Verboden Liefde
Deel 1
Heel, heel lang geleden stonden niet ver van elkaar vandaan twee prachtige kastelen. Tussen deze koninkrijken liep een grenslijn en in het ene kasteel woonde een prins, lang, slank en blond. Hij was erg geliefd bij zijn onderdanen, die de prins het liefst in het huwelijk zagen treden om het koningrijk te garanderen. In het kasteel aan de andere kant woonde een mooie prinses. Haar gezichtje werd omlijst door donkere krullen die golvend over haar schouders vielen. Ze was net als de prins erg gelief. Binnen de paleismuren verveelde de twee jonge mensen zich stierlijk. De prinses mocht niet buiten het kasteel komen. Zij werd gewaarschuwd voor struikrovers en de mannen die op hun zwarte paarden rondreden. Niemand wist waartoe deze mannen behoorden en elk koninkrijk beschuldigde de ander ervan dat het land dat de ander bezat hen toebehoorde.
Elke dag op hetzelfde tijdstip wandelde de prinses verveeld over de hoge muur die het koninkrijk beschermden voor aanvallen van buitenaf. Turend naar het andere kasteel, fantaseerde ze erop los. Eens had iemand haar verteld dat daar een prins woonde en soms dacht ze zijn gestalte achter één van de muren te zien. Om de één of andere reden was het een gewoonte geworden dat ook hij op hetzelfde tijdstip naar haar kasteel keek. Soms had ze het gevoel begluurd te worden, maar deed zij eigenlijk niet hetzelfde?
‘Hij is er weer. Oh, wat zou ik hem graag een lesje willen leren en zeggen wat ik van hem vind. Dat koekeloeren moet maar eens afgelopen zijn’, dacht ze.
Ondanks dat ze hem een lesje wilde geven over fatsoensnormen, verminderde zijn aanwezigheid de saaiheid in haar leventje op het kasteel.
Ook de prins had het gevoel dat hij begluurd werd in zijn eigen kasteel. Ook hij vond dat de prinses een lesje nodig had over fatsoensnormen. Tenslotte was zijn vader een betere koning dan de hare. ‘Wat een omhooggevallen wicht is dat.’
Waarom beiden zo dachten was een raadsel. Ze hadden elkaar nog nooit ontmoet en ze hadden er geen idee van hoe de ander eruitzag. Als ze elkaar tegen zouden komen zouden ze niet eens weten wie de ander was. In beide kastelen werd er niet gesproken over de prins of prinses uit het andere koninkrijk. Misschien was dat de reden waarom de prins en prinses de ander zo arrogant vond.
Veel tijd om erover na te denken hadden ze niet, beiden hadden immers verplichtingen die zij moesten nakomen voor hun koninkrijk. Elke dag kwamen er wel gasten die ze moesten ontvangen en vermaken.
In de loop van de eeuwen was er een strijd ontstaan tussen deze twee koninkrijken. Waar ooit het geschil om was begonnen wist allang niemand meer en zo ging dit geschil over van vader op zoon of dochter. De twee koningsparen overladen hun zoon en dochter met liefde. Ze konden alles krijgen wat ze maar wilden. Die liefde was zo uit zijn verband getrokken dat de prins en prinses het er benauwd van kregen. Beiden genoten van de rijkdom en aandacht, maar ze misten de spanning en avontuur. In hun hart waren ze ondanks dat er veel mensen om hen heen waren erg eenzaam.
Op een dag veranderde hun leven opslag. Niemand zou ooit kunnen begrijpen waarom ze beiden op hetzelfde ogenblik besloten om diep in de nacht het kasteel te verlaten.
Zoals elke avond zat de prinses dromerig naar de ondergaande zon te turen. Gestaag zakte deze achter de bomen en kleurde de horizon met een wondermooie rode gloed. Terwijl de zoele avondwind door haar donkere krullen streek, kon ze haar ogen er niet vanaf houden.
Plots zag ze iets aankomen vliegen. Ze kneep haar ogen tot kleine spleetjes en zag een schitterende sneeuwwitte uil op haar afkomen. Hij besloot om niet ver van haar vandaan op één van de boomtakken te landen en in de rode gloed van het zonlicht zag ze de ogen van de uil schitteren en hij keek haar strak en wijs aan.
‘Ben je niet bang voor me’, vroeg de prinses.
‘Waarom zou ik bang zijn, ben jij bang voor mij? Ik doe je niets zolang jij mij niets doet,’ antwoordde de uil.
De uil schudde zich eens lekker uit en draaide zijn kop bijna rondom zijn romp, maar intussen hield hij zijn omgeving nauwlettend in de gaten. Hij keek de prinses aan, bewonderde haar schoonheid en zei: ‘Het wordt een mooie nacht.’
‘Dat zal wel, maar wat moet ik ermee. Ik ga straks slapen en merk er verder niets van.’ Een rilling liep over haar lichaam en deed haar huiveren. Opeens kreeg ze een onbedwingbare drang om erop uit te gaan. Die drang naar avontuur werd met de minuut sterker. Ze verlangde naar het bos buiten de hoge muren. Ze keek de uil nog eens goed aan en het was alsof er door zijn aanwezigheid iets in haar veranderde. Ze bewonderde zijn sneeuwwitte verenpak. Deed een paar stappen in zijn richting, maar de uil spreidde zijn de vleugels en vloog in de richting van het andere kasteel. Turend door de duisternis zag ze hem opgaan in het donkere bos. Ze voelde een vorm van jaloezie in haar opkomen. Kon zij zich maar, net als de uil zo vrij bewegen.
