Het witte kistje 2

‘Vast wel. Oma weet toch dat ik op dit moment niets kan doen. Ga maar.’
Opgelucht huppelende ze de kamer uit en ging op weg naar haar oma. Ze was gek op haar oma. Een enkele keer mocht ze blijven slapen. Daar voelde ze zich veilig en onbezorgd. Bij haar kon ze weer even kind zijn. Uren kon ze in de tuin of voor het raam naar de zee turen. Zeker als het stormde en de golven zich hoog optornde en met bulderende schuimkoppen tegen het havenhoofd botste.
Ze knopte haar vestje dicht en liep via de brug en de haven naar haar oma. Het was zeker een uur lopen. Toen ze er aan wilde bellen, had oma Sofie al langs het raam zien lopen en opende de deur voordat ze kon aanbellen.
‘Hallo mijn kleine meid. Kom snel binnen. Ben je helemaal op je blote voetjes naar hier gewandeld. Kind kind toch dat is van de zotte. We gaan straks eerst schoenen voor je kopen.’
‘Maar maar oma,’ stotterde ze. ’We hebben vandaag geen geld voor eten. Daarom ben ik hier gekomen. Mamma hoopt dat u ons wilt helpen.’ Met gebogen hoofd en een beetje schaamte, wist ze immers hoe vaak ze naar haar toe moest met dezelfde vraag. Opnieuw kwam dat machteloze en angstige gevoel bij haar boven.
‘Kom kind, daar kan jij niets aan doen. Eet hier eerst een boterham, want je zult wel honger hebben.’
‘Nou niet echt oma. Suus is ziek, maar mamma zegt dat ze wel weer beter wordt.’
Terwijl ze door kwebbelde, smeerde haar oma twee lekkere dikke boterhammen. Samengingen ze aan de grote eettafel in de woonkamer zitten en trots vertelde ze oma over haar zusje.
Liefdevol keek oma haar aan en af en toe streek ze over haar bolletje. Toen ze klaar was met eten trok oma haar eerst een paar veel te grote sloffen aan en samen wandelde ze naar de schoenenwinkel. Ze zocht een paar mooie, maar niet al te dure schoenen uit en vol trost bleef ze ernaar kijken.
’Deze vind ik mooi oma. En ze zitten nog lekker ook.’
’Kom meid, nu gaan we boodschappen halen en dan moet je weer snel terug naar huis.’

Met een volle tas met brood, worstwaren, melk en nog wat andere etenswaren liep ze terug naar huis. Plots struikelde over haar eigen beentjes. De tas was ook zo zwaar. Ze klapte tegen de grond en zag dat één van de melkflessen was stuk gevallen.
‘Jeetje, dat moet mij weer gebeuren,’ nam de tas van de grond en haalde de gebroken fles eruit. En zo snel als ze kon, rende ze naar huis. Toen ze thuis kwam zag ze dat haar broertjes behoorlijk te keer waren gegaan. Overal vond ze rommel. De kussens van de stoelen lagen overal over de vloer. Het tafelkleed lag ergens in de hoek, het vloerkleed lag schreef in de kamer en de lamp hing schreef omdat één van hen eraan was gaan hangen. Enkele verstopte zich in de kast, terwijl andere aan het bekvechten waren.
‘Wat is dat nou. Zijn jullie nou helemaal besodemieterd,’ schreeuwde ze hen toe.
Geschrokken keken ze haar aan en begrepen dat ze te ver gegaan waren. Zij was de enige die nog enig invloed op hen kon uitoefenen. Ten slotte was zij degene die het meeste met hen voorhad. Ze bestrafte hen, maar troosten hen wanneer ze verdriet hadden. Ze was een beetje hun moeder, ook al was ze zelf nog zo klein. Ze verzorgde hen, bracht ze vaak naar school terwijl ze zelf niet naar school kon omdat er nog zoveel gedaan moest worden.

Twee dagen Later.

