Overlijden mevrouw Jansen

De ochtendzon laat zijn warme stralen door het openraam schijnen. De vogels laten een zacht getjirp horen en het belooft een mooie en vrolijke dag te worden. Zoals gewoonlijk wil ik de heer en mevrouw Jansen met een bezoekje vereren en ik loop op mijn slippers naar hun huisje. Een niet pluis gevoel stroomt door mijn aderen. Vreemd, waarom zitten ze zoals gewoonlijk niet achter het raam op mij te wachten? Ik voel dat er iets niet klopt en even komt de angst voor het coronavirus boven. Ze zouden toch niet….
Dan zie ik mijn kleindochter die met een handdoekje haar tranen van haar wangen wegveegt. Ik loop op haar af en vraag wat er aan de hand is. Tranen stromen opnieuw over haar wangen, en legt haar hoofd tegen mijn buik.
‘Wat is er lieve schat,’ vraag ik zacht en achter haar zie ik mijn kleinzoon. Ook hij is in tranen. ‘Is er iets schatjes, kom vertel op.’
‘Oma, wij denken dat Tante Jans dood is. Ze beweegt niet meer. En…. En meneer Jansen probeert haar telkens wakker te maken. Hij is net als wij, erg verdrietig. Nu kan ik haar niet meer knuffelen, ook al weet ik dat dit door de corona niet mag. Misschien is het wel mijn schuld, ik had ook moeten luisteren. Oh, ik voel me zo schuldig oma,’ snikt ze en weer stromen de tranen rijkelijk over haar wangen.
Ik neem haar in mijn armen en probeer haar te vertellen dat zij daar echt geen schuld aan heeft. Mijn kleinzoon probeert zich groot te houden, maar kijkt me beteuterd aan. Ook hij geeft toe mevrouw Jansen te hebben geknuffeld.
‘Blijven jullie maar hier dan ga ik wel even kijken,’ fluister ik.
Meneer en mevrouw Jansen wonen in een huisje dat mijn dochter en schoonzoon voor ze hebben gekocht en achter in de tuin hebben geplaatst. Een kangoeroewoning, zo hadden ze het genoemd. Daar wonen meneer en mevrouw Jansen geweldig en ze genieten van de zon en de natuur. Langzaam loop ik erop af en zie meneer Jansen achter het raam ineengedoken voor zich uitstaren. Als ik de deur open, zie ik mevrouw Jansen languit op de grond liggen. Meneer Jansen is erg van slag en kijkt mij met droevige ogen aan. Ik ben bang dat mijn kleinkinderen de situatie goed hadden ingeschat en heimelijk voel ook ik mij wat bedroefd worden. Het was zo’n leuk stel. Ze zijn beide op leeftijd, maar ik had nooit verwacht dat mevrouw Jansen als eerste zou overlijden, zo zie je maar, denk ik: krakende wagens rijden het langst of zoiets.
Als ik besluit om te controleren of ze inderdaad is overleden, staat mijn dochter achter me en zegt: ‘Zo te zien is ze echt dood.’ Even krabt ze achter haar oor en dan fluistert ze: ‘Ze is te groot om in de container te gooien.’
‘Joh, dat mag je niet zeggen,’ waarschuw ik haar.
‘Sorry mam, ik ben ook van slag en je weet dat ik dan dingen zeg die soms niet kunnen. Ga jij maar naar de kinderen. Ik bel hun vader wel. Hij kon vandaag niet thuiswerken, maar als ik vertel waarom het gaat komt hij direct naar huis en kunnen we alles regelen.
Verbaast kijk ik haar aan en begrijp niet dat ze zo laconiek over het overlijden van mevrouw Jansen kan zijn. Aan de andere kant zie ik mezelf in haar. Terwijl ik de kinderen troost en we op hun vader wachten, zie ik hem even later de tuin in lopen.
‘Oma, gaan we haar begraven of wordt ze gecremeerd,’ vraagt mijn kleindochter.
‘Dat moet je aan mama en papa vragen, schat.’
Mevrouw Jansen wordt in een laken gewikkeld en op bed gelegd. Mijn kleindochter staat erop dat ze begraven wordt, zodat ze haar zo nu en dan kan bezoeken. Haar ouders vinden dat zij gecremeerd moet worden. ‘Dan kan je haar urn op je kamer zetten,’ fluistert haar vader. Ze kijkt hem bedenkelijk aan, maar geeft uiteindelijk toe. ‘Het wordt dus cremeren,’ vraag haar vader en allen knikken ze.
Ik bekijk het ritueel en schut even met mijn hoofd. ‘Oma gaat even zitten hoor,’ en ik neem plaatst op het bed. Mijn kleindochter kijkt me nog steeds bedroefd aan. Pakt mijn hand en fluistert.
‘Doe dat maar oma. Ik blijf ook nog wel even hier.’
Enkele uren later wordt er gebeld en wordt er een kartonnen doos gebracht. Mevrouw Jansen wordt gecremeerd, dus een kartonnen doos is voldoende, vinden mijn dochter en schoonzoon.
‘Ze gaat toch zo de oven in, dus waarom zo’n dure kist,’ zegt mijn schoonzoon.
Later op de avond ga ik nog even kijken hoe het met mijn kleindochter is en verdrietig ligt ze te snotteren op haar bedje. Ik leg haar hoofd op mijn schoot, kijkt me verdrietig aan en zegt: ‘Oma, het is niet eerlijk. Ik kan en durf niet te slapen. Telkens zie ik mevrouw Jansen doodliggen. Ik wil bij haar zijn, maar ik durf het niet. Misschien is ze helemaal niet dood,’ en vragend kijkt ze me aan.
‘Ik begrijp je schat. Probeert toch maar wat te slapen, ook al vind je het eng. Het komt goed, echt waar,’ en ik hoop dat ik de juiste bewoordingen kies.
‘Ik hoop het, oma, ik hoop het ook.’
Als ze me omhelst ziet ze dat er tranen in mijn ogen staan.
‘Niet huilen oma, het komt goed. Hier, neem mijn knuffel, ik heb er toch twee,’ en met een tissue veegt ze mijn tranen weg.