Net toen ze de toren wilde verlaten, zag ze op het andere kasteel licht opvlammen. Nieuwsgierig als ze was, probeerde ze in het zwakke licht iets te onderscheiden. Een moment dacht ze een schim op de muur te ontdekken, maar het licht doofde zich weer. De prinses rekte zich eens goed uit en keek nog éénmaal naar de overkant en besloot naar bed te gaan, maar kon de slaap niet vatten. Haar gedachten gingen uit naar de verhalen die vader haar over de struikrovers en de mannen op de zwarte paarden had verteld. Even leek het alsof ze het galopperen van de paarden kon horen. Angstig draaide ze zich van de ene op de andere zij. Uiteindelijk besloot ze maar weer op te staan en wandelde naar het raam. Overdag kon ze over de uitgestrekte bossen kijken. Er was dan zelfs een deel van het andere kasteel te zien. De prinses vergaarde al haar moed bijeen en besloot om naar buiten te gaan. Ik zal wel zien hoever ik kom en als ik vannacht niet ver genoeg kom, probeer ik het morgennacht nogmaals totdat ik weet waar de weg veilig is, dacht ze.
Ze besloot om zich in iets makkelijks te kleden en verliet stil haar kamer. In de gelagkamer hoorde ze haar vader, die zich op dit late tijdstip nog steeds vermaakte met zijn gasten. In gedachten zag ze hem in zijn luie stoel zitten, maar hij was lief en toegewijd. Ze kon alleen niet meer zogoed tegen de saaiheid die elke dag weer terugkeerde. Elke dag leek op die van de vorige. Wanneer ze vakantie hadden gingen ze altijd naar één van de andere koninkrijken die verre familie van hen waren. Eigenlijk leken die dagen precies op die van thuis.
Nee, ze wilde spanning en vannacht zou ze die gaan zoeken. Ze wilde eindelijk eens met eigen ogen zien hoe het erbuiten de poort uitzag, ook al was het nacht.
Eindelijk was het stil in huis en kon ze aan haar avontuur beginnen. Haar vader sliep en op haar tenen liep ze langs de slaapkamer van haar ouders. Met haar hoofd recht omhoog wandelde ze langs de wachters. Het personeel in de keuken begonnen met de voorbereidingen voor het bakken van de broden en keken haar zwijgend na. Geen van hen durfde haar te vragen waar ze naartoe ging.
‘Wat doet de prinses nog zo laat op. Ze komt nooit om deze tijd in de keuken’, sprak de bakker met een gedempte stem.
De prinses wandelde terug en keek de bakker vriendelijk aan. ‘Willen jullie net doen alsof jullie mij niet gezien hebben.’
‘Wij zeggen niets, echt niet, nee hè mensen’, sputterde de bakker.
Ze lachte het keukenpersoneel wat schuchter toe en met een vriendelijke stem zei ze.
‘Ik weet dat jullie kunnen zwijgen en ik zal jullie daar erg dankbaar voor zijn’, en knikte hen vriendelijk toe.
Onder het kasteel bevond zich een gangenstelsel die in vroegere tijden gebruikt werden om te kunnen ontsnappen aan de vijand. Eens had haar vader haar daar rondgeleid wat een enorme spanning bij haar teweeg had gebracht. Bij de ingang vond ze een toorts die ze aanstak en al snel stond ze buiten het kasteel. Ze voelde plotseling de angst in zich opkomen en diep in haar hart wilde ze direct weer omkeren, maar ze sprak zichzelf flink toe.
‘Kom op, je wilde toch avontuur.’
Toen ze om zich heen keek, zag ze pas goed hoe hoog de vestigingsmuren waren. De hoge bomen die voor haar opdoemde, versterkte haar angstgevoelens nog eens extra.
Heel in de verte hoorde ze gerommel en even dacht ze dat het van naderend onweer afkomstig was, maar besefte opeens dat het ook wel eens de mannen op de zwarte paarden konden zijn.
Naarmate het geluid sterker werd, zag ze in gedachten de zwarte ruiters op haar afkomen.
‘Doe niet zo gek Lisa. Je verbeeldt het je alleen maar. Kom op angsthaas. Laat de angst niet de overhand krijgen. Erop af, sprak ze zichzelf vermanend toe.
Op hetzelfde moment dat de prinses besloot om naar buiten te gaan, besloot de prins aan de andere kant hetzelfde te doen. Als prins was hij in het voordeel. In tegenstelling tot de prinses kwam hij wel buiten de muren van zijn kasteel, maar nooit alleen. Altijd waren er lijfwachten die hem beschermde. Deze keer wilde hij naar buiten zonder dat er altijd iemand naast of achter hem liep. Ook hij moest moed verzamelen om de donkere nacht in te gaan. Net als de prinses, had de hij keer op keer de verhalen over struikrovers en de mannen op de zwarte paarden te horen gekregen. Af en toe liepen de koude rillingen over zijn rug, als hij een geluid hoorde dat hij niet kon thuisbrengen. De takken onder zijn voeten kraakte en voorzichtig liep hij naar de grens van de twee koninkrijken.
Vrolijk floot de prinses een deuntje en liep steeds dieper het bos in. Opeens hoorde ze geritsel en verschrikt verschuilde ze zich achter een boom. De nacht was helder en daardoor was het zicht redelijk goed. Ze staarde in de richting vanwaar het geluid vandaan kwam en zag een schim op haar afkomen. Verstijft staarde ze naar twee glinsterende ogen van een omvangrijk beest dat sluipend op haar afkwam. Ze drukte haar rug tegen een enorme dikke boom, maar nu kon ze geen kant meer op.
Dat, dat, dat, moet één van de zwarte ruiters zijn. Oh, waar ben ik aan begonnen, dacht ze en sloot haar ogen. Even hoorde ze in gedachten de stem van haar vader die haar verbood zich buiten de muren van het paleis te begeven. Trillend van angst wachtte ze af, maar er gebeurde niets, of toch wel.