Uitgeput hing ze het laatste stukje wasgoed aan de waslijn. Haar handjes waren rood van het wringen en haar rug deed pijn van het tillen van de zware emmers. Dikwijls lag ze ’s avonds laat in haar bed en voelde de vermoeidheid in haar beentjes die pijnlijk aanvoelde.
‘Zo dat is gebeurd. Nu even kijken hoe het met mamma en Suus gaat.’
Haar handen afdrogend, keek ze in de spiegel die boven de wasbak hing en probeerde vluchtig het haar in fatsoen te brengen. Keek nog eenmaal naar haar pijnlijke handen, voordat ze geruisloos de kamer insloop. Boog over de slapende Suus, die er nog steeds erg wit uitzag. Plots stond de tante Lien achter haar en vroeg of ze haar wilde helpen om Suusje warm aan te kleden. Blij knikte ze haar toe en voelde zich trots.
De tante Lien die haar vroeg of ze wilde helpen. Ze kreeg er zelf een dankbaar en fijn gevoel van. Maar de blijdschap was van korte duur. Wat er toen allemaal gebeurde, ging zo snel en kon ze zo klein als ze was, niet goed bevatten.
Plots liep Suusje blauw aan en tante Lien vond dat het tijd werd dat de dokter er weer bij moest komen. De dokter kwam direct en besloot dat het beter was om haar Suusje naar het ziekenhuis te vervoeren.
Verdrietig en verward ging ze voor de deur op de stoep zitten. Niemand nam de moeite om haar op te vangen en als zo vaak, was ze ook nu op haar eentje aangewezen. Ze voelde de vermoeidheid opkomen, maar met alle kracht die ze nog in zich had vocht ze er tegen.
De warme zomerzon maakte haar loom en uiteindelijk verloor ze het gevecht tegen de slaap.
‘Sofie,’ hoorde ze roepen. ‘Wordt eens wakker. Ik ben het. Bram.’
Geschrokken opende ze haar ogen en zag tot haar verbazing Bram met een zakje snoep slingeren.
‘Je was niet op school vandaag, dus heb ik wat snoep voor je bewaard. Jij ook nog gefeliciteerd,’ en reikte het haar aan. Toen hij haar tranen over haar wangen zag stromen, nam hij naast haar plaats en sloeg troostend een arm om haar heen. Voorzichtig veegde hij haar tranen weg en vroeg wat eraan de hand was.
‘Mijn zusje is naar het ziekenhuis gebracht. Ze is erg ziek en ik ben bang dat ze niet meer terugkomt.’
Bram wilde haar troosten, maar wist niet goed wat hij moest zeggen.
‘Ik vind het heel erg voor je,’ zei hij met een brok in zijn keel. ‘Echt waar. Ze wordt vast wel weer beter. De dokters van tegenwoordig zijn erg knap. Niet treurig zijn Sofie. Het komt best goed,’ maar hij wist dat het niet zou helpen.
‘Ik vind dat lief van je Bram, maar ik heb er geen goed gevoel over. Dat gevoel blijft maar aan me knagen en ik ben zo moe.’
Bram gaf haar een kus op haar wang. ’ Weet je, ik kom morgen voordat ik naar school ga eerst nog even bij jou langs om te kijken hoe het met je gaat. Vind je dat goed?’
Vertwijfeld liep hij weg in de hoop dat als hij de volgende morgen even langs ging, het een stuk beter met haar zou gaan.
Sofie keek hem na. Toen hij uit het zicht was, opende ze het zakje met snoep en zag dat er een advocaatbonbon in zat. Daar was ze gek op. Haalde het gele papiertje eraf en stak het in haar mond. Opeens voelde ze zich misselijk worden. Een naar gevoel in haar maag maakte zich van haar meester en spuugde de bonbon uit.
