Schot is te boord 2

‘Ik weet niet wat u opdracht is, maar zo te zien kunnen we beiden geen kant op. Ik ben benieuwd hoelang je dat volhoud. En weet je, ik snurk ook nog,’ antwoordde de schipper.
De Hollander ontstak zijn zoeklicht en scheen ermee in zijn gezicht, maar meteen werd hij door een Duitser gesommeerd dat te laten.
De volgende dag merkte de schipper dat de Hollander rustiger was en niet meer zo achter hem aan kwam. De Duitser die Heinzel heette, was geen domme kerel, daar was hij inmiddels al achter. Behendig liet hij het schip zijn koers varen en tussen de mijnen door manoeuvreren. Een matroos die op de voorplecht stond, liet zijn kijker over het water glijden en zei tegen de schipper.
‘Je kunt maar beter alert zijn. Ook al weet die mof waar ze die mijnen hebben gelegd.’
‘Gelijk heb je en keek hem van opzij aan.’
‘Jan is mijn naam schipper.’
‘Ik neem aan dat jij ook niet vrijwillig hier aanboord bent,’ zei hij voorzichtig.
‘Ik niet schipper, maar hoe het met de rest zit, ik vertrouw niemand. En u?’
‘Ik had geen keus, het was of Duitsland, of varen. Voor mij was dit dus de beste keus, laten we het hier maar ophouden Jan. Misschien zijn wij ook niet te vertrouwen.’
‘Nou, schipper, ik voel dat u te vertrouwen bent. Mij kunt u alles vertellen. Mijn mond is op slot,’ en zonder op te kijken, zocht hij de zee af.
‘Ik weet het Jan, daarom juist. Over een uur kunnen we uitzetten. Laten ze alles alvast klaarmaken.’
‘Aai aai, schipper.’
Het net werd in stilte overboord gezet. Eenieder was verzonken in zijn eigen gedachtegang. Af en toe keken de ervaren zeelui om zich heen om te kijken waar de kleine jongen was, die normaal gesproken aanboord was. De werkelijkheid was nu anders. Geen kleine jongen meer die aan hun eerste teelt begonnen. Het was overduidelijk dat deze reis anders was dan zij gewend waren. Het voelde niet goed en de heimwee naar huis werd alleen maar sterker. Ze waren van de wereld afgesloten, je kon alleen maar raden wat er in je eigen dorp aan de gang was. De oorlog werd grimmiger en niemand wist waar en wanneer hij zou eindigen. Het gevoel van onmacht werd met de dag sterker. Waar ze ook waren, ze waren nergens veilig voor de moffen en de dood.
Na de weinige vangst, voer de logger over een rustige zee. De schipper wist maar al te goed hoe de zee in een helse storm kon veranderen. Zijn blik zocht de horizon af, hij was er bijna zeker van dat het weer elk moment kon omslaan. Het is al september, dacht hij. De pijn die hij in zijn botten voelde kon er weleens een voorteken zijn dat de winter vroeg zou kunnen invallen dit jaar.
Zijn hersens maalden maar door. De afgelopen uren had hij met het idee rondgelopen hoe hij zich uit deze situatie zou kunnen redden. Hoe je het ook wende of keerde, ze zouden eerst die Duitsers en dan die Hollander moeten uitschakelen. Wie zou hieraan mee willen doen. Als er maar één man tussen zat die hen zou verraden, dan konden ze het wel schudden.
‘Ja, maar ik ben te vertrouwen schipper,’ klonken de woorden door zijn hoofd. Hij vertrouwde zichzelf niet eens, waarom zou hij een ander vertrouwen, dacht hij

De dagen verstreken en plotseling schreeuwde een matroos dat er een mijn in zicht was. De schipper reageerde meteen en liet de logger achteruit slaan. Voorzichtig voeren ze om de mijn, maar de schrik zat er bij de bemanning goed in. Hoeveel mijnen zouden er liggen. De Duitser vertelde dat deze op drift geraakt moest zijn. Ze waren nu nog meer op hun hoede dan voorheen. De nachten waren het ergst, men had ook nog met de stroming te maken en wie weet hoeveel van die mijnen er op drift waren geraakt.
