Tranen van bloed.

Het is windstil. Aan de horizon is een prachtig roodgeelachtige gloed van de zon te zien. Met een gelukkige blik in zijn ogen bekijkt de man het schouwspel. Achter hem hoort hij het getik van de Friese staander. Gestaag tikken de secondes weg. De klok waar hij opgesteld is geraakt is het enige wat hij over heeft vanuit zijn ouderlijk huis. Wonder boven wonder heeft deze klok de brand waarbij hij zijn beide ouders heeft verloren overleeft. Als hij zijn ogen sluit hoort hij nog het knetteren van de vlammen. Het is midden in de nacht als hij plots wakker is geworden. Tot op heden heeft hij geen idee wat hem op dat moment heeft gewekt. Hij had zijn kamertje niet meer kunnen verlaten omdat de vlammen dat verhinderden. De brandweerman die hem had gered, blijkt later zijn schoolmeester te zijn en heeft hem liefdevol opgenomen in zijn gezin.
Hij keert weer terug in de werkelijkheid en controleert het vlees wat op het vuur staat te sudderen. Even snuift hij de overheerlijke geur op en draait het gas uit.
‘Zo Joop dat ziet er goed uit.’ en loopt naar de huiskamer. Gaat voor het raam staan en tuurt de weg af. De weg waar zijn vrouw elk moment kan verschijnen. Ze wonen aan het eind van het dorp en de weg wordt zelden gebruik, tenzij je er moet zijn of op door reis bent. Kijkt nog even naar de lucht en wandelt naar de voordeur. Opent deze en gaat op het bankje voor het raam zitten. Hij weet dat het niet lang meer kan duren voordat hij haar auto zal kunnen zien. Wat dromerig tuurt hij over het landschap en denkt aan de baby die zij samen verwachten. Oh, wat is hij blij dat ze uiteindelijk is gezwicht voor zijn argumenten en alsnog heeft besloten om met zwangerschapsverlof te gaan. Ze wilde zolang mogelijk doorwerken had ze telkens gezegd, maar hij had haar daarin tegengesproken.
‘Waarom, ik voel me toch goed,’ is telkens haar antwoordt als hij erop aandringt om op tijd te stoppen. Uiteindelijk heeft ze ingestemd en gaat met verlof. Haar verlof is vorige week ingegaan, maar ze zal nog een dagje moet werken om alles over te dragen om goed af te sluiten.
‘Vanaf morgen heb je me helemaal voor jezelf. Ten minste totdat de baby er is en ik over een paar maanden weer aan het werk ga,’ had ze deze morgen zachtjes gefluisterd en hem teder gekust.
‘Ik word papa,’ schreeuwt hij zijn blijdschap uit.
Eindelijk hoort hij een bekent geluid van haar auto. Kijkt op en ziet een witte stip zijn richting opkomen. Het stipje wordt steeds groter en hij telt de secondes. Inmiddels weet hij precies hoeveel het er zouden zijn totdat ze weer in zijn armen vliegt. Hij tuurt met zijn hand boven zijn ogen de weg af en ziet een tweede auto’s zijn richting opkomen. De Auto die vlak op haar hielen zit rijdt veel te hard, denkt hij.
De auto kleeft als het waren achter die van zijn vrouw. Hij weet zelf dat de weg totaal niet geschikt is voor een inhaalmanoeuvre. Opgelucht ziet hij de auto achter die van zijn vrouw blijft hangen. Ze moet nu nog de scherpe bocht maken, het laantje oprijden en dan is ze thuis. De auto van zijn vrouw nader de bocht, als plots de auto achter haar dot gas geeft en probeert te passeren.
Het lukt de chauffeur en net als hij denkt dat hij veilig passeert, begint de auto van zijn vrouw te slingeren en klapt frontaal tegen een boom. Enkele seconden blijft hij als het waren verlamd staan. Zijn benen wil hem niet meer dragen en machteloos ziet hij rook uit de motorkap omhoog stijgen. Hij rent naar de auto en daar ziet hij zijn vrouw door de klap door de voorruit is geschoten. Haar hoofd ligt onbeweeglijk op de motorkap en het bloed sijpelt uit haar hoofd oren en mond. Haar lange blonde haren ligt in een plas met bloed en haar blauwe ogen kijken hem in het niets aan.
Hij probeert of ze aanspreekbaar is, en legt zijn hand op haar buik. Verward kijkt hij om zich heen en begrijpt dat hij hulp moet gaan halen. Van onmacht boosheid en emoties, wil hij de bestuurder van de bewuste auto erop aanspreken, maar de veroorzaker is in het niets verdwenen. Snel zoekt hij in de zakken van zijn broek naar zijn mobiel, maar die vindt hij niet. Rent terug naar huis en belt de politie en ambulance.
