Moekie de lelijke Hond
Deel 1
Het is een mooie lente dag en de warme wind laat de helm zachtjes heen en weer golven. De golven spoelen met de regelmaat van de klok op het strand. Moekie de hond ligt prinsheerlijk te genieten van het zonnetje en met één oog kijkt hij wakend over de duintop van het strand naar de bruisende golven. Dit is zijn plekje en geen mens of dier zou het moeten wagen om zijn territorium binnen te dringen. Lenig springt hij op en met opgeheven kop, en zijn neus in de wind snuift hij de lentegeuren op.
Moekie is zo goed als kaal. Alleen op zijn kop en staart bevinden zich hier en daar nog wat plukjes haar. Plots spits hij zijn oren. Hij is er zeker van dat iemand zijn richting op komt. Vastberaden gaat hij erop af, spant zijn spieren en springt bovenop zijn prooi.
‘Ho… ho…., ik ben het maar,’ hoort hij angstig onder hem roepen. ‘Ga van me af, ik stik,’ jammert het konijntje.
‘Stel je niet aan Kale,’ grijnst Moekie. ‘Ik ben het maar.’ Moekie springt opzij en kijkt naar het ineengedoken konijn.
‘Kale, nou dat moet jij nodig zeggen. Heb je wel eens goed naar jezelf gekeken. Je bent nog kaler dan ik. Wat voor een hond ben je eigenlijk. Ik heb van mijn leven nog nooit zo’n lelijke hond gezien,’ antwoordt het konijn.
Moekie kijkt eens goed naar zijn poten en staart. Hij moet toegeven dat hij nog minder haar heeft dan het konijn. Verdrietig draait hij zich om en met gebogen hoofd wandelt hij terug naar zijn favoriete plekje en zoekt opnieuw de horizon af.
Zwijgzaam gaat het konijn tussen de poten van Moekie zitten en voelt plots iets nats boven zijn kopje uiteenspatten. Hij schudt met zijn kopje en de spetters vliegen door de lucht. Als hij omhoog kijkt valt er opeens een traan bovenop zijn neus.
‘Het spijt me Moekie. Ik wilde je niet kwetsen. Kom, we zijn nou eenmaal niet moeders mooiste. Wat kan het ons schelen, we hebben elkaar toch. Niet huilen, Moekie daar kan ik helemaal niet tegen. Kijk eens hoe mooi de zon in het water schittert.’
‘Ach kale, dat is het niet. Ik voel mij zo eenzaam. Niemand wil mij hebben. Ik ben gewoon te lelijk voor ze. Misschien ben ik helemaal geen hond, maar één of andere kruising met weet ik veel wat?’
‘Nou mij maakt het niets uit. Je bent gewoon mijn vriend. Ik ben ook te lelijk voor de andere konijnen, maar wij zijn goede maatjes. Ja toch?’
Zwijgend kijkt hij zijn vriend aan. Moekie buigt zich voorover en geeft hem een lik over zijn koppetje.
‘Niet doen, dat kriebelt,’ roept het konijn die met een paar flinke sprongen wegrent. Hij springt over een duintop en daagt Moekie uit om achter hem aan te rennen.
Vanaf het strand kijken mensen massaal toe hoe de hond achter het konijn aanrent en denken dat hij het konijn opjaagt. Kinderen rennen in de richting van het prikkeldraad en proberen de hond af te schrikken in de hoop dat hij het konijn met rust laat.
Moekie en het konijn hebben helemaal niet in de gaten dat zij gadegeslagen worden. Moekie rent blaffend achter het konijn aan en voelt dan plotseling een harde klap tegen zijn hoofd. Hij valt op de grond en voor zijn ogen ziet hij flonkerende sterretjes. Voor het hek ziet hij de kinderen, die dreigend met stokken naar hem zwaaien. Moeizaam staat hij op en de stokken vliegen links en rechts om hem heen. Moekie recht zijn rug en laat grommend zijn tanden zien. De kinderen doen een stap achteruit en rennen als een stel bange hazen weg. Moekie kijkt om zich heen en begrijpt niet waar het kale konijn zo snel gebleven is, maar dan ontdekt hij hem in één van de vele lege holen die de duintop bezit.
‘Zo, dus hier zit je,’ roept hij naar het konijn.
‘Foutje, je zult snel moeten graven om mij te kunnen pakken,’ hoont het konijn.
‘Oké, deze keer heb jij gewonnen,’ lacht Moekie.
‘Zullen we naar het dal gaan, maar dan moet jij me wel dragen of neem me in je bek mee. Wel voorzichtig hoor,’ oppert het konijn.
