Zeemansgraf 2

De bel van de voordeur schelde door het huis. Oh, nee hé. Daar heb ik nou totaal geen zin in, dacht hij. Zijn eerste gedachten was dat gezien de stapel aanmaningen, wel één of andere schuldeiser voor de deur zou staan. Hij hoopte dat degene die voor de deur stond vanzelf weg zou gaan, maar helaas, weer ging de bel en nu indringender dan de eerste keer. Uiteindelijk besloot hij om toch maar open te doen.
Voor de deur stond een vrouw die hem vaag bekend voorkwam. Haar blauwe ogen lachte hem vriendelijk toe.
‘Hallo, ik ben Helma, de vrouw van Bas. Mag ik binnenkomen?’
‘Ja, natuurlijk. Kom er in. Hoe heeft die dondersteen jou weten te strikken. Jij werkte toch in dat kleine boetiekje bij de haven?’
‘Dat klopt, dat ben ik. Ik zal het je nog sterker vertellen, dat boetiekje is van mij. Je weet toch dat Bas en ik een jaar geleden zijn getrouwd?’
‘Ja en nee. Ik weet dat Bas getrouwd is, maar had er geen idee van dat jij dat zou zijn. Ik maakte nog een geintje over het feit dat hij niet kon wachten totdat ik vrij kwam, maar nu begrijp ik het.’
Hij ging haar voor naar de huiskamer en vroeg of ze plaats wilde nemen. ‘Ik kan je helaas niets te drinken aanbieden omdat er gewoonweg niets in huis is.
‘Geeft niet. Ik kom ook niet zomaar. Bas en ik vroegen ons af of je al enig idee had waar of je zou gaan wonen wanneer je zou besluiten om niet hier bij je moeder te blijven. Trouwens, waar is je moeder,’ vroeg ze al rondkijkend.
‘Mijn moeder. Ach, dat arme mensje is net met de ambulance afgevoerd. Het is gaat niet zo goed met haar en ik ben bang dat ze de moed heeft opgegeven. Haar conditie is erg slecht.’
‘Ze mist je vader heel erg. Als Bas thuis was bracht hij haar altijd een bezoekje. Daar keek ze ook iedere keer naar uit en het afgelopen jaar ben ik een paar keer met hem mee geweest,’ vertelde ze.’
‘Daar ben ik jullie ook dankbaar voor. Ik moet zien hoe ik door deze puinhoop kom. Het is maar goed dat ze niet meer beseft wat haar kinderen hebben uitgespookt. Het is te triest voor woorden. Ze is helemaal leeggeplukt. Er ligt hier een stapel schulden, niet te filmen. Eén ding weet ik zeker, hier wil ik niet voor opdraaien. Pa zou zich omdraaien in zijn graf, als hij zou zien wat hier aan de hand was.’
‘Zal ik je helpen om een beetje orde te scheppen. Misschien kunnen we achterhalen wat er is gebeurd, of wie hier achter zit,’ stelde ze voor.
Klaas schoof de stapel die hij had verzameld naar haar toe en haalde zijn schouders op.
‘Ik heb geen idee waar ik moet beginnen. Ik heb wel enig idee wie achter die schulden zit, maar of dat ook degene is die de rekening heeft geplunderd?’
Helma sorteerde behendig de papieren. Ook zij kwam tot de conclusie dat er behoorlijk wat schulden waren gemaakt en dat de rekening, die Bas elke maand aanvulde stelselmatig werd leeggehaald.
‘Weet je Klaas, dit is erg triest. Je hebt gelijk. Kijk maar uit dat jij hier niet voor opdraait.’
‘Daar ben ik ook bang voor, maar wat nu. Ik wil straks naar moeder, maar geloof me, de rest van de familie wil ik echt niet meer zien,’ en verslagen ging hij in de oude Liberty stoel van zijn vader zitten.
Helma keek hem fier aan en zei. ’Kom op, we gaan hier een oplossing voor zoeken. Pak je spullen bij elkaar en breng deze naar ons huis. Wij hebben nog een grote zolderkamer waar je zolang als je wilt kunt blijven. Hier gaan we een oplossing voor zoeken. Ik weet ook niet zo goed hoe, maar daar komen we wel achter. Ik ga even een telefoontje plegen en dan weet ik misschien iets meer. Mag ik hier even bellen?’