‘Mijn vrouw is van de weg gereden en ze is zwanger. Volgens mij is ze dood, kom alstublieft snel. Ja dat klopt, voor nummer 13,’ rent terug en verslagen kijkt hij naar haar gezicht. Haar ogen zijn rooddoorlopen en het is alsof de bloedsporen op bloedtranen lijken. Haar buik die dik en rond moet zijn ligt verdrukt op de motorkap. Even denkt hij haar buik te zien bewegen en legt zijn hand erop, maar kan geen beweging waarnemen. Hij heeft geen idee van hoe lang het heeft geduurd voor de politie en de ambulance arriveerden.
De ambulancebroeder meldt dat die een zeer zwakke pols voelt. En een agente kijkt hem zwijgend aan.
‘Gaat u mee meneer. Ik weet niet of ze uw vrouw kunnen redden, maar misschien is er nog hoop voor de baby,’ fluistert ze.
Op de spoedeisende hulp wordt het lichaam van zijn vrouw een kamertje in gereden, maar hij zelf moet in de wachtkamer plaatsnemen. Aan de muur hangt een tv toestel wat een ingelast journaal uitzendt. Hij scherpt zijn ogen, maar hoort niet wat er wordt gezegd. Iets over een vliegtuig dat is neergehaald?
De vrouw naast hem kijkt verontwaardigd naar het beeld. ‘Wat erg vindt u niet? Wie doet nou zo iets. Ze zeggen dat niemand het er levend vanaf heeft gebracht.’
Hij laat zijn hoofd zakken en tuurt naar de grond. Even kijkt hij haar aan en knikt bevestigend. Een verpleegkundige komt hem af en toe de laatste ontwikkeling vertellen. Aan haar gezicht weet hij meteen dat het helemaal mis is. Ze vertelt dat ze de hoop had de baby te kunnen redden, maar helaas.
Hij geeft geen antwoord en knikt alleen maar. Buigt voorover, legt zijn hoofd in haar handen en laat zijn tranen de vrije loop. Als hij zich van haar losmaakt, vraag ze of zij iets voor hem kan doen. Het antwoordt is nee en zegt dat hij nu graag alleen wil zijn. Ze legt haar hand op zijn schouder en belooft zodra ze meer weet hij op de hoogte wordt gehouden. Ook zij verdwijnt om hem aan zijn verdriet over te laten.
Het duurt lang en hij heeft geen idee hoelang hij al wacht. Nog eenmaal heeft hij de verpleegkundige terug gezien. Ze heeft hem verteld dat ze zijn vrouw naar de operatiekamer is gebracht. Hij kijkt op zijn horloge en ziet dat er inmiddels enkele uren zijn verstreken sinds het ongeluk.
Plots wordt de deur geopend en de arts die nog steeds gekleed is in zijn groene ok-pak komt binnen. Met een machteloos gebaar trekt hij zijn ok-muts van zijn hoofd en gaat zwijgend tegenover hem zitten. Dit zijn de momenten in zijn vak die hij verafschuwd, zeker als hij beide hebt moeten opgeven.
Hij kijkt de dokter met tranen in zijn ogen aan. ‘U heeft ze niet kunnen redden hé?’
De arts knikt en zegt. ‘Het spijt me. We hebben niets kunnen doen. De klap van het ongeluk en de tijd.’
‘Ongeluk! U bedoelt moord. Het is geen ongeluk, mijn vrouw is gewoon vermoord. Van de weg afgereden,’ schreeuwt hij hem toe.
Verslagen kijkt de arts hem aan. Hij begrijpt maar al te goed wat de man doormaakt. Deze uitbarsting is van korte duur, want hij beseft dat hij zijn vrouw hiermee niet terug krijgt.
‘Als u wilt, kan ik u naar u vrouw en kind brengen?’
Hij knikt alleen maar, en volgt de arts naar zijn vrouw en dochtertje. Ze hebben de sporen van het ongeluk zo goed als mogelijk verwijderd. In bed ligt zijn vrouw en kind. De baby ligt in de armen van haar moeder. Ze was al volgroeit. En moment lijkt het erop alsof ze slapen, maar de sporen in haar gezicht doet hem tot de werkelijkheid terugkeren. Hij neemt naast het bed plaats wetend dat hij deze aanblik nooit meer zal vergeten. Hoe lang hij daar heeft gezeten kan hij zich later niet meer herinneren. Het is al ver na middernacht als hij het ziekenhuis verlaat en zich met een taxi naar huis laat brengen. In het ziekenhuis hebben ze nog wat papieren in zijn handen gedrukt en hem verteld dat de politie de volgende dag nog bij hem langs komt.
