Moord bij de sluis 2

’Nee, zeker niet. Uiteindelijk bleven er 2 kandidaten over, maar dan zal ik even moeten nakijken wie de andere kandidaat was. Hebt u een moment?’
Bazuin knikte en slofte naar het raam waar hij over de vliet kon uitkijken. Het mooie weer zorgde ervoor dat er veel plezierbootjes heen en weer voeren. Een enkeling meerde aan om een dagje te blijven liggen voordat ze hun reis weer hervatte. Verdiept in zijn gedachten stopte hij automatisch zijn vertrouwde pijp tussen zijn lippen.
‘Meneer, het is hier niet toegestaan om te roken,’ hoorde hij een vrouwenstem achter zich.
‘Ik rook niet jongedame. Ik stop hem alleen in mijn mond,’ en als teken dat de pijp leeg was draaide hij hem om en klopte ermee op het bureau.
De jonge vrouw lachte hem onzeker toe. ‘Oké, ik wilde er zeker van zijn dat u hem niet aanstak.’
‘Gek hè, ik was verslaafd aan roken. De vraag is nu, was ik verslaaft aan het roken of alleen maar aan de gewoonte. Ik moet hem zo af en toe tussen mijn lippen stoppen. Het is dan net of ik beter kan nadenken. Ach ja, iedere gek zijn gebrek, niet waar.’
‘U zegt het, maar als het u helpt en u doet er niemand kwaad mee.’
‘Zo is dat,’ zei Bazuin en stopte de pijp terug in zijn binnenzak.
‘Hier heb ik de ordner,’ zei de medewerker. ‘Kijk hier heb ik de naam van de andere sollicitant. Oh, dat wist ik niet. De tweede sollicitant was de zoon van een sluiswachter.’
Bazuin bekeek de papieren. ‘Mag ik er een kopie van.’
De medewerker keek bedenkelijk naar de ordner, maar besloot de rechercheur de kopie te overhandigen. Bazuin bedankte hem en besloot een bezoekje te brengen aan de sluiswachters. Buiten boste hij tegen de muis op.
‘Zeg ouwe, kan je niet uitkijken,’ riep de muis brutaal.
Bazuin nam hem in zich op en pakte hem in zijn kraag. ‘Als je me nog één keer ‘ouwe’ durft te noemen, neem ik je mee naar het bureau zodat je daar kan afkoelen.’
‘Moet jij weten man. Zo erg is het in de bajes nou ook weer niet. Trouwens dan moet je me toch eerst zien mee te krijgen,’ glimlachte de muis.
Bazuin tikte even zijn bol aan. ‘Zo muis, hoe gaat het ermee?’
‘Nou, met mij goed. Maar met u minder. Wat hebben jullie met mijn vondst gedaan? Zorg ik er voor dat jullie het bewijsmateriaal in handen krijgen, wordt er niets meegedaan. Nou lekker is dat. Ik had hem beter naar de ijzerhandelaar kunnen brengen. Had ik er ten minste nog een paar eurotjes voor gekregen.’
‘Hoezo, wat bedoel je,’ vroeg Bazuin en keek de belhamel verbaast aan.
‘Geintje man. Ik heb het over die slinger, die ik verderop in het water voor de Petrus en Pauluskerk heb opgevist. Ik heb hem netjes aan de sluiswachter teruggegeven. En weet je….,’ verder kwam de muis niet.
‘Slinger, waar heb je het over?’
