De oude vrouw en de toverspiegel

Deel 1

Met haar koffertje stevig tegen zich aangedrukt stond Wiesje te wachten bij het hek. Haar vriendinnetjes stonden achter het raam van het tehuis en keken toe hoe Wiesje leunende tegen het hek al duimendraaiend de tijd stond te doden. Haar beste vriendin en slaapmaatje stond naast haar en samen keken ze de lange maar smalle straat in.

Wiesje haalde haar schoudertjes op en keek haar vriendin een moment aan.

‘Kon je maar hier blijven, ik ga je vast en zeker missen. Natuurlijk gun ik het je dat je weer bij je moeder kunt gaan wonen en ik ben ook erg blij voor je. Ik hoop dat je gelukkig wordt bij je moeder en haar nieuwe vriend. Is die man, waar ze nu mee samenwoont, aardig?’

Opnieuw haalde Wiesje haar schouders op en zweeg. Ze moest haar beste vriendin het antwoord schuldig blijven.

‘Vergeet me niet te schrijven hoor, ik zal altijd aan je blijven denken. Eigenlijk weet ik niet zo goed  hoe ik verder moet zonder jou, we kennen elkaar al zolang,’

Samen lieten ze hun tranen vrijuit over hun wangen rollen. Elsje pakte een zakdoek uit haar jaszak en wreef de tranen van hun gezichten. Opnieuw keken ze elkaar aan en Wiesje fluisterde.

‘Eigenlijk ben ik best wel blij dat ik bij mijn moeder ga wonen, maar het doet zo´n pijn om jullie hierachter te moeten laten. We hadden het best fijn samen. Als ik zelf mocht beslissen’, maar ze klapte dicht en zweeg opnieuw.

‘Zeg Wiesje, als je nou zelf mocht beslissen, zou je dan hier bij mij, bij ons blijven.’ Ze keek Wiesje doordringend aan en toen ze er niet op reageerde riep ze. ‘Zeg dan wat,’ en ze schudde haar hardhandig door elkaar.

‘Zeg laat dat, ik kan daar toch niet zelf over beslissen, het is nou eenmaal zo. Laat me toch en ik weet ook niet of ik je wel ga schrijven. Ik wil nooit meer aan dit rothuis denken. Rot toch op en laat me alleen. Ik wil je nooit meer zien,’ schreeuwde ze, gaf haar vriendinnetje een flinke schop en ging met haar koffer aan de stoeprand staan.

Paula keek haar na en begreep niets van de plotselinge gedragsverandering van haar beste vriendin. Verbaast en te neergeslagen draaide ze zich om, maar voor ze wegliep, riep ze huilend.

‘Ik geloof er geen woord van, maar ik ga al en het kan me geen donder schelen als je niet schrijft!’ Paula rende hard weg en smeet de deur achter haar dicht. Huilend liet ze zich achter de deur op de grond zakken en de tranen vloeide uit haar opgezwollen ogen. Ze begreep er niets van. Waarom zei Wiesje dat allemaal. Ze waren toch immers al jaren beste vriendinnen. Zolang ze zich kon herinneren hadden ze samen in dit tehuis gewoond en nog nooit ruzie gehad.

Heb ik me dan zo in Wiesje vergist. Nee, dan kan niet.’

‘Wat is er met jou aan de hand,’ vroeg een oude vrouw die op het lawaai was afgekomen.

‘Ik vind het gemeen dat ze zo naar tegen me deed. Ze wil me nooit meer zien. We waren altijd zulke goede vriendinnen en nu wil ze niets meer met me te maken hebben. Ik wil hier ook weg. Ik vind het allemaal heel gemeen. Iedereen heeft ouders en ik heb helemaal niets. Ik weet niet eens of ze wel hebben bestaan en …, ik kan er niet meer tegen. Ik wou dat ik dood was!’

De vrouw nam haar onder haar hoede en leidde haar met zachte drang een klein kamertje binnen.

Enkele kinderen hadden haar op een afstand gevolgd en ze wisten maar al te goed wat Paula bedoelde. In stilte namen ze de weg terug naar de recreatiezaal en ieder ging met zijn eigen gedachten verder of met de dingen waar ze mee bezig waren. Maar de meeste vroegen zich af wie die oude vrouw was.

‘Vertel me, wat is er gebeurd,’ vroeg de oude vrouw.

Paula vertelde snikkend haar verhaal en de oude vrouw probeerde haar te troosten

‘Dat meent ze niet. Ik denk dat ze je nu al heel erg mist en spijt heeft van hetgeen ze tegen je hebt gezegd. Ze kan er net als jij niet zo goed mee omgaan. Jullie zijn zolang samen geweest. Geloof mij maar ze schrijft je heus wel, reken daar maar op. Laat haar eerst maar aan haar nieuwe omgeving wennen. Wacht maar af en oordeel pas als het zover is.’

‘Ik denk dat ze helemaal niet terug naar haar moeder wil. Ik heb het haar nog gevraagd, maar ze gaf geen antwoord, en ze keek de oude vrouw vragend aan in de hoop dat ze het bevestigde.

‘Laten we maar afwachten lieve schat. Het leven kan behoorlijk verwarrend zijn. Zeker als het noodzakelijk is dat je in een kindertehuis moet opgroeien, maar ergens is er altijd wel weer een lichtpuntje waar te nemen. Vaak hebben we de dingen niet zelf in de hand en denken de instanties dat zij weten wat goed voor je is. Meestal hebben ze daar het recht toe omdat het zo in één van hun wetboeken staat. Daar moeten we, en zeker jullie kinderen mee om leren gaan. Wij kunnen jullie alleen maar zoveel mogelijk steunen. Kom, ga maar snel naar haar toe. Ze staat vast nog op de stoep en laat zien dat je van haar houdt.’

Paula knikte, gaf de vrouw een kus op haar wang en zei: ‘U bent liever dan alle andere verzorgsters bij elkaar. Nou ja, sommige zijn best oke, maar er zijn erbij die de directrice van mijn part meteen naar huis zou mogen sturen.’

‘Het is al goed, ga nou maar gauw. Oh, wacht even, hier geef dit maar aan Wiesje. Het is mijn geluksring. Hij heeft mij altijd geluk gebracht, geef het maar, wat extra geluk kan ze best gebruiken.’ De oude vrouw pakte de ring uit een fluweelachtig doekje en gaf hem aan Paula. Aandachtig bestudeerde ze de ring en ontdekte dat er een heel klein spiegeltje in verwerkt was. Ze beloofde dat ze hem aan Wiesje zou geven. Opgelucht huppelde ze weer naar buiten in de richting waar Wiesje nog steeds stond te wachten.