De vangst was goed en het moment kwam dat de vangst aan wal moest worden gebracht. Naar huis en opgelucht haalde de bemanning adem. Dat moment was van korte duur, want het bevel werd gegeven dat ze moesten opstomen richting Duitsland. En het werd al snel duidelijk dat de Duitsers aanboord van meet af aan hadden geweten dat ze niet terug zouden keren naar Holland. Vanaf het moment dat duidelijk werd dat de Duitse soldaten snel weer in eigen land zouden zijn, leek het of ze nog bedrevener werden in hun taak dan daarvoor. Ze kaarten wel met de overige bemanning en soms leek het erop dat ze de goedheid zelve waren, maar dat was een schijngestalte. Zo nu en dan veranderde ze in een dwangmatig en machtsbewuste persoon. Ook de Hollander werd feller. En wanneer iets niet naar zijn zin ging, liep hij met zijn wapen te zwaaien.

De schipper stond op de brug en naast hem stond de Duitser die de schipper vriendelijk aankeek.
‘Het spijt me,’ zei hij in gebrekkig Nederlands. ‘Ik ben ook een zeeman, maar ik moet mijn orders opvolgen. Als ik dat niet doe krijg ook ik de kogel. Verraders slapen niet. Het enige wat we kunnen doen is het beste ervan maken.’ De man haalde neergeslagen zijn schouders op.
De schipper keek hem onderzoekend aan en begreep niet goed wat de man nou eigenlijk precies wilde zeggen.

Een hevige explosie tilde de logger uit het water. Degenen die op dat moment in de buurt van de explosie stonden, werden uit elkaar gescheurd. Armen en benen vlogen in het rond. Vertwijfeld keek de schipper naar een paar mannen die de sloep probeerde te bereiken. De logger lag bijna negentig graden over stuurboord en het water borrelde uit het vooronder.
De kleine sloep kon op het nippertje worden losgesneden en de overlevende sprongen erin. Ook de schipper en de Hollander wilde een plaats in de sloep. De Hollander probeerde de schipper van de sloep weg te houden door hem terug te duwen. Toen dat niet lukte, schopte hij hem tegen zijn handen. Plots voelde de schipper een hand in zijn nek en werd binnenboord getrokken. De Duitser waarmee hij kort tevoren nog op de brug had gestaan, legde de schipper op een vlonder. Haalde uit naar de Hollander die het uitkrijste van de pijn en op de dof terug viel.
Ze spraken elkaar toe in snel Duits wat de schipper niet kon volgen en niets van het gesprek begreep. Onderdanig knikte de Hollander naar de Duitser en veegde het bloed van zijn gezicht.
Zeven van de vijftien man die zich aanboord van de logger hadden bevonden, konden het schip verlaten. De overige waren omgekomen door de explosie of waren in het vooronder verdronken.
De logger lag diep in het water en al snel hoorde ze het lawaai van het sissende geluid. Het schip werd omhooggetrokken en borrelend en sissend verdween het onder de oppervlakte.
Het helse kabaal, ging over in stilte alsof er niets was gebeurd. Verkleumt zaten de mannen in zichzelf gekeerd. De schipper nam het heft in de hand, doorzocht de sloep op spullen die ze zouden kunnen gebruiken. Het zeil dat over de sloep lag schoof hij opzij en dacht diep na. Zijn kleren liet hij in de zon drogen. Andere volgde zijn voorbeeld in de hoop dat de zon hun kleding voor zonsondergang gedroogd zou hebben. Zonder ook maar een woord te hebben gesproken, namen de schipper en de Duitser de leidende taken op zich. Van een roeispaan werd een mast gemaakt en het zeil werd eraan vastgemaakt. Trots keken ze elkaar aan toen de wind de sloep in beweging zette.
De Hollander die al die tijd alles om zich heen had bekeken en gezwegen, maande de Duitser dat hij het bevel over moest nemen om te zorgen dat ze niet in Engelse handen zouden kunnen vallen.
De Duitser knikt lichtjes, maar zette zich terug op een dof en liet de schipper zijn werk doen.
Die zette zich aan de helmstop, rechte zijn rug en met opgeheven hoofd sprak hij de bemanning toe.
‘Mannen, we zitten nu allemaal in hetzelfde schuitje. Het is te hopen dat we het er levend vanaf brengen. Ik zal proberen om de Noorse kust te bereiken. Met deze wind kunnen we alleen maar naar het Noorden of het Zuiden,’ en daarbij keek hij de Duitser aan. Die haalde een klein kompas uit zijn zak en gaf die, onder protest van de Hollander aan de schipper.
‘Jullie spannen samen,’ sprak hij driftig.
‘Nee hoor, we moeten samen door het leed heen zien te komen. Of heb je liever dat je in deze sloep sterft. Hou toch op met je NSB-gedoe. Hier heb je geen zeggenschap,’ zei de schipper standvastig.