Vanuit de taxi ziet hij de auto van zijn vrouw nog altijd tegen de boom staan. Daaromheen ziet hij het lint waarmee de omgeving voor het sporenonderzoek is afgezet.
‘Nou, dat moet een aardige klap geweest zijn,’ zegt de chauffeur achteloos.
‘Ja, dat is het ook. Mijn vrouw en kind hebben de klap niet overleefd.’
‘Oh sorry dat wist ik niet,’ verontschuldigt de chauffeur zich.
‘Dat kan u ook niet weten.’
De taxi stopt voor het huis. ‘Sterkt mijnheer,’ zegt de chauffeur en rijdt weg.
Verdoofd loopt hij de kamer binnen en kijkt in het rond. In zijn handen heeft hij nog steeds de papieren die hij van de verpleegkundige heeft gekregen. Hij begrijpt dat hij het een en ander zal moeten gaan regelen. Laat zich op de bank vallen en probeert te herinneren of zij ooit over de dood hebben gesproken en nog belangrijker. Wat nu…
De volgende morgen staat er een begrafenisondernemer op de stoep om de uitvaart van zijn vrouw en dochtertje te regelen. En niet lang erna belt een agent aan om zijn verhaal van het ongeluk op te nemen. De begrafenisondernemer moet een moment geduld hebben, en moet buiten een moment wachten.
Als de agent hem aanhoort, vertelt hij zijn verhaal over wat hij heeft gezien. Het sporen onderzoek op de plek van het ongeluk is bijna afgerond en door het raam ziet hij de auto wordt meegenomen voor onderzoek. De agent belooft dat ze alles in het werk zullen stellen om degene die het ongeluk heeft veroorzaakt op te sporen. Als de agent het huis verlaat, bespreekt hij met de begrafenisondernemer de details voor de begrafenis. Hij eist dat zijn vrouw en dochtertje samen in één kist begraven moet worden. De ondernemer op zijn beurt zegt dat hij deze kwestie eerst moet opnemen met zijn meerdere.
‘Misschien moet hier speciale regelingen voor worden getroffen, maar ik zal alles in het werk stellen om je wens in te kunnen willigen. Echter, het is wel nodig dat de overledenen in eerste instantie in aparte kisten worden opgebaard tot dat er officieel goedkeuring is verkregen om ze samen in één kist te begraven. Om deze reden zou het kunnen dat de begrafenis wat later moet plaatsvinden.’
Hij knikt en antwoordt dat hij hoopt dat dit geen probleem gaat worden.
De volgende dag worden de lichamen van zijn vrouw en dochtertje thuis opgebaard. De witte kist van zijn vrouw staat in het midden van een kamertje. Bovenop haar kist staat een hemelblauw kistje dor hem zelf uitgekozen. Twee kandelaars aan beide zijde van de kist maakt het geheel af. Nu is het wachten op de bevestiging om zijn gezin in één kist te begraven. Gelaten laat hij de condoleances over zich heen gaan. Uit eindelijk krijgt hij toestemming om beide in één kist te begraven.
Het plaatselijke krantje meldt de dood van zijn vrouw in een klein berichtje. De letters danst op zijn netvlies als hij het bericht leest. Het ongeluk wijten ze aan een vermoedelijke stuurfout van de bestuurster. Daardoor verloor deze de macht over het stuur en kwam tot stilstand tegen een boom.. Hij zet de tv aan en met ledenogen kijkt hij naar de beelden die al drie dagen onafgebroken alle aandacht aan het vliegtuigongeluk en de oorzaak ervan wordt besteedt. Kosten nog moeite worden bespaard om de toedracht van het ongeluk te weten te komen. Ongetwijfeld zal dit nog heel lang gaan duren en flink in de papieren lopen. In zijn gedachte hoort hij de begrafenisondernemer: ‘We hebben toestemming om uw dochtertje met haar moeder in één kist te begraven, echter u zult wel het gebruikte kistje moeten bekostigen.’

De begrafenis.

De dag van de begrafenis is aangebroken en zoals afgesproken worden moeder en dochter herenigd in één kist. Liefdevol werpt hij een laatste blik op zijn beide geliefden die hij zo kort bij zich heeft mogen houden. Haar wens om maar één enkele rode roos op haar kist te leggen heeft hij vervuld. In de handjes van de baby legt hij liefdevol haar eerste knuffel dat zijn vrouw voor haar had gekocht, en waarmee ze hem heeft verteld dat hij papa gaat worden. Met een brok in zijn keel en een bonkend hart, spreekt hij haar toe.