Al snel waren haar gedachten weer bij Suusje. Ze stond op en op haar blote voeten rende ze in de richting van het ziekenhuis. Haar voeten deden pijn door het grind op de weg, maar na een tijdje vergat ze ook deze pijn. Ze was zo verdoofd dat niets haar kon tegenhouden. Daaraan gekomen hield de portier haar tegen en vroeg waar ze zo snel naar toe moest
‘Ik ik, wil naar mijn zusje. Ze moest opeens naar het ziekenhuis. Ik wil niet dat ze dood gaat,’ en begon hartverscheurend te snikken.
De portier ging door zijn knieën en met gedempte stem sprak hij haar toe.
‘Maar lief kind. Wie zegt dat jouw zusje dood gaat. Kom op, niet zo somber. Het komt best goed met haar.’
‘Denk u dat echt. Weet u het zeker?’
Hij boog zijn hoofd en ze zag dat hij haar peinzend aankeek. ‘Ik weet het niet zeker, maar ik zal je naar de afdeling brengen. Eigenlijk mag ik dit niet doen, want je bent nog veel te jong om naar binnen te mogen. Maar voor deze ene keer maken ze misschien een uitzondering. Kom maar.’
Aan zijn hand wandelde ze samen door de smalle gangen. In één ervan zei de portier dat ze moest plaatsnemen en beloofde dat er iemand bij haar zou komen die haar misschien kon vertellen hoe het met haar zusje was.
Ze knikte opgelucht en was blij dat er eindelijk iemand was die haar opmerkte. Een doordringende lucht die altijd in het ziekenhuis aanwezig was, gaf haar een nog onaangenamer gevoel van onbehagen. Het was er doodstil. De neonverlichting en de steriele glanzende vloeren deden haar huiveren. Net als op de stoep voor haar huis, zat ze opnieuw te knikkerbollen van de slaap. Zo nu en dan zakte ze in een lichte roes en sprak ze zichzelf vermanend toe.
‘Wakker blijven Sofie. Je moet wakker blijven,’ en probeerde haar ogen open te houden door de oogleden met haar vingers omhoog te houden.
‘Hallo Sofie, kom maar. We gaan naar een ander plekje, waar we rustig kunnen praten.’
Opgelucht door de vriendelijke zuster, stond ze al wankelend op. Nu zou ze vast horen hoe het met haar zusje was en kon ze mamma gaan vertellen dat ze goednieuws had over Suus.
‘Hoe gaat het met Suusje. Is ze alweer wat beter. Alsjeblieft zegt dat ze weer beter wordt. Dat zou het mooiste verjaardagscadeautje zijn wat ik ooit heb gekregen.’
De zuster zette haar zwijgend op het randje van een bed, nam haar handjes in de hare en schrok meteen. Onderzoekend bekeek ze het en zag dat er eelt op zat. ‘Zo, dat zijn werkhanden, maar hield plots haar mond en zei.
‘Ik weet niet hoe ik je moet vertellen, maar.’
‘Ik weet het al,’ stamelde Sofie. ‘Ze wordt niet meer beter hé. Blijft ze altijd ziek. Ik zal heel goed voor haar zorgen hoor,’ ratelde ze maar voort.
De zuster legde een hand tegen haar wang en fluisterde dat ze geen goed bericht had.
‘Ze wordt nooit meer beter. Ik weet niet hoe ik je dat kan uitleggen. Lieve kind, stamelde ze. Het spijt me zo, maar je zusje is net overleden.’
Snikkend zakte Sofie ineen en keek de zuster met vragende natte blauwe ogen aan. De zuster legde haar voorzichtig op het bed en streelde zachtjes over haar bolletje, totdat ze weer wat gekalmeerd was. Langzaam kwam ze weer tot zichzelf. Haar hersentjes draaiden en maalde maar door. De angst, verbittering en vermoeidheid, maakte haar machteloos.
‘Ik ben zo moe. Ik ben ook zo moe. Ik zou wel voor altijd willen blijven slapen, zo moe ben ik.’ Gewillig liet ze zich door de zuster troosten. Ging opeens rechtop zitten en vroeg. ‘Mag ik haar nog één keer zien, fluisterde ze, terwijl ze de zuster vragend aankeek?’