Voorzichtig durfde ze haar ogen te openen en kwam tot de ontdekking dat de gedaante weer was verdwenen. Niet ver van haar vandaan kon ze vaag een persoon achter een hek bespeuren. Ze besefte opeens dat ze zich net op de grens tussen de twee koninkrijken bevond en schuifelend bewoog ze zich naar het hek. Daar stond een man die ongeveer van haar leeftijd moest zijn.
‘Dat is ook toevallig’, sprak de prins met een stem die kalm en zoel overkwam. ‘Met wie heb ik het genoegen? Kom eens wat dichterbij. Ik eet je heus niet op hoor. Ik zal me even voorstellen. Ik ben de prins van het kasteel hier achter mij.’
Schuchter als een straatkat spande de prinses haar spieren en trots stond ze zo recht mogelijk voor hem. Als een kat in het donker schoten haar ogen vuur in het maanlicht. Ze verhief haar stem en riep: Je denk toch zeker niet dat ik jou vertrouw. Ik ben de prinses van het kasteel hier achter mij. Mijn vader is machtiger dan de jouwe. Heb niet het lef om je op mijn domein te begeven, anders’, maar verder kwam ze niet.
‘Jij opgedirkte prinses’, riep de prins. ‘Wat verbeeld jij je wel. Je kijkt me aan als een straatkat!’
Ze werd nog bozer. Wat denkt die vervelende kwast wel. Hoe durfde hij haar de les te lezen.
‘Wat denk je wel. Je gedraag je als een straatvechter’, riep ze fel.
Ze keken elkaar zwijgend aan en beiden voelden een verwarring in zich opkomen en hun hart bonkten in hun keel. Het liefst hadden ze beiden zich zo snel mogelijk omgekeerd, maar geen van tweeën wilde ze zich laten kennen.
‘Je kunt mij dan wel een straatvechter noemen, maar ik vecht met openvizier. Dat kan je van een straatkat niet zeggen, in ieder geval ben je ook nog eens een rat’, snauwde hij haar toe.
Een moment werd het stil. Zwijgend namen ze elkaar op en beiden zaten verstrikt in hun eigen gedachten. Ze voelde de verwarring en een vreemd gevoel maakte zich van hen meester. Op dat moment was alleen het ruizen van de blaadjes te horen.
Langzaam ebde de spanning weg en keken ze elkaar wat vriendschappelijker aan, maar toen dook de uil uit het niets op en waarschuwde hen voor de wachters die hun kant opkwamen.
‘Als ze jullie hier zien, heb je de poppetjes aan het dansen. Jullie ouders zullen alles in het werk stellen om jullie voor altijd te scheiden.’
Ze keken elkaar vluchtig aan en begrepen van elkaar dat zij om de één of andere reden elkaar heel graag beter wilden leren kennen.
‘Wat denk je, zie ik je morgennacht weer om dezelfde tijd’, vroeg de prinses. ‘Ik ben nog lang niet klaar met jou’, en snel rende ze terug naar haar kasteel.
Ze begreep niets van zichzelf. Waarom had ze hem uitgenodigd om elkaar morgennacht weer te ontmoeten. ‘Hoe haal je het in je hoofd om de vijand uit te nodigen,’ snauwde ze tegen zichzelf. Ze rende zo hard als ze kon. Dorens striemden langs haar benen en maakte dat het bloed langs haar benen sijpelde. Af en toe struikelde ze over een boomstronk, maar dapper stond ze weer op. De wolven, die in groepen in het bos opererende, werden door de zoete geur van haar bloed aangetrokken. Ze hoorde het gejank van de wolven door de nacht en één van hen kwam gevaarlijk dicht in haar buurt. Ze voelde als het ware zijn gehijg in haar nek en dat maakte dat ze nog harder ging lopen. Ze was slim genoeg om te weten dat hij op haar geur afkwam en ze moest zien om zo snel mogelijk weer veilig thuis te komen. De vermoeidheid nam toe, maar om de één of andere reden gelukte het haar om door te gaan. Nee, ze was nog veel te veel aan haar leven gehecht. Achter haar hoorde ze het gegrom, maar gelukkig was ze net op tijd bij het geheime luik dat naar de gangen voerde. Vluchtig keek ze om en zag de wolf met opgetrokken lippen vlak achter haar.
Met haar laatste krachten dook ze onder de struiken en liet zich letterlijk en figuurlijk door het luik vallen. Snel trok ze hem achter zich dicht, maar het luik wilde niet goed sluiten. De wolf had kans gezien om zijn poot ertussen te steken en ze hoorde zijn gekerm achter het luik. De nagels van de wolf hoorde ze tegen het luik krassen en heel voorzichtig probeerde ze het luik een stukje omhoog te duwen. De wolf trok zijn poot terug en snel duwde ze het luik in zijn vergrendeling.
Opgelucht snakte ze naar zuurstof en zachtjes slofte ze naar haar kamer. Daar liet ze zich vermoeid op haar bed vallen en voelde haar hart als een razende tekeer gaan. Haar gedachten dwaalden weer terug naar de prins en ze zag zijn beeltenis voor haar geest opdoemde. Een vreemd raar gevoel stroomde door haar lichaam. Oh, wat was ze boos op zichzelf. Waarom begreep ze niet. Ze zou hem wel krijgen die akelige straatvechter, wacht maar. Langzaam klopte haar hart weer zijn normale ritme en starend naar het hoge plafond dacht ze na over haar avontuur van die nacht.
De volgende morgen kon ze de gebeurtenissen van de afgelopen nacht nog steeds niet verklaren. Even dacht ze dat ze alles had gedroomd, maar toen ze haar benen optrok, voelde ze de pijn van het harde lopen en zag de striemen op haar benen. Na dat ze haar gezicht had opgefrist met het water dat haar dienstmeid had neergezet, waste ze het bloed van haar onderbenen. Omdat niemand mocht weten wat er was gebeurd, gooide ze het vuile water door het raam naar buiten.