‘Lieve schat, ik heb zo goed mogelijk geprobeerd om je wensen te vervullen. Je zei altijd, wat er ook gebeurd het leven gaat verder. Je weet dat ik met deze worden eens was, maar het doet zo’n pijn. Het is verschrikkelijker dan ik me heb kunnen voorstellen. Echt ik weet niet hoe ik verder moet. Jij en ons kindje zijn van mij weggenomen, waar ik zo gelukkig mee zou worden. Ik beloof je dat ik de dader zal vinden en hem of haar…, nee dat zou jij niet willen. Dan ben ik net zo slecht.’
Tranen stromen uit zijn traanbuizen, Vallen op de kist om dan uiteen te spatten. Plots voelt hij een hand op zijn schouder.
‘Het is nu echt tijd om afscheid te nemen meneer,’ hoort hij een stem bedeesd zeggen.
De dienst is sober. Er zijn wat vrienden en enkele collega’s van zijn vrouw. Als in een waas gaat de plechtigheid aan hem voorbij. Dan wordt de kist plechtig opgepakt en naar haar laatste rustplaats gedragen. Langzaam zakt de kist in het graf en de aanwezige groeten voor de laatste keer de overledenen. Plots voelt hij een klein warm handje tussen zijn vingers glippen. Hij opent zijn ogen, en als hij naar opzij kijkt ziet hij een gezichtje van een klein meisje dat hem vragend aankijkt.
‘U bent ook verdrietig hè,’ zegt ze met een zacht stemmetje. ‘Ik ook, want mijn papa is dood. Gewoon zomaar doodgegaan. Is uw papa ook dood gegaan?’
Hij kijkt in haar hemelsblauwe ogen. Blonde krullen danst in het rond als ze haar hoofd beweegt. Ze kijkt hem nog steeds vragend aan en trekt aan één van zijn vingers.
‘Ja lieve schat, ik ben ook verdrietig, net als jij.’
‘U mag best huilen hoor dat doen mama en ik ook. Dag hoor, ik ga weer naar mijn mama,’ fluistert ze en voor ze vertrek wrijft ze met haar mouw haar tranen weg. Laat zijn hand los en rent van hem weg.
Hij kijkt haar na en ziet dat een vrouw haar opvangt. Een moment vangen hun ogen elkaar. Dan went ze haar blik van hem af en verdwijnt beiden achter een hoge haag.
Nog eenmaal kijkt hij in het graf. Draait zich om en verlaat het kerkhof.

Een paar weken later.

Het huis is veranderd in een puinhoop. In de keuken stapelde de etensresten en vaat zich op. Al weken is er niet gelucht en een muffe lucht vult het huis. Op een bankje voor zijn huis staart hij voor zich uit. Achter zich hoort hij het nieuws wat nog dagelijks nieuwe berichten uitzendt over de vliegtuigramp. Duizenden mensen zijn ermee bezig. Een bloemenzee toont het medeleven aan de nabestaande en de slachtoffers van de ramp. De omvangrijke medeleven stuit tegen zijn borst. Zijn al die andere belangrijker dan zijn vrouw en kind, denkt hij.
Het onderzoek en de echte toedracht heeft niets opgebracht. Wel is er schade aan de linkerzijde dat erop wijs dat zijn verhaal wel eens juist kan zijn. Alsof hij het heeft verzonnen. Zelf is hij ook op onderzoek gegaan, maar dat stuitte op veel weerstand in het dorp. En de politie heeft hem geadviseerd zich erbuiten te houden. Hij begint de grip op zijn leven kwijt te raken. Al weken is hij niet meer aan zijn werk toegekomen en begint zich af te vragen hoelang zijn opdrachtgever dit nog gaat pikken.
‘Hallo meneer. Wilt u kinderpostzegels kopen,’ hoort hij plots een kinderstem vragen.
‘Postzegels,’ moppert hij in gedachten. ‘Eh…, ja natuurlijk. Ik zal even mijn portemonnee pakken.’
‘Hoeft niet hoor meneer. U moet het bedrag elektronisch overmaken.’
‘Oh, ja dat is goed.’
‘Maar u moet wel even dit formulier invullen. Kent u mij niet meer? Ik ben het. Weet u nog? Ik heb u gezien op het kerkhof toen mijn papa werd begraven. U bent nog heel verdrietig hè? Mama en ik zijn dat ook nog hoor, maar mama zegt dat het op den duur wel slijt,’ en ze kijkt hem vragend, maar toch ook verdrietig aan.