De oude vrouw ging naar het raam en keek naar de twee meisjes die elkaar de afgelopen jaren al zo vaak hadden getroost en nu brak de tijd aan dat die band tussen hen verbroken moest worden. Lieve Wiesje, het is het lot die voor je beslist. Het lot dat je soms in eigen hand hebt. Ik heb met jullie te doen, maar de kracht om goed uit deze situatie te komen is sterk en je moet er vaak een hoge prijs voor betalen. Het leven geeft en neemt, maar je eigen beslissing heb je zelf in de hand, dacht de oude vrouw.

Ze sloot het gordijn en haar versleten lichaam nam plaats in de oude maar comfortabele stoel.

‘Ben je weer terug. Was ik niet duidelijk genoeg,’ mopperde Wiesje, maar Paula legde een vinger tegen haar lippen en zei.

‘Ja, je was heel duidelijk en ik geloofde bijna wat je zei, maar ik weet dat je het niet echt meende.’

‘Oh nee,’ maar Wiesje zweeg en met gebogen hoofd en tranen in haar ogen gaf ze toe dat ze het niet zo had gemeend. ‘Je had gelijk, ik ga je ook missen. Ik ben zo bang dat ik het helemaal niet leuk zal vinden bij mijn moeder en haar nieuwe vriend. Ik wil wel en ik wil niet. Ik weet het gewoon niet,’ ze nam haar vriendin bij een arm en zei. ‘Weet je, soms heb ik het gevoel dat ze me eigenlijk helemaal niet willen. Ik heb het gevoel alsof ik een soort koopwaar voor ze ben Volgens mij gaat het hen er alleen maar om dat ze hun zin krijgen. Ik geloof er niets van dat ze mij uit liefde in hun huis nemen. Nog nooit heeft ze zich iets van mij aangetrokken en nu ze een nieuwe vriend heeft….. Nee, ik geloof echt niet in die oprechtheid van ze. Er moet iets achter zitten.

Paula werd er stil van en bedenkelijk keek ze Wiesje aan. Nog nooit had ze haar vriendin zo serieus meegemaakt ‘Dat mag je niet zeggen Wiesje. Ik weet zeker dat ze van je houden, geloof me nou maar’, zei ze zachtjes. Ze gaf haar opnieuw haar zakdoekje, waarmee Wiesje snel haar tranen mee wegveegde.

‘ Oh ja, hier, dit moest ik je aan je geven. Het komt van een hele wijze oude vrouw en ze vertelde mij dat deze ring jou geluk zal brengen.’

Voordat Wiesje kon vragen welke oude vrouw ze bedoelde, stopte er een auto. Een vrouw, die haar moeder bleek te zijn stapte uit. Het was een wat slonzig geklede vouw. Haar haar was hoog geblondeerd en haar gezicht was veel te zwaar opgemaakt. Ze pakte de koffer die naast Wiesje stond en opende de kofferbak. Daar smeet ze de koffer in, keek Wiesje met een ijskoude blik aan en bits zei ze dat zij als de bliksem moest instappen.

‘Schiet op, we hebben geen tijd. Er moeten nog boodschappen worden gedaan en begroet je nieuwe vader!’

Paula kreeg niet eens meer de gelegenheid om afscheid van haar vriendin te nemen en zwaaide naar Wiesje, die met tranen in haar ogen vanuit de auto terugzwaaide.

Toen Wiesje bij haar nieuwe huis aankwam, keek ze eens goed om zich heen. Ze had zich het huis heel anders voorgesteld. Ze kreeg een klein kamertje dat ze moest delen met een ander meisje die ze nog nooit eerder had gezien.

‘Wie ben jij, vroeg het jongere meisje. Is ze soms ook jouw moeder?’

Wiesje knikte en begreep al snel dat ze een lotgenote had. ‘Ja, als ze ook jouw moeder is dan betekend dat dat wij dus zusjes zijn.’

‘Of stiefzusjes,’ zei het meisje fluisterend.

‘Dat kan,’ zei Wiesje weer op haar beurt.

‘We lijken geloof ik best wel een beetje op elkaar. Laten we voor de spiegel gaan staan,’ zei het meisje. Ze haalde een klein spiegeltje uit haar tasje tevoorschijn en één voor één bekeken ze zichzelf.

Jou haren zijn net zo blond als de mijnen, alleen jouw ogen zijn blauw en die van mijn bruin, maar verder lijkt het erop dat we echt zusjes zijn. Waar heb jij al die tijd gewoond? Mijn naam is Jipke, nou niet van Janneke hoor of was het Jip en Janneke?’

‘Moet je mij niet vragen, mijn naam is Wiesje. Wat een bende is het hier zeg. Laten we wat opruimen, want ik denk dat we hier voorlopig nog wel vast zitten.’

Samen ruimde ze het kamertje op en poestte de grote oude spiegel aan de wand op. Al snel hadden ze er samen een klein, maar knus hokje van gemaakt.

‘Neem jij dit kastje voor je spulletjes, dan neem ik deze, vind je dat een goed idee,’ vroeg Jipke.

Plots werd de deur opengesmeten en zagen ze een jongetje van een jaar of zeven binnen komen stormen. Hij keek de beide zusjes vijandig aan. Wild pakte hij alles op wat hij op zijn weg tegen kwam en smeed het op de grond. Toen hij de ringspiegel van Wiesje in het laatje zag liggen, giste hij hem eruit en gooide het hard tegen de muur. Het spatte in duizenden stukje uiteen op haar bed.

Witheet werd ze, pakt hem bij zijn schouders en schudde hem door elkaar. Opeens stond haar stiefvader in de deuropening en aan zijn ogen zag Wiesje dat ze hier niet ongeschonden uit zou komen.

Hij nam Wiesje bij haar haren en schreeuwde.

‘Ben je nou helemaal bedonderd,’ en sloeg haar hard in het gezicht. Door de klap werd ze met haar hoofd tegen de muur gesmeten en het bloed spoot uit haar neus.

Nijdig keek hij haar aan. ‘Zo dat zal je leren,’ snauwde hij.