‘Zo, het valt gelukkig mee’, fluisterde ze en liet zich nog even terug op bed vallen. En opnieuw gingen haar gedachten automatisch terug naar de prins en weer voelde ze dat vreemde gevoel binnenin haar. Ze begon zich af te vragen of ze misschien verliefd was. Ze hadden elkaar nauwelijks gesproken en wat ze tegen elkaar hadden gezegd, was nou niet bepaald aardig geweest. Nee, dat mag echt niet gebeuren. Wat zouden mijn ouders er wel niet van denken, dacht ze. Al eeuwen was er een strijd gaande tussen de twee koninkrijken. Nog nooit had maar één nazaat het gewaagd om verliefd te worden op één van de zonen of dochters van de andere partij. De eeuwen oude strijdt tussen de twee koninkrijken, was nooit geluwd en met de regelmaat van de klok hadden ze oorlog gevoerd.
Het gefladder van een vogel deed haar opkijken en ze zag de uil in de smalle opening van het raam neerstrijken.
‘Dat was op het nippertje’, zei de uil. ‘Voortaan moet je beter uitkijken. De wolven wachten geduldig totdat je opnieuw in het bos verschijnt. Denk goed na waar je aan begint. Jullie mogen niet met elkaar in contact komen. Als de prins en jij verlieft op elkaar zouden worden, heb je de poppetjes aan het dansen. Blijf in je kasteel en laat het voor wat het is.’
Voordat ze nog een vraag kon stellen vloog de uil weg.
‘Nou ja zeg, ik denk echt dat ik gek word. Waar bemoeit die uil zich mee. Ik mag gaan en staan waar ik wil. Niemand kan mij dwingen om iets te doen wat ik niet wil, of toch wel. Ik weet het niet meer. Wat mankeert me toch?’
Aan het eind van de dag ging ze al vroeg naar haar kamer. Ze voelde zich moe, maar kon toch de slaap niet vatten. Ze lag te woelen, maar uiteindelijk viel ze toch in een diepe slaap.
Vogels zongen hun lied in het raam, toen ze nog vermoeiender wakker werd dan toen ze in slaap viel. Ze rekte zich even uit, ging rechtop in haar bed zitten en wist dat het al erg laat was. Zolang ze het zich kon herinneren, was ze opgestaan voordat de zonnestralen haar kamer verlichten.
Gehaast kleedde ze zich aan, maar de kilte van de ochtend deed haar terug en aangekleed onder de dekens duiken. Haar gedachten namen haar weer mee naar de weg die ze die nacht had bewandeld.
‘Ik wil niet. Mijn vader zou verschrikkelijk boos op me worden, als hij het zou weten, fluisterde ze en staarde naar het raam. Toch werd de dwang naar hem steeds sterker en wat ze ook bedacht, ze had maar één doel en dat was hem ooit weer eens te ontmoeten. De dag was lang en de verveling was zoals alle andere dagen. Zoals gewoonlijk hadden ze een gast. Ze vond ze altijd stierlijk vervelend en werd misselijk van dat slijmende gedoe. Ze wist maar al te goed dat deze gasten iets bij haar vader wilde bereiken. Blijkbaar hadden ze niet in de gaten dat haar vader donders goed wist waarom ze hem zo naar de mond praatte. Stiekem glipte ze van tafel en ging naar haar kamer. Ze nam zich stellig voor om wakker te blijven en ging in de vensterbank zitten. Daar genoot ze weer van de ondergaande zon. De kou maakte zich van haar meester en ze besloot op bed te gaan zitten en sloeg een deken om zich heen om zich te warmen.
De nacht viel en de vogels zochten hun nestje op, dus besloot ze het erop te wagen. Opnieuw ging ze via de ondergrondse gang naar de uitgang en strompelend wandelde ze dor het bos in de hoop hem te ontmoeten.
De wolven huilde door de nacht. Waar ze ook heen rende, overal was het gehuil van de wolven te horen en ze omsingelde haar.
‘Hierheen prinses’, hoorde ze zacht. Tot haar vreugde stond de prins nog geen twee stappen van haar vandaan.
‘Snel, neem mijn hand. De wolven kunnen elk moment aanvallen’, en samen rende ze door het bos.
Abrupt stond de prins stil en in het licht van een brandende fakkel zag ze een klein maar leuk huisje voor zich opdoemen. De wolven waren hen zo dicht genaderd dat ze hen in haar nek kon horen hijgen. De prins liet plots haar hand los, rende het huisje binnen en sloot de deur achter zich.
Laat me erin, jij vuile rotzak, laat me binnen’, en ze probeerde met alle kracht die ze in zich had de deur te openen. Toen dat niet lukte, draaide ze zich om en zag dat het te laat was.
De wolven stonden met gespreide achterpoten voor haar en versperde haar de weg.
Huilend en trillend over haar hele lichaam, smeekte ze de prins haar te helpen, maar de deur bleef potdicht. De wolven vielen aan en scheurde haar kleding van het lijf. En wat deed de prins. De prins schaterde van het lachen.
Badend in het zweet schrok ze wakker en keek om zich heen. De kaarsen, die in de nissen hadden gestaan waren inmiddels gedoofd. Alleen het schijnsel van de maan, dat zijn licht door de smalle raampjes liet schijnen verlichte enigszins haar kamer. Bibberend stapte ze haar bed uit en sloeg de mantel van berenvel rondom haar lichaam. Ze nam voor het raam plaats en tuurde naar het kasteel. Toen ze de maan achter een wolk schuil zag gaan, vond ze de duisternis angstaanjagend.