‘Ik weet wie je bent. Natuurlijk slijt het,’ liegt hij om haar tegemoet te komen. Ook niet begrijpend waar ze de kracht en de wijsheid vandaan haalt. ‘Jij bent een sterk meisje. Jouw mama mag blij zijn met zo’n lieve schat.’
Glunderend kijkt ze hem aan. De lieve lach van haar doet hem smelten. Natuurlijk heeft hij verdriet, maar dat was niets vergeleken met haar die een papa moet missen. Ook dat verdriet is hem niet bespaard gebleven. Hij staat op, aait haar over haar bol en pakt het formulier van haar aan.
‘Blijf maar even hier wachten,’ en loopt naar binnen.
Voor hij er erg in heeft staat ze naast hem in de kamer.
‘Zo, wat een troep hebt u gemaakt en het stinkt verschrikkelijk,’ roept ze en knijpt haar neusje dicht.
‘Je kunt wel zien dat hier geen vrouw woont,’ en behendig schuift ze de gordijnen opzij en opent het raam. ‘Weet u wat, ik help u wel even. Zo kunt u toch niet leven. Hier wordt u ziek van.’
Hij is zo verbaast dat hij niets kan uitbrengen. Hij volgt haar en vraag hoe oud ze wel is en waar ze die wijsheid vandaan heeft. Zijn helse reactie doet haar terug deinzen en rent naar buiten waar ze braaf op het bankje op haar formulier zitten wachten. Althans ze weet dat ze te brutaal is geweest en hem misschien erg boos gemaakt. Als ze hem naar buiten ziet komen probeert ze een glimlach op haar gezicht te toveren.
Ze weet niet dat er geen spraken is van boosheid en overhandigt haar het ingevulde formulier.
De angst in haar ogen hebben plaatsgemaakt voor vrolijkheid.
‘Het spijt me, ik had niet zo tegen je moeten uitvallen. Je overviel me met je wijsheid. Je hebt gelijk, het is hier een bende en ik beloof je dat ik meteen ga opruimen. Ga nu maar gauw.’
‘Ach, u heeft gelijk. Mama zegt ook altijd dat ik de wijsneus uithang. Dag meneer, ik kom wel weer als de postzegels er zijn,’ en huppelend schuift ze het formulier in haar tas. Zwaait nog eenmaal en verdwijnt achter de haag.
Voor de eerste keer sinds weken komt er wat ontspannen in zijn lichaam. Dat is al de tweede keer dat ze achter een haag verdwijnt, net als toen op de begraafplaats, denkt hij.

Weken later.

Weken verstrijken. Hoe hij het ook wendt of keert het meisje heeft hem gedeeltelijk weer op de rails gekregen. Diezelfde dag nog heeft hij het huis in orde gebracht en is pas gestopt nadat alles er weer schoon fris en toonbaar uitzag. Uren is hij bezig geweest, maar dat helpt hem ook om de herinneringen vast te houden. Enkele dagen later heeft hij de moed opgevat om hier en daar wat spullen van zijn vrouw op te ruimen. En het in dozen verpakt het naar de zolder gebracht. Eens zal hij ze laten verwijderen, maar daar is hij nog niet aan toe. Voorzichtig begint hij weer aan zijn opdrachten te werken. Tenslotte moet er ook weer geld op de plank komen.
Dagen verstrijken en het zonnetje wordt met de dag sterker. Ook de tuin ziet er niet uit en met goede moed begint hij het onkruid te verwijderen.
Plots hoort hij een bekend stemmetje roepen. ‘Meneer, meneer, bent u thuis. Ik heb de postzegels voor u!’
Als hij opkijkt ziet hij haar vanachter de haag vandaan komen. Met een envelop in haar handje zwaait ze naar hem. ‘Het zijn mooie zegels,’ en overhandigt hem de envelop.
Glimlachend pakt hij het aan en haalt ze voorzichtig uit de envelop. ‘Zeker, ze zijn erg mooi.’ ‘Ben je helemaal lopend naar hier gekomen om ze te brengen. Je had ook kunnen bellen dan had ik ze opgehaald.’
‘Oh, maar mama is met me meegefietst. Ik mag niet te laat thuis komen, want het is een heel eind fietsen.’
‘Heel verstandig van je mama, maar waar is zij dan,’ en op dat moment verschijnt haar moeder op het tuinpad en stelt zich voor: ‘Ik ben de moeder van Snow, mijn naam is Jill.’ en geeft hem een hand.
‘Ik wilde haar niet alleen laten gaan. Het wordt nog steeds vroeg donker en het is hier zo afgelegen.
