Het verraderlijke Schot is te Boord
Deel 1
Evenals de vorige keren dat ik een bezoek bracht aan deze plek was het er koud, kil en eenzaam. Er stond een flinke wind en ik hoorde het water tegen de kust aan beuken. De kracht van het water liet mij iedere keer weer met ontzag naar de zee staren. Uren kon ik ernaar kijken en wanneer je het pad naar beneden afliep, voelde je de kracht van de zee onder je voeten trillen.
Zo af en toe kwam er een wazig zonnetje tevoorschijn, maar die werd alweer snel verdreven door een wolkendek.
Ik draaide me om en zag het lege vervallen huis achter mij. In mijn hand lag het dagboek van de man die hem altijd trouw had bijgehouden, omdat hij wilde dat zijn verhaal ooit zou worden gehoord. Jaren geleden had ik de zonderlinge man bij toeval leren kennen. Uren en dagen hadden we aan zijn keukentafel gesproken en hij vertelde mij zijn verhaal. Het verhaal waarvan hij wilde dat het pas na zijn dood zou worden gepubliceerd. Hij had mij laten beloven dat ik na zijn overlijden zijn dagboek zou komen ophalen om het in boekvorm te verwerken en te publiceren.
Alleen hij en ik wisten waar hij het dagboek zorgvuldig bewaarde, achter het huis in één van de rotsspleten.
De wind speelde met het vervallen dak en ik zag de deuren en ramen heen en weer slaan. Het zou niet lang meer duren of het geheel zou in zijn geheel worden weggevaagd. Nooit zou iemand nog kunnen begrijpen wat zich hier had afgespeeld. Alleen het kleine familie kerkhofje zou nog enigszins zichtbaar kunnen zijn, maar dan moest je wel goed zoeken, of van het bestaan af weten.
Nog eenmaal keek ik om, stopte het dagboek in mijn plunjezak en verliet de plek. In gedachten zag ik hem voor me. Hij vertelde mij zijn verhaal en in eerste instantie had ik totaal geen begrip voor hem, maar later ging ik hem bewonderen. Natuurlijk, ik had hem beloofd om zijn verhaal te publiceren, maar na een tijdje kwam de twijfel. Misschien was het beter om het te laten rusten. Het was immers al zolang geleden en wie zit er nu nog op de belevenissen en bekentenissen van een, toen nog jonge man uit de 2e wereldoorlog te wachten.
Hij had me laten beloven iets met zijn verhaal te doen en ik had ingestemd. Ik zou het boek ophalen en publiceren. ‘Belofte maakt schuld,’ hoorde ik mijn moeder in gedachte zeggen.
September 1941
De spertijd was ingetreden, behalve voor de schipper die met zijn plunjezak richting haven wandelde. In een schim van het maanlicht kon hij het schip onderscheiden. Ze lag nog op dezelfde plek als waar ze haar net na het uitbreken van de oorlog hadden aangemeerd. Hij kende het schip niet en had haar graag van een afstand willen bekijken om te zien wat hij aan haar zou hebben, maar dat was door het donker helaas niet mogelijk.
Schuifelend wandelde hij erop af. Zijn gedachten gingen naar huis waar hij zijn vrouw en kinderen had moeten achterlaten. Achterlaten in onzekerheid. ‘Klootte moffen,’ mompelde hij zacht voor zich uit.
‘Halt. Ausweiss,’ hoorde hij plotseling schreeuwen. Voor de tweede keer in korte tijd werd hij staande gehouden. Hij zag duidelijk de silhouetten van de Duitsers met hun wapen over de schouders. ‘Halt. Ausweiss,’ riep de man hem weer toe.
Onzeker nam hij het papiertje uit zijn binnenzak. Het papier dat hem een vrijbrief gaf om zich in spertijd op straat te mogen begeven.
De soldaat gaf er een blik op en bekeek hem van top tot teen. Gaf hem ten slotte een teken dat hij mocht doorlopen en de schipper groette hem nederig.
Voorzichtig liep hij op zijn schip af en werd door iemand geholpen om aan boord te komen. Hij pakte de gestrekte hand en stapte aanboord. Hij kon de man nauwelijks onderscheiden maar zag wel dat hij een uniform droeg. Op de mouw van zijn jas stonden de letters NSB gedrukt.
De man liep voor hem uit en zei: ‘Gaat u maar schipper. Straks krijgt u meer bevelen, maar dan van de Duitsers zelf. Doe geen gekke dingen want ik heb de opdracht om deserteurs neer te schieten.’ en hij verdween weer net zo snel als hij was opgedoken in het donker.
Hij onderzocht het schip, gooide zijn plunjezak in een kooi en besloot een kijkje te gaan nemen in de kleine stuurhut.
De dagenraad deed zijn opwachting en hij zag meerdere mannen aanboord komen. Hij bekeek de mannen één voor één in de hoop dat hij ze aan hun bewegingen zou kunnen herkennen. Buiten de stuurman, die hij tot zijn opluchting direct herkende was er niemand die hem bekend voorkwam. Aan de wal stonden drie Duitsers met een hoge piet te praten, althans hij nam aan dat het een hoge piet moest zijn, met dat imposante uniform en zijn glimmende laarzen. Langzamerhand werd het druk aan de kade en als je niet beter wist zou je denken dat de oorlog niet bestond.
De Hollander die hem aanboord had geholpen overhandigde hem een map. Toen hij deze doorbladerde, besefte hij dat er geen weg meer terug was.
De stuurman nam naast hem plaats en zei dat hij blij was onder hem te mogen varen. Hijzelf begroette hem en voelde een onaangenaam gevoel bij hem boven komen. Een gevoel van wantrouwen tegen wie dan ook aanboord. Hij knikte, tuurde door het raam en volgde de Duitsers oplettend. Een drietal nam aan de kade afscheid en klommen aanboord. Eén nam plaats op de voorplecht, terwijl de ander naar het achterdek liep. De derde begaf zich naar de brug en sprak in gebrekkig Nederlands de schipper toe wat er van hem werd verwacht.
De Hollander, die intussen zijn band waarop hij duidelijk NSB had zien staan had afgedaan, vertaalde alles wat hij niet begreep.
Aan de kade stopte een grauwe legerwagen en losten kisten en zakken De bemanning laden de goederen vervolgens aanboord en liet de lading het ruim in zakken.