‘Ja natuurlijk, ga je gang.’
Op zachte toon sprak Helma met iemand aan de andere kant van de lijn en Klaas besloot de weinige spulletjes die hij nog bezat bij elkaar te zoeken en in een oude koffer die hij op zolder vond te stoppen. Daar keek hij nog eenmaal om zich heen en herinnerde hoe zijn vader hem als jochie van 8 aan dat oude wiebelende tafeltje de kunst van het boeten had bijgebracht. Wat was hij trots geweest en hij had besloten om van het kunstwerk een boodschappennetje voor zijn moeder te maken. Moeder was zo blij geweest op zijn creatie. Jarenlang had ze het boodschappennetje gebruikt wanneer ze bij de groenteboer haar boodschappen deed. Een diepe zucht ontglipte hem, pakte de oude koffer op en wandelde terug naar de huiskamer. Daar trof hij Helma aan de eettafel, waar ze een naam en een adres op een papier schreef.
‘Hier Klaas, dit is ons adres. Daar kan je je koffer brengen. Het andere adres is van een notaris. Hij weet dat je komt. Berg de papieren op en sluit de deur af. Ik zie je bij mij thuis.
Intussen ga ik naar het ziekenhuis om te kijken hoe het met je moeder gaat. Maak je niet te veel zorgen en verwijten. In het dorp zijn er echt nog wel mensen die wel in je geloven, maar die hoor je niet,’ ze kuste hem op zijn wang en fluisterde. ‘Ga nou maar.’
‘Bas heeft het toch maar getroffen met jou,’ antwoordde Klaas.

Met lood in zijn schoenen stond Klaas voor een zware groen geschilderde deur. Met de metalen klepel klopte hij een aantal keren aan. Wachtte af of er achter de deur enige reactie kwam. Net toen hij besloot om nogmaals op de deur te kloppen, werd deze geopend door een geblondeerde vrouw. Ze was groot. Hij moest tegen haar op kijken en liet zijn blik op haar rusten. Het viel hem op dat ondanks het feit dat ze groot was alles aan haar klopte. Hij vond haar als het ware op schaal gemaakt.
Op een vriendelijke toon vroeg ze hem waarmee ze hem kon helpen.
Even van zijn stuk hakkelde hij. ‘Ik, ik, ik ben… Helma heeft mij dit adres gegeven en….’
‘Oh, Helma. De dochter van de notaris,’ antwoordde de vrouw.
‘Ja, dat klopt, maar ik wist niet dat zij zijn dochter was.’
‘Kom binnen en neem even plaats in de hal dan ga ik de notaris zeggen dat u er bent.’ Heupwiegend wandelde ze naar het eind van de hal en verdween achter een zware eiken deur. Tegenover hem stond een donkere massieve staande klok, waaraan een koperen slinger de minuten wegtikte. Het getik en de stilte van de hal maakte hem aan de ene kant rustig, maar aan de andere kant voelde hij een onaangenaam gevoel in zijn maag opkomen. De enorme uitstraling die van het huis uitging deed hem aan zijn eigen afkomst denken. Ze hadden het thuis niet slecht gehad, maar deze dure spullen hadden zijn ouders zich nooit kunnen permitteren. Aan de andere kant, zijn moeder zou zich ook nooit in deze donkere omgeving thuis hebben gevoeld.
‘Komt u maar verder,’ haalde de stem van de vrouw hem uit zijn hypnose.
Klaas stond op en stapte over het zware tapijt de werkkamer van de notaris binnen. De oudere man zat achter zijn bureau en stond op om hem een warme handdruk te geven.
‘Wat ben ik blij dat ze je eerder hebben vrijgelaten. Het zal niet meevallen om het gewone leven weer op te pakken. Ik zeg het niet graag, maar als je eenmaal een stempel hebt, raak je die niet snel meer kwijt. Geloof me, er zijn toch nog mensen die weten dat je onschuldig bent. Maar even over je moeder. Helma heeft me al het één en ander verteld. Ga zitten. Wil je iets drinken?’
Klaas knikte en was enigszins overdonderd door de warme ontvangst van de oude man. Hij