‘Goed, laten we dat maar doen. Daar is het in ieder geval rustiger dan hier,’ antwoordt Moekie.
Hij pakt het konijn in zijn bek en loop in de richting van het dal.
Vanaf het strand kijken de kinderen nog steeds toe en zien dat Moekie het konijn in zijn bek meeneemt. Ze zijn ervan overtuigt de het hem toch is gelukt om het konijn te doden.
Dagen verstrijken, zonder dat er maar iets noemenswaardigs gebeurt. Moekie wandelt door het helm opzoek naar zijn vriendje ‘het kale konijn’. Vreemd, hij had hem al een tijdje niet gezien. Uiteindelijk besluit hij een kijkje te nemen bij het hol waar hij altijd even alleen wil zijn. Het voelde niet goed. Dit was niets voor zijn vriend om dagen niets van zich te laten horen. Bij het hol aangekomen krijgt hij de schrik van zijn leven. Daar ligt zijn allerbeste vriend doodstil voor zijn hol.
‘Oh nee, dat is niet goed. Hé Kale, wordt eens wakker,’ roept hij. Voorzichtig schudt hij met zin snuit tegen het kopje van het konijn, maar die blijft bewegen loos liggen.
Ineens ziet hij wat er aan de hand is. Rondom het nekje van zijn vriend ziet hij een draad lopen. Hij begrijpt dat zijn vriendje in één van die gemene strikken is gelopen. ‘Rustig maar Kale, ik zal je bevrijden van dat gemene draad.’
‘Ik….ik…, ik stik Moekie,’ fluistert het konijn en probeert los te komen.
‘Niet doen Kale, rustig blijven liggen. Zo trek je het draad nog verder aan. Ik zal je helpen,’ maar wat Moekie ook probeert, het ziet er slecht voor het konijn uit.
‘Laat me maar. Ik heb het zo benauwd,’ smeekt hij en kijkt Moekie vragend aan.
Moekie begint een beetje moedeloos te worden. Wat hij ook onderneemt, het maakt niets uit en zoekend kijkt hij om zich heen. Plots krijgt hij een ingeving. Hij trekt de stok waar het draad aan vastzit uit de grond en rent met het konijn in zijn bek het duin over. Boven op een duinpan tuurt hij in het rond. Daar ziet hij waar hij op hoopte. Verderop spelen een stel kinderen en om ze geen angst aan te jagen wandelt hij voorzichtig met het konijn in zijn bek hun richting op.
Geen van de kinderen heeft hem nog in de gaten totdat er plotseling één begint te schreeuwen.
‘Kijk uit, daar kom die lelijke hond aan!’
Met zijn allen rennen ze weg en Moekie ziet zijn laatste kans op een redding voor zijn vriend in rook opgaan. Plotseling blijft er een meisje staan en kijkt achterom. Voorzichtig wandelt ze terug en loopt op Moekie af, die haar rustig tegemoetkomt. Hij ziet de ernst in het gezicht van het meisje en voelt zijn buik warm worden en zijn hartje gaat sneller kloppen. In zijn hoofd begint een stemmetje zich af te vragen waar dit vandaan komt. Hij begrijpt er niets van, maar op dit moment is de redding van zijn vriendje veel belangrijker. Later moest hij maar een antwoordt zien te vinden op de vraag waarom hij zo van streek is door het meisje.
‘Hallo, je gaat me toch niet bijten, hè,’ fluistert ze. ‘Je mag ook dat konijntje geen kwaad doen hoor.’
Voorzichtig legt Moekie het konijn voor haar voeten en likt zacht over het koppetje van zijn vriendje. Het meisje legt het konijn op haar schoot en wil zijn kopje aaien, maar dan voelt ze het gemene draad wat om zijn nekje zit. Kale tilt zijn kopje op en kijkt haar met tranen in zijn ogen aan. Vertwijfeld staart het meisje naar het draad en dan weer naar de hond. Ze schrikt van zijn grote postuur en heeft er geen idee van hoe ze veilig uit zijn poten kan blijven. Moekie buigt zich naar voren en drukt zijn natte neus tegen haar kleine neusje.
‘Mag ik het draad van zijn nek af halen,’ fluistert ze.
Moekie knikt en gaat braaf op zijn kont naast haar zitten. Terwijl ze het draad probeert los te maken begint ze te vertellen. ‘Ik heet Lies. Heb jij ook een naam? Weet je wat. Ik noem je Moekie. Dat is een mooie naam. Je zult je wel afvragen waar om Moekie? Nou dat is mijn geheim. Nee hóór, jij mag het best wel weten. Ooit heb ik een hond gehad, die Moekie heette. Hij was nog heel klein en toen ik op een morgen wakker werd was hij plots verdwenen. Ik heb hem nooit meer teruggevonden.’