De schipper trok zich terug op de brug en boog zich over zijn navigatiekaart, toen hij het gebrom van motoren hoorde. Een boot van de Duitse kriegsmarine voer met ronkende motoren achteruit en kwam naast hen tot stilstand. Aanboord werd geschreeuwd en Duitsers gebaarde druk met hun handen. Zijn blik viel op de bemanning die schijnbaar net als hij met zichzelf bezig waren. Er was totaal niets te ontdekken van de hiërarchie die er normaal gesproken aanboord van een visserijschip was. Hij besefte dat hij misschien een verkeerde beslissing had genomen, maar werd uit zijn gedachten getrokken door de Hollander die hem als een schaduw volgde.
‘Als alles goed gaat, kunnen we even voor zonsondergang vertrekken. We worden door een marineboot van ons nieuwe Duitse rijk tussen de mijnen doorgeloodst. Dat gaat goed komen, geloof mij maar,’ schreeuwde hij al net zo hard als de bezetters.
De schipper keek de man aan en draaide zich weer om. Hij wist dat de Hollander hem zou blijven volgen, waar hij zich ook maar bevond. De oorlog had de mens veranderd. Niemand wist wie hij wel of niet vertrouwen kon. Hij zou op zijn hoede moeten blijven. Zelfs de stuurman wilde hij niet vertrouwen, ook al hadden ze samen al heel wat reizen gemaakt. Men kon niet meer voor zijn mening uitkomen. Je kon maar nooit weten of je met een verrader te maken had. Oh, wat haatte hij de Duitsers.
Het volk was verdeeld. Je kon zelfs je eigen familie niet vertrouwen. Zijn gevoel was verdeeld in twee helften. Aan de ene kant was hij strijdbaar genoeg om in leven te blijven en niet op te gaan in de propaganda die er werd gevoerd. Maar aan de andere kant wat is goed? Waar waren de vertegenwoordigers van ons land. Die zaten immers veilig in het buitenland en hadden goed te eten. De bevolking moest maar zien hoe ze zich hier redden. Hij had niet veel op met politiek, nooit gehad en wat gebeurde er nu. Je eigen landgenoot sommeerde je dat je je maar het beste aan de regels kon houden anders had hij het recht om je neer te schieten.
‘Essen schipper’, riep een matroos met zijn hoofd om het hoekje van de deur en glimlachte hem flauwtjes toe. Hij knikt hem vriendelijk toe en liet hem weten dat hij eraan kwam.
Aan tafel werd er niet gesproken. Zo nu en dan werd er schichtig in de richting van de Hollander gekeken. Het was duidelijk dat hij niet erg geliefd was, maar hij liet zich de maaltijd goed smaken. De roomboter die op tafel stond werd rijkelijk op zijn boterham gesmeerd. Zo nu en dan liet hij snel zijn blik over de tafel gaan om zijn medepassagiers te observeren.
De kleine ruimte was vochtig warm en rook muf. Onder de lanen hoorde je het water klotsen op het wiegen van het schip. De schipper schoof zijn boord van zich af en zijn gedachten dwaalde af naar het thuisfront. Hij wist dat het steeds moeilijker werd om aan goed eten te komen. Vlak voordat hij van huis vertrok moesten ze evacueren, je had er geen vat meer op. Zeker niet nu hij voor deze baan had gekozen. Die keuze was niet makkelijk voor hem geweest. Hij kon kiezen naar Duitsland of de zee op voor de visserij. Hij had voor de visserij gekozen dat was immers waar hij zich thuis voelde. Zijn zin van leven. Dus was deze keuze in dat opzicht toch zijn keuze, ook al kon je niet van een vrijwillige keuze spreken.
Op een dag had hij een melding gekregen dat hij zich in Den Haag moest melden. Oh wat kon hij zich dat moment nog goed voor de geest halen. Verslagen en ontredderd had hij zich gevoeld. Machteloos ten opzichte van zijn gezin.
Op het kantoor waar hij zich moest melden was het druk. Hij overhandigde zijn oproep waarop hij weer werd doorverwezen naar een ander loket. Daar ontmoette hij een man die hij oppervlakkig kende. Ze praatten wat en terwijl hij opgeruimd op zijn beurt wachtte, bleef de ander wat schuchter achter. Voor het loket waar hij zich moest melden was het behoorlijk druk. En daardoor was de man aan het loket niet goed te verstaan. Net als alle andere, moest ook hij zich melden voor een keuring. Tot zijn grote verbazing zag hij weer de oppervlakkige kennis staan. ‘Ik hoop dat ik goed gekeurd word,’ zei hij onnozel. Ik mag in ieder geval mijn eigen vak uitvoeren, dus ik hoef niet naar Duitsland.’
De kennis knikte alleen maar en melde zich bij één van de velen artsen. De keuring ging snel en weer moesten ze zich bij een ander loket melden. Met het formulier in hun handen, wandelde de ze samen naar één van de loketten. Hij liet de kennis als eerste zijn keuringpapieren afgeven. De man achter het loket keek de magere, wat bleke man van top tot teen aan en zei:
‘Ik zie dat u een hartoperatie hebt ondergaan. Ja, u hebt een operatie gehad. Het litteken zit er niet voor niets. Daarbij komt dat er een ruis aan het hart is gehoord. Heeft de arts dat niet met u besproken?’
Het werd even stil en tot zijn verbazing zag hij de man aan het loket heftig met zijn hoofd ja knikken.
‘Hu, jazeker, knikte de man voor hem, en wat verdwaasd nam hij het papier aan dat de lokettist hem in zijn handen drukte.
‘Bij de uitgang rechtsaf, maar u hoeft zich niet te haasten hoor.’
De man knikte en deed een stap achteruit zodat de schipper zijn papieren kon afgeven. De lokettist stempelde zijn papieren en zei; Bij de uitgang gaat u rechtsaf en meld u verderop.’
De man en hij wandelden samen naar buiten.
‘We moeten rechtsaf en ons verderop melden. Ga je mee?’
‘Ga jij maar alvast. Ik heb geen haast,’ en zonder op of om te kijken sloeg hij linksaf.
‘Je gaat de verkeerde kant op,’ riep hij hem nog na, maar de man verdween om de hoek.
Op dat moment begreep hij wat de lokettist had bedoeld. Hij had hem als het waren de woorden in zijn mond gelegd, ‘Ik zie dat u een hartoperatie hebt ondergaan. Ja, u hebt een operatie gehad,’ had hij letterlijk gezegd. Hij had het aan zijn hart, dus moest hij zich maar niet aanmelden. Aan de andere kant, misschien had de kleine tengere man geen schijn van kans gehad het werk in Duitsland te overleven.
‘Schipper, is dat alles wat u eet’, hoorde hij één van de bemanningsleden vragen.