Zijn zoon stond er glimlachend bij te kijken en gooide er nog een schepje bovenop. ‘Papa, ze heeft al mijn spulletjes vernieuwd.’

Opnieuw pakte hij Wiesje beet en smeet haar op het bed.

Geschokt had Jipke het gebeuren gadegeslagen en durfde zich niet meer te bewegen. Bang dat ook zij ervan langs zou krijgen. Haar stiefvader nam haar bij de arm en sleurde Jipke het kamertje uit.

De beide zusjes werden uit elkaar gehaald en de deur van het kamertje werd op slot gedraaid. Wiesje liep naar de deur en schreeuwde dat ze eruit wilde, maar de deur bleef dicht. Ze liep naar het raam en opende hem. Ze begreep al snel dat er via het raam geen ontsnapping mogelijk was. Het was veel te hoog. Verbitterd ging ze op het randje van haar bed zitten en keek naar de vele stukjes van het gebroken glas dat verspreid over de vloer en op het bed lag. Ze probeerde zoveel mogelijk de stukjes bij elkaar te rapen en schrok toen ze opeens een vrouwenstem hoorde zeggen.

‘Houd ze goed vast lieve kind, laat ze niet los,’ maar van schrik liet ze bijna de stukjes vallen.

Ineens gebeurde er iets wonderlijks met de scherven. Ze werden als het ware naar elkaar toe gezogen en weer tot één geheel gebracht.

De ring had zichzelf hersteld en ze kon haar gezicht weer in het spiegeltje bekijken. Opeens zag ze in de spiegel de verschijning van de oude vrouw.

‘Bent u soms de vrouw die Paula deze ring voor mij heeft geschonken. Wat gebeurt er met me. Ik zit hier opgesloten en wil zo graag weer terug naar mijn vriendinnen. Helpt u me alsjeblieft.’

‘Lief kind, ik kan niets voor je doen, maar ik geef je een raadsel en als je deze oplost, komt alles weer goed. Luister goed naar wat ik zeg, want ik vertel het je maar één keer, meer kracht heb ik niet meer. Mijn tijd is bijna om. Ben je er klaar voor,’ Wiesje snapte er niets van, maar knikte bevestigend.

‘Lief kind, het werkt maar eenmaal. Je krijgt geen tweede kans daar is mijn macht niet sterk genoeg meer voor. Ik ben een oude vrouw en zal spoedig sterven. Luistert goed, hier is het raadsel.

‘Kijk niet in je spiegelbeeld, maar achterom.’

Wiesje begreep er niets van en toen ze de oude vrouw om uitleg wilde vragen, vervaagde het beeld en verdween de vrouw. Voorzichtig wreef ze met haar vinger over het glas.

‘Kom terug oude vrouw,’ smeekte ze, maar de spiegel gaf het geheim niet prijs. Ze verstopte hem onder haar matras en hoopte dat niemand hem daar zou vinden. Ze ging in het hoekje op haar bed zitten en trok haar knieën op, legde haar armen rond haar benen en duwde het hoofd in haar schoot. Nu liet ze haar tranen de vrije loop en fluisterde; ‘Ik wil terug naar mijn vriendinnen. Ik wil helemaal geen ouders. Waarom lieten ze me niet daar. Wat willen ze van me.’

Als ze dit van tevoren had geweten was ze nooit in de auto gestapt. Ze had dan alles op alles gezet om uit de handen van haar moeder en stiefvader te blijven. Maar diep van binnen wist ze maar al te goed dat het geen enkele nut zou hebben gehad.

Wiesje schok toen ze het slot van de deur hoorde schuiven. De deur zwaaide open en daar stond haar moeder. Ze had zich omgekleed en verbijsterd staarde Wiesje haar aan. Nog nooit had ze zoiets gezien, of wel… Ja, op de TV had ze wel eens van die dames gezien. Dames van lichte zeden werden ze genoemd. Wat ze daar nou mee bedoelde, daar was ze niet achter gekomen en de leidsters hadden hun schouders opgehaald. ‘Dat leer je later nog wel eens,’ hadden ze geantwoord.

Ze bekeek haar moeder en zag dat haar borsten zowat uit haar veel te strakke truitje puilde en haar rokje was zo kort dat je nog net haar onderbroek niet kon zien.

‘Zo lieve schat, hier is je eten voor vandaag,’ en ze gooide een zak patat en een flesje water op het bed.

‘Waar is Jitske?’

‘Dat gaat je geen moer aan. Jij komt snel genoeg aan de beurt, wees maar niet bang,’ opeens stond ook haar stiefvader in de deuropening.

‘Jij gaat veel geld opbrengen. Als je meewerkt, zal ik je goed behandelen. Zo niet, dan zijn de gevolgen voor jou. Je zult niet de eerste zijn die we uit de weg ruimen. Dus, je bent gewaarschuwd,’ waarschuwde hij. De deur werd opnieuw op slot gedraaid en ze hoorde dat er iets zwaars voor werd geschoven. Verbaast staarde ze naar de deur. Ze begreep er niets van. Wat bedoelde ze met..

‘Jij komt snel genoeg aan de beurt!’

Angstig ging ze weer in het hoekje van haar bed zitten. Ze maakte zich zorgen om haar zusje. Misschien was haar al iets overkomen. Wat bedoelde hij met; ‘jij gaat veel geld opbrengen’.

Ze begreep er niets van. In het kindertehuis was ze altijd beschermd en veilig geweest. Ze had niet kunnen bedenken wat haar nog te wachten stond.

Ik moet hier zien weg te komen, maar hoe? en ze zocht naar een uitweg. Keek in het rond en opende opnieuw het raam. Tuurde over de rand van het raamkozijn, maar wat ze ook proberen zou, een oplossing vond ze niet. Al zou ze de lakens aan elkaar knopen dan nog was de afstand te hoog. Door de val zou ze zich vast bezeren en dan was ze nog verder van huis.

Nee, ik moet iets anders verzinnen, maar wat?

Verloren liet ze zich weer op het bed vallen. Het was een tijdje erg stil, maar opeens was er een hoop kabaal op de gang, wat haar deed opschrikken. Even dacht ze dat ze de stem van haar zusje hoorde, maar opeens was het weer doodstil.

Tok tok, klonk het aan de andere kant van de muur. Voorzichtig stond ze op en luisterde aandachtig of er opnieuw op de muur werd gebonkt. Ze sloop naar de andere kant, legde haar oor tegen de muur en riep.‘Ben jij het Jitske,’ maar ze kreeg geen antwoord?