Moekie kijkt haar nadenkend aan. Hij vond haar aardig. Wel oké, voor een mens dan. Zorgvuldig maakt Lies het draad los. ‘Zo, kijk eens. Hij is los. Kom maar, sta maar op,’ maar het konijn ligt nog steeds doodstil voor haar. Ze schudt nog een paar keer, maar er zit totaal geen leven meer in het konijntje. Ze kijkt Moekie aan en zegt: ‘Volgens mij heeft hij het niet gered,’ en wacht gespannen op zijn reactie. Als hij haar iets zou aandoen zou ze er niets tegen kunnen beginnen en ze realiseerde zich dat ze zichzelf behoorlijk in de nesten had gewerkt. Waarom was ze ook teruggegaan.
Moekie kijkt haar vragend aan en schudt met zijn hoofd waarbij zijn oren heen en weer zwaaien. Als hij niet zo’n wild beest was geweest had ze hem liefdevol om zijn hals gevlogen om hem te troosten, hij ziet er zo hulpeloos uit, vindt Lies. Plotseling zien ze het kopje van het konijn bewegen en ze pakt hem zorgvuldig op en legt hem in haar schoot. Zachtjes begint ze zijn lichaampje te masseren en de tranen rollen van vreugde over haar wangen. Dan springt het konijn pardoes van haar schoot en gaat voor haar zitten.
‘Nou zeg, dat was fijn, zoals jij me aaide. Zullen we vriendjes worden dan mag je dit vaker doen.’
Lies begrijpt er niets van. Dat kan toch niet. Dit is vast één of andere droom, denkt ze.
Gewillig laat het konijn zich door haar oppakken en Lies aait hem over zijn bolletje. Ze kijkt in het rond en merkt dat de andere kinderen waren vertrokken.
‘Ik denk dat ze bang voor je zijn Moekie,’ zegt ze zacht.
Moekie spitst zijn oren en is zenuwachtig. Hij blijft alert, die andere kinderen vertrouwt hij voor geen cent. Het liefst had hij ze allemaal in hun billen gebeten, maar zo was hij niet. Eigenlijk wilde hij met iedereen vriendjes zijn. Hij begreep maar niet waarom ze hem altijd zo pesten. Daarom bleef hij maar het liefst zover mogelijk bij ze uit de buurt.
Als hij zeker weet dat de kust veilig is doet hij een stap naar voren en ziet dat Lies hem van top tot teen, of in zijn geval van kop tot staart, opneemt. Hij wiebelt wat heen en weer en twijfelt over wat hij tegen haar zou zeggen.
‘Je zult ons wel lelijk vinden. Dat vindt immers iedereen van ons. En dan nog wat. Ik…, ja, ik ben de Moekie die als pup in de duinen is achtergelaten,’ en hij snuffelt wat aan haar kleding.
‘Ja, nu weet ik het zeker. Die lucht ben ik nooit vergeten. Jij aaide en vertroetelde mij altijd. Jij gaf
er niet om dat ik zo lelijk was.’
Lies slaat haar armen rond zijn dikke nek en knuffelt hem. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent Moekie. Maar eigenlijk ben je nu een Moek, want toen ik jou die naam gaf was je nog zo klein en iel. Ook toen had je geen mooie vacht, maar dat kon mij niets schelen.’
‘Ja, het is inderdaad geen Moekie meer,’ gniffelt het konijn die weer helemaal zichzelf was met al zijn scherpe opmerkingen. ‘Je bent allang geen pup meer, maar ik denk dat we hem toch maar Moekie moeten blijven noemen.’
‘Mij best,’ gromt Moekie.
‘Ik moet nu echt naar huis. Morgen kom ik jullie weer opzoeken, maar wel pas na schooltijd hoor,’ zegt Lies die de tijd volkomen is vergeten.
‘Kom Lies, klim maar op mijn rug dan breng ik je tot aan de rand van de duinen.’ Moekie gaat languit in het zand liggen zodat Lies makkelijk op zijn rug kan klimmen. ‘Hou me maar goed vast aan de weinige plukken haar die ik nog heb.’
‘Ben je gek, ik hou me wel vast aan je hals. Die paar haren die je nog hebt daar zijn we zuinig op,’ antwoordt Lies.
‘Oké, daar gaan we hoor.’ Moekie staat op en wandelt met Lies trots bovenop zijn rug naar de rand van de duinen.