Klaarwakker was ze nu, trok het berenvel nog steviger rond haar volle borsten en probeerde een glimp van hem op te vangen. Zijn beeltenis stond in haar geheugen gegriefd en ze voelde de warmte in haar buik weer opkomen. Was dit nu wat ze noemen liefde of is het de spanning waar ze al die jaren naar had verlangd. Haar gevoelens verwarden haar en weer tuurde ze naar het bos, waar ze het janken van de wolven kon horen. Ze dacht aan al die verhalen over de wolven, die ze zo vaak had gehoord. Bij volle maan zouden ze op jacht gaan naar mensenvlees. Ze kon het maar moeilijk geloven, maar aan de andere kant. Ze hadden haar die nacht wel opgejaagd.
Ondanks haar angst voor de wolven, was de drang om naar de prins te gaan sterker dan haar angst.
‘Niet doen Lisa’, fluisterde ze.
‘Het kan niet. Het mag niet en ik wil het niet,’ maar die drang bleef bestaan.
Ze gooide het berenvel van haar lichaam en liet zich op bed vallen. Ze was verward. Haar liefde voor de prins zou immers betekenen dat ze haar ouders zou verraden.
Deel 2
‘Prinses, wakker worden. Het zonnetje schijnt. Het is tijd om op te staan.’
De prinses opende haar ogen en zag dat de uil haar uitdagend zat aan te kijken. Verbaast keek ze naar de dekens die over haar heen waren geslagen. Ze kon zich niet herinneren dat ze daar onder was gaan liggen.
‘Wat moet je toch. Laat me met rust!’
‘Ik wil je alleen maar waarschuwen prinses. Blijf uit de beurt van de prins. Het zal je alleen maar leed brengen. Wees verstandig en luister naar een wijze uil.
De prinses begreep er niets van. Knipte met haar ogen en hoopte dat het een vlaag van verstandverbijstering zou zijn.
De uil vloog op en nam plaats in het raamkozijn. Draaide zich nog eenmaal om en zei. ‘Geloof me, er zal nooit iets moois kunnen groeien tussen de prins en jou’, en weg was hij weer.
Dagen verstreken en de drang om de prins te ontmoeten werd steeds heftiger. Ze vocht ertegen, maar het verlangen naar hem was zo sterk. Zelfs de goede raad die de uil haar regelmatig gaf en de haat die haar ouders voor het andere koninkrijk koesterde konden haar niet tegenhouden. De behoefte om in de aanwezigheid van de prins te zijn werd steeds sterker. De angst haar ouders te verliezen en de aanwezigheid van de wolven in het bos, raakte steeds meer op de achtergrond.
Aan de overkant van de grens liep de prins met zijn handen op zijn rug te ijsberen. Ook hij wist niet wat hem was overkomen. Hij had haar uitgescholden voor straatkat, maar alleen omdat zij hem een straatvechter had genoemd.
‘Ik zal haar de volgende keer, als die ooit komt, eens een lesje leren hoe je met mensen om moest gaan. Wie heeft haar die omgangsvormen geleerd. Ik zal, ik zal, maar verder dan deze woorden kwam hij niet. Ondanks dat ze zo tegen hem tekeerging, was er iets waar hij niets van begreep. Zijn behoefte om bij haar te zijn was net zo sterk als die van haar. Hij wist dat als zijn ouders hier ooit achter zouden komen ze het hem zouden verbieden.
De nachten waren zwaar. Sinds hij haar had ontmoet had hij geen nacht meer goed geslapen en dat maakte hem kribbig. Het gevoel in zijn aderen dat hij niet kende, maakte hem in de war. Het was of de duivel ermee speelde. Het enige waar hij aan kon denken was aan haar.
‘Ik zou het niet doen prins. Ze is je niet waard. Als je haar blijft ontmoeten zou het je de troon wel eens kunnen kosten. Een oorlog kan dan niet uitblijven’, zei de uil.
‘Wegwezen rot beest. Ik beslis zelf wel wat ik wel en niet kan doen.’
‘Je moet het zelf weten. Je gaat je ongeluk tegemoet. Ik weet dat er op je gewacht wordt. Je denkt toch niet dat de koning gek is. Overal heeft hij zijn spionnen zitten en wat dacht je dat de ouders van de prinses zullen doen. Het is gevaarlijk om haar te ontmoeten. Luister toch eens naar een wijze uil.
De prins moest erover nadenken, maar hij kon haar niet uit zijn hoofd zetten. Zoals hij zo vaak deed de afgelopen dagen, ging hij voor het raam zitten en tuurde naar het vijandige kasteel.
De nacht viel in en onafhankelijk van elkaar besloten ze dat het tijd was om te proberen weer een glimp van de ander op te vangen.
Gewapend met pijl en boog verliet hij in het geheim het kasteel. Sloop door het bos op weg naar de grens. Toen hij daaraan kwam, zag hij tot zijn vreugde de prinses aankomen wandelen. Zijn lichaam trilde aan alle kanten.
Oh, wat wilde hij haar graag zien en met haar praten. Het liefst zou hij haar in zijn armen willen nemen en nooit meer loslaten.
Op de openplek hield hij de lantaarn omhoog. Toen hij bij het hek aankwam kon hij haar blauwe ogen in het licht van zijn lantaren zien schitteren. Haar krullen hingen over haar schouders en het berenvel rond haar lichaam zat als gegoten.
‘Heb je op me zitten wachten of is dit puur toeval’, vroeg de prinses.
‘Ik kom net als jij net aanlopen’, antwoordde hij.
Beiden worstelden met hun gevoelens voor elkaar. Het kon toch niets worden tussen hen. Zelfs een vriendschap zat er niet in, hoe lief en aardig ze elkaar ook vonden. Het mocht gewoon niet zo zijn en al snel waren ze opnieuw met elkaar in conflict. Lelijke woorden gingen over en weer en het verleden werd niet geschuwd. De gebeurtenissen die in het verleden hadden plaatsgevonden hadden hun tol geëist, ook al wist niemand meer wie ooit was begonnen of wat er werkelijk was gebeurd.
