naar hun toestel en de stewardess vertelde hun aan welke kant hun stoel zich bevond en stil ging Fleur zitten.
‘Ben je bang,’ vroeg Bert bezorgd?
‘Eigenlijk wel ja, het is immers de eerste keer dat ik vlieg. Ik heb me er nauwelijks op kunnen voorbereiden.’
‘Ach, het komt wel goed. Het belangrijkste is dat het vliegtuig opstijgt. Hoe je het wendt of keert, beneden komt hij altijd,’ lachte hij.
‘Ja hoor, jij kan mooipraten. Had je dat ook gedaan als ze ons met de boot hadden laten gaan,’ antwoordde ze geïrriteerd.
Bert moest lachen. ‘Sorry, je hebt gelijk. Ik begrijp het wel, maar geniet van de reis. Misschien is dit de enige keer in ons leven dat we zullen vliegen.’
Na een uurtje of drie landen ze op het vliegveld in Lissabon en nadat ze hun koffers hadden opgehaald begaven ze zich naar de hal. Daar stond een man in een grijs pak met een bordje in zijn hand waar hun naam op stond vermeld.
‘Kijk Bert, die man daar heeft een bordje met onze naam erop.’
‘Dan is dat de man die ons op komt halen, denk ik, was het antwoord van Bert die naar de man toe liep en hem aansprak.
De man begroette hen en nam de koffers van ze over. Hij vroeg of de reis goed was verlopen en bracht ze naar een auto die even verderop stond geparkeerd.
Fleur bewonderde de auto en nam achterin plaats en zakte weg in de comfortabele bank. Ze snoof de geur van de ledere bekleding op en genoot van de rit. Bert had voorin naast de chauffeur plaatsgenomen en was druk in gesprek met hem. Haar Engels was niet zo goed als dat van Bert, dus veel ging langs haar heen en in plaats daarvan bewonderde ze het uitzicht dat de rit haar bood.
Uiteindelijk stopte ze voor het hotel waar ze de komende drie dagen zouden verblijven.
Het bleek één van de luxueuze hotels te zijn die Lissabon rijk was. Fleur voelde zich heel klein en angstig vroeg ze zich af of het inderdaad wel goed was dat ze waren gegaan. Stel je voor dat dit één of andere grap zou zijn. Hoe zouden zij dit alles dan moeten bekostigen?
De chauffeur bracht hen naar de balie en nam afscheid van hen.
‘Bert weet je zeker dat dit goed gaat?’
‘Dat zullen we zo weten, ik zal voor de zekerheid vragen of alle kosten zijn betaald,’ was zijn antwoord.
Bert overhandigde de medewerker hun paspoorten en checkte in. De medewerker kon hem verzekeren dat alles in orde was en dat hij moest genieten van zijn verblijf. Bert bedankte hem vriendelijk en toen werden ze door een belboy naar hun kamer begeleid.
‘Heb je het gevraagd,’ vroeg Fleur bezorgd.
‘Ja lieverd, maak je maar geen zorgen. Alles is betaald en het is all-in.’
Als Fleur dacht dat de auto, die hen ophaalde, een beleving was dan had ze niet op de kamer gerekend. De belboy opende de kamerdeur en overhandigde hun de hotelsleutelkaarten. Hij groette hen en ging de kamer uit.
De kamer had een luxueuze uitstraling er stond een riant bed, een prachtige zithoek en de badkamer was van alle gemakken voorzien. Op de tafel in de hoek stond een grote schaal fruit en de bar was voorzien van wijn, bier, verschillende sterke alcoholische dranken en een fles champagne. Bert nam een stuk fruit van de schaal en ging languit op het bed liggen.
Fleur liep naar het balkon en genoot van het prachtige uitzicht. Ze maakte er wat foto’s van en zond deze via de familieapp naar de kinderen.
‘Schat, ik heb honger gekregen van al deze indrukken, wat denk je zullen we wat gaan eten,’ vroeg Bert.
‘Dat lijkt mij een goed idee,’ antwoordde Fleur en samen gingen ze naar het restaurant.
In het restaurant keek Fleur verlegen om zich heen. De overige gasten waren heel chic gekleed. De japonnen die de dames droegen kwamen van de duurste modehuizen. Ze schatte dat één zo’n jurk meer kosten dan hun beider AOW-tje bij elkaar.