‘Als de kinderen dit zien, dan…. dan…..,’ maar dan is ze stil en vraagt Moekie te stoppen. Ze laat zich van zijn rug glijden en gaat voor hem staan.
‘Wat is er Lies,’ vraagt het konijn. ‘We zijn nog niet aan de rand van de duinen beland.’
‘Dat weet ik, maar ik ga vanaf hier liever alleen verder. Stel dat iemand ons ziet, dan krijgen we er misschien gedonder mee. Ik zie jullie morgen wel weer, oké?’
Moekie is het met haar eens, maar zijn vriend begrijpt er geen sikkepit van. Lies vervolgt haar weg terwijl Moekie en het konijn haar vanuit het bosje nakijken.
Als ze Lies uit het oog verloren zijn gaan ze weer terug naar hun eigen stekkie. Die lag goed verborgen tussen het groen. Daar hadden ze samen hard aan gewerkt. Kale had van binnenuit het hol uitgehold en Moekie had het zand van buiten weggegraven. Door de overhangende helm lag het goed verscholen. Menig regenachtige dag hadden ze daar behaaglijk tegen elkaar aangelegen.
Het konijn nam zijn gebruikelijk plaats, tussen de poten van Moekie, in en samen vielen ze vermoeit in slaap.
Diep in de nacht wordt Moekie wakker en hij rekt zich eens lekker uit. Inmiddels is ook Kale
ontwaakt en ieder doet zijn ding. Het spel kan beginnen en samen lopen ze richting het dorp. In de tijd dat ze samen zijn hebben ze geleerd op welke wijze ze met succes iets te eten kunnen scoren. Ze weten in welke steeg, poort of straat ze wel of niet iets kunnen bemachtigen. In het voorjaar, wanneer de tuintjes door de kinderen weer enthousiast worden ingezaaid weten Moekie en Kale dat er in de zomer voor hen genoeg te eten is. Na schooltijd zijn de kinderen druk in de weer met harken en het onkruid wordt zorgvuldig verwijderd. De oost mogen ze mee naar huis nemen, maar er blijft genoeg over voor Moekie en Kale. Het enige gevaar waar zij op moeten letten is dat ijzeren gevaarte wat telkens langs rijdt. Als Kale onder het hek doorkruipt wacht weet hij precies waar hij moet zijn. Voor Moekie neemt hij altijd wat boontjes mee, omdat hij weet dat hij daar gek op is. Samen lopen ze langs de vuilnisbakken opzoek naar wat lekkers.
‘Hier zit iets lekkers in,’ fluistert Moekie. ‘Daar gaan we Kale.’
Kale verstopt zich achter de vuilnisbak en Moekie rent naar de andere bakken een eindje verderop. Daar duwt hij tegen één van de bakken, die vervolgens met een klap omvalt.
Dit veroorzaakt een enorm kabaal en hier en daar worden de gordijnen opzijgeschoven of een raam geopend om te kijken wie het lawaai veroorzaakt. Er wordt een oude schoen naar beneden gegooid, die ze maar net kunnen ontwijken. Eén van de bewoners opent de deur om te kijken wat er aan de hand is en in het schijnsel van het licht ziet hij Kale staan en roept: ‘Vort, wegwezen rotbeesten.’
Verbaast kijkt hij naar de omgevallen vuilnisbakken en kan niet geloven dat dit het werk kan zijn van één konijn.
‘Is hij al weg, Jaap? De gemeente moet toch maar eens wat ondernemen tegen die beesten. Je kan niet eens meer rustig slapen,’ roept zijn vrouw.
‘Ja…, ja…, ga maar weer slapen. Wat het ook geweest is, het is alweer weg,’ en hoofdschuddend sluit hij zijn deur.
‘Ik geloof er geen bast van,’ antwoordt zijn vrouw. ‘Laat mij eens kijken.’
Ze opent de deur en blijft stijf van schrik in de deuropening staan. Ze kijkt recht in de ogen van Moekie en die ziet de angst in haar ogen.
‘Woef!’ blaft Moekie en de vrouw smijt de deur dicht. ‘Het is, is, is die grote hond. Je weet wel die hond die door de duinen struint, schreeuwt ze haar man toe.
‘Mens, doe niet zo gek. Je bent moe. Ga nou maar slapen. Die hond is banger voor jou, dan jij voor hem.’
Deel 2
Inmiddels hebben Moekie en Kale het lekkers te pakken. Moekie heeft een lekker stuk bot kunnen bemachtigen en Kale een peen. Kale springt weer op de rug van Moekie en samen wandelen ze weer in de richting van de duinen. Plotseling staat Moekie stil.