Ze hoorde wel stemmen en opeens hoorde ze haar zusje kermen van de pijn.

‘Ik zal stil zijn. Niet meer slaan mama. Echt ik zal stil zijn en naar jullie luisteren. Ik zal doen wat jullie zeggen, als je me maar geen pijn meer doet!’

Wiesje wilde zo graag haar zusje helpen maar begreep dat ze niets voor haar kon doen. Hoe vaak had ze er samen met Paula niet over gefantaseerd dat ze een zusje of een broertje hadden en nu had ze er één en kon ze niets voor haar doen. Even later werd haar deur geopend en daar stond haar moeder halfnaakt in de deuropening.

‘Als je het lef hebt om nog maar één woord te zeggen dan krijg jij flink op je lazer. Heb je het begrepen?,’ Wiesje dook in elkaar en knikte bevestigend.

In het kindertehuis was het vertrek van Wies niet ongemerkt voorbij gegaan. Paula was stiller dan anders. Diverse keren had zij de andere uitgelegd hoe zij afscheid van Wies had moeten nemen en dat zij haar een geluksring had gegeven. Ze vertelde dat zij de ring voor Wiesje van de oude vrouw had gekregen. De meeste kinderen hadden haar uitgelachen. Een enkeling had haar stilletjes aangekeken. Dat waren degene die de oude vrouw in het verleden ook al eens hadden ontmoet en haar die avond met Paula hadden gezien.

‘En waar heb je haar dan gezien. Volgens mij zie je spoken meid,’ riep een knul van rond de veertien. Dus jij beweert dat je haar daar in dat kleine kamertje hebt gezien. Waar wachten we dan nog op. Kom laten we daar een kijkje gaan nemen,’ zonder op de anderen te wachten wandelde hij in de richting van het kamertje.

‘Wij hebben Paula zelf met de oude vrouw naar binnen zien wandelen,’ riep één van de meisjes.

Paula kwam rustig op hem aflopen, keek hem strak aan en zei. ‘Ik ben binnen geweest bij de oude vrouw, echt waar. Als je me niet wilt geloven dan moet je dat maar zelf weten. Je hoort toch dat ook de anderen haar gezien hebben.’

Hij keek Paula aan en begreep dat hij aan haar verhaal niet hoefde te twijfelen. Zeker nu er andere beweerde dat ook zij de Paula en de oude vrouw samen hebben gezien. Toch bleef hij nieuwsgierig en haastig liep hij op het kamertje af. Langzaam duwde hij de deurknop naar beneden maar het kamertje was net als altijd op slot.

Wat gebeurt hier,’ vroeg één van de leidsters die opeens achter hem stond.

De kinderen ratelden door elkaar. De leidster begreep er niets van en wees één van de kinderen aan om rustig en bedaard te vertellen wat er zo belangrijk was. Stotterend vertelde ze over de oude vrouw en vroeg of ze een kijkje in het kamertje mochten nemen.

De leidster wreef met haar hand langs haar voorhoofd. Ze begreep er niets van, maar omdat enkele van haar pupillen beweerden dat ze de oude vrouw hadden gezien, ging ze op zoek naar de sleutel van het kamertje.

‘Ik ga kijken wat ik voor jullie kan doen, maar in die tussentijd gaan jullie terug naar de klas. Ik wil niet dat jullie hier problemen mee krijgen.’

De kinderen liepen terug naar hun klaslokaal en intussen ging de leidster in het kantoortje opzoek naar de sleutel. Ze zocht het kantoortje grondig af maar de sleutel was nergens te vinden.

‘Zoek je iets,’ hoorde ze de stem van de directrice achter haar fluisteren.

Even overwoog ze of ze de directrice het verhaal zou vertellen, maar besloot het toch maar niet te doen.

‘Zoek je soms de sleutel van het kamertje in de gang, naast de hoofdingang?’

‘Eh nee, ja toch wel,’ en ze keek de directrice onzeker aan.

‘Er is geen sleutel van die deur. Ook ik ben erg nieuwsgierig en opzoek gegaan naar de sleutel, maar iemand heeft mij op het hart gedrukt in geen geval de deur te openen en het kamertje te betreden.’

‘Maar vindt u dat dan niet vreemd?’

De directrice knikte en zei. ‘Ach, soms moet een mens in zijn leven dingen accepteren omdat het nu eenmaal zo is. Ga nu maar weer terug naar uw klas en laat het voor wat het waard is.’

De leidster groette de directrice en wandelde weg. Toen ze langs het bewuste kamertje liep bleef ze even staan. Van onder de deur zag ze een lichtschijnsel en even dacht ze dat er een schaduw was te zien. Vreemd, sinds Wiesje weg is lijkt het erop of niets meer hier in het tehuis hetzelfde is. De kinderen zijn onrustig en ik heb het gevoel alsof er iets aan de hand is.

In de klas keken de kinderen haar vragend aan. Ze begrepen dat ook de juf geen verklaring had voor het hele gebeuren.

Paula hakkelde: ‘Juf, ik ben daar echt binnen geweest, maar wat er precies is gebeurd, kan ik me niet meer herinneren.

‘Ga maar aan je werk, ik zal er nog eens goed over nadenken. Weet je wat, ik zal Wiesje bij haar ouders gaan opzoeken en zal haar vertellen dat jullie haar ontzettend missen. Jullie zullen zien dat alles goed met haar gaat. Afgesproken?’ De kinderen knikte instemmend.

 Deel 2

Wiesje zat nog steeds in haar kamertje. Af en toe mocht ze er even uit om een douche te nemen of om de pot te legen waar ze haar behoefte in moest opvangen. Van haar zusje had ze niets meer gezien of gehoord. Het enige wat ze te eten kreeg was wat patat en een beker water voor de dorst, verder kreeg ze niets.

De dagen slopen voorbij. Het lawaai van getimmer en geboor, dat enkele dagen had geduurd was opgehouden. Het was stil geworden in het huis. Er drong geen enkel geluid meer door. Het leek erop alsof ze helemaal alleen op de wereld was. In paniek bonkte ze op de deur, maar het enige wat ze daaraan overhield was de pijn aan haar handen. Ze rende naar het raam en opende hem, maar toen ze wilde schreeuwen merkte ze dat dat geen enkel nut zou hebben. Haar raam was het enige raam wat uitkwam op de binnenplaats.