Hij schok wakker uit zijn gedachtegang en knikte de man toe. Excuseerde de bemanning en zei dat hij naar de brug ging. Even keek hij nogmaals achterom naar de Hollander en zag dat die nog altijd vraatzuchtig zat door te schansen zonder op of om te kijken. Op de brug stond één van de Duitsers achter het roer die net deed alsof hij het schip bestuurde. Een matroos stond naast hem en keek de schipper verschrikt aan. Die keerde zijn blik van hem af en er kwam een diepe zucht uit zijn mond. Kon je dan nergens even alleen zijn zonder dat één van die Duitsers of die Hollander in de buurt was, dacht hij.
‘Uit hoeveel man bestaat onze bemanning, mij niet meegerekend, vroeg hij aan de matroos.’
De matroos keek hem met opgetrokken onderlip aan en moest toegeven dat ook hij het antwoord niet wist.
‘Laat maar,’ en hij tuurde naar de kade waar druk heen en weer werd gelopen. Wat ze precies aan het doen waren, hij kon er geen touw aan vastknopen. Hij besloot eens een kijkje te gaan nemen aan dek, inspecteerde de luiken en keek er onder. Fronste zijn voorhoofd en wreef langs zijn kin. Het stond als een paal bovenwater dat de Duitsers de schepen hadden gevorderd. In het ruim bevonden zich geen netten en geen tonnen. Wat zijn ze toch in hemelsnaam van plan. Toen hij aanboord kwam was het hem al opgevallen dat het schip hoop op het water lag. Ze hadden hem wijs gemaakt dat hij als schipper naar de visgronden moest.
Plots zag hij de stuurman aandek komen, met in zijn keilzog de Hollander. Vermanend wees hij met zijn vinger naar het stuur alsof die iets verkeerds had gedaan. De stuurman zwaaide met zijn hand alsof hij wilde zeggen, ‘ach man, dondert toch op’. En met opgeheven hoofd liep het stuur de schipper tegemoet.
‘Schipper, de netten komen zo aanboord. Ik dacht eerst dat we zonder zouden gaan, maar die idioten laden ze als laatste in.’
‘Oké, het is al goed stuur. Ik bedacht me net hetzelfde.’
In de verte zagen ze een aantal paarden en wagens aankomen rijden. De netten werden aanboord gebracht en het ruim werd rap met tonnen gevuld.
Terwijl de schemer intrad, stonden zijn hersens op scherp. Hij vroeg zich af hoe lang hij een gevangenen van deze oorlog zou zijn. Het zag er naar uit dat niemand aanboord te vertrouwen was. Wie voer voor de Duitsers, en wie moest of kon hiervoor hebben gekozen.
De machinist stak zijn hoofd boven de roef en gilde. ‘Schipper, wanneer vertrekken we. Ik kan me reet niet roeren of er zit een mof in mijn nek te hijgen. Dit is toch gekke werk het is al september.’
‘Maak je niet druk. Waarschijnlijk zullen we bij zonsondergang vertrekken, ten minste dat was de laatste melding die ik kreeg.’
De Hollander stond inmiddels weer achter hem en riep: ‘Schipper, we kunnen vertrekken.’en hij wees in de richting waar een patrouilleboot ronkend kwam aanvaren. Maar het duurde nog een aantal uren voor ze eindelijk de trossen los konden gooiden.
Het geluid van de tweetaktmotor voelde vertrouwd aan en het leek alsof hij wilde uitroepen, ‘Te lang, te kort, te lang, te kort,’ dat herhaalde zich telkens weer totdat het niet meer opviel.
De patrouilleboot voer voor hen uit en ze volgde het kleine heklichtje. Zo werden ze door het mijnenveld heen gemanoeuvreerd.
Plotseling was het kleine heklicht verdwenen. Ronkende motoren naderde hen onzichtbaar om vervolgens als een schim naast hen op te doemen.
De Duitser, die naast de schipper stond, zei glimlachend dat hij het schip op koers moest houden en gaf hem een vriendelijke tik op zijn schouder.
De schipper gaf het roer over aan één van de matrozen, zodat hij het dek kon inspecteren. Weer was daar die Hollander. Het leek wel een zwaan kleef aan. Even was hij bang dat die kerel zelfs nog naast zijn kooi zou slapen.
Hij grinnikte om zijn eigen paranoïde gedachtegang. De Hollander keek hem verbaast aan en vroeg waarom hij grinnikte.
Deel 2
‘Ik weet niet wat u opdracht is, maar zo te zien kunnen we beiden geen kant op. Ik ben benieuwd hoelang je dat volhoudt. En weet je, ik snurk ook nog,’ antwoordde de schipper.
De Hollander ontstak zijn zoeklicht en scheen ermee in zijn gezicht, maar meteen werd hij door een Duitser gesommeerd dat te laten.
De volgende dag merkte de schipper dat de Hollander rustiger was en niet meer zo achter hem aan kwam. De Duitser die Heinzel heette, was geen domme kerel, daar was hij inmiddels al achter. Behendig liet hij het schip zijn koers varen en tussen de mijnen door manoeuvreren. Een matroos die op de voorplecht stond, liet zijn kijker over het water glijden en zei tegen de schipper.
‘Je kunt maar beter alert zijn. Ook al weet die mof waar ze die mijnen hebben gelegd.’
‘Gelijk heb je en keek hem van opzij aan.’
‘Jan is mijn naam schipper.’
‘Ik neem aan dat jij ook niet vrijwillig hier aanboord bent,’ zei hij voorzichtig.
‘Ik niet schipper, maar hoe het met de rest zit, ik vertrouw niemand. En u?’
‘Ik had geen keus, het was of Duitsland, of varen. Voor mij was dit dus de beste keus, laten we het hier maar ophouden Jan. Misschien zijn wij ook niet te vertrouwen.’
‘Nou, schipper, ik voel dat u te vertrouwen bent. Mij kunt u alles vertellen. Mijn mond is op slot,’ en zonder op te kijken, zocht hij de zee af.
‘Ik weet het Jan, daarom juist. Over een uur kunnen we uitzetten. Laten ze alles alvast klaarmaken.’
‘Aai aai, schipper.’
Het net werd in stilte overboord gezet. Eenieder was verzonken in zijn eigen gedachtegang. Af en toe keken de ervaren zeelui om zich heen om te kijken waar de kleine jongen was, die normaal gesproken aanboord was. De werkelijkheid was nu anders. Geen kleine jongen meer die aan hun eerste teelt begonnen. Het was overduidelijk dat deze reis anders was dan zij gewend waren. Het voelde niet goed en de heimwee naar huis werd alleen maar sterker. Ze waren van de wereld afgesloten, je kon alleen maar raden wat er in je eigen dorp aan de gang was. De oorlog werd grimmiger en niemand wist waar en wanneer hij zou eindigen. Het gevoel van onmacht werd met de dag sterker. Waar ze ook waren, ze waren nergens veilig voor de moffen en de dood.