Het gehuil van de wolven die door het donkere bos galmde, deed hun boosheid stoppen en een moment werd het stil. Zelfs het geritsel van de nachtdieren, was niet te horen. Bang voor de naderde wolven kwamen ze stapje voor stapje dichtbij, tot ze elkaar bijna konden aanraken.
Wie van hen beiden zou de eerste stap zetten, maar net als de prins genoeg durf had om haar aan te durven raken, kijken ze beiden in de richting van de wolven. De angst van de prins was totaal verdwenen en net toen hij haar een kus wilde geven, draaide ze zich om en rende weg.
Wat ze beiden niet wisten, was dat de wolven door spionnen op veilige afstand werden gehouden.
Diep in hun hart wisten ze beiden dat zij verliefd waren op de ander, maar dat zou een goed bewaard geheim moeten blijven. Tussen hun koninkrijken was geen vriendschap mogelijk dat had het verleden wel geleerd. Beiden leden onder het gebeuren en konden er niet van slapen.
Het zal wel slijten, als ik hem niet meer zou zien. Ja, dat is de beste oplossing, ik moet hem uit mijn hoofd zetten, dacht de prinses.
Beiden voelde de verslagenheid. De ouders zouden hen dwingen om met een prins of prinses uit een ander koninkrijk te trouwen.
Nog eenmaal keek de prins vanuit zijn raam naar het andere kasteel. Hij begreep dat hij met zichzelf in het reine moest komen, maar hoe. Haar aanwezigheid was zo dichtbij.
De prinses dwaalde wat rond en had de hoop opgeven dat zij haar prins ooit nog eens zou zien. Ze probeerde hem uit haar hoofd te zetten, maar dat ging erg moeilijk. Diepongelukkig had ze het liefst willen vluchten naar een stil plekje, ver weg van het kasteel dat voor haar een zwarte geschiedenis had.
Dagen weken gingen voorbij. De liefde die de twee jongen mensen voelde was niet verminderd, maar eerder versterkt. De drang om elkaar te ontmoeten werd opnieuw zo sterk dat op een avond zij de lantaarn in de nis van het kasteel zette. Ze wachtte en wachtte, maar niets dat erop leek dat hij ook aan haar dacht. Net toen ze de muur wilde verlaten, flitste er een licht op. Van vreugde zwaaide ze, wetende dat hij dat nooit zou kunnen zien.
Niet doen. Hij zou denken dat ik hem heb gemist, dacht ze. Nam de lantaarn op en verliet de muur. Ze trok een berenvel rond haar lichaam en verliet het kasteel. De uil landde op haar schouder en waarschuwde opnieuw voor het gevaar.
‘Ga meteen terug naar het kasteel. Alleen daar ben je nu veilig. Het is vannacht gevaarlijker, dan welke nacht dan ook. Hoor je de wolven huilen. Nee, het is niet wat jij denkt. Weet je, de zwartenpaarden zijn op jacht naar goud. Ze willen maar één ding. Jou uitleveren aan het kasteel van de prins. Dat wil je toch niet. Die haat tegen jouw ouders is zo groot dat ze jou zullen doden, maar de prinses wilde niet luisteren.
Ook deze nacht leek het wel alsof een kracht hen wilde verenigen. De prins deed hetzelfde en worstelde zich door de hoge en dichte struiken. Alweer was het gehuil van de wolven te horen.
De prinses bereikte de grens en zag tot haar vreugde de prins aankomen.
‘Ik ben zo blij dat je er bent, maar kijk uit de wolven komen eraan!’
‘Maak dat je wegkomt’, fluisterde de prins. ‘Ik zal je proberen te beschermen. Het is niet wat jij denkt. Dit zijn geen echte wolven. Rennen, ren!’
Ze zag de prins zijn boog van zijn rug nemen. Hij nam een pijl uit de koker die op zijn zij hing en riep: ‘Rennen, nu het nog kan’, en hij spande de boog.
De prinses wist niet wat haar te doen stond en was in de war. Wat bedoelde hij toch. Wolven die geen echte wolven waren, maar spoken van de zwarte ruiters, ging het door haar heen. Plots zag ze de pijl in het hoofd van een zwarte ruiter verdwijnen.
‘Rennen,’ hoort ze de prins opnieuw schreeuwen.
Voordat ze op de vlucht ging, keek ze hem nog éénmaal niet begrijpend aan. Brandnetels die langs haar benen schuren zorgen ervoor dat het leek alsof ze in de brand stond. Opnieuw rende ze voor haar leven en toen ze struikelden viel ze met haar gezicht tegen een boomstronk. De pijn aan haar hoofd was heftig, maar ze wist dat ze daar niet kon blijven liggen. Moeizaam stond ze op en dan is het opeens doodstil om haar heen.
Blijven liggen’, hoorde ze een stem in haar hoofd. ‘Doodstil blijven liggen prinses,’ en tot haar eigen verbazing deed ze precies wat de stem haar vroeg. Voorzichtig opende ze haar ogen en zag de uil die haar zat aan te staren.
‘Ik had toch gezegd dat het niets zou worden tussen jullie twee.
Verslagen keek ze hem aan en moet toegeven dat hij gelijk heeft.
‘Je had gelijk, wijze uil. Ik moet het vergeten, maar dat zal moeilijk zijn. Het is niet eerlijk’, en strompelt liep ze terug naar haar kasteel.
Ze draaide zich om en wandelde terug naar de uil. ‘Is er echt geen kans dat ik hem zonder problemen zou kunnen ontmoeten?’
Als je mijn raad in de wind slaat en de prins toch wil ontmoeten. Kan ik je niet verder helpen en moet jij je eigen boontjes zien te doppen. Zonder hem te groeten wandelde ze teleurgesteld terug naar het kasteel.