‘Wat ga je doen,’ vraagt Kale.
‘Hier woont Lies.’
‘Hoe weet jij dat nou.’
‘Omdat ik als pup hier ook heb gewoond. Ze zal wel lekker liggen te slapen.’
Moekie blaft en wacht rustig af. Misschien herkent ze mijn blaf, maar het blijft stil achter de gordijnen. Net als ze weer door willen lopen wordt het raam geopend en zien ze het hoofd van Lies.
‘Ga terug Moekie. Als ze je zien, pakken ze je op. Morgen kom ik zo snel mogelijk naar je toe,’ fluistert ze.
Moekie pakt zijn bot weer op en moppert dat Kale zijn wortel zelf maar moet dragen.
‘Nou zeg, wat een humeur ineens. Ik hoef die peen niet. Hij is oud en zacht en ik eet niets dat zacht is. Het moet knapperig zijn, dat weet je toch.’
Moekie bromt nog wat en dan wandelen ze samen naar hun vertrouwde plekje.
Lies dolt wat met de hond en het konijn, maar dan ziet ze dat Moekie zijn oren spitst. In de verte meent hij het geluid van een stel kinderen te horen. ‘Snel Lies, verstop je.’
Verschrikt kijkt Lies hem aan en verstopt zich in de hoge helm. Daar ziet ze dat een groep kinderen hun kant opkomen. Ze kent ze maar al te goed. Altijd rotzooi trappen. Nee, ze zorgde wel dat ze uit hun buurt bleef. Waarom komen ze de boel nu weer verzieken. Ze hebben het net zo gezellig met zijn drieën. Met bonkend hart wacht ze af wat er komen gaat.
‘Hier heb ik die lelijke hond voor het laatst gezien. Ik heb de politie vertelt dat hij hier wel eens zit en dat hij een aantal van ons al heeft gebeten. Denk erom, jullie laten me niet in de steek hoor!’
Lies, Moekie en Kale volgen de schreeuwende jongen vanuit hun schuilplaats en zien dat hij plotseling met een mes in het rond staat te zwaaien.
‘Als die hond tevoorschijn komt, dan snij ik zijn strot eraf,’ schreeuwt hij.
Eén van de andere probeert hem ervan te overtuigen dat hij het mes weg moet stoppen, maar hij luistert niet naar hem.
Lies, Moekie en Kale verdwijnen geruisloos. ‘Weet je Moekie. Ik denk dat het verstandig is dat je voor een tijdje verdwijnt. Als het waar is wat die knul zegt dan is de politie naar je opzoek en als ze je vinden dan zullen ze niet aarzelen om op je te schieten. Ze denken immers dat je gevaarlijk bent.’
Moekie gromt en wil het liefst die knul een lesje leren. Ook Lies is boos, maar wil er niets van weten en zegt: ‘Niet doen Moekie. Dan hebben ze toch hun zin. Alsjeblieft ga een poosje weg?’
Hij knikt en antwoordt: ‘Je hebt gelijk. Het is misschien beter dat ik ga, maar eens kom ik terug. Dat beloof ik. Kom zullen we nog één keer samen spelen voordat ik ga?’
Lies omhelst hem en ze rennen achter elkaar aan.
Intussen is Kale de kinderen gevolgd. Voor hem is het niet zo moeilijk om zich zo onzichtbaar mogelijk voort te bewegen. Als hij zich niet veilig voelt verschuilt hij zich in één van zijn gegraven holen.
‘Oei, dat ziet er niet goed uit,’ fluistert hij. In de verte ziet hij een stel agenten en een koddebeier aankomen. ‘Ik moet Moekie en Lies gaan waarschuwen.’ Fluistert hij.
Hij draait zich om en ziet dat de twee bovenaan een duinpan aan het ravotten zijn, maar dat ze inmiddels ook al door de anderen zijn ontdekt.
‘Daar is die gemene hond, die mij gebeten heeft,’ roept de knul die eerder met het mes in het rond heeft staan zwaaien.
Eén van de agenten houdt de kinderen op een afstand en een ander richt zijn geweer op Moekie.
‘Schiet op,’ roept één van hen. ‘Straks heeft hij het meisje te pakken.’
Inmiddels is de menigte gegroeid en de agenten houden de kinderen op veilige afstand. Ook vanaf het strand kijkt men toe hoe de hond het meisje achterna rent. Kale kan niets anders doen dan lijdzaam toezien wat er gaat gebeuren. De agent ontgrendelt zijn wapen en schiet.
Moekie kijkt verbaast naar Lies, die plots doodstil voor zijn poten ligt. Haar witte jurkje verandert in een rode vlek. Dit zag er niet goed uit. Wat moet hij doen?