De volgende dag wordt mevrouw Jansen naar de auto gebracht en de kinderen vinden dat ook oma bij de crematie aanwezig moet zijn. Ik stap dus in mijn eigen auto en volg ze op weg naar het crematorium.
In de aula wordt mevrouw Jansen door een vriendelijk man opgebaard.
Allen staan naast de baar en opnieuw beginnen de kinderen te snotteren. Zelfs mijn schoonzoon houdt het niet droog. Mijn dochter komt naast me staan en stoot me zachtjes aan.
‘Mam, ik vind het zielig dat mevrouw Jansen is overleden, maar gaat dit niet een beetje te ver? Als het aan mij lag….,’ en ze gaat weer naar haar kinderen.
De man van het crematorium vouwt zijn handen en geeft nog een speech. Hij heeft het over mevrouw Jansen, hoeveel liefde en aanhankelijkheid ze gedurende haar leven heeft gegeven enz. enz.
Dan is het moment daar dat de doos moet worden gesloten en de deksel wordt er voorzichtig opgelegd.
Mijn kleindochter legt haar handje op de doos en zegt: ‘Ik ga je zo erg missen. Je was oud, maar je was een goede vriendin voor me. Ik zal je warmte en je knuffels missen. Later, kom ik je in de hemel opzoeken en elke avond kijk ik of ik je in het heelal zie stralen. Wordt maar een mooie ster.’
Mijn kleinzoon staat er maar wat bij en trekt zijn zusje weg van de doos.
‘Zo is het wel genoeg. Ze was lief, maar je moet het niet overdrijven. Als er iemand is die haar verzorgde dan is dat mama wel.’
Mijn dochter fluistert hem toe dat hij moet zwijgen. Pakt de hand van haar dochter en met zachte drang maant ze haar dat ze mee moet gaan.’
‘Jonge dame,’ horen ze de man achter hen zeggen. ‘Wij zullen goed voor mevrouw Jansen zorgen. Ik begrijp best dat jij je lieve konijn gaat missen.’
Een kleine glimlach verschijnt op het gezicht van mijn dochter en fluistert me toe: ‘Waar zijn we in hemelsnaam aan begonnen en dat voor een konijn.’
‘Ja schat, maar de kinderen denken hier heel anders over,’ glimlach ik haar toe
‘Dat weet ik wel mam. Kom laten we maar gauw gaan.’
Mijn kleindochter die nog steeds de hand van haar moeder vasthoudt, kijkt haar aan en vraagt:
‘Gaan we nu een ander konijn kopen?

Einde.