Ze namen plaats en toen ving ze de blik van een ober op, die naar haar toeliep en haar toefluisterde: ‘Oh, madam, don’t worry. You look fantastic. Nothing is what it seems.’
‘Thank you, you only half know what your words mean to me,’ antwoordde ze zacht.
Het compliment had haar goed gedaan en haar onzekerheid verdween als sneeuw voor de zon.
Bert en Fleur genoten van het diner en besloten om voordat ze terug naar hun kamer zouden gaan nog even een wandeling te maken. Ze verkende de omgeving en maakte de nodige foto’s die ze dan weer met het thuisfront deelde.
Uitgeput gingen ze terug naar hun kamer, namen een bad en dronken daarna nog een glas port, want ten slotte waren ze in Portugal, waar voortreffelijke soorten port werden gerijpt.
De volgende dag werden ze opnieuw door de chauffeur opgehaald en naar de bank gebracht. Het bleek een enorm gebouw te zijn met net zo’n imposante uitstraling als het hotel waar ze verbleven. Zwijgend lieten ze zich door de chauffeur de grote trap op begeleiden en daar werden ze opgevangen door een jonge vrouw die hen mee nam naar een kamer achter de desk.
Daar bood ze hen aan om plaats te nemen en stelde hen gerust: ‘Ik kan aan jullie gezichten zien dat jullie je afvragen waarom wij u gevraagd hebben om hier te komen. Ik zal u kort en bondig vertellen waarom u hier bent.’
Ze legde hen uit wat de reden was en vroeg Bert om mee te komen. Fleur zou dan misschien even in de lobby kunnen wachten totdat hij weer terug was, stelde ze voor.
Aan de tafel met de zacht fluwelen stof had Bert plaatsgenomen en toegekeken hoe de vrouw het donkereiken kistje voor hem plaatste en glimlachend zijn richting op schoof.
‘Maak maar open, dan komt u erachter waarom u hier bent.’
Met trillende handen had Bert het kistje geopend en er als eerste een foto van hem en zijn oude kameraden uitgehaald. De foto was genomen op het schip waar ze met zijn zevenen op hadden gevaren. Onder de foto kwam een oude envelop tevoorschijn en voorzichtig en met trillende handen opende hij de brief en las hem. Hij voelde de warmte waarmee de brief was geschreven en meer dan ooit miste hij zijn vrienden, die elkaar uit het oog waren verloren.
Hij vouwde de brief weer op en keek de vrouw vragend aan.
‘Luis was familie van mij. Zijn vader was de directeur van deze bank, maar Luis voelde er niet veel voor om achter een bureau te eindigen. Hij wilde de zee op. Varen, dat was zijn lust en zijn leven. Koop dan een zeilboot, werd hem vaak gezegd, maar dat wilde hij niet. Hij wilde kameraden en werken. Echt werken, zo noemde hij dat. Hij was al ziek toen hij ging varen, maar hij heeft het lang kunnen rekken, waarschijnlijk omdat hij op dat schip vrienden vond die hij kon vertrouwen en hem energie gaven. Na zijn dood vonden we bij zijn nalatenschap een brief met het verzoek deze kluis na vijftig jaar pas te openen en wij hebben zijn wens gerespecteerd.
We hebben er bijna een jaar voor nodig gehad om alle zes zijn vrienden op te sporen en het blijkt dat u de nog enige levende bent. Ik kan mij voorstellen dat u veel vragen heeft.
‘Eigenlijk niet, er gaat me wel iets dagen. Luis was altijd een gangmaker en wij namen hem niet altijd serieus. Hij was een goed mens. Ik neem het mezelf wel kwalijk dat ik niet doorhad dat hij in werkelijkheid ziek was, maar de puzzelstukjes vallen nu wel in elkaar. Weet u, hij dronk nooit, achteraf kon dat natuurlijk ook niet met zijn ziekte. Hij maakte ons wijs dat er iemand bij de tijd moest blijven en hij nam die rol als vanzelfsprekend op zich. Nu begrijp ik waarom hij de laatste reis niet met ons meeging, hij was toen vast al te ziek. Had hij het ons maar verteld, dan hadden wij er voor hem kunnen zijn, net zoals hij er altijd voor ons was.’
‘Wilt u weten wat het bedrag is?’
‘Ach, dat is niet zo belangrijk. Als ik een paar duizend zou krijgen zijn mijn vrouw en ik er erg blij mee. Ik had liever gehad dat Luis hier voor me had gestaan.’