Daar ben ik mooi klaar mee. Ik zit als een rat in de val. Zonder hulp van buitenaf kom ik hier nooit meer uit. Ze pakte de spiegel, maar het enige wat de spiegel toonde was haar spiegelbeeld.

Straks word ik wakker en dan blijkt dat ik alles heb gedroomd. Ja, dat moet het geweest zijn. Het is toch niet mogelijk dat een spiegelbeeld van een oude dame tegen me spreekt, opnieuw bekeek ze de spiegel en dacht na over de opdracht van de oude vrouw.

‘Kijk niet in je spiegelbeeld, maar achterom. Je hebt maar één kans,’ ze legde de spiegel terug op zijn verborgen plek en liet de woorden herhaaldelijk door haar hoofd waaien.

Ik begrijp er niets van. Waarom moet altijd alles zo moeilijk zijn. Dat gebeurt toch alleen in sprookjes, zoals repelsteeltje.

Vermoeid ging ze op het bed liggen, legde haar vermagerde handen in haar nek en dacht nog eens goed na over de woorden van de oude vrouw.

“Kijk niet in je spiegelbeeld, maar achterom,” herhaalde ze steeds.

De directrice stapte met één van haar leidsters uit de auto en wandelde over het smalle pad. Het pad maakte een rommelige indruk. Hier en daar lagen zakken met vuilnis en het onkruid groeide welig. Net toen ze wilde aanbellen, zagen ze net boven de heg een vrouwenhoofd uitsteken.

‘Ze zijn niet thuis hoor. Trouwens ze laten u toch niet zomaar binnen. Er komt hier raar volk aan de deur. Wat er zich in dat huis afspeelt, daar kan je alleen maar naar raden, maar pluis is het er niet,’ zei de buurvrouw.

De directrice zei niets en drukte op de bel. De vrouw achter de heg nam snel de benen en sloot zachtjes de deur. Met die mensen naast haar wilde ze niets te maken hebben, dat was wel duidelijk.

Ze hoorde dat achter de deur de sloten werden verschoven en langzaam opende de deur zich. Slaperig stond de moeder van Wiesje hen aan te staren alsof ze water zag branden.

‘Wat moeten jullie hier. Ik heb hard gewerkt, dus ik heb geen tijd,’ maar toen ze de beide dames herkende veranderde plotseling haar houding en vriendelijk zei ze. ‘Ik heb net een nieuw manuscript gekregen voor een toneelstuk. Het spijt me, maar komt u verder. Waaraan hebben we u plotselinge bezoek te danken?’

‘Wij willen graag een momentje met Wiesje praten. We hadden haar beloofd dat we haar een bezoekje zouden brengen om te kijken en te vragen hoe het met haar ging,’ antwoordde de directrice. De moeder van Wiesje vertelde dat het bezoekje geen enkele zin had omdat Wiesje op vakantie was.

De leidster stond er beteuterd bij, het voelde niet goed. Ze was er vrijwel zeker van dat hier iets niet in orde was.

‘Zouden we even een kijkje in haar kamer kunnen nemen? Dat is het minste wat u voor ons zou kunnen doen. We komen dan nog wel eens terug om met Wiesje te kunnen spreken.’

Moeder twijfelde, maar ze begreep dat het belangrijk was om de beide dames niet in het harnas te jagen, dus stemde ze in. Haar man had het gesprek vanuit de huiskamer kunnen volgen en kwam naar de voordeur.

‘Zeg schat, laat de dames niet zo voor de deur staan. Komt u binnen dan zal ik u voorgaan naar het kamertje van Wiesje.’

Hij begeleide de twee vrouwen naar een kamertje, wat volgens de man het kamertje van Wiesje was. De directrice en de leidster keken hun ogen uit. Het zag er schoon en netjes uit. Er was totaal niets op aan te merken.

‘Wiesje is samen met haar nichtje op vakantie. Ze logeren een tijdje bij mijn ouders op een camping in de bossen, dat heeft ze wel verdiend. De boslucht zal haar goed doen,’ vertelde de man zonder blikken of blozen. ‘Zodra ze terug is bel ik u direct. Ze is pas gisteren vertrokken en de bedoeling is dat ze een week of drie bij mijn ouders blijft.’

‘Oh, maar je vergeet te vertellen dat we misschien ook nog een paar weken naar mijn zus in Spanje gaan,’ stamelde Wiesjes moeder en de stiefvader knikte.

‘Ja, sorry, dat is waar ook. Dat vergat ik bijna.’

De directrice keek in het rond, maar kon niets vreemds ontdekken. Even bleef ze voor een grote plaat iets verderop in de gang staan. Waarschijnlijk was die er kortgeleden geplaatst maar met welk doel begreep ze niet goed.

Waarom heb ik ondanks alles wat ze me vertellen en zie, toch zo ’n onaangenaam gevoel. Misschien zijn we ons met zijn allen toch te veel aan Wiesje gaan hechten en missen we haar. Nou zeg, straks ga ik nog spoken zien. Ik moet me niet zo laten leiden door mijn emoties en die van mijn pupillen. Onbegrijpelijk schudden ze met haar hoofd en liep terug de gang in.

‘Ik beloof u dat ik direct zal bellen wanneer ze weer thuis zijn,’ zei de man.

De dames groette het stel en liepen terug naar de auto. Ze keken elkaar vragen aan.

‘Dat zag er toch goed uit,’ opperde de leidster, maar de directrice schudde met het haar hoofd.

‘Nee, er klopt iets niet. Ze waren te aardig en te overdreven. Ik vertrouw het niet, maar moet proberen mijn wantrouwen wat opzij te zetten. Ach, misschien heb je wel gelijk en moeten we onszelf niet in de maling nemen. Kom laten we teruggaan.

Ongeduldig stonden de kinderen ze op te wachten en wilde weten hoe het met Wiesje ging. De directrice vertelde dat ze haar niet hadden kunnen spreken omdat bij haar oma in de bossen uit logeren was. We hebben goed rondgekeken en het zag er allemaal prima uit. Ze heeft een leuk kamertje en het is er erg schoon. We kunnen niets doen lieverds, al zou ik dat nog zo graag willen.

Opeens kwam Sjonnie het terrein oprijden en de leidster vroeg waar hij had uitgehangen?

‘Ik ben naar het huis van Wiesje geweest,’ antwoordde hij.