Na de weinige vangst, voer de logger over een rustige zee. De schipper wist maar al te goed hoe de zee in een helse storm kon veranderen. Zijn blik zocht de horizon af, hij was er bijna zeker van dat het weer elk moment kon omslaan. Het is al september, dacht hij. De pijn die hij in zijn botten voelde kon er wel eens een voorteken zijn dat de winter vroeg zou kunnen invallen dit jaar.
Zijn hersens maalden maar door. De afgelopen uren had hij met het idee rondgelopen hoe hij zich uit deze situatie zou kunnen redden. Hoe je het ook wende of keerde, ze zouden eerst die Duitsers en dan die Hollander moeten uitschakelen. Wie zou hieraan mee willen doen. Als er maar één man tussen zat die hen zou verraden, dan konden ze het wel schudden.
‘Ja, maar ik ben te vertrouwen schipper,’ klonken de woorden door zijn hoofd. Hij vertrouwde zichzelf niet eens, waarom zou hij een ander vertrouwen, dacht hij
De dagen verstreken en plotseling schreeuwde een matroos dat er een mijn in zicht was. De schipper reageerde meteen en liet de logger achteruitslaan. Voorzichtig voeren ze om de mijn, maar de schrik zat er bij de bemanning goed in. Hoeveel mijnen zouden er liggen. De Duitser vertelde dat deze op drift geraakt moest zijn. Ze waren nu nog meer op hun hoede dan voorheen. De nachten waren het ergst, men had ook nog met de stroming te maken en wie weet hoeveel van die mijnen er op drift waren geraakt.
De vangst was goed en het moment kwam dat de vangst aan wal moest worden gebracht. Naar huis en opgelucht haalde de bemanning adem. Dat moment was van korte duur, want het bevel werd gegeven dat ze moesten opstomen richting Duitsland. En het werd al snel duidelijk dat de Duitsers aanboord van meet af aan hadden geweten dat ze niet terug zouden keren naar Holland. Vanaf het moment dat duidelijk werd dat de Duitse soldaten snel weer in eigen land zouden zijn, leek het of ze nog bedrevener werden in hun taak dan daarvoor. Ze kaarten wel met de overige bemanning en soms leek het erop dat ze de goedheid zelve waren, maar dat was een schijngestalte. Zo nu en dan veranderde ze in een dwangmatig en machtsbewuste persoon. Ook de Hollander werd feller. En wanneer iets niet naar zijn zin ging, liep hij met zijn wapen te zwaaien.
De schipper stond op de brug en naast hem stond de Duitser die de schipper vriendelijk aankeek.
‘Het spijt me,’ zei hij in gebrekkig Nederlands. ‘Ik ben ook een zeeman, maar ik moet mijn orders opvolgen. Als ik dat niet doe krijg ook ik de kogel. Verraders slapen niet. Het enige wat we kunnen doen is het beste ervan maken.’ De man haalde neergeslagen zijn schouders op.
De schipper keek hem onderzoekend aan en begreep niet goed wat de man nou eigenlijk precies wilde zeggen.
Een hevige explosie tilde de logger uit het water. Degenen die op dat moment in de buurt van de explosie stonden, werden uit elkaar gescheurd. Armen en benen vlogen in het rond. Vertwijfeld keek de schipper naar een paar mannen die de sloep probeerde te bereiken. De logger lag bijna negentig graden over stuurboord en het water borrelde uit het vooronder.
De kleine sloep kon op het nippertje worden losgesneden en de overlevende sprongen erin. Ook de schipper en de Hollander wilde een plaats in de sloep. De Hollander probeerde de schipper van de sloep weg te houden door hem terug te duwen. Toen dat niet lukte, schopte hij hem tegen zijn handen. Plots voelde de schipper een hand in zijn nek en werd binnenboord getrokken. De Duitser waarmee hij kort tevoren nog op de brug had gestaan, legde de schipper op een vlonder. Haalde uit naar de Hollander die het uitkrijste van de pijn en op de dof terugviel.
Ze spraken elkaar toe in snel Duits wat de schipper niet kon volgen en niets van het gesprek begreep. Onderdanig knikte de Hollander naar de Duitser en veegde het bloed van zijn gezicht.
Zeven van de vijftien man die zich aanboord van de logger hadden bevonden, konden het schip verlaten. De overige waren omgekomen door de explosie of waren in het vooronder verdronken.
De logger lag diep in het water en al snel hoorde ze het lawaai van het sissende geluid. Het schip werd omhooggetrokken en borrelend en sissend verdween het onder de oppervlakte.
Het helse kabaal, ging over in stilte alsof er niets was gebeurd. Verkleumt zaten de mannen in zichzelf gekeerd. De schipper nam het heft in de hand, doorzocht de sloep op spullen die ze zouden kunnen gebruiken. Het zeil dat over de sloep lag schoof hij opzij en dacht diep na. Zijn kleren liet hij in de zon drogen. Andere volgde zijn voorbeeld in de hoop dat de zon hun kleding voor zonsondergang gedroogd zou hebben. Zonder ook maar een woord te hebben gesproken, namen de schipper en de Duitser de leidende taken op zich. Van een roeispaan werd een mast gemaakt en het zeil werd eraan vastgemaakt. Trots keken ze elkaar aan toen de wind de sloep in beweging zette.
De Hollander die al die tijd alles om zich heen had bekeken en gezwegen, maande de Duitser dat hij het bevel over moest nemen om te zorgen dat ze niet in Engelse handen zouden kunnen vallen.
De Duitser knikt lichtjes, maar zette zich terug op een dof en liet de schipper zijn werk doen.
Die zette zich aan de helmstop, rechte zijn rug en met opgeheven hoofd sprak hij de bemanning toe.
‘Mannen, we zitten nu allemaal in hetzelfde schuitje. Het is te hopen dat we het er levend vanaf brengen. Ik zal proberen om de Noorse kust te bereiken. Met deze wind kunnen we alleen maar naar het Noorden of het Zuiden,’ en daarbij keek hij de Duitser aan. Die haalde een klein kompas uit zijn zak en gaf die, onder protest van de Hollander aan de schipper.
‘Jullie spannen samen,’ sprak hij driftig.
‘Nee hoor, we moeten samen door het leed heen zien te komen. Of heb je liever dat je in deze sloep sterft. Hou toch op met je NSB-gedoe. Hier heb je geen zeggenschap,’ zei de schipper standvastig.