‘Natuurlijk lieve meid, maar wil je dat echt?’
‘Ik wil afscheid van haar nemen.’
‘Maar lieverd, ik vind het geen goed idee. Misschien mag je morgen of overmorgen afscheid van haar nemen, samen met je mamma. Op dit moment kan het echt niet. Dat wil ik je besparen.’
Opnieuw keek ze de zuster vragend aan en weer branden de tranen in haar ogen. De zuster die toch al heel wat gewend was in haar vak, was niet tegen de situatie opgewassen en samen vloeiden de tranen over hun wangen.
‘Niet huilen zuster. Ik begrijp het wel. Ik ga wel weer naar huis, want mijn broertjes moeten ook verzorgd worden. Dag,’ ze sprong van bed en rende terug naar huis.

De volgende dag

Vandaag zou Suus naar huis komen. Er was geregeld dat haar overleden zusje tot aan de begrafenis thuis zou worden opgebaard. Zo noemen ze dat, had mamma haar uitgelegd. Suus wordt dan in een klein wit kistje gelegd, zodat iedereen die wilden afscheid van haar kon nemen.
Haar vader zou Suus nooit zien. Hij was nog steeds op zee en kon niet zo snel naar huis komen.
Sofie had iedereen die moest weten dat haar zusje was overleden ingelicht. Allereerst was ze natuurlijk bij haar oma geweest. Oma had haar getroost. Heel anders dan de andere oma. Die had haar schouders opgehaald en een heel gemeen antwoord gegeven. Ze had zelf besloten dat ze dat maar niet tegen mamma zou zeggen, die had al verdriet genoeg. Het moest maar weer bij al haar andere geheimen worden gezet. In de loop van de tijd had ze in haar kleine leventje al genoeg gemene opmerkingen van volwassenen moeten incasseren. Opmerkingen waar zij niets mee kon en ook niet kon vertellen, omdat ze wist dat dit op een enorme ruzie uit zou lopen. Ruzie maakte ze al genoeg mee. Nee, ze had gezegd dat de andere oma het heel erg voor haar mamma vond, maar dat ze niet in staat was om haar te bezoeken.

Sofie hoorde een auto voor de deur stoppen. Stiekem gluurde ze vanachter het spierwitte laken naar buiten. Het was een gewoonte dat als er een familielid was overleden dat de ramen werden afgedekt met een wit laken. De precieze betekenis had ze nooit zo goed begrepen en ze vond het altijd maar een lugubere gewoonte. Zodra bekend was dat haar zusje was overleden, had mamma het laken voor het raam laten hangen. Het kleine slaapkamertje van haar ouders was leeggehaald en het bed waar haar moeder nog minstens 5 dagen op moest blijven rusten, was nu in de woonkamer geplaatst.
Uit de auto stapte een man en een vrouw. Sofie herkende haar, het was de zuster die haar had verteld dat Suus is overleden. Zij droeg een witkistje dat ze stilzwijgend binnen bracht. Een moment bleef ze staan, groette haar en vriendelijk glimlachend vroeg ze.
‘Hoe gaat het Sofie. Zou je mij kunnen helpen om Suusje haar eigen kleertjes aan te trekken, zodat ze zich fijn voelt en er mooi uitziet voor het afscheid.’
Ze knikte en samenbrachten ze het witte kistje naar het kamertje waar Suus was geboren en waar haar bedje had gestaan. Mamma had de mooiste kleertjes uitgezocht die ze hadden en samen kleedde ze Suus liefdevol aan.
‘Zo Suus, nu heb je geen pijn meer hé,’ fluisterde Sofie. ‘Ik zal je missen, al ben je nog zo kort bij ons geweest. Ik had je willen leren hinkelen, sommetjes maken en samen spelen.
Ze pakte het kleine handje van haar zusje dat koud aanvoelde. Er viel een diepe stilte. Met natte ogen keek ze haar moeder aan.
‘Ze heeft het koud mam. Zal ik er een deken bijleggen?’