‘Maar dat is toch veel te ver om op de fiets af te leggen,’ zei de directrice.

‘Ik ben al vroeg weggegaan en heb halverwege de bus genomen. Ik kan jullie wel zeggen dat het er een puinzooi is. Al die troep die in de tuin ligt, dat zegt mij al genoeg,’ de directrice keek de leidster aan. Ook zij hadden zich verbaasd over de rommel die daar rondslingerde.

Een mooie opgeruimde kamer, maar een tuin die er zo verwaarloosd bij ligt, dat is inderdaad vreemd. Dat riekt naar leugens, dacht de directrice.

‘Gaan jullie maar naar de eetzaal. Ik wil even niets meer horen over Wiesje of een zogenaamde oude vrouw. Is dat begrepen?’ Teleurgestelde gingen de kinderen op weg naar de eetzaal.

‘We moeten iets ondernemen,’ fluisterde Sjonnie, maar niemand luisterde naar hem en zochten hun plekje op aan de lange eettafel. Stilletje gingen ze zitten, eenieder met zijn eigen gedachten.

Wiesje wist niet wat erbuiten op de gang gebeurde. Ze verveelde zich en voelde zich angstig. Opeens werd het slot van de deur gedraaid en stond haar stiefvader voor haar neus.

‘Zo kindje, nu is het jouw beurt. Je gaat precies doen wat we van je verlangen en als jij je best doet, word je goed behandeld. Zo niet, dan gaat de riem erover.’

Angstig keek ze langs zijn lichaam en zag haar moeder met gebogen hoofd in de gang staan. Wiesje werd bij haar haren meegesleept en in het kamertje naast die van haar naar binnen geduwd. Daar stond een grote flinke man en streng wees hij dat ze moest gaan zitten.

´Je hoeft niet bang te zijn. Ik ga je leren hoe je moet zakkenrollen. Laat mij je handen eens zien?

Ah, dat ziet er goed uit. Mooi, fijn en slank. Deze handjes zijn geknipt voor het werk. Ik zou maar goed mijn best doen en flink meewerken, want als je gepakt wordt kom je in de gevangenis terecht. Als ik maar enigszins het idee krijg dat je niet meewerkt, dan zal ik ervoor zorgen dat je je dat eeuwig zult herinneren.’

Opeens besefte Wiesje wat er gaande was. Ze spande al haar spieren en bleef doodstil staan. De man begon zich aan haar te ergeren en wandelde schoorvoetend op haar af, maar toen hij haar wilde aanraken, beet ze hard in zijn hand. Hij sprong achteruit en begon heftig te vloeken.

‘Ik zal je leren kreng,’ en opnieuw benaderde hij haar. Voor hij er erg in had, sprong ze onder zijn arm door, rende naar de andere kant van de kamer en schreeuwde.

‘Nooit, maar dan ook nooit, zal ik voor jullie uitstelen gaan. Ik ga nog veel liever de gevangenis in, maar zo laag aan de grond als jullie zijn, nee dat nooit!’

Haar stiefvader was op het lawaai afgekomen en sleepte haar terug naar haar kamertje en schreeuwde. ‘Wat krijgen we nou!´ Hij pakte zijn riem en begon op haar in te slaan. ´Je doet wat wij zeggen, anders weet ik wel een manier om je het zwijgen op te leggen,’ maar Wiesje wilde liever dood, dan dat ze iets zou moeten doen, waar ze haar hele leven lang spijt van zou krijgen.

‘Sla me maar dood,’ riep ze. Maar diep van binnen was haar angst zo groot dat ze dacht erin te stikken. Terwijl haar stiefvader haar met de riem over haar rug sloeg, kroop ze over het bed. Voor haar zag ze opeens de spiegel liggen. Ze wilde hem pakken maar omdat hij haar steeds aan haar benen terugtrok, kon ze er net niet bij. Ze rekte haar arm en probeerde de spiegel te grijpen.

De spiegel is mijn enige hoop, maar als ik hem heb, moet ik ook nog eens het raadsel oplossen. Kijk niet in je spiegelbeeld maar achterom, maar hoe ze het ook wendde of keerde, ze snapte er niets van.

Met geweld werd ze van het bed gesleurd en ze moest de spiegel loslaten. Krabbelde overeind, schopte met haar voeten omdat hij haar niet los wilde laten en net toen zijn grip op haar even verslapte, kon ze de spiegel pakken.

‘Ja meid, kijk nog maar eens goed in die spiegel. Als je niet naar me luistert dan zal ik je zodanig verminken dat er in je verdere leven niet één man meer naar je omkijkt!’

Wiesje hield de spiegel stevig vast en dook onder het bed. Daar drukte ze zichzelf tegen de muur en probeerde hem met haar voeten van zich af te schoppen. Ze keek in de spiegel en zei hardop.

‘Kijk niet in je spiegelbeeld, maar achterom,’ maar er gebeurde niets.

Wat haal je jezelf toch in het hoofd. Je weet toch dat sprookjes niet bestaan. Geloof er toch niet in, dacht ze en voelde zich verloren. Ze vroeg zich af hoe dit moest aflopen. Hoelang zou ze nog weerstand kunnen bieden? Haar stiefvader schreeuwde en wilde haar onder het bed vandaan trekken.

Telkens als hij dichterbij kwam, trapte of beet ze hem in zijn arm. Maar hij werd alsmaar bozer en bozer en uiteindelijk tilde hij het bed op en smeet hem opzij.

Wiesje keek in zijn uitpuilende ogen en zag dat zijn gezicht rood van kwaadheid was. Hier zou ze niet zonder kleerscheuren vanaf komen dat was wel duidelijk.

Toen hij opnieuw zag dat ze krampachtig de ring met het spiegeltje vasthield, besefte hij opeens dat de spiegel een waardevol bezit voor haar was en begon afgrijselijk te lachen. Wiesje merkte dat zelfs haar moeder door de afgrijselijke lach in elkaar dook.

´Waarom kijk je toch steeds in dat spiegeltje. Denk je soms dat dat ding kan toveren? Als ik jou was zou ik maar eens achter je in die grote oude spiegel kijken, ha ha ha ha, brulde hij van het lachen. Als ik met jou klaar ben, zou je wensen dat er op de hele wereld geen spiegel meer te vinden was,’ brulde hij.