In de keuken ging de prinses uitgeput op één van de keukenstoelen zitten en het personeel keek haar verbijsterd aan. Niemand durfde iets te vragen. De kok die al heel lang voor de familie kookte en de prinses al vanaf haar geboorte kende, sloft op haar af en met trillende stem vroeg hij wat er aan de hand was.
‘Prinses u ziet er zo droevig uit. Zo ken ik u niet’, en geduldig wachtte hij op haar antwoordt.
‘Ik ben zo ongelukkig Kokkie. Ik heb alles wat mijn hartje begeert, maar toch voel ik mij doodongelukkig. Al dat moois wat ik bezit en de liefde van mijn ouders…. Ik zou de gelukkigste prinses van de hele wereld moeten zijn. Alleen, stotterde ze. De liefde die ik zo graag zou willen hebben is voor mij verboden terrein. Wat moet ik doen kokkie?’
Moedeloos stond ze op en verliet de keuken op weg naar haar kamer. Daar neemt ze plaats op haar bed, maar haar gedachten bleven daar waar de prins zich bevond. Ik weet dat er een oorlog uitbreekt als ik op deze manier door zou blijven gaan, maar hoe kan ik hem vergeten, piekert ze.
Huilend laat ze zich op het bed vallen en na een poosje valt ze in een diepe slaap.
Net als de prinses, zwalkt de prins door het kasteel en kan er met niemand over praten. Vrienden had hij genoeg, maar die waren toch net iets anders. En praten over de prinses, was uit den boze. De drang om op de muur te staan om een glimp van haar op te vangen, bleef sterk.
Hun lot was bezegeld. Het zou nooit iets worden, hoe graag ze dat ook zouden wilden.
Kokkie had haar al weken niet in de keuken gezien en hij maakte zich zorgen. Het personeel dat erg op haar gesteld was, zag de prinses dikwijls verdrietig aan tafel zitten.
Op een avond wandelde de kok stiekem naar haar kamer. De Brandende fakkels in de kale gangen, gaf de omgeving een gevoel van eenzaamheid. Het flikkerende gele licht van de vlammen werpen schaduwen op de muren. Voorzichtig sloop hij door de gangen naar de toren van de prinses. Zachtjes klopte hij aan, maar kreeg geen respons. Net toen hij weer terug wilde gaan naar de keuken opent ze de deur. Hij schok van haar gedaante. De prinses was sterk vermagerd sinds de laatste keer dat hij haar zag. Met tranen in haar ogen keek ze hem aan.
Mag ik alsjeblieft even met je praten, lieve Prinses? We kennen elkaar al zolang. Ik weet dat u erg ongelukkig bent.
‘Ik ongelukkig’, antwoordde ze glimlachend. ‘Hoe kom je erbij kokkie. Hoe durf jij mij dat te vragen. Weet je wel dat ik je hiervoor kan laten opsluiten’, maar opeens gaf ze zich over. Keek door de gang en liet de kok binnen. Ze boog haar hoofd en fluisterde: ‘Ik kan daar niets over vertellen kokkie. Ik weet dat jij je mond kunt houden, maar het is zo ingewikkeld, dat moet ik alleen zien op te lossen. Je bent lief kokkie. Ik stel het zeer op prijs dat jij bezorgt over mij bent. Laat het maar rusten. Ik moet ermee leren leven, maar het is zo moeilijk. Ik weet echt niet wat mij bezield.’
De kok wist genoeg. Besluiteloos en moedeloos, verliet hij de kamer. Oh, wat had hij met haar te doen.
Opnieuw verstreken de dagen, maar op een dag besloot ze dat het zo niet langer kon.
Vanaf de muur tuurde, ze net als vroeger in de richting van het kasteel. De lantaarn die al die tijd in een nis was blijven staan, zette ze op de muur en ze tuurt naar het kasteel in de hoop dat de prins het licht zou zien.
De vossenjachten eisten veel tijd van de prins en intussen reisde hij ook door vele landen. Hij ontmoette mooie vrouwen, maar hoe mooi ze ook waren, voor hem stelde ze niets voor.
Zijn ouders spoorde hem aan tot een huwelijk en lieten velen vrouwen naar het kasteel komen. Vrouwen die heel mooi waren, lief en jong, maar iedere keer zag hij de prinses op zijn netvlies. De prinses, waar hij nooit mee zou kunnen trouwen.
Moe kwam hij terug van één van zijn jachten, toen een gevoel van onbehagen door zijn aderen begon te stromen. Na het avondmaal, ging hij naar zijn kamer. Het was een zoele avond en hij stond uren in het niets te staren. Plots, nee het kan niet waar zijn, mummelde hij. Hij knipperde even met zijn ogen. Nee, ik zie het toch echt, denkt hij. Ze moet mij missen, net als ik haar. Hij nam zijn lantaren, stak hem aan en bewoog hem een paar keer. Gespannen wacht hij af en toen zag tot zijn genoegen dat ook het licht aan de overkant bewoog.
Ze moet me hebben gezien. Ik weet het zeker, en van blijdschap danste hij in het rond.
De prinses is dolblij en voelde de enorme drang om naar de grens te gaan. Als hij vannacht niet op de ontmoetingsplek zou verschijnen dan beloof ik mezelf hem te vergeten, denkt ze.
De bontjas die ze van haar vader cadeau had gekregen, slaat ze rond haar lichaam. Gaat voor de spiegel staan en is heel blij met zichzelf.
‘Je bent mooi prinses. De jas kleed nog mooier af dan het berenvel,’ riep de uil vanuit het raamkozijn.
‘Wat moet je nu weer. Je had beloofd me met rust te laten. Je kunt me niet meer tegenhouden. Ik wil de prins zien.’