‘Nou ja, man. Waar gebruikte ze vroeger een slinger voor. Die slinger waar ze de brug mee opendraaiden. Waar stond u toen ze…. Ach, wat kan mij het ook schelen. Ik moet trouwens gaan anders krijg ik van mijn moeder op mijn donder.’
‘Goed, ga maar. Je hoort nog van me,’ riep Bazuin.
Hij keek de jongen na. In zijn voorhoofd ontstond een diepe groef. De dag was zo rustig begonnen, maar inmiddels liep hij steeds weer tegen nieuwe feiten aan. Feiten die ze maanden geleden hadden moeten zien. Waar was het toch in hemelsnaam misgegaan. In gedachten ging hij het gehele onderzoek na. Hij besloot dat hij alle dossiers opnieuw zou gaan inzien om de nieuwe en oude feiten tegen elkaar af te wegen. Het zou toch niet zo zijn dat….
Bazuin besloot om een praatje te gaan maken met de sluiswachters. Toen hij binnen stapte was het er rustig. Hij viel midden in een gesprek over het inroosteren van de diensten.
‘Goedemiddag heren,’ riep Bazuin opgewekt.
De mannen groetten hem. Al snel werd duidelijk dat de rechercheur niet zomaar een bezoekje aflegde. Bazuin keek in het rond en zag een zeer nerveuze jongeman zitten.
‘Ik kwam zo even de muis tegen. Jullie kennen die belhamel vast wel,’ zei Bazuin. ‘Hij vertelde mij dat hij laatst iets boeiends uit de vliet had opgevist.’
‘Oh, u bedoelt die oude slinger,’ vroeg de oude sluiswachter en Bazuin knikte.
‘Wat bedoel je die oude slinger,’ vroeg Bart de jonge sluiswachter.
‘Nou, die had dat joch opgevist en bracht hem bij me. Nou ja, bracht. Hij gooide hem letterlijk voor mijn voeten, antwoordde zijn collega.
‘Waarom is dat niet aan ons gemeld,’ vroeg Bazuin. ‘Je weet toch dat wij dagenlang gezocht hebben naar een moordwapen.’
‘Ik heb er niet bij stilgestaan. Wist ook niet eens dat dat ding weg was. In eerste instantie dacht ik dat het een oud exemplaar was, maar dat bleek niet het geval te zijn. Nou, toen heb ik hem gewoon weer op zijn plek teruggelegd.’
‘Dat is dan heel dom van u. Het zou mogelijk kunnen zijn dat die slinger het moordwapen was. Waar is hij nu?’
De oude sluiswachter haalde hem van zijn plek en overhandigde Bazuin het voorwerp.
‘Hoelang zijn jullie hem kwijt geweest en wie kunnen erbij?’
‘Denkt u dat dit het moordwapen is,’ vroeg Bart met een trilling in zijn stem.
‘Dat weet ik nog niet. En wie bent u?’
Bart stelde zich voor en Bazuin begreep dat dit de jongeman was die indertijd was aangenomen. De jonge maakte een nerveuze indruk en toen hij hem een hand gaf trilde hij enorm.
‘Ik neem de slinger mee. Hopelijk kunnen we er nog iets mee,’ zei Bazuin. Hij keek de jongeman aan en melde hem dat hij zich de volgende dag om 14.00 moest melden op het bureau.
‘Waarom, ik heb er niets mee te maken,’ antwoordde Bart.
‘Dat zeg ik ook niet. Ik wil alleen een praatje met u maken.’ ‘Goedemiddag, verder heren,’ groette Bazuin en verliet het kantoortje.