‘Hoi, mijn naam is Joop. Ik zie het al, ze lijkt sprekend op u, maar ik wist niet dat haar naam Snow is. U mag trots op haar zijn. Op haar eigen directe wijze weet ze mensen voor zich te winnen. Ook al kan dat heel confronterend zijn.’
‘Ik begrijp volkomen wat u bedoeld. Ze is veel te wijs voor haar leeftijd,’ en glimlacht hem vriendelijk toe. ‘Ik weet wat u is overkomen en ik wil u mijn medeleven tonen, maar…’
‘Ik weet dat u en Snow net zoveel verdriet heeft als ik,’ en probeert door deze woorden een conversatie opgang te brengen. Ze vertelde mij op het kerkhof dat zij haar papa héeft moeten begraven. Ga even zitten dan haal ik iets te drinken voor ons.’
Ze kijkt hem verbaast aan. Dit heeft ze nooit verwacht. Ze loopt met hem mee de tuin in en neemt plaats in één van de tuinstoelen. ‘Het spijt me zo van uw gezin. Ik ben zo boos,’ fluistert ze.
‘Boos, op u dochter. Dat hoeft niet hoor, ik begrijp haar wel.’
‘Nee, niet op haar, maar op mijn overleden man,’ zwijgt opnieuw en buigt haar hoofd omdat ze haar tranen niet wil laten zien.
Hij kijkt haar niet onbegrijpend aan en even is het stil.
‘Mama wat is er,’ vraagt Snow en kijkt hem verwijtend aan. ‘Bent u lelijk tegen haar geweest.’
Hij kijkt haar glimlachend aan en geeft een aait over haar bol. ‘Nee hoor, het komt wel goed met je mama. Weet je wat, achter in de tuin staan verse groenten. Pluk maar zoveel als je wilt zodat je die straks mee naar huis kunt nemen.’
Nog even kijkt ze haar moeder aan. Als ze ziet dat het goed is huppelt ze weg.
‘Het is heel erg wat er met jou gezin is gebeurd. Je vrouw en je kind zomaar weg. Het spijt me zo.’
Hij begrijpt weinig van wat ze zegt. ‘Net zo triest voor jou. Jouw man is er toch ook niet meer. Weet je, weken heb ik hier voor mij uit zitten staren en geloof het of niet. Het is jouw dochter die mij weer een zetje gaf. Het is een pracht meid, daar mag je trots op zijn.’
Ze bedankt hem voor zijn troostende woorden. Hij zelf knikt tevreden, pakt haar hand en geeft er een tedere kus op.
Snow komt met een mandje groente en fruit. En laat deze aan haar moeder zien.
‘Verse groente kunnen we altijd wel gebruiken lieverd. Kom schat, we moeten naar huis, het wordt al donker.’
Hij volgde ze naar het hek waar ze op hun fiets stappen en al zwaaiend vertrekken. Hij voelt zich goed en heeft het idee dat hij weer op het juiste spoor beland is.

Winter.

De dagen worden korter. Sneeuwvlokken dalen zwevend naar beneden en hechten zich vast aan de sneeuw op de grond. Inmiddels is er meer dan een halfjaar verstreken na het verlies van zijn vrouw en dochtertje. Op tv worden nog dagelijks nieuwe berichten over het vreselijke vliegtuigongeluk gemeld. Gebroken kijkt hij naar de berichten die hem telkens aan zijn eigen verdriet doet herinneren. In het beging had hij zich erover opgewonden en zag hij weer het bebloede gezicht van zijn vrouw op de motorkap. En de ijzige blik van haar ogen die telkens in nachtmerries terugkomen. De hulpeloosheid van de ambulancebroeder die had gehoopt het kindje te kunnen redden. Die enorme propaganda en beloftes rondom de ramp. Wanneer zouden de nabestaande deze periode kunnen afsluiten, denkt hij?

Kerstavond.

De maan die vol aan de hemel staat geeft de sneeuw een blauwachtige gloed die schitterde in het maanlicht. In het huis is het stil, maar het tikken van de klok straalt rust uit. Diep snuift hij de geur van verse koffie op. ‘Kerstavond,’ fluisterde hij. Hij denkt terug aan de vorige kerst. Hoe anders zou zijn leven er uitgezien hebben als zijn geliefde nog zou leven. De afgelopen tijd heeft hij zich volledig op zijn werk gestort. Dat help hem door de eenzame uren heen. Daarnaast is er in en rondom het huis nog genoeg te doen om niet aan zijn verdriet te hoeven denken.
Plotseling hoort hij de deurbel. Als hij de deur opent kijkt hij in het verlegen gezichtje van Snow.