‘Maar kind, je zusje heeft het niet koud meer. Ze is ergens waar het lekker warm en heel vredig is.’
Zachtjes trok ze haar dochter dicht tegen haar aan en wreef met haar vingers door het haar.
‘Ze is nu gelukkig hé mam. Ze heeft echt geen pijn meer, toch? Komt oma ook afscheid nemen?’
‘Ik weet het niet kind, maar hou nu even je mond. Ik, ik…, haar mamma wreef wat tranen weg en verliet het kamertje.
‘Is ze nu boos’, vroeg ze aan de zuster?
‘Nee hoor kind. Je moet maar niet zoveel aan haar vragen. Het is allemaal een beetje te veel voor je mamma Ze is net zo verdrietig als jij. Als je iets wilt weten, vraag het maar aan mij. Zo, kijk eens hoe mooi Suusje in haar kistje ligt. Nu nog wat kleur aanbrengen op haar wangentjes en dan zijn we klaar.’
‘Mag ik het doen?’
De zuster knikte en samenbrachten ze wat kleur aan op het bleke gezichtje van Suus.
‘Dat ziet er goed uit, ja toch?’
‘Zeker weten,’ zei de zuster.
Sofie keek aandachtig naar haar zusje. Wreef langs haar kin en daaraan kon je zien dat ze iets van plan was. ‘Ik moet even weg. Ben zo terug,’ en weg was ze.
De zuster keek haar verbaast na en al schuddend met het hoofd, ging ze verder waar ze mee bezig was.
Sofie rende door straten en poorten en was op het idee gekomen dat haar zusje van die mooie en lekker ruikende bloementjes kreeg. Het probleem was dat ze er geen geld voor had om ze te kopen. Maar daar wist ze wel wat op. In de wijk waar al die grote mooie huizen stonden, had zij ze in een tuin zien staan. Die mensen zouden het vast niet erg vinden als ze er een paar voor Suusje zou plukken. Dus rende ze zo snel als ze kon naar de tuin waar zij ze kortgeleden nog had zien staan en ze hoopte dat er nog wat van die mooie bloementjes over waren.
Bij de bewuste tuin aangekomen, stond deze boordevol met verschillende bloemen in allerlei kleuren. Ook degene die ze zo graag voor haar zusje zou wilde plukken.
Inmiddels waren het er zoveel dat ze er zeker van was dat ze die paar die ze wilde plukken ze vast niet zouden missen.
Voorzichtig keek ze om haar heen. Ze besefte heel goed dat wat ze deed niet goed was, maar het kon haar op dit moment weinig schelen. Lenig sprong ze over een laag muurtje en sloop naar de plek waar ze gele fresia’s zag staan. Snel en zorgvuldig plukte ze er een paar.
Net toen ze weer over het muurtje wilde springen, stond daar een grote donkere harige man die haar de weg blokkeerde. Stijf van schrik en beseffend wat ze gedaan had, pakte hij haar bij een arm.
‘Zo jongedame. Wat zijn wij van plan. Leg jij mij maar eens uit waarom je mijn tuin verwoest. Je weet toch wel dat het verboden is om andermans bloemen te stelen. Geeft ze dus maar snel hier.’
Woest keek Sofie hem aan. Als hij dacht dat hij ze terugkreeg, dan had hij het toch goed mis. Niets en niemand zouden haar deze bloemen afpakken. Ze zijn voor Suus en hij had er toch genoeg van. Wat zeurde hij toch. Nee, wat er ook gebeurt, hij kreeg ze niet terug.
‘Ik dacht het niet. U kunt best een paar bloemen missen. Deze zijn voor mijn kleine zusje.’
Ze probeerde zich los te rukken, maar de man had haar goed vast en nam haar mee het huis binnen. In de keuken zat de vrouw van de man en keek haar boos aan. Zo boos dat ze er bang van werd.
‘Nou kleintje dat is niet zo mooi hé. Wat moet er nu van jou terechtkomen. Weet je niet dat dit verboden is? Misschien kan je ons vertellen waarom je dat deed. Ga maar even aan de keukentafel zitten. Wil je misschien een glaasje limonade?’