Zwijgend kijkt de vrouw hem even aan en verteld hem dan dat het iets meer is dan dat en ze verteld hem het bedrag.
‘Misschien kunnen we nu weer naar mijn vrouw toe,’ stelde Bert haar voor.
Fleur die ongeduldig in de lobby zit te wachten is zichtbaar opgelucht als ze Bert ziet terugkomen en vraagt wat er is gebeurd.
‘Kom lieverd, dat vertel ik je wel op de terugweg. Laten we naar buiten gaan.’
Ze genieten nog een volle dag van Lissabon en kopen wat souvenirs voor de kinderen. De volgende dag worden ze weer opgehaald en naar het vliegveld gereden voor de terugreis.
Op Schiphol staat wederom een taxi die hen naar huis terugbrengt. Thuis aangekomen worden ze door Emma opgevangen die nieuwsgierig wil weten wat er nu zo geheimzinnig was.
‘Lieverd straks. Straks zal ik jullie vertellen wat het avontuur inhield. Laten we vragen of de andere willen komen. Zeg maar dat het belangrijk voor ze is,’ antwoordde Bert.
Het is al tegen tienen die avond, als alle kinderen aanwezig zijn. Fleur en Bert nemen plaats aan de eettafel en dan begint Bert te vertellen wat hen is overkomen.
‘Wat ik jullie ga vertellen is heel belangrijk, eigenlijk niet eens zo zeer voor je moeder en ik, maar wel voor jullie.’
‘Kom pap, maak het nou niet al te dramatisch,’ fluisterde Emma.
Bert lachte even en haalde de brief, die in het kluisje lag, uit zijn zak en begon hem voor te lezen.
Beste vrienden,
Als één van jullie deze brief leest is deze de gelukkige. Je weet waarschijnlijk niet eens meer wat ik jullie indertijd heb beloofd. Namelijk dat ik jullie rijk zou kunnen maken. We hebben er toen om gelachen, maar vandaag is het moment daar dat één van jullie zo dadelijk gaat zien welk bedrag het uiteindelijk is geworden. Ik zou er alles voor hebben gegeven om het gezicht van degene die het bedrag in ontvangst mag nemen te zien, maar helaas. Mijn tijd zit er bijna op. Helaas was mijn lichaam op en kon ik niet meer met jullie mee en het deed me veel verdriet toen ik te horen kreeg dat ons schip door de golven was opgeslokt en het één van ons en de kapitein het leven had gekost. Het geld dat we in die paar jaar bijeen hadden gespaard heb ik laten beleggen, ook daar hebben jullie waarschijnlijk geen weet van gehad omdat dat van jullie loon werd ingehouden. Dat hebben we indertijd besproken toen we met zijn zevenen gezellig bij elkaar zaten te borrelen, jullie dan, ik was altijd jullie beschermer. Drank en mijn medicijnen gingen niet goed samen en jullie zouden er dan achter komen dat ik ziek was.
Samen met de kapitein heb ik indertijd het plan opgezet om het geld via de maatschappij naar de bank van mijn vader te laten overschrijven en zij zouden dat dan gaan beleggen voor de langstlevende van ons zeven.
Het langstlevende zeepaardje zou dus het geld mogen innen en beste vriend, ik hoop dat het een aardig bedragje is geworden.
Het ga je goed, je dierbare vriend Luis
Stil zaten ze Bert aan te kijken en je kon een speld horen vallen.
‘Ik zei nog tegen die mevrouw van de bank dat ik en je moeder best te vrede zouden zij als er een paar duizend van over was.’
‘Pap, als dat zo is dan kunnen jullie eindelijk dat rijnreisje gaan maken,’ fluistert Emma. ‘Maar het viel zeker tegen, of niet?’
Eline liep naar haar vader en pakte zijn hand. ‘Pap, hoe hoog is het bedrag. Of moest je de kosten van de reis toch zelf betalen? In dat geval leggen wij het bedrag wel op tafel hoor!’
‘Nee lieverd, dat hoeft niet.’
‘Maar hoe hoog is dat bedrag dan,’ vraagt Rob?
‘Het bedrag is maar liefst zesenveertig miljoen,’ antwoordde Bert.
’zesenveertig miljoen,’ fluistert Eline radeloos en het werd stil in de kamer.
Plotseling vraagt Eline radeloos: ‘Maar pap…, wat nu…?
Einde