‘Lieve schat wat brengt jou hier op dit tijdstip. Kom snel binnen. Je trilt van de kou. Ga maar lekker bij de openhaard zitten.’
Neemt haar veel te dunne jasje aan en maakt snel een kop warme chocolademelk voor haar. ‘Wil je er slagroom op?’ ‘Is goed hoort ze haar zuchten. Zwijgend gaat hij tegenover haar zitten in de hoop dat ze uit zichzelf zal gaan vertellen wat haar heeft doen besluiten om naar hem toe te komen.
Ze likt aan de slagroom die aan haar neus blijft plakken. Drinkt daarna gretig de warme chocolademelk op en kijkt hem af en toe met haar blauwe ogen aan. ‘Zo, dat is lekker,’ en houdt de mok met beide handjes stevig vast.
‘Is er iets gebeurd,’ vraagt hij voorzichtig om haar niet af te schrikken.
‘Nee, niet echt. Mama en ik willen heel graag kerstavond vieren, maar we hebben geen kerstboom. Weet u, Ik heb een heleboel kerstbomen in uw tuin zien staan. Kan ik er misschien één van u kopen. Al is het maar een piepkleine, want ik heb maar 50 cent gespaard. Weet u kerstbomen zijn heel duur. En mama moet heel zuinig zijn,’ fluistert ze en verlegen draait ze haar gezichtje van hem weg.
Hij zelf is opnieuw van slag door haar. Krabt achter zijn oor en kijk haar wat hoofdschuddend aan. ‘Tja, met een halve euro kom je niet ver. Ik zal daar zeker geen winst op maken,’ lacht hij haar toe. ‘Kom, laten we de mooiste boom uit de tuin halen. Gratis en voor niets.’
Ze veert op en springt om zijn hals. ‘Echt waar!!!’
Hij knikt en samenlopen ze naar de tuin om de mooiste boom uit te zoeken. Haar ogen worden steeds groter. Elke boom die ze zag vind ze mooi. En er staan er ook zoveel. ‘Moment dan zien we nog beter en steekt de buiten verlichting aan. Meteen slaat ze een hand voor haar mond en zegt. Ze zijn allemaal mooi. Dat wordt moeilijk kiezen. Ze draait in het rond, haalt haar schoudertjes op en kan niet kiezen. De één is te groot en de ander weer te klein of te mager. Plots blijft ze bij één van de bomen staan. ‘Dat is hem. Deze wil ik heel graag hebben,’ roept ze blij.
‘Dat kan niet. Ik heb deze al voor mezelf uitgekozen,’ maar voor ze kan schrikken zegt hij. ‘Nee hoor schat dat is een grapje. Oké, deze wordt het. Weet je het zeker,’ en ze knikt hem toe.
Ze pakken een schep en samen halen ze de boom met wortel en al uit de grond. Blij kijkt ze naar de boom, maar plots veranderde haar gezichtje en kijkt hem met een ernstige blik aan. ‘Tja, ik zal wel naar huis moeten lopen, want ik krijg hem nooit mee op mijn fiets.’
‘Nee schat, ik breng je met de auto thuis. Laten we je fiets en de boom in de auto laden en dan breng ik je snel thuis. Je moeder zal vast wel ongerust zijn. Weet ze eigenlijk wel waar je bent?’
Snow schudt schuldig haar hoofd. ‘Ik zie het al. Je bent weer ondeugend,’ glimlacht hij naar haar. Laten we maar snel gaan. Ik wil niet dat je mama boos op mij word. Wacht, ik ga nog even wat proviand en wat lekkers voor jullie uit de kelder halen. Dan zal ze toch wel minder boos op ons zijn.
‘Goed plan.’ ‘Ja hè dan is het pas echt kerstfeest voor jullie.’
Een minuut of tien later stappen ze in de auto en rijden naar haar huis.
Haar moeder is de wanhoop nabij en staat op het punt om de politie in te schakelen. Maar dan ziet ze een onbekende auto voor de deur stoppen. Haalt opgelucht adem als ze het blije gezichtje van haar dochter ziet uitstappen. Snel loopt ze naar buiten als haar dochter haar meteen in de armen vliegt, en vertelt dat ze een kerstboom heeft gescoord. Joop haalt de fiets uit zijn auto en brengt de kerstboom naar binnen.
Daar krijgt de boom een mooi plaatsje in de hoek van de kamer. En meteen als ware het middelpunt van de kamer wordt. Snows mama haalt de kerstversiering van zolder en het komende uur zijn ze druk bezig om de boom op te tuigen. Snow straalt en kan haar ogen niet van de boom afhouden. En al zeker niet nadat ze de lichtjes mag ontsteken. Gekleurde lampjes veranderd de ruimte in een sprookjesachtige omgeving. Snow gaat in kleermakerszit voor de boom zitten om deze eens goed te bewonderen.