Opeens begreep Wiesje dat hij haar onbewust de oplossing van het raadsel had gegeven en dat ze snel moest handelen. Angstig keek ze naar hem op en zag dat hij met een groot stuk hout op haar afkwam. Hij hield het hout boven zijn hoofd en wilde ermee op haar hoofd slaan.

Wiesje zag het stuk hout op haar afkomen en krop angstig ineen. Het is nu, of nooit, dacht ze. Draaide zich snel om en spiegelde het spiegeltje in de oude spiegel aan de muur en riep.

 

‘Achterom laat je spiegelbeeld zich wederom spiegelen’

Even was het stil, doodstil. Het leek wel of de wereld stil stond. Plots klonk er een enorme knal en een felblauw lichtschijnsel verblinde haar.

Nadat de kinderen naar hun slaapzaal waren gestuurd en de lichten werden gedoofd om te gaan slapen bleef Sjonnie maar piekeren. Hij kon en wilde niet slapen, vond dat hij iets moest doen. Hij was er vrijwel zeker van dat Wiesje in gevaar was. Vanaf het moment dat hij Wiesje in de auto had zien stappen was hij er niet gerust op geweest. Een moeder begroet haar kind niet op een dergelijk koude manier als zij had gedaan. Ze was als het ware de auto ingegooid. Langzaam sloop hij naar de meisjeszaal en maakte Paula wakker. Fluisterde iets in haar oor en ze keek hem bijna opgewekt aan. Samen slopen ze het tehuis uit, pakte hun fiets en reden ermee naar de bushalte.

‘Hoe komen we nou te weten waar Wiesje is,’ vroeg Paula. ‘Misschien is ze echt uit logeren. De directrice en onze leidster hebben haar toch ook niet gezien. Wat nou als zou blijken dat ze echt op vakantie is.’

‘Dat weet ik ook niet hoor. Ik voel gewoon dat er iets niet goed is. We moeten Wiesje vinden. Ik weet zeker dat ze nog in dat huis is,’ Paula knikte en liep met hem mee. Ze wist niet goed wat ze ervan moest vinden, maar wilde Sjonnie niet in de steek laten. Oké, als de leiding achter hun actie zou komen dan draaide hij er in ieder geval niet alleen voor op. Ze begreep heel goed dat hij Wiesje miste, dat deed zij immers ook. Ze besloot om bij hem te blijven, totdat duidelijk was dat alles in orde was. Als hij zou zien dat het goed met Wiesje ging zou hij zich er wel bij neerleggen bedacht ze.

De bus stopte en beide kochten een kaartje. De chauffeur keek ze achterdochtig aan, maar Sjonnie begroette hem uitbundig en zei. ‘We zijn bij onze oma geweest, die is vandaag jarig.’

‘Nou, gefeliciteerd,’ antwoordde de chauffeur en deed vervolgens de deuren dicht.

‘Liegbeest.’ Fluisterde Paula.

‘Ach, een leugentje om bestwil,’ antwoordde Sjonnie grijnzend.

Een minuut of vijftien later stapte ze weer uit. In en rondom het huis waar Wiesje woonde was het doodstil. Nergens in de straat brandde licht, behalve in het huis van Wiesje.

Angstig pakt Paula de hand van Sjonnie en fluisterde. ‘Weet je echt zeker waar je mee bezig bent. Wat moeten we hier? Kijk nou, volgens mij kunnen we er niet eens door. Weet je zeker dat ze hier woont?’

Sjonnie zei niets en wrong zichzelf door een smalle doorgang die op de binnenplaats uitkwam.

Het was daar aardedonker en even moesten hun ogen aan het donker wennen. De hoge muren maakte het nog angstaanjagender. Hij ging op onderzoek uit en kwam tot de ontdekking dat de smalle doorgang de enige in- en uitgang was. Net toen hij besloot om terugkeren, hoorde hij boven vanachter het enige raam stemmen. Uit een smal raampje zag hij een flauw lichtschijnsel. Aandachtig probeerde hij op te vangen of hij kon verstaan wat er werd gezegd. Opeens klonk het gegil van een kind en een mannenstem schreeuwde de meest afgrijselijke dingen. Nooit had hij gedacht dat iemand zo tegen een kind te keer kon gaan. Hij bleef sprakeloos staan, luisteren en ineens begreep hij van wie het kinderstemmetje afkomstig was.

Dat is de stem van Wiesje, ik weet het haast wel zeker. Ik moet iets ondernemen, maar hoe kom ik daar boven, machteloos tuurde hij naar het raam. Plots hoorde hij een harde knal en zag hij een fel licht verschijnsel. Geschrokken deed hij een stap achteruit, omdat hij meende dat er iemand naast hem stond. Het was Paula die na het horen van de harde knal angstig naar hem opzoek was gegaan. Opgelucht haalde ze adem, toen ze zag dat hij niets mankeerde. Ze vond dit hele avontuur maar niks en wilde zo snel mogelijk weer huiswaarts keren. Samen liepen ze naar het smalle poortje, waar ze naar binnen waren gekomen. Sjonnie kreeg opeens een raar gevoel van binnen en wist zeker dat er nog een derde persoon op de binnenplaats moest zijn. Zachtjes hoorde ze een stem die angstig riep:

‘Help me, help me alstublieft,’ de stem kwam hen bekend voor en tegelijkertijd fluisterde. ‘Wiesje?’

Ze renden op het geluid af en in de duisternis zagen ze Wiesje verdwaast om zich heen kijken.

‘Wat is er gebeurd. Waar ben ik?’

Opeens ging vanuit het huis het raampje open en zagen ze het hoofd van de stiefvader.

‘Je denkt zeker dat je ons te slim af bent hè, nou vergeet het maar. Ik weet heus wel dat je daar ergens zit.’

De kinderen begrepen dat hij maar wat stond te schreeuwen. Hij giste maar wat, hij kon immers niet weten wat er werkelijk was gebeurd. De kinderen konden het zelf niet eens bevatten. Waar was Wiesje zo opeens vandaan gekomen.

Sjonnie nam beiden meisjes bij de hand en samen worstelde zich terug naar de straat.

‘Laten we snel maken dat we wegkomen. Ze kunnen elk moment naar buiten komen. Vlug schiet op, rennen!’

Zo snel als hun beentjes hen konden dragen rende ze de straten door. Pas toen ze er zeker van waren dat ze niet werden gevolgd, durfde ze het erop te wagen om stil te staan.