Opnieuw wilde de Hollander uithalen, maar toen nam de Duitser hem bij zijn kraag en sprak hem in goed Nederlands toe: ‘Ik heb niet voor die rot oorlog gekozen. Dat heeft Hitler en die lafaards om hem heen gedaan. Ik ben maar een strohalm in het netwerk van moordenaars en mensen zoals jij. Jij die je eigen volk verraad en wil laten verzuipen.’
De schipper zag de Hollander blauw aanlopen omdat de Duitser hem te lang zijn keel dichtkneep. Op kalme stem sprak hij de Duitser toe dat hij hem moest loslaten.
‘Laat je niet verleiden door hem te vermoorden. De tijd zal zwaar genoeg worden en iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen.’
De Hollander deinsde achteruit en greep naar zijn pijnlijke nek. Al proestend droop hij af en ging voor in de sloep zitten. De overige mannen hadden met angst in hun ogen het gebeuren gevolgd. Eén van hen verbrak het stilzwijgen en wilde weten wie van hen nog meer aan de Duitsers wilde ontsnappen.
‘Ik begrijp dat jullie naar Engeland willen,’ zei de Duitser. ‘Buiten die Hollander ben ik nog de enige vijand hier aan boord. Ik zelf kies ervoor om naar Noorwegen te zeilen, zoals de schipper dat ook al opperde. Ook al ben ik een Duitser, ik heb ook Hollands bloed van mijn moeders kant door mijn aderen stromen. Mijn vader heeft ervoor gekozen om bij de SS te gaan en ook al denken vaders dat zij altijd het goede met hun kinderen voor hebben en keerde zich naar de Hollander. Dat gold ook voor jouw moeder. Leef je eigen leven. Laat je niet leiden door wat andere van je willen. Keer je niet tegen je eigen volk, dat is het slechtste wat je je naaste en vrienden kan aandoen. Niemand zal je meer in vertrouwen nemen of in de toekomst maar enigszins vertrouwen. Ik zou me nu ook tegen mijn eigen volk moeten keren, maar niet iedere Duitser is slecht, of op de hand van het regiem. Ik keer me ook niet tegen jullie,’ en één voor één keek hij de mannen aan. Laten we een middenweg nemen en proberen Noorwegen, of misschien Zweden te bereiken maar dat kan riskant zijn dus daar zou ik niet op gokken.’
‘Maar de Duitsers zitten toch ook al in Noorwegen,’ antwoordde één van de mannen.
‘Dat is waar, maar Zweden, daar komen we niet als jullie me niet vertrouwen.’
‘Leg uit,’ vroeg de schipper.
Als we richting Zweden gaan worden we voor zeker 90% aangehouden. We zullen ons er doorheen moeten liegen. Jullie zouden mij voor de volle 100% moeten vertrouwen dat is iets wat ik niet van jullie kan verwachten.’
Zwijgend keken de mannen hem aan. Niemand wilde zijn ware gedachten en gevoelens uiten. Naar mate de avond naderde werd het kouder en verkleumd kropen ze dichter naar elkaar om wat warmte van de ander te krijgen.
‘Ik vind dat we zo Noordelijk mogelijk moeten gaan en daar proberen aan wal zien te komen,’ zei de schipper. ‘Wie stemt voor mijn plan en wie voor…’
‘Heinzel is mijn naam,’ riep de Duitser.
Buiten de Hollander stemde iedereen in voor het plan om zo Noordelijk mogelijk te gaan varen.
De wind stak op en de sloep bewoog zich steeds sneller op de zuidoostenwind.
‘Als we zo kunnen doorvaren, zijn we in twee dagen bij de Noorse kust,’ sprak de schipper de bemanning toe.
Heinzel die het kompas aan de schipper had gegeven, werkte net zo hard mee om de sloep zo goed als kwaad op koers te houden.
Toen de zon boven de kim kwam, was de wind naar het oosten gekrompen en gaf het kompas pal noord aan. Tot hun schik lag ook nog eens één van de mannen hen met open ogen aan te staren. De schipper keek of hij nog iets voor hem kon doen, maar de dood was al ingetreden. Ze legde de man op de vlonder en trokken zijn jas en broek uit en ontdekten dat het been van de man zo goed als los aan zijn lichaam hing. Al die tijd had de man geen kik gegeven, ook al had hij ondragelijke pijnen moeten lijden.
Een matroos herinnerde zich dat hij de man, vlak voordat hij de sloep in klom, aan dek had zien strompelen. De schipper gaf de jas aan Jan, die alleen een dunne trui aanhad en rillend ineen gedoken zat.
‘Trek aan jongen. Hij heeft hem niet meer nodig.’
Heinzel en de schipper namen het lichaam op en lieten hem langzaam het water in glijden.