‘Koffie,’ vraagt Jill.
‘Zeker weten. Dat hebben we wel verdiend.’
Ze overhandigde hem de dampende koffie en ze bedankt hem voor de boom en zijn giften.
Zwijgend kijkt ze naar de koffie, als hij ziet dat ze zit te piekeren.
Inmiddels is Snow op de bank in slaapgevallen en dekt hij haar toe met een dekentje.
‘Is er iets. Ik zie aan je houding dat je ergens mee zit,’ vraagt hij.
Met een flauwe glimlach kijkt ze op en haalt haar schouders op. Hij wacht geduldig af of ze haar verhaal aan hem kwijt wil. Als het te lang duurt, neemt hij haar hand. ‘Kijk me eens aan.’
Verlegen kijkt ze op en slikt een paar maal. Zachtjes fluistert ze: ‘Ik moet je iets ergs vertellen, want het is niet goed om het voor me te houden. Ik zag je op het kerkhof toen mijn man op dezelfde dag werd begraven. Ik weet niet wat Snow bezielde. Ze rende gewoon op je af en wat er gezegd is dat weet ik niet. Ook nooit om gevraagd. Ik heb haar maar laten gaan. Toen ze je hand vasthield en jij met haar in gesprek was, heb ik het van een afstand bekeken. Er was iets wat ik niet kon bevatten. Normaal zou ik haar terug roepen,’ en kijkt hem vragend aan.
‘Maar wat is het probleem. We hebben beiden iemand verloren. Wat kan er dan erger zijn. Blijf er niet mee rondlopen. Voor alles moet een oplossing zijn. En misschien valt het mee.’
Ze staat op en loopt naar de kast. Uit een trommeltje haalt ze een vel papier. ‘Lees dit maar, waarschijnlijk wil je ons hierna nooit meer zien.’
Hij vouwt het briefje open en begint te lezen. Zijn mond valt open van schrik en zijn handen beginnen te trillen. Als hij het laatste woord heeft gelezen, kijkt hij haar aan. Zij staat er met gebogen hoofd bij en blijft maar naar de grond te staren. Hij neemt haar bij de kin en laat hem aankijken.
‘Dat is echt vreselijk. Heeft hij hierom zelfmoord gepleegd?’
Ze knikt en probeert zich te verontschuldigen. Hij kijkt opnieuw naar het briefje en kan niet bevatten dat haar man de bestuurder is die hem zijn gezin heeft afgenomen. De man kon niet verdragen dat hij twee mensenlevens op zijn geweten heeft en twee dagen na het ongeluk heeft hij zichzelf van het leven beroofd.
‘Dit moet erg pijnlijk voor je zijn, maar ik vind het moedig van je om het mij te vertellen. Blijf me alsjeblieft aankijken. Wat moet jij een pijn hebben. Ik ben niet boos op jou. Ik wil ook niet meer boos zijn,’ fluistert hij en trekt haar langzaam naar zich toe. Neemt haar in zijn armen en omhelst haar. Voorzichtig maakte ze zich van hem los. Kijkt hem liefdevol aan. Durft zich aan haar gevoelens voor hem over te geven en kust hem vluchtig.
Beiden gaan totaal in elkaar op en hebben niet in de gaten dat Snow inmiddels wakker geworden is.
Tevreden staat Snow naar hen te kijken en ze horen haar zeggen.
‘Betekent het dat we heel wat jaartjes kerstbomen uit u tuin kunnen halen?’
Lachend tilt hij haar op en antwoordt: ‘Sterker nog, als jullie willen mogen jullie bij mij komen wonen!’
Opeens wordt het doodstil. Beiden maken zich van hem los en ploffen tegelijk op de bank. Een heftig gekraak is er hoorbaar als de bank finaal doormidden zakt. Snow kijkt haar moeder aan en die kan nog steeds geen woord uitbrengen.
Snow als altijd het bijdehandje zegt. Nu de bank doormidden is, lijkt het mij een goed plan. Of hou je niet van hem?’
‘Nee dat is het niet, maar maar maar…, ik ben zo verlamt door wat hij vraagt dat ik niet kan zeggen of ik dat wel wil. Natuurlijk wil ik dat,’ en beiden vliegen hem om zijn nek.
De kerstdagen hebben ze nog samen bij Snow en haar mama thuis gevierd.
Snow noemt hem meteen pa en nog geen paar maanden hoort ze dat zij er een zusje bij krijgt.

Einde.