De volgende dag meldde Bart zich keurig op tijd op het bureau. Bazuin begroette hem vriendelijk en nam hem mee naar een klein kamertje
‘Wil je koffie, of misschien thee,’ vroeg Bazuin.
Om tijd te rekken, zodat hij wat rustiger kon worden antwoordde Bart dat hij graag een koffie wilde. Bazuin verliet het kantoortje en Bart keek in het rond. Stond op en begon ijsberend door het kleine kamertje te lopen. Hij probeerde de deurkruk naar beneden te halen, maar tot zijn verbazing kon de deur van deze kant niet worden geopend. Het zweet brak hem van alle kanten uit en besloot maar weer te gaan zitten.
Bazuin kwam binnen met 2 koffie en een collega. Samennamen ze plaats aan de andere kant van de tafel. Bazuin pakte zijn pijp en stak deze in zijn mondhoek.
‘Kunt u mij vertellen. Waarom ik hier ben,’ vroeg Bart. ‘Word ik ergens van verdacht?’
‘Niet dat ik weet, maar je kunt mij misschien helpen door een paar vragen te beantwoorden.’
‘Ik, ik weet niet meer dan de anderen.’
‘Misschien. Vertel eens, toen jij solliciteerde op de baan van sluiswachter. Is je toen iets opgevallen. Wie heeft jou sollicitatiegesprekken afgenomen?’
‘Dat kunt u toch zo opvragen.’
‘Dat kan, maar ik wil het van jou horen,’ antwoordde Bazuin.
Bart draaide heen en weer. Telkens wreef hij met zijn hand door zijn haar. Bazuin zag dat hij zich niet op zijn gemak voelde en vroeg; ‘ben je zenuwachtig. Als je niets te verbergen hebt hoef jij je toch nergens druk om te maken. Relax jongen, geef gewoon antwoord op mijn vragen.’
‘Het was die man. Die man die vermoord is. Hij heeft mijn laatste sollicitatiegesprek afgenomen. Het was een rustige aardige man. Stelde mij op mijn gemak. God, wat was ik zenuwachtig die dag.’
Bazuin knikte en keek hem doordringend aan. ‘En die andere sollicitant, die ook in de wachtkamer zat. Heb je die nog gesproken?’
‘Ja, een raar mannetje. Kwam me bekend voor, maar op dat moment kon ik me niet herinneren waarvan. Hij vond dat ik maar beter meteen naar huis kon gaan. Vertelde me dat hij de juiste kandidaat was die ze zochten. Hij had goede relaties binnen het team die hem wel aan die baan zouden helpen. Ik kon me de moeite dus wel besparen. Ik heb inderdaad nog even overwogen om mij terug te trekken. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik later hoorde dat ik de juiste kandidaat was. Op dat moment was ik de gelukkigste man van de wereld. Oh ja, dit heb ik nog voor u. Gelukkig heb ik het al die tijd bewaard,’ en hij gaf Bazuin een verfrommeld briefje uit zijn binnenzak.
Bazuin las vluchtig het briefje. ‘Je kunt gaan. Ik weet genoeg,’ zei Bazuin.
Bazuin keek hem na. Zijn collega keek hem vragend aan. ‘Wat nu,’ vroeg hij.
‘Haal de andere maar op, desnoods onder dwang. Ik wil zijn verhaal weleens horen,’ antwoordde Bazuin.