Opnieuw wilde de Hollander uithalen, maar toen nam de Duitser hem bij zijn kraag en sprak hem in goed Nederlands toe: ‘Ik heb niet voor die rot oorlog gekozen. Dat heeft Hitler en die lafaards om hem heen gedaan. Ik ben maar een strohalm in het netwerk van moordenaars en mensen zoals jij. Jij die je eigen volk verraad en wil laten verzuipen.’
De schipper zag de Hollander blauw aanlopen omdat de Duitser hem te lang zijn keel dichtkneep. Op kalme stem sprak hij de Duitser toe dat hij hem moest loslaten.
‘Laat je niet verleiden door hem te vermoorden. De tijd zal zwaar genoeg worden en iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen.’
De Hollander deinsde achteruit en greep naar zijn pijnlijke nek. Al proestend droop hij af en ging voor in de sloep zitten. De overige mannen hadden met angst in hun ogen het gebeuren gevolgd. Eén van hen verbrak het stilzwijgen en wilde weten wie van hen nog meer aan de Duitsers wilde ontsnappen.
‘Ik begrijp dat jullie naar Engeland willen,’ zei de Duitser. ‘Buiten die Hollander ben ik nog de enige vijand hier aanboord. Ik zelf kies ervoor om naar Noorwegen te zeilen, zoals de schipper dat ook al opperde. Ook al ben ik een Duitser, ik heb ook Hollands bloed van mijn moeders kant door mijn aderen stromen. Mijn vader heeft ervoor gekozen om bij de SS te gaan en ook al denken vaders dat zij altijd het goede met hun kinderen voor hebben en keerde zich naar de Hollander. Dat gold ook voor jouw moeder. Leef je eigen leven. Laat je niet leiden door wat andere van je willen. Keer je niet tegen je eigen volk, dat is het slechtste wat je je naaste en vrienden kan aandoen. Niemand zal je meer in vertrouwen nemen of in de toekomst maar enigszins vertrouwen. Ik zou me nu ook tegen mijn eigen volk moeten keren, maar niet iedere Duitser is slecht, of op de hand van het regiem. Ik keer me ook niet tegen jullie,’ en één voor één keek hij de mannen aan. Laten we een middenweg nemen en proberen Noorwegen, of misschien Zweden te bereiken maar dat kan riskant zijn dus daar zou ik niet op gokken.’
‘Maar de Duitsers zitten toch ook al in Noorwegen,’ antwoordde één van de mannen.
‘Dat is waar, maar Zweden, daar komen we niet als jullie me niet vertrouwen.’
‘Leg uit,’ vroeg de schipper.
Als we richting Zweden gaan worden we voor zeker 90% aangehouden. We zullen ons er doorheen moeten liegen. Jullie zouden mij voor de volle 100% moeten vertrouwen dat is iets wat ik niet van jullie kan verwachten.’
Zwijgend keken de mannen hem aan. Niemand wilde zijn ware gedachten en gevoelens uiten. Naar mate de avond naderde werd het kouder en verkleumd kropen ze dichter naar elkaar om wat warmte van de ander te krijgen.
‘Ik vind dat we zo Noordelijk mogelijk moeten gaan en daar proberen aan wal zien te komen,’ zei de schipper. ‘Wie stemt voor mijn plan en wie voor…’
‘Heinzel is mijn naam,’ riep de Duitser.
Buiten de Hollander stemde iedereen in voor het plan om zo Noordelijk mogelijk te gaan varen.
De wind stak op en de sloep bewoog zich steeds sneller op de zuidoostenwind.
‘Als we zo kunnen doorvaren, zijn we in twee dagen bij de Noorse kust,’ sprak de schipper de bemanning toe.
Heinzel die het kompas aan de schipper had gegeven, werkte net zo hard mee om de sloep zo goed als kwaad op koers te houden.
Toen de zon boven de kim kwam, was de wind naar het oosten gekrompen en gaf het kompas pal noord aan. Tot hun schik lag ook nog eens één van de mannen hen met open ogen aan te staren. De schipper keek of hij nog iets voor hem kon doen, maar de dood was al ingetreden. Ze legde de man op de vlonder en trokken zijn jas en broek uit en ontdekten dat het been van de man zo goed als los aan zijn lichaam hing. Al die tijd had de man geen kik gegeven, ook al had hij ondragelijke pijnen moeten lijden.
Een matroos herinnerde zich dat hij de man, vlak voordat hij de sloep in klom, aan dek had zien strompelen. De schipper gaf de jas aan Jan, die alleen een dunne trui aanhad en rillend ineen gedoken zat.
‘Trek aan jongen. Hij heeft hem niet meer nodig.’
Heinzel en de schipper namen het lichaam op en lieten hem langzaam het water in glijden.
‘Moet je niet eerst een gebed doen, voor je hem overboord zet. Dat lijkt me wel het minste,’ zei de Hollander.
‘Dat doen we wel met jou,’ zei een andere matroos. Maar denk niet dat je daardoor in de hemel kom. Mensen zoals jou laten ze niet toe.’
De wind wakkerde aan tot kracht 5 à 6 uit het oosten en de enige koers die ze konden varen was scherp Noord.
‘Laten we hopen dat de wind verder ruimt,’ sprak de schipper om een gesprek opgang te krijgen. En Jan, heb je het nu minder koud?’
‘Dat wel schipper, maar volgens mij gaat de kou zijn intreden doen. Ik weet niet of het u opvalt.’
De schipper dook diep in zijn kraag en knikte bevestigend. Buiten de wind die het zeil liet wapperen was het doodstil. Om de beurt namen ze de zelfgemaakte grootschoot en probeerde het zeil zoveel mogelijk wind te laten vangen. Je werd er warm van, maar de energie werd op zijn beurt ook uit je lichaam gezogen. Dagen verstreken en het buiswater bevroor op de sloep. Een oostenwind ruimde af en toe, zodat ze hun koers op noordoost konden houden.
Opnieuw werd er een dode overboord gezet De kou was niet te harden. Ieder vreesde voor zijn eigen leven. Zo af en toe had men het gevoel dat het wat minder koud was, maar dat speelde zich alleen in hun hoofd af.
‘Wakker blijven schipper,’ schudde de Duitser aan zijn schouder. ‘Kijk eens wat er gebeurt. Kunnen we iets voor die man doen?’
De schipper knipperde met zijn ogen. Slaperig keek hij Heinzel aan en volgde zijn blik naar de man die hij aanwees. Achter de kim klom de zon langzaam omhoog. Beide mannen keken naar de verwarde man die zich optrok aan de rand van de sloep en zich in het ijskoude water liet vallen. Zijn gegil sneed door merg en been, terwijl de man zich vast hield aan de rand van de sloep, alsof hij spijt had van zijn daad.