Plotseling hoort hij een fluitend geluid en begrijpt niet waar dat vandaan komt. Dan ontdekt hij de menigte en de agent die dichterbij komen. Vertwijfelt kijkt hij naar Lies. Hij kon haar hier toch niet achterlaten, maar hij begrijpt heel goed dat hij niet anders kan. Zij zouden voor haar zorgen, maar voor hem zag het er niet goed uit. Snel draait hij zich om en rent de duinpan af. Nog een paar maal hoort hij dat fluitende geluid vlak langs hem gaan en één van de kogels schramt zijn voorpoot. Verslagen verstopt hij zich in zijn hol en likt zijn wond schoon. Na een poosje hoort hij zacht geritsel en Kale komt naar hem toe. Ze gaan dicht tegen elkaar aanliggen en tegen de avond vallen ze beiden in slaap. Het enige wat ze op dit moment kunnen doen is zo ver mogelijk uit de buurt van de mensen blijven.
Dagen verstrijken en iedere keer als ze buiten de schuilplaat komen nemen ze een andere weg naar de rand van de duinen. Daar blijven ze trouw op Lies wachten. Pas als de zon weer is ondergegaan keren ze verloren weer terug naar hun schuilplaats. Hij begrijpt maar niet waarom Lies niet meer naar hem toe komt. Ze zou toch moeten weten dat hij op haar wachtte. Vaak liep hij diep in de nacht nog even naar haar huis en probeerde een glimp van haar op te vangen.
Dan blafte hij éénmaal om haar aandacht te trekken en verschool zich dan in één van de portieken, maar altijd bleef het raam gesloten.
Op één van die nachten kwam hij weer verslagen terug in zijn hol en zag Kale liggen. Zoals gewoonlijk ging hij naast hem liggen en sloeg beschermend zijn poot om hem heen.
Moekie ontwaakt en ziet dat Kale nog ligt te slapen. ‘Zeg Kale, doe niet zo ongezellig. Ben je nog niet uitgeslapen?’
Kale geeft geen antwoordt en Moekie probeert hem wakker te schudden, maar hij voelt koud en slap aan. Moekie begrijpt dat Kale rustig is ingeslapen en verdrietig neemt hij voorzichtig zijn beste vriendje in zijn bek en brengt hem naar de plek waar ze samen altijd aan het ravotten waren.
In één van de holen, waar Kale zich tijdens het verstoppertje spelen altijd verstopte legde hij zijn vriendje neer. Kale had altijd de grootste lol als Moekie net deed alsof hij hem niet kon vinden, maar in werkelijkheid wist Moekie best dat hij daar een geheime hol had. Hij dichte de ingang door met zijn achterpoten het zand naar de ingang te duwen. Nog éénmaal kijkt hij om en met tranen in zijn ogen verlaat hij de door hen beide zo geliefde plek.
Maanden zijn voorbijgegleden en de lente is inmiddels begonnen. Ook al is de lente begonnen, het weer zat nog niet erg mee. Een pak sneeuw bedekt de duinen en de wind is koud en guur. Moekie ligt veilig en beschut in zijn hol en denkt aan beide vrienden die hij zo kort na elkaar had verloren. Hij voelde zich moe en eenzaam. Als pup had hij niemand, buiten het kleine meisje dan, hem willen hebben. Moegestreden tuurt hij naar het strand en volgt de mensen die langs de vloedlijn wandelden. Intussen breekt de zon door en de sneeuw begint langzaam aan te smelten. Hij sjokt naar de duinpan en ziet dat er een stel kinderen voor zijn hol staan. ‘Nee hé, laten ze me dan nooit met rust?’
Hij gaat liggen en bekijkt wat ze nu weer van plan zijn en hoopt maar dat ze zijn schuilplaats niet zouden ontdekken. Waarom schreeuwen ze toch zo, vraagt hij zich af. Dan ziet hij dat er een klein jongetje hartverscheurend zit te huilen. De andere om hem heen schoppen en slaan hem overal waar ze hem maar kunnen raken. De jongen schermt zijn gezicht met zijn handen af, hij kan geen kant meer op en zit in de val. Moekie herkent de kinderen. Het waren dezelfde die Lies en hem hadden verraden. Langzaam en grommend gaat hij op de groep pestende kinderen af. Geen van hen heeft hem in de gaten en dan springt Moekie tussen de pestende groep en gaat bovenop één van de pesters zitten. Voorzichtig zet hij zijn tanden in de arm van het kind. Net genoeg om hem in zijn greep te houden, maar niet stevig genoeg om een bijtwond te veroorzaken. De anderen slaan op de vlucht en het joch dat hij vast heeft plast van angst in zijn broek. Angstig kijkt hij in de ogen van de lelijke hond en hij voelt de lichte druk op zijn arm die wordt veroorzaakt door de hond. Hij begrijpt maar al te goed dat als hij zich zou verzetten, hij zich lelijk zou kunnen verwonden.