‘Moet je niet eerst een gebed doen, voor je hem overboord zet. Dat lijkt me wel het minste,’ zei de Hollander.
‘Dat doen we wel met jou,’ zei een andere matroos. Maar denk niet dat je daardoor in de hemel kom. Mensen zoals jou laten ze niet toe.’
De wind wakkerde aan tot kracht 5 a 6 uit het oosten en de enige koers die ze konden varen was scherp Noord.
‘Laten we hopen dat de wind verder ruimt,’ sprak de schipper om een gesprek opgang te krijgen. En Jan, heb je het nu minder koud?’
‘Dat wel schipper, maar volgens mij gaat de kou zijn intreden doen. Ik weet niet of het u opvalt.’
De schipper dook diep in zijn kraag en knikte bevestigend. Buiten de wind die het zeil liet wapperen was het doodstil. Om de beurt namen ze de zelf gemaakte grootschoot en probeerde het zeil zoveel mogelijk wind te laten vangen. Je werd er warm van, maar de energie werd op zijn beurt ook uit je lichaam gezogen. Dagen verstreken en het buiswater bevroor op de sloep. Een oostenwind ruimde af en toe, zodat ze hun koers op noordoost konden houden.
Opnieuw werd er een dode overboord gezet De kou was niet te harden. Ieder vreesde voor zijn eigen leven. Zo af en toe had men het gevoel dat het wat minder koud was, maar dat speelde zich alleen in hun hoofd af.
‘Wakker blijven schipper,’ schudde de Duitser aan zijn schouder. ‘Kijk eens wat er gebeurd. Kunnen we iets voor die man doen?’
De schipper knipperde met zijn ogen. Slaperig keek hij Heinzel aan en volgde zijn blik naar de man die hij aanwees. Achter de kim klom de zon langzaam omhoog. Beide mannen keken naar de verwarde man die zich optrok aan de rand van de sloep en zich in het ijskoude water liet vallen. Zijn gegil sneed door merg en been, terwijl de man zich vasthield aan de rand van de sloep, alsof hij spijt had van zijn daad.
De schipper sprong naar voren en probeerde hem weer binnenboord te halen.
‘Laat me maar schipper, het is goed zo. Ik voel de pijn wegvloeien,’ en plotseling liet hij de rand los. Verslagen keken de mannen naar de matroos, die voordat hij de sloep inging als enige een zwemvest had weten te bemachtigen. De man dreef van hen af en zwijgend keken ze hem na. De één na de ander begreep dat ieder van hen hetzelfde lot zou ondergaan als ze niet snel aan land zouden kunnen komen.
De wind was gaan liggen en in de verte zagen dat het lichaam af en toe door de deining zichtbaar werd. Plots hoorden ze het gekrijs van de meeuwen die zich op het lichaam storten. Krijsend pikte ze in het gezicht van hun maat, vlogen omhoog om dan weer omlaag te duiken.
‘We moeten hem helpen,’ schreeuwde de Duitser. Dat is onmenselijk!’
De schipper nam de roeispaan en wrikte op het lichaam af. Toen ze naast het lichaam lagen, moest de schipper kotsen van de staat waarin het lichaam zich verkeerde. De meeuwen hadden zich uitgeleefd op het lichaam. Van het gezicht van de man was zo goed als niets meer over. De oogkassen waren leeg omdat de meeuwen de ogen eruit hadden gepikt. Er zat zowat geen stukje vlees meer op het gelaat van de man.
‘Het enige wat we nog voor hem konden doen is zijn zwemvest uittrekken, zodat hij naar de diepte zinkt,’ zei de schipper en trok het vest van de man los.
Langzaam zagen ze het lichaam de diepte in zakken. De meeuwen die boven het lichaam cirkelde, krijste alsof ze daarmee wilde aangeven dat ze het er niet mee eens waren.
De wind stak op. De schoot werd aangetrokken en de sloep zette zich in beweging.
De schipper keek vluchtig in het rond en zag dat van de zeven man er nog drie over waren.
De Duitser, de Holander en de schipper, deze bedacht dat wanneer het erop aankwam hij in de minderheid was. Want hij nam vanzelfsprekend aan dat de Duitser de kant van de Hollander zou kiezen. Opnieuw werd het donker en de ijskoude wind sneed in hun gezicht. Ze gebruikte elk kledingstuk wat ze van de overleden bemanning hadden afgenomen, maar op deze kou was niet te kleden. De Hollander lag stil in een hoekje van de sloep en tot geruststelling van de schipper ondernam hij niets.

Einde deel 2