Twee rechercheurs stopte voor het adres wat hen was opgegeven en belde aan. De deur werd geopende door een wat oudere vrouw. ‘Ja, wat wilt u?’
De beide mannen legitimeerden zich en vroegen haar naam.
‘Is er iets met mijn man of één van de kinderen,’ vroeg de vrouw verschrikt.
‘Nee, er is niets gebeurd. Wij zijn op zoek naar uw zoon,’ zei één van de rechercheurs en noemde de naam van de zoon.
‘Oh, u laat me schrikken. Ik dacht dat er een ongeluk was gebeurd. Nou u treft het, daar komt hij net aanlopen.’
De rechercheurs liepen op de man af, stelden zich aan hem voor en sommeerde hem mee te komen naar het bureau voor een gesprek. Hij werd geboeid en ze duwde hem achter in de auto.
‘Nou ja zeg, kan dit niet op een normale manier. Ik heb niets gedaan man. Jullie behandelen me als een zware crimineel,’ spuide de jongeman.

Hij werd het kamertje ingevoerd waar enkele uren daarvoor ook de jonge sluiswachter was verhoord. Bazuin groette hem en nam plaats. De andere twee rechercheurs bleven bij de deur staan.
Bazuin legde een stapeltje papieren neer en keek de jongeman strak aan.
‘Weet u waarom u hier bent,’ vroeg Bazuin.
‘Waarom ik hier ben? Weet ik veel. Wat een klootzakken zijn jullie. Wat heb ik misdaan?’
Bazuin leunde achterover in zijn stoel en wreef met zijn hand over zijn kin.
‘Ik heb hier een brief voor me liggen, waarin jij solliciteert naar de functie van sluiswachter. Is dat correct?’
‘Dat is correct. Nou en. Zo veel mensen solliciteren. Heeft dit verhoor soms met die sluismoord te maken.?’
‘Misschien. Ik heb gehoord dat jij zo goed als zeker wist dat jij die functie zou krijgen. Klopt dat,’ vroeg Bazuin.
De jongeman werd stil. Keek Bazuin aan en met gebogen hoofd zei hij.
‘Ik had die baan ook moeten krijgen. Ik ben er geknipt voor. Ze hadden hem mij beloofd, die rotzakken. Mijn vader heeft gelijk dat het een stel klootzakken zijn, maar ik heb hem niet vermoord!’
‘Ik denk dat je er verstandig aan doet om mee te werken aan dit verhoor. Waar was jij in de nacht van de moord?’
‘Ach man, doe toch niet zo stom. Ik heb het niet gedaan, dat zeg ik toch. Trouwens jullie hebben de moordenaar toch al.’
Bazuin stond op en zei. ‘Ik merk dat je niet bereid ben om mee te werken. Misschien wil je eerst iets eten zodat we het gesprek later kunnen voortzetten. Ik barst in ieder geval wel van de honger. Jongens breng hem maar even op cel en zorg dat hij iets te eten krijgt.’
Enkele uren later werd de jongeman weer naar het kamertje geleid en het verhoor werd hervat. Dit keer nam niet Bazuin het woord maar één van zijn collega’s.
‘Waar was jij in de nacht van de moord. Vraag niet welke moord, dat weet je dondersgoed wel,’ begon de rechercheur.
‘Oh, ik zit dus echt hier in verband met die moord van toen. Jeetje, wat heb ik daar mee te maken man.’
‘Ik vroeg waar je die nacht was. Geef gewoon eens antwoord. Is dat nou zo moeilijk?’
Er verscheen een brede grijns op het gezicht van de jongeman. ‘Ik was in Italië met vrienden op vakantie. Daar ga ik ieder jaar rond die tijd naar toe. Jullie kunnen dit nachecken bij mijn vrienden. Ik heb niets met die moord te maken.’
‘Oké, was dat nou zo moeilijk om die paar vragen te beantwoorden,’ antwoordde de rechercheur.
‘Je kunt gaan, maar houd je beschikbaar indien wij je nog nodig hebben.’

Vermoeid zat Bazuin met zijn handen in het haar te wrijven. Waar ben ik aan begonnen. Dit was de eerste keer in zijn loopbaan dat hij totaal op het verkeerde spoor zat. Toch kon hij het niet over zijn kant laten gaan. Stel je voor dat die kraandrijver inderdaad onschuldig is.
‘Jongens, ik word te oud voor dit werk,’ zei hij tegen zijn twee collega’s ‘Ik geloof dat het tijd wordt dat ik met pensioen ga.’
Pensioen, pensioen. Peinzend stond hij op en verliet het bureau. Hij besloot om zijn auto te laten staan en naar huis te wandelen. Met zijn pijp in zijn mond wandelde hij de nacht in, met telkens dat ene woordje in zijn hoofd. Pensioen.

De volgende dag nam hij uitgerust en opgewekt achter zijn bureau plaatst. ‘Wat is er met jouw baas. Ik zie aan je gezicht dat je op zit te broeden.’
‘Dat kan je wel zeggen. Ik denk te weten wie de echte moordenaar is,’ antwoordde Bazuin.