De schipper sprong naar voren en probeerde hem weer binnenboord te halen.
‘Laat me maar schipper, het is goed zo. Ik voel de pijn wegvloeien,’ en plotseling liet hij de rand los. Verslagen keken de mannen naar de matroos, die voordat hij de sloep inging als enige een zwemvest had weten te bemachtigen. De man dreef van hen af en zwijgend keken ze hem na. De één na de ander begreep dat ieder van hen hetzelfde lot zou ondergaan als ze niet snel aan land zouden kunnen komen.
De wind was gaan liggen en in de verte zagen dat het lichaam af en toe door de deining zichtbaar werd. Plots hoorden ze het gekrijs van de meeuwen die zich op het lichaam storten. Krijsend pikte ze in het gezicht van hun maat, vlogen omhoog om dan weer omlaag te duiken.
‘We moeten hem helpen,’ schreeuwde de Duitser. Dat is onmenselijk!’
De schipper nam de roeispaan en wrikte op het lichaam af. Toen ze naast het lichaam lagen, moest de schipper kotsen van de staat waarin het lichaam zich verkeerde. De meeuwen hadden zich uitgeleefd op het lichaam. Van het gezicht van de man was zo goed als niets meer over. De oogkassen waren leeg omdat de meeuwen de ogen eruit hadden gepikt. Er zat zowat geen stukje vlees meer op het gelaat van de man.
‘Het enige wat we nog voor hem konden doen is zijn zwemvest uittrekken, zodat hij naar de diepte zinkt,’ zei de schipper en trok het vest van de man los.
Langzaam zagen ze het lichaam de diepte in zakken. De meeuwen die boven het lichaam cirkelde, krijste alsof ze daarmee wilde aangeven dat ze het er niet mee eens waren.
De wind stak op. De schoot werd aangetrokken en de sloep zette zich in beweging.
De schipper keek vluchtig in het rond en zag dat van de zeven man er nog drie over waren.
De Duitser, de Holander en de schipper, deze bedacht dat wanneer het erop aankwam hij in de minderheid was. Want hij nam vanzelfsprekend aan dat de Duitser de kant van de Hollander zou kiezen. Opnieuw werd het donker en de ijskoude wind sneed in hun gezicht. Ze gebruikte elk kledingstuk wat ze van de overleden bemanning hadden afgenomen, maar op deze kou was niet te kleden. De Hollander lag stil in een hoekje van de sloep en tot geruststelling van de schipper ondernam hij niets.
Deel 3
Plotseling was het geronk van motoren hoorbaar en het geluid naderde snel. De nacht en de jachtsneeuw belemmerden het zicht. De Duitser kwam naast de schipper op de dof zitten en fluisterde. ‘We zouden kunnen schreeuwen, misschien zijn het Engelsen, maar als het Duitsers zijn ben ik bang dat we een probleem hebben,’ en hij knikte naar de Hollander.
De schipper knikte bevestigd, en hoopte dat ze niet zouden worden geramd.
Het geronk naderde nog steeds, toen het plots doodstil werd. De Hollander die met moeite over de rand van de sloep kon komen, wilde iets schreeuwen, maar er kwam bijna geen geluid uit zijn keel. Terwijl hij zijn keel schraapte, dook de Duitser naar voren en liet hem niet de kans om alsnog te roepen. Een gesmoord geluid was het enige wat de schipper hoorde en niet lang erna zat de Duitser weer naast hem.
Ik moest hem tegenhouden schipper. Ik sterf liever dan dat die Hollander zijn zin krijgt en ik voor het vuurpeloton kom te staan.
Beiden zwegen en wisten dat de patrouilleboot nog geen paar meter van hen vandaan lag. De motoren ronken weer en het schroefwater was overduidelijk hoorbaar. Plots kreeg de sloep een opdoffer en schuurde het langs de sloep. Het schroefwater werd omhoog gespoten en deed de sloep sterk over bakboord hellen.
Opgelucht kwamen beiden mannen tot het besef dat het kantje boord was en dat het geronk van de motoren zich snel verwijderde.
De morgenzon kwam boven de horizon. En de wind was sterk afgenomen. De schipper keek in de richting van de Hollander die bebloed midden in de sloep lag. De Duitser had hem doodgestoken en keek de schipper nu vragend aan.
‘Ik kon niet anders,’ de schipper knikte alleen maar begrijpend naar hem.
Hij nam plaats naast de Duitser en zei. ‘We moeten hem overboord gooien, ja toch.’
‘Ja dat wel…, maar…’
De schipper keek hem verward aan. ’Wat is er? Help me even om hem overboord te gooien.’
‘Schipper we hebben al een aantal dagen niet gegeten en als dit nog langer duurt, leggen we ook het loodje. We moeten hier iets aandoen.’
‘Wat bedoel je, je bedoelt toch niet dat we…,’antwoordde de schipper.
‘Ja, dat bedoel ik. Waarom die meeuwen wel en waarom wij niet om in leven te blijven. Is die Hollander toch nog ergens goed voor.’
‘Ja, maar, mensenvlees eten. Dat doe je toch niet. Dat is iets voor kannibalen.’
De Duitser nam zijn mes, sneed de broek van de Holander los en met trillende handen sneed hij een stuk uit het bovenbeen. De schipper keek toe en probeerde zijn gedachten te verzetten.
De Duitser stak zijn hand uit en reikte hem een stuk vlees aan.
‘Kom schipper, denk je soms dat ik er geen moeite mee heb. We hebben geen keus. Als we beiden hierover zwijgen zal niemand er ooit achterkomen. We moeten dit zien te overleven, hoe dan ook.’
Voorzichtig namen ze beide een hap van het vlees. Kauwde het een paar keer en slikte het vlees met veel moeite door.
Zwijgend zaten ze voor zich uit te staren, terwijl de sloep zijn weg verder noordwaarts vervolgde. Zo af en toe zagen ze een schip aan de horizon opdoemen, maar hadden de kracht niet meer om aandacht te trekken.
Er werd nog maar nauwelijks gesproken. En beiden voelde langzaam het leven uit zich trekken, beiden hopende dat, als de dood zijn intreden deed het snel zou gaan.
‘Ik zie land aan bakboord,’ sprak de Duitser zacht.
De schipper wreef een paar keer zijn ogen uit en tuurde de horizon af. Kneep zijn ogen een paar keer dicht om te zien of de waarneming van de Duitser inderdaad juist was. Ook hij zag het land opdoemen. Hij probeerde te berekenen hoever ze van de kust verwijderd waren, maar merkte tevens op dat de drift sterk was. Ze zouden moeten zorgen dat ze niet te ver opdrift zouden raken, zodat ze de kust zouden missen.