Moekie laat de arm van de jongen los en de jongen kruipt snel bij hem vandaan.
De kleine jongen, die met opgetrokken knietjes tegen het duin aan is gekropen kijkt hem verdrietig aan. Moekie gaat naar hem toe en geeft hem een lebber over zijn gezicht. De jongen begrijpt dat de hond hem heeft gered en dat hij van hem niets te vrezen heeft.
‘Dank je wel. Lies had al die tijd gelijk. Je bent helemaal niet gevaarlijk, eigenlijk ben je heel lief. Jammer dat niemand dat geloven wil. Nu moet ik echt gaan hoor,’ zegt hij en aait Moekie over zijn bol. Strompelend loopt hij naar het pad.
Vertwijfelend blijft Moekie achter. Ongetwijfeld zullen ze weer achter hem aankomen, denkt hij. Deze keer kon hij er maar beter voor zorgen dat hij op tijd weg zou zijn.
Hij wilde nog één ding doen en dat is naar de plek gaan waar hij altijd op Lies stond te wachten als ze uit school kwam. Het is stil. Het enige geluid dat hoorbaar is, was het piepende geluid van de trem die zijn rondje om de lus rijdt. Binnenin die lus bevinden zich de schooltuinen, waar Kale altijd de heerlijkste peentjes, boontjes of radijsjes vandaan haalde. Hoe vaak hadden ze die verderop niet zitten opsmikkelen. Oh, wat miste hij Kale en Lies.
Net als hij zich wil omdraaien hoort hij in de verte rumoer. Een stel kinderen duwt een soort stoel voort. ‘Nee hé, wat hebben ze nu weer verzonnen. Houden ze dan nooit op?’
Snel draait hij zich om en verdwijnt weer in de duinen.
‘Opschieten, straks is hij weg,’ hoort hij een stem roepen. ‘Kom, we hebben geen tijd te verliezen.’
Het meisje gebaarde dat ze haar naar de tramhalte verderop moesten brengen. Dat was de plek waar Moekie altijd op haar lag te wachten. Voorzichtig probeert ze uit de rolstoel te komen. Ze moet weten of hij er nog is. Heel even kan ze staan, maar dan verliest ze het gevoel in haar benen weer en moet ze weer in die ellendige stoel gaan zitten. Haar gedachten gaan terug naar de dag dat ze voor de laatste keer met Moekie aan het spelen was. De agent die op Moekie wilde schieten maakte een inschattingsfout. Hij raakte niet Moekie, maar haar. De kogel had haar rug geraakt en de doctoren hadden haar ouders verteld dat de verwondingen aan haar rug zo groot waren en dat ze daardoor nooit meer zou kunnen lopen. Lies weigerde de hoop op te geven.
‘Eens komt er een dag dat ik weer loop,’ zegt ze keer op keer. ‘Ik zal jullie bewijzen dat Moekie onschuldig is. Dat rotjoch heeft al die verhalen verzonnen. Ik ga er alles aan doen om eens weer te kunnen lopen.’
Haar moeder had alleen maar geknikt, alsof ze wilde zeggen: ‘Ik geloof je, maar als het niet zo is, dan is het maar zo.’ Nee daar nam Lies geen genoegen mee. Iedere dag deed ze braaf haar oefeningen, meer dan eigenlijk nodig was. Degene waar ze boos op was, dat was haar vader. Hij had Moekie als pup in de duinen achtergelaten. De reden was nog triester. Hij had hem achtergelaten om dat hij niet mooi genoeg was. Een monsterlijke hond had hij hem genoemd.
Op een avond was hij aan het randje van haar bed komen zitten en had haar verteld dat het niet fraai van hem was geweest om Moekie om die reden in de duinen achter te laten. Als blijkt dat Moekie nog in leven was dan zou hij hem met alle liefde opnemen, had hij haar beloofd. ‘Lieve meid,’ had hij gezegd. ‘Ik weet niet hoe ik het weer goed met je kan maken. Morgen dan gaan we haar samen zoeken.’ Ze had haar armen om hem heen geslagen en kon niet wachten tot de andere dag. Maar de volgende dag hadden ze gezocht en gezocht, maar Moekie was niet te vinden.