‘Goedemiddag mevrouw. Komt u verder,’ zei Bazuin en hij geleidde de vrouw een langwerpige kamer binnen.
De vrouw nam plaats en bekeek de mannen die in de andere kamer naast elkaar waren opgesteld.
‘Ik wil dat u heel goed kijkt en ons alleen, wanneer u heel zeker weet dat u de man herkent, ons deze aanwijst,’ zei Bazuin.
De vrouw knikte en bekeek de mannen één voor één. ‘Dat is hem,’ en ze wees de man aan.
‘U weet het zeker.’
‘100% rechercheur.’
‘U kunt gaan mevrouw. Dank u voor u tijd,’ zei Bazuin.
‘Moeten we hem arresteren baas?’
‘Nou nee, laat hem maar gaan. Ik ben nog niet helemaal zeker van mijn zaak. Ik kom vandaag niet meer terug op kantoor. Ik moet nog wat doen en daarna ga ik naar huis.’

De jonge rechercheurs die Bazuin onder zijn leiding had, stonden de volgende morgen verbaasd te kijken. Hun baas was nog niet op het bureau aanwezig. Dat was in al die jaren dat ze met hem samenwerkten nog nooit voorgekomen. In de regel kwam hij als eerste en ging als laatste naar huis. Sommige vroegen zich zelfs weleens af of die man eigenlijk weleens naar huis ging.
‘Goedemorgen heren,’ riep Bazuin opgewekt toen hij binnenkwam.
‘Goedemorgen baas.’
‘Wel heren, haal die man maar op en arresteer hem op verdenking van moord.’
‘Weet je dat wel zeker baas. Ga niet de fout in, want ze rekenen je eropaf. Volgens sommige heb je geen schijn van kans, vinden zelfs dat je nu wel heel ver gaat. Ze vinden je te oud worden voor dit vak, maar dat had je zelf ook al verzonnen.’
Bazuin legde een arm rond zijn schouders en zei. ‘Vertrouw me nou maar. Wat kan me trouwens gebeuren. In het ergste geval sturen ze me met vervroegd pensioen. Voor jou een mazzel dan krijg jij de leiding hier.’
‘Nou nee baas, dat zou ik niet willen. Ik vertrouw nog steeds op je intuïtie, neem dat maar van me aan.’
‘Ja ja, het is al goed. Haal hem nou maar op. We gaan een confrontatie met hem aan.’
‘Oké, ik ben al weg.’

Rechercheur Bazuin bleek het bij het juiste eind te hebben. Zijn gevoel had hem niet in de steek gelaten. De werkelijke moordenaar werd in bewaring gesteld en de kraandrijver werd direct vrijgelaten. Bazuin werd bij zijn baas geroepen om uitleg te geven over de gehele zaak.