‘Ik heb geen enkel besef waar we ons bevinden. Misschien IJsland,’ suggereerde de Duitser.
Het duurde nog tot de volgende morgen, voordat ze de kust goed konden onderscheiden.
‘Zeg Heinz, kijk eens achterom,’ riep de schipper.
De Duitser zei niets, bewoog niet en keek hem met glazige ogen aan. De schipper liet de helmstok los en schudde het lichaam stevig door elkaar. Deze viel als een stijve plank naar voren en kwam hard tegen de vlonder aan. Gebroken nam de schipper plaats op de dof en bleef maar hem kijken. Eindelijk kon ik zijn naam moeiteloos uitspreken, en nou legt die idioot het loodje. Waarom zijn er altijd mensen die het geluk hebben om hun probleem met de dood te bekopen. Waarom moet ik als enige overblijven. Waarom moet ik alleen met dat schuldgevoel overblijven, mijmerde hij en tranen van onmacht schoten in zijn ogen.
Hij luisterde naar de branding van de golven. En hij besefte dat de sloep door de branding naar wal werd geduwd. De optornende rotsen, maakte dat hij zich klein en nietig voelde.
Dan plots voelde hij een enorme kracht in zich opkomen. Pakte de helmstok en de grootschoot en zocht een plek waar hij veilig aan wal kon. Door de enorme rotsen voelde hij zich een speelbal van de natuur. De wil om te overleven was sterk, ook al zag hij wel in dat hij in een uitzichtloze situatie zou kunnen belanden. De sloep voer recht op de rotsen af.
Hij sperde zijn ogen, die pijn van het zout deden.
Daar, ik weet het zeker, en zag tussen twee rotsen een klein strandje opdoemen. Hij stuurde zo goed als hij kon de sloep die kant op. Knipperen met zijn ogen durfde hij niet eens. Bang dat hij de mogelijke veilige route uit het zicht verloor, want bij elke fout, kon zijn sloep tegen de rotsen worden gesmeten.
Telkens verdween het strandje weer achter hoge golven, maar hij bleef zijn blik op de plek richten. Tot zijn grote schrik hoorde hij een bekend geluid. Toen hij achteromkeek, zag hij een breker aankomen rollen.
‘Dit kan niet waar zijn. Zeg me dat ik droom. Laat me wakker worden,’ schreeuwde hij tegen de wind in.
De golf richtte zich op, naam de sloep op en gooide hem voor de golf uit richting kust. De sloep liep vol water en weer zag hij de rotsen voor zich opdoemen. De zee pakte de sloep opnieuw op, toen werd hij uit de sloep gesmeten.
Het strandje waar hij al die tijd naar had gestaard was verdwenen. En de golven speelde met hem alsof hij een speelbal was.
Plots voelde hij grond onder zijn voeten en zag dat de zee zich terugtrok. Hij voelde het fijne zand en kroop op zijn knieën verder het strand op. Daar viel hij doodmoe neer. Zijn natte kleding zou in een mum van tijd bevriezen als hij niets deed. Hij besefte dat hij beschutting moest zien te vinden.
‘Als ik dit wil overleven, moet ik toch echt iets doen. Hier blijven zitten heeft geen zin. Ik moet verder,’ vermaande hij zichzelf en keek omhoog. ‘Hier kom ik never nooit boven,’ en kroop wat verder het strandje op om te kijken of er misschien een pad.
Hij voelde de kou in zijn botten. Zijn benen deden pijn en het denken werd steeds moeilijker. Hij voelde zich misselijk worden en bedacht zich dat het al zolang geleden was dat hij iets had gegeten, buiten het stukje mensenvlees dan. Daar wilde hij liever niet aandenken. Hij schaamde zich. Waarom had hij zich ook over laten halen. Aan de andere kant…, waarschijnlijk had hij het dan niet gehaald en hoopte dat nooit iemand hier lucht van zou krijgen. Wanneer er een god zou bestaan, dan zou deze hem vast en zeker eens ter verantwoording roepen.
Wankelend stond hij op en begreep dat hij indien er geen wonder zou gebeuren hij op de één of andere manier toch zou moeten proberen om boven zien te komen.
Plots voelde hij een hand op één van zijn schouders. Alsof de duivel hem op zijn hielen zat draaide hij zich plotseling om. Voor hem stond een vrouw die hem de hand reikte. Verdwaast keek hij haar aan en ver weg hoorde hij haar tegen hem praten, maar verstond er geen woord van. Ze pakte zijn hand stevig vast. En haar zachte stem gebood hem dat hij met haar mee moest gaan. Niet begrijpend bleef hij haar aankijken en dacht dat hij aan het hallucineren was. Weer trok ze zacht aan zijn arm en wuifde dat hij mee moest komen.
Uitgeput liep hij achter haar aan en al sjokkend kwamen ze bij een pad. Het pad liep steil omhoog en telkens kreeg hij het gevoel terug te glijden. Af en toe moest hij even gaan zitten, maar de vrouw gebaarde telkens weer dat hij moest opschieten.
Uitgeput kwam hij boven en zag dat ze voor een houtendeur stonden. Snel duwde ze de deur open en trok hem mee naar binnen. Binnen kwam de warmte hem tegemoet, maar plots werd het zwart voor zijn ogen en zakte hij ineen.
Bezweet opende hij zijn ogen en voelde dat de vrouw iets koud op zijn voorhoofd lag. Hij wilde haar vragen waar hij was, maar ze legde haar vinger tegen zijn lippen en schudde zacht met haar hoofd. Opnieuw voelde hij dat hij het bewustzijn verloor en iedere keer wanneer hij zijn ogen opende zat ze naast hem en glimlachte vriendelijk naar hem. Hoe vaak hij weg zakte en hoe lang hij daar lag, was hem niet duidelijk.
Dagen en weken verstreken, voordat hij zich weer aardig op de been kon voortbewegen. Gesprekken tussen de vrouw en hem waren de eerste weken niet goed mogelijk, maar al snel werd hij de taal machtig en werd de band tussen beide steeds beter.
Op een dag stond hij buiten en gaf zijn ogen de kost. Al die tijd was er geen schip te zien geweest, maar nu lag er een groot Duits marineschip voor de kust.
Fjóla, zo had ze zich aan hem voorgesteld, maar ze wilde niet dat hij zich in het openbaar liet zien. Ze vertelde hem dat ze even weg moest en dat hij binnen moest blijven.
Opeens werd hij rusteloos en dacht aan het thuisfront. Hij schaamde zich over wat Heinsel en hij hadden gedaan. Ze hadden met de sloep een behoorlijk afstand afgelegd. Hij bevond zich hoog in Noorwegen en hier zou niemand hem ooit zoeken of vinden.