Verbaast keek ze de vrouw aan en begreep er nu helemaal niets meer van.
Eerst zijn ze boos en willen ze dat ik de bloemen terug geef. En nu vraagt zij of ik limonade wil, nou ja zeg, dacht ze.
‘Waarom vraagt u of ik limonade wil. Ik heb toch van u gestolen.’
‘Dat is zo, maar ik wil graag van je horen waarom je het deed,’ zette een glas limonade voor haar en ging tegenover haar zitten.
Sofie schaamde zich. Natuurlijk had ze geweten dat het niet goed was wat ze deed, maar toch wilde ze de bloemen. En hoe moest ze er anders aankomen dan ze gewoon uit de tuin van iemand anders plukken.
‘Ik ik, stamelde ze. U hebt gelijk, ik had het niet mogen doen. Ze zijn voor mijn kleine zusje. De zuster en ik hebben haar heel mooi aangekleed en in haar kistje gelegd, maar het kistje is zo kaal. Ik wilde er heel graag wat van deze bloementjes inleggen. Suus zou ze vast heel mooi hebben gevonden en ze ruiken ook nog erg lekker. Ruikt u maar’, en ze duwde de bloemen onder de neus van de vrouw. ‘Ik had ze niet mogen pikken, maar we hebben geen geld om ze te kopen. We hebben vaak niet eens geld voor de boodschappen. Of om het gas en licht of het water te betalen. Ik dacht dat u ze toch niet zou missen. Ik beloof u dat ik het nooit meer zal doen. Mag ik nu gaan. Ik wil ze bij Suus in haar kistje leggen.’
Verlegen boog ze haar hoofd of was het van schaamte dat ze de vrouw niet durfde aan te kijken. Angstig en bevend hief ze haar hoofd op en zag dat het echtpaar haar vertwijfeld aankeek. Geen van beide wisten wat ze hierop moesten antwoorden. Ze zagen een klein meisje wat tegelijkertijd droevig, spontaan en veel te volwassen was voor haar leeftijd. Beide begrepen dat ze uit een heel ander milieu kwam dan waar zij zich in bevonden. Enigszins beschaamd stond de man op en legde voorzichtig een hand op de smalle schouders van Sofie. En met gedempte, maar vriendelijke stem, zei hij.
‘Ach lieve schat. Kom, we gaan naar de tuin en dan mag jij voor je zusje de mooiste bloemen plukken die er staan.
‘Nee hoor, dat hoeft niet. Ik weet zeker dat Suusje heel blij is met deze’, en trots hield ze haar bosje fresia’s omhoog. ‘Mag ik nu gaan?’
Het echtpaar knikte en beiden zeiden tegelijk dat ze maar snel moest gaan.
Ze sprong op en rende naar huis.

Bij de sluis bleef ze staan. Het water trok haar altijd aan. Ze keek naar haar fresia’s en stopte ze veilig achter haar rug. Als de sluis openstond, spuide het water vanuit het verversingskanaal naar de zee. Gefascineerd keek ze door het gaas naar het water dat met donderend geweld zich door de smalle sleuf perste. De kracht ervan maakte haar altijd angstig en ze hield de fresia’s nog steviger vast. Bang dat ze alsnog in het water zouden vallen.
Snel deed ze een stap achteruit en rende huiswaarts. Thuis bekeek ze de fresia’s en zag dat de meeste geknakt waren. Ze verzorgde het bosje met liefde en met een oude veter bond ze de bloemen zo goed mogelijk bij elkaar.
Zachtjes liep ze naar het kleine kamertje waar het kistje stond. Het kamertje was donker omdat de gordijnen waren gesloten. Toen haar ogen aan het donker waren gewend, liep ze naar het kleine kistje. Het was op een tafeltje gezet, zodat ze op een klein krukje moest gaan staan om naar haar zusje te kunnen kijken. Ze keek om zich heen en de leegte van het kamertje maakte haar triest. Sofie zuchtte eens diep en voorzichtig duwde ze het bosje fresia’s tussen de kleine handjes van Suus.