‘Wel Bazuin. Gefeliciteerd. Je bewijzen zijn toch wel waterdicht. Ik wil geen gedonder met Den Haag. Hoe ben je erachter gekomen dat de zaak anders in elkaar zat,’ vroeg de commissaris.
‘Ja, weet u, ik had al die tijd al een onbehagelijk gevoel bij deze zaak. Ook toen we meende dat hij was opgelost. Vorige week vertelde één van de sluiswachters mij dat er kort na de moord een jongeman was aangenomen. Hij vond dat de jongen zich vreemd gedroeg wanneer het onderwerp van de moord ter sprake kwam. Diezelfde dag kwam ik erachter dat de muis, u kent dat joch wel, we hebben hem hier al enkele malen op het bureau gehad, de belhamel. Waar was ik gebleven? Oh ja, de muis had uit de vliet een ijzeren voorwerp gevist. De belhamel herkende het voorwerp en bracht het terug bij de sluiswachter. Het bleek om een slinger te gaan waar ze de brug handmatig mee kunnen opendraaien. Ik was erachter gekomen dat de jonge sluiswachter niet de enige sollicitant was geweest die op de functie had gesolliciteerd. In eerste instantie wilde de jongeman er niets over zeggen, maar op het bureau vertelde hij mij dat de andere sollicitant er vrijwel zeker van was dat hij die baan zou krijgen. De jongeman werd zelfs bedreigd. Dat, en de reden dat het slachtoffer de jongeman had aangenomen maakte hem nerveus. Dat was de reden waarom hij zich zo vreemd gedroeg. Natuurlijk hebben we ook de andere sollicitant verhoord, maar die had een sterk alibi. Op het moment van de moord was hij met vrienden op vakantie in Italië. Ik zat dus op een doodspoor. Voelde me oud en bedacht me dat het misschien tijd was om met pensioen te gaan. Nou dat was de clou.’
‘Wat was de clou? Pensioen,’ vroeg de commissaris.
‘Ja, dat was de clou. Ik herinnerde die mevrouw, die telkens werd uitgemaakt voor dorpsgek wanneer ze vertelde dat de sluiswachter de moord had gepleegd. Toen kwam ik erachter dat één van de sluiswachters enkele weken voor de moord met pensioen was gegaan. Dat kon die mevrouw niet weten en indertijd hebben wij alleen de dienstdoende sluiswachters in het rijtje gezet. Logisch dus dat ze hem toen niet herkende. Hij stond er immers niet tussen. Wat bleek nou de gepensioneerde sluiswachter is de vader van de andere sollicitant.’
‘Maar, hoe kwam je erachter dat hij de dader was,’ vroeg de commissaris.
‘Zijn zoon had een alibi. Die zat in Italië. Toen ik hem opnieuw ondervroeg, vertelde hij dat zijn vader twee dagen later was aangekomen. Ze waren wel tegelijk vertrokken, maar zijn vader vertelde dat hij autopech had gehad en in een hotel had moeten overnachten. Dat was het moment waarop hij doorsloeg. De vader had alles wel goed voorbereid, maar kon geen enkele bewijs overleggen. Geen bonnen, geen naam van een hotel of ANWB-bewijs. Ook zij hadden geen pechmelding ontvangen.
‘Maar wat was dan het motief,’ wilde de commissaris weten.
‘Het motief was. Een oude vete. Jaren geleden had het slachtoffer zijn vrouw van hem afgepakt. Nu dacht hij dat hij een pest aan zijn zoon had en hem daarom niet had aangenomen. Wat hij niet wist was dat het slachtoffer die beslissing helemaal niet had genomen. Hij heeft wel met de jongens gesproken, maar de uiteindelijke beslissing wie de functie zou krijgen is door andere genomen.’
‘Hoe heeft hij hem dan omgebracht en waarom op het bouwterrein,’ vroeg de commissaris.
‘De dader wist dat er een dobbeltoernooi in de stamkroeg van het slachtoffer werd gehouden en dat het slachtoffer daaraan meedeed. Hij hoefde dus alleen maar te wachten totdat hij alleen naar buiten kwam. Hij was nog steeds in het bezit van een sleutel, wat hem toegang gaf tot het sluis achterhuis. Daar pakte hij de slinger en sloeg het slachtoffer zijn hersens in.’
‘Ja, maar nu nog het probleem met die kraan. Hoe kon hij die bedienen?’
‘Het toeval wil dat er diezelfde nacht was ingebroken in de bouwkeet. De dader heeft in het verre verleden in de bouw gewerkt. Hij kon dus overweg met kraanwerkzaamheden. Dat verklaart waarom er zoveel bloed op de stoel in de cabine lag. Hij heeft het slachtoffer net boven de grond opgehangen aan de haak van de kraan. Ook was hij ervan op de hoogte dat de kraandrijver elke morgen als eerste op de bouwplaats aanwezig was en dat deze man het slachtoffer zou vinden. Toen de kraandrijver zijn kraan inklom en op de stoel plaats nam, zat hij ongemerkt onder het bloed. De hevige regenval die nacht hadden de overige sporen van de echte dader zo goed als weggespoeld. Dus het lag voor de hand dat de kraandrijver voor de moord zou opdraaien en dat was hem nog gelukt ook als de muis die slinger niet uit de vliet had opgevist. De slinger, die de dader die nacht zover mogelijk in de vliet had gegooid, zodat we het moordwapen nooit zouden vinden.
Eigenlijk komt het erop neer dat die kleine opdonder van een muis het raadsel heeft opgelost.
De belhamel.’

Einde.