Ze trok haar jas aan en zette haar muts van bond op het hoofd en vertrok. Dat deed ze elke dag een paar keer en waar ze naar toe ging wist hij niet. Op een dag had hij het haar voorzichtig gevraagd. Toen had ze hem geantwoord dat hij dat maar beter niet kon weten. Iedere keer wanneer ze de hut verliet, hoopte hij dat ze snel weer terug zou komen.
Duimendraaiend liep hij heen en weer. Af en toe keek hij vanaf de rots om te zien of het oorlogsschip er nog lag. Hij voelde zich onrustig en de onrust werd steeds sterker. Hij had het gevoel dat hij zijn gezin in de steek had gelaten. Niemand zou het begrijpen dat hij zich in leven had weten te houden met het eten van een stuk mensenvlees. Ze zouden hem nawijzen. Dat kon hij zijn gezin niet aandoen. Het was goed zo. Ze zouden denken dat hij dood was en misschien was dat ook wel beter zo. Af en toe speelde hij met de gedachten zich van de rots af te laten vallen dan zou hij verlost zijn van zijn pijn. Hij keek op de klok. Verbeelde hij het zich, of was ze deze keer langer weg dan anders?
Plotseling sloeg de deur open en Fjóla viel op de vloer in elkaar. Hij nam het kronkelend lichaam op van de grond en legde haar op een bed. Opende haar jas en zag dat haar trui bebloed was. Voorzichtig sneed hij de trui in flarden en zag tot zijn schik een grote gapende wond in haar zij. Hij onderzocht de wond en haalde er een stuk staal uit. Opgelucht zag hij dat het alleen een diepe vleeswond betrof en dat er geen vitale delen waren geraakt. Wel had ze veel bloed verloren. Hij maakte de wond schoon en begreep dat de wond gehecht zou moeten worden. Terwijl hij opzoek ging naar materiaal waarmee hij de wond zou kunnen hechten, verloor zij haar bewustzijn. In haar naaimand vond hij stevig draad waarmee hij de wond zo goed mogelijk probeerde te hechten en legde een wondverband aan.
Nu was het zijn beurt om haar te verzorgen. Net zoals zij hem had verzorgd, nadat ze hem beneden aan de rots had gevonden. Af en toe opende ze haar ogen en depte hij haar gezicht. Twee dagen lag ze te ijlen van de koorts en toen ze wakker werd glimlachte ze naar hem. Hij pakte haar schouders en kuste haar zacht op de lippen. Liefdevol beantwoorde ze zijn kussen en even vergaten ze de situatie waarin ze zich bevonden. Ze begrepen dat alles van nu af aan anders zou zijn tussen hen. Na meer dan een week, haalde hij de hechting eruit en tot hun opluchting zagen ze dat de wond goed genas.
Van tijd tot tijd werd er aan de deur geklopt en stond er voedsel voor de deur. Al snel had hij begrepen dat de dagelijkse tripjes die ze had ondernomen, meer voorstelde dan de dagelijkse boodschappen die vrouwen deden. Wanneer zij eraan toe was zou ze het hem zeker vertellen, daar was hij zeker van.
De oorlog woekerde verder. Het kon hen niet meer deren en ze genoten van elkaars aanwezigheid. Op een dag werd de deur met veel lawaai geopend en liep iemand juichend de kamer binnen die riep dat de oorlog voorbij was.
Hij moest blij zijn, maar kon alleen maar voor zich uitstaren.
Wat nu…? Terug naar huis…., dacht hij?
Terug naar het heden
Dat was het laatste wat hij mij vertelde. Door stom toeval had ik hem ontmoet. Wandelend door het enorme landschap kwam ik een klein, eenzaam boerderijtje tegen. De man knikte mij toen vriendelijk toe. Ik groette hem ‘Ook goede middag meneer,’ maar toen zag ik hem mij verschrikt aankijken en antwoordde.
‘U bent ver van huis. Bent u op zoek naar iets of iemand?’
Het was een vreemde gewaarwording om hier in het hoge noorden iemand je eigen taal te horen spreken.
‘Oh, u verstaat mij. Dat is toevallig, want ik beheers de Noorse taal voor geen meter. Wat ik ook vraag, ze halen onbegrijpelijk hun schouders op. Ik ben opzoek naar een eetgelegenheid. Kunt u mij vertellen welke richting ik in moet slaan,’ en dat was het begin van onze ontmoeting.
Hij keek me aan en ik zag aan zijn houding dat hij blij was mij te zien en vroeg of ik binnen wilde komen.
Of ik daar zin in had! Het was een geschenk uit de hemel. Ik stierf van de honger. Een hap eten kon er wel in.’
Gezellig kletsend liepen we naar het kleine boerderijtje. Ik moest flink bukken om door de kleine voordeur naar binnen te kunnen. In de hoek van de knusse huiskamer, zat een oude vrouw voor een snorrende kachel met haar haakwerk. Glimlachend richtte ze zich naar en mij en bood me een stoel aan. Zo heb ik ze ontmoet. Later ben ik nooit meer iemand tegengekomen die mij zo hartelijk verwelkomde.
Na het lezen van het dagboek, begreep ik pas goed met wat voor een groot geheim ze beiden moesten worstelen. Ze waren zielsveel van elkaar gaan houden. Hadden elkaars verwondingen verzorgd, zowel lichamelijk als geestelijk. Hij is altijd blijven worstelen met zijn geweten over het stillen van zijn honger en het in de steek laten van zijn vrouw en kinderen.
Zijn laatste rustplaats was aan de zijde van de vrouw die hem had gered en zijn verwondingen had verzorgd.
Ik heb uitgezocht, althans zo anoniem mogelijk, om te achterhalen hoe hij zich al die jaren heeft kunnen verbergen zonder dat hij ontdekt zou worden. Na veel zoekwerk, wist ik dat er een identiteit verwisseling had plaats gevonden. In het dorp kon een oude man mij vertellen dat zij er met haar broer woonde, maar meer wist hij ook niet van ze. Zij was de enige die hier in het dorp kwam en alleen nog voor de boodschappen. Haar broer was altijd al een kluizenaar geweest. Ik zou hem niet eens herkennen, als hij voor me zou staan, vertelde de man.
Ik dacht erover na. Door de afstand van het dorp en het boerderijtje, konden ze beiden rustig en zonder pottenkijkers hun leven voortzetten.
Nu blijf ik toch met een brandende vraag zitten. Wat is er met haar broer gebeurd, mompelde hij voor zich uit?
Einde