Een nieuwe morgen
Het is rumoerig buiten en voorzichtig schuift Lies het gordijn wat opzij en daar ziet ze een jongen voor het hek staan die met haar moeder praat.
‘Ik moet met Lies spreken,’ hoort ze hem zeggen. ‘Ik heb Moekie gezien en ze heeft gelijk. Hij doet geen vlieg kwaad en hij is heel lief. Hij heeft mij gered van een stel pestkoppen. Kijk maar,’ en laat haar moeder de blauwe plekken, die de jongens hem hebben toegebracht, zien.
Moeder gelooft hem en ze zegt dat hij maar snel binnen moet komen. Ze zorgen ervoor dat Lies in haar rolstoel komt en samen met de jongen gaan ze naar buiten. Onderweg roept de jongen tegen zijn vriendjes: ‘Kom we gaan Moekie redden.’
Lies laat zich voortduwen naar de voor haar vertrouwde plek, maar als ze er aankomt is Moekie in geen velden of wegen te bekennen.
Ik moet nu toch echt vertrekken, denkt Moekie. Het zal hier nooit meer zijn, zoals het ooit was. Nu Lies en Kale er niet meer zijn, is er geen enkele reden dat ik hier zou moeten blijven.
Nog éénmaal kijkt hij om zich heen en besluit dan voor de laatste keer het grafje van Kale te bezoeken om afscheidt van hem te nemen. Ook al is Kale er niet meer, maar zo af en toe gaat hij toch nog even bij hem langs. Voor het hol gaat hij zitten en praat wat in zichzelf.
Plots gaat zijn neus omhoog en spitst hij zijn oren. Het lijkt wel alsof hij een voor hem zo bekende stem hoort. Even schut hij met zijn kop en begrijpt er niets van.
‘Moekie, waar ben je. Ik ben het, Lies. Laat alsjeblieft iets van je horen. Je mag met me mee naar mijn huis. Er wordt niet meer op je gejaagd,’ hoort hij Lies met een brok in haar keel, roepen.
Ik word gek, het is echt de hoogste tijd om hier te vertrekken. Ik ga nu dingen zien of horen die er niet zijn. Mijn besluit staat vast. Ik ga, denkt Moekie.
‘Beste Kale, ik ga je verlaten. Het is hier niet leuk meer, maar ik zal altijd aan je blijven denken. Je was mijn beste vriend. Het is mijn schuld dat Lies er niet meer is. Het leven heeft voor mij geen enkele zin meer, maar…… Nog éénmaal tuurt hij over het water en dan vertrekt hij.
De kinderen duwen de rolstoel in de richting van het strand. ‘Misschien is hij wel op de plek waar hij altijd met het konijn aan het ravotten was,’ roept Lies de andere toe.
Bij het hek laat ze zich uit de rolstoel vallen en tijgert ze onder het hek door. De kinderen kijken haar na, maar zeggen niets. Misschien uit schaamte, door wat ze haar eens hebben aangedaan of om haar moed en kracht, die ze vertoont niet te willen verstoren.
Met moeite tijgert ze de duintop op, maar laat zich vermoeid vallen als ze ontdekt dat alles voor niets is geweest. Hier is niets meer. Geen Moekie, maar ook Kale is er niet meer.
‘Kunnen jullie me komen halen,’ vraagt ze snikkend.
Verdrietig staart ze naar de andere. Waarom blijven ze daar staan en doet niemand een poging om haar kant op te komen.
‘Achter je,’ schreeuwt de jongen die Moekie had bevrijd uit de handen van de pestende jongens.
Lies wil zich omdraaien, maar krijgt dan opeens een lebber over haar gezicht. Moekie had haar ontdekt.
Enkele weken later
Lies knapte zienderogen op en het duurde niet lang meer voordat haar benen haar weer konden dragen. Waar zij altijd heilig van overtuigd was, gebeurde. Op een dag zette ze haar eerste stapjes en tegen het eind van de zomer struinde ze samen met Moekie door de voor hen bekende duinen. Natuurlijk altijd voorzichtig genoeg om niet door de koddebeiers ontdekt te worden. Zelfs met de fiets hadden ze enorm veel plezier. Als ze de dijk afreed kon Moekie haar maar met moeite bijhouden. Moekie had eindelijk zijn thuisgekregen. Hij mocht gaan en staan waar en wanneer hij maar wilde. Het liefst was hij buiten in de duinen en soms bleef hij dagen weg. Alleen in de winter, als het erg koud was. Nee, dan was het thuis goed vertoeven. Dan lag hij prinsheerlijk voor de snorrende kachel en liet hij zich lekker verwennen door Lies.