En oh, wat hadden ze geluk. Ze konden nog net één van de laatste bussen halen. Helaas bleek de laatste buslijn waar ze op de heenweg mee waren gekomen al vertrokken te zijn. Dat betekende dat ze niet bij de bushalte zouden aankomen waar ze hun fietsen hadden geparkeerd.

‘Nou ja, dan moeten we maar een stukje lopen. Die fietsen halen we morgen wel weer op,’ zei Sjonnie.

Op aanraden van de chauffeur, bleven ze dicht bij de hoofdweg. ‘Het is een lange weg, maar wel veiliger. Je weet maar nooit wat er hier in deze stille streek rondzwerft.’

Ze beloofde hem dat ze zijn raad zouden opvolgen en bedankte hem hartelijk.

‘Ik ben wel blij dat we niet meer worden gevolgd,’ zei Wiesje.

‘Ik wil daar nooit meer naar terug. Jeetje, wat ben ik blij om weer terug te gaan naar het tehuis. Ik hoef geen ouders meer. Ik begrijp nu dat je soms veel beter af bent zonder ze.

Het kindertehuis lag er stil en donker bij. Alleen in de hal brandde er een fel licht. Ze slopen het portaal binnen en merkte dat de deur gelukkig nog niet op slot was gedraaid. Langzaam opende Sjonnie de deur en keek voorzichtig om het hoekje. Toen hij er zeker van was dat het veilig was, wuifde hij dat ze binnen konden komen.

‘Laten we maar naar onze kamer gaan,’ fluisterde Paula.

‘En ik dan, als ze mij hier zien vragen ze meteen wat ik hier doe,’ zei Wiesje.

Opeens werd de stilte verbroken en ging het grote licht aan. Daar stonden haar moeder en stiefvader ze op te wachten.

‘Dacht je nou echt dat ik je zou laten gaan. Hier zal je voor boeten. Weglopen, hoe durf je het in je hoofd te halen,’ riep haar stiefvader.

Verbijsterd keken de kinderen de ouders van Wiesje aan. Ook de directrice en één van de leidsters stonden er verloren bij. De directrice kon niets anders doen dan beamen dat haar ouders in hun recht stonden en dat ze dus terug naar huis moest. De stiefvader kwam op haar af, pakte Wiesje stevig bij haar arm en sleepte haar naar de voordeur. Ze probeerde zich van hem los te rukken, maar hij was veel te sterk voor haar. Het was onmogelijk om zich van hem los te wurmen

‘Ik wil niet terug, ik wil hier blijven. Help me alsjeblieft. Ze zijn slecht. Ze willen dat ik voor ze uit stelen ga,’ riep ze paniekerig, maar niemand stak maar één vinger naar haar uit.

Sjonnie en Paula stonden huilend te kijken hoe Wiesje door haar stiefvader uit het tehuis werd gesleept. ‘Ik wil niet. Ik wil niet. Laat me los,’ Wiesje trapte en sloeg hem waar ze hem maar kon raken!

‘Zeg Wiesje wordt eens wakker. Kom wakker worden,’ riep de leidster.

Wiesje sloeg haar ogen op en zag de leidster aan de rand van haar bed zitten. Langzaam kwam ze wat tot zichzelf en voelde het water langs haar lichaam vloeien. De leidster depte haar voorhoofd en wreef met haar vingers door Wiesjes haren.

‘Stil maar meid. Het komt allemaal wel goed. Je hebt drie dagen geslapen en steeds liggen ijlen.’

‘Ik wil niet naar mijn moeder, echt niet. Ik ga nog liever dood,’ fluisterde ze angstig.

De leidster keek haar verbaast aan.. ‘Je moeder, maar kind daar is geen sprake van. Je mag hier bij ons blijven. Weet je dat dan niet meer. Je moeder is plotseling zonder jou weggereden. Een oude vrouw stond haar buiten op te wachten. Wat er verder werkelijk is gebeurd weten we niet. Ze wilde daar niet over praten, maar wat we wel hebben begrepen, is dat ze je niet meer bij haar thuis wil hebben. Dat betekent dus dat je weer bij ons kunt blijven wonen. Na deze hele toestand ben je ziek geworden en dat was drie dagen geleden. Ik ben blij dat je weer bij ons bent en we hopen dat je weer snel opknapt.’

Wiesje keek haar opgelucht aan. Blij dat alles nu toch weer goed ging komen. ‘Weet u hoe het met Sjonnie en Paula is? Zijn ze erg geschrokken.’

‘Dat valt wel mee. We hebben beloofd dat ze na de les nog even bij je langs mochten komen, dan kan je ze het zelf vragen.’ Wiesje knikte en legde haar hoofd weer op het kussen. Het was een bevrijding dat ze weer gewoon kon slapen, zonder dat ze ergens bang voor hoefde te zijn.

Ze werd weer snel de oude Wiesje. Vrolijk zoals ze altijd was geweest, wandelde ze naar de hoofdingang. Daar bleef ze staan bij de deur van het kleine kamertje. De deur die altijd op slot zat stond nu wagenwijd open. De directrice en haar leidster stonden midden in de lege kamer.

‘Hoe gaat het met Wiesje,’ hoorde ze de directrice vragen.

’Goed mevrouw, maar wat doet u in deze kamer en hoe komt hij open,’ ze keek de kamer rond en haar oog viel op een kastje in de hoek? Ze bekeek het goed en trok één van de lades open. Daar zag ze een klein fluweel doosje liggen. In het doosje lag een ring waarin een klein spiegeltje was verwerk. De leidster bekeek de ring, maar zag er niets bijzonders aan. Wiesje liep het kamertje in en vroeg of ze de ring mocht bekijken. Verbaast en bewonderend onderzocht ze hem. Dit was de ring die haar had gered, daar was ze vrijwel zeker van.

‘Vind je hem mooi, vroeg de directrice. Je mag hem best hebben hoor, anders komt hij toch maar in de vuilnisbak terecht.’

‘Dat vind ik lief van u. Bedankt,’ en stevig drukte ze hem tegen haar borst. Nooit, maar dan ook nooit zou ze hem wegdoen. Dit was en bleef haar kostbaarste bezit.

De oude vrouw heeft zichzelf nooit meer laten zien, maar Wiesje heeft altijd het gevoel gehad dat ze steeds dicht bij haar was en onbewust over haar waakte.

 

Einde
error: Content is protected !!