‘Ik zal je niet tegenhouden. Dat heb ik nooit gedaan. Als jij niet naar mijn wijze woorden wilt luisteren, moet je de consequenties dragen. Wees op je hoedde. Het gevaar ligt op de loer’, en weg is hij.
Het leek er sterk op dat de wolven rond haar dwaalde, maar toch niet tot de aanval over gingen. Af en toe bleef ze staan om te horen of er iemand in de buurt was. Bij het hek ziet ze de prins aankomen wandelen. De prinses kijkt diep in zijn ogen en verlegen tuurt hij naar haar lippen en de nerts die als gegoten rond haar lichaam hangt.
‘Ik ben blij je te zien, maar het kan niet en het mag niet. Hier komt oorlog van en wij zullen verbannen worden. Prins, ik weet het niet meer.’
Plotseling horen ze de zware hoefslagen hun kant opkomen. De prins weet dat ze niet meer kunnen ontsnappen en verzint een list. Trekt zijn mantel uit en verwisselt deze met die van haar.
Ze worden omsingeld door de zwarte ruiters die hen knevelen. Er wordt een zak over hun hoofd geplaatst en dichtgebonden en de ridders rijden naar de kastelen waar zij voor hun prooi een geldbedrag ontvangen en dan verdwijnen ze weer in de donkere nacht.
De twee koningen voelen zich machtig en dolgelukkig. Ze zijn in het bezit van het dierbaarste bezit van hun grootste vijand. De haat en euforie zijn zo sterk dat ze niet meer helder kunnen nadenken.
‘Bind hem vast aan een paal en laat iedereen zien hoe wij de prins van zijn hoofd ontdoen!’ schreeuwt de koning.
Blind wordt de prins aan een paal gebonden. Het gerucht dat de prins wordt onthoofd verspreidt zich snel en het plein loopt vol woedende mensen. Ze schreeuwen dat de beul moet komen en spugen naar de prins. Ze gooien met afval, rotte eieren, muizen en paardendrollen en intussen scherpt de beul zijn bijl en wacht op het teken van de koning. Als de beul de jutezak van het hoofd van de gevangen wil halen zegt de koning: ‘Een beul verstaat zijn vak.’
‘Maar Majesteit, ik moet zien hoe de nek eruitziet. Mijn bijl is dan wel scherp, maar….’
De koning wordt boos en onderbreekt hem: ‘Als jij het werk niet aan kan, wachten we op de beul die overmorgen komt. Het gaat erom dat de prins gedood wordt. Tien goudstukken boven op de prijs, als je zijn nek er in één keer afhakt,’ schatert hij. ‘Zo niet, dan zal het je spijten.’
Het geschater van de koning galmt over het plein en het volk raakt in extase en roept in koor.
‘Dood, dood. Dood de prins, de prins moet dood!’
De beul denkt aan de tien goudstukken en slijpt zijn grootste bijl en wacht opnieuw op het sein van de koning.
De koning heft zijn hand op en vraagt het volk: ‘Moet de prins dood?’
Het volk antwoordt in koor: ‘Dood de prins!’
De hand van de koning gaat omlaag en de beul heft zijn bijl omhoog en in één beweging suist hij in de richting van de nek. Zonder enige moeite doorklieft hij de jutte zak en het hoofd rolt over het plein. Het gejuich is overweldigend en dat is zelfs in het ander kasteel te horen.
De beul neemt het hoofd en haalt de jutezak eraf en dan is het doodstil op het plein. De koningin valt flauw en de koning zit onbeweeglijk op zijn troon en grijpt naar zijn borst. Happend naar adem valt hij neer.
De beul staat nog steeds met het hoofd in zijn handen….. Het hoofd van de prinses.
Aan de andere kant staat ook de prinses op het schavot. Net als haar geliefde wordt zij tot de dood veroordeeld. Niet met de bijl, maar door middel van vier paarden die haar uit elkaar zullen trekken.
De koning geeft het bevel: ‘Laat de paarden komen!’ Touwen worden aan polsen en enkels gebonden en in langzaam tempo trekken de paarden de touwen strak. Het publiek schreeuwt om haar dood, net als haar volk het bij de prins deed. Sommige kunnen niet dicht genoeg bij de gebeurtenis staan en ruien de paarden nog eens extra op.
Geschal van trompetten galmt over het land en de koning heft zijn staf op en laat deze met een harde klap op de houten vloer neerkomen. Dat is het sein en de paarden zetten zich in beweging.
Een afgrijselijk kreet is hoorbaar en de jutezak wordt van het hoofd gehaald en net bij het andere koninkrijk valt er een stilte. De koningin blijft verschrikt op haar troon zitten en haar man staat op en pakt zijn zwaard uit zijn schede en steekt zichzelf recht door het hart.
Geruisloos loopt het plein leeg. De rouw is groot om het verlies van de prins.
Enkele maanden later
De moeder van de prinses trekt haar mantel aan en gaat op weg naar het andere kasteel. Ze neemt dezelfde weg die haar dochter in de nachtelijke uren nam op weg naar haar prins, maar dat weet haar moeder niet. Ze snuift de dennengeur diep in en het doet haar goed om buiten de kasteelmuren te zijn. Bij de grens van het andere koninkrijk blijft ze staan en groet de moeder van de prins. Samen wandelen ze verder en bespreken dat de eeuwen durende ruzie om niets nu maar eens moet worden beëindigd. De hekken die de grens vormen moeten worden verwijderd en iedereen moet vrij in en uit kunnen wandelen in beiden koninkrijken.
Maanden verstrijken en de beiden koninkrijken leven inderdaad op vriendschappelijke wijze naast elkaar. De beiden koninginnen kom je vaak samen wandelend tegen in de bossen. Het lot van de prins en de prinses, heeft geleid tot de vrede tussen alle onderdanen en de koninginnen.