‘Zo Lieve Suusje. Sommige zijn dan wel wat geknakt, maar nu ruik je naar lekkere fresia’s. Ik vind ze altijd zo lekker ruiken en ik weet zeker dat jij ze ook heel mooi vindt. Weet je, ze zeggen dat morgen je kistje dicht gaat. Ik zal je heel erg missen. Waarom ben je nou dood gegaan. Ik had je nog zoveel willen leren.’
Uit één van haar zakken haalde ze haar geluk knikker tevoorschijn en bekeek hem van alle kanten. Eens had ze hem van Bram gekregen en vanaf die dag had ze hem altijd bij zich gehad. Nog éénmaal hield ze hem stevig in haar handje. Gaf er zachtjes een kus op. Legde het naast het hoofdje van haar zusje en fluisterde.
‘Deze knikker is voor jou. Hij brengt je zeker geluk als je in de hemel komt. Kijk maar, allemaal verschillende kleuren. Jij mag hem hebben dan kan je eraf en toe naar kijken en misschien denk je zo nu en dan nog aan mij als je daarboven bent.’
Tante Lien, die al enige tijd achter haar stond, zei dat ze mee moest komen.
‘Kom Sofie, je moet wat eten. We hebben soep,’ maar veel trek had ze niet. Ze hielp haar broertjes die niet echt beseften wat er gaande was. Deze keer konden ze eindelijk weer eens met een goed gevulde buik naar bed. Nadat ze haar broertjes naar bed had gebracht, ruimde ze de tafel af en ging verder met de was die nog gestreken moest worden. Ze was moe, maar liet de vermoeidheid niet toe. Ze werkten tot diep in de nacht en viel op een stoel in een diepe slaap.

De volgende dag

Sofie schok wakker omdat er aan de voordeur werd gebeld. Ze ging rechtop in haar bed zitten en keek verward in het rond. Zonder dat ze er erg in had gehad, had iemand haar naar bed gebracht. Snel kleedde ze zich aan en liep de trap af. Daar stond een man in een zwart pak en in zijn handen had hij een hoed waar een zwart lint aan hing. Ze vond het zo luguber dat ze er een brok van in haar keel kreeg. Het enorme schuldgevoel dat ze in slaap was gevallen deed haar pijn. Ze was ervan overtuigd geweest dat ze niet in slaap zou vallen.
‘Hallo, jij bent Sofie. Ik heb gehoord dat jij met ons mee gaat om je zusje naar haar laatste rustplaats te brengen.
’Mag ik u helpen het kistje te sluiten, meneer?’
De man keek haar moeder aan die er net zo moe en wit uitzag als Sofie. Haar moeder knikte lichtjes en zei dat ze er zelf liever niet bij wilde zijn. Hij knikte en zei dat hij het wel begreep. Samen met de man stonden ze voor het kistje. ‘Wil je nog iets tegen haar zeggen?’
Sofie keek hem peinzend aan en knikte. ‘Dag lieve Suus, eens zal ik je zeker weer zien. Niet bang zijn hoor.’
Samenpakte ze het deksel en schoven hem over de kist. Ze wilde zich groothouden, maar ondanks dat rolde de tranen over haar wangentjes.
‘Wacht even, ik wil haar graag nog een kusje geven.’ Langzaam boog ze zich voorover en gaf Suus een heel klein kusje op haar neusje.
Ze deden het deksel er weer op en met goudkleurige knoppen vergrendelde ze het kistje.
‘Mag ik haar dragen meneer. Ze is toch niet zwaar, alsjeblieft?’
‘Maar natuurlijk mag dat. Doe het wel voorzichtig en kijkuit voor de drempels. Ik loop je wel voor. We doen het zo statig mogelijk.’
Met zijn hoofd gebogen en zijn hoed tegen zijn buik gedrukt, liep hij haar voor. Toen ze buiten kwamen en ze de lijkwagen zag staan, had ze zich het liefst zo snel mogelijk weer willen omdraaien om het kistje terug te zetten waar het stond.
Zachtjes dwarrelde de regen naar beneden en de druppels lieten een regelmatig getik op het kistje horen. De man opende het portier en nam het kistje dat ze niet los wilde laten van haar over. ‘Stap eerst maar in dan zet ik je zusje op je schoot.’
Sofie gehoorzaamde. Voorzichtig zetten hij het kistje op haar schoot en sloot de deur.
Ze keek de chauffeur aan en met een zachte stem zei ze. ‘Ik ga mijn zusje begraven. Nu zijn we haar echt kwijt. Stom hè, het is toch niet eerlijk. Waarom wordt ze nu alweer bij ons weggehaald? Ik vind het niet eerlijk. Ze is nog zo klein. Ze heeft toch nog niemand kwaad gedaan?’
De chauffeur keek haar aan en ook hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Rijkelijk liet hij ze over zijn wangen vloeien en toen Sofie hem haar zakdoekje gaf zei ze troostend.
‘Oh, maar het is niet u schuld hoor. U moet alleen u werk maar doen. Ik neem het u niet kwalijk dat we haar moeten begraven.’
Snel veegde de chauffeur zijn tranen weg en richtte zijn blik op de weg om de auto in beweging te zetten. De autoreed het kerkhof op en stopte voor de aula, waar ze geen gebruik van zouden maken. De enige die haar vergezelde waren haar oma en tante Lien. Mamma moest immers nog rust houden. Het zou nog 2 dagen duren voor zij weer een tijdje uit bed mocht.
Omdat het kistje voor haar nu toch wel wat te zwaar werd, nam de man met de hoed het van haar over. En met één handje op het kistje, wandelde ze samen naar het grafje.
‘Waarom is er niemand om onze Suus gedag te zeggen,’ vroeg ze haar oma.
Oma keek haar aan. Gaf haar een aai over haar bol en haalde licht haar schouder op.
Verloren boog ze haar hoofdje en wandelde langzaam in de richting van Suus grafje. Plots voelde ze een arm rond haar schouders. Toen ze opzij keek zag ze Bram.
‘Hallo Sofie. Mijn moeder en ik zijn er om je te troosten. Hij pakte haar hand en kneep er zachtjes in. Vluchtig keek ze hem aan en verlegen beantwoorden ze zijn knijpje in haar hand door hem terug te knijpen. Oh wat was het goed dat hij gekomen was en wat was ze er blij om.
Nog éénmaal keek de man in het rond en vroeg of er nog iemand was die iets wilde zeggen.
Voorzichtig deed Bram een stapje naar voren en met een brok in zijn keel begon hij te spreken.
‘Hallo kleine Suus. Ik vind het heel erg dat je niet bij Sofie kunt blijven. Je hebt een hele lieve zus. Ik kan het weten, want ze is de liefste vriendin van de hele wereld. Misschien komen we elkaar ooit nog eens tegen en ik beloof je dat ik je dan alles wat ik over haar weet zal vertellen.
Bram had nog zoveel willen zeggen maar de emoties werden hem te veel. Sofie omhelsde hem en zei.
‘Het is goed zo. Kijk nou, je wangen worden helemaal nat van de regen. Ik ben zo blij dat ik jou als vriend heb. Dat komt vast omdat we op dezelfde dag jarig zijn. Denk je niet?
Zijn lippen pruilde zich en al wrijvend in zijn ogen, zei hij. ‘Nou dat is echt niet van de regen hoor. Dat komt omdat ik huil en omdat ik net zo verdrietig ben als jij.’
‘Weet ik toch,’ antwoordde ze zacht.
Toen was het moment gekomen waarop de man het kistje met behulp van twee touwen langzaam in het grafje liet zakken. Samen strooiden Sofie en Bram een handje zand op het kistje en fluisterde’. Slaap zacht, lieve Suus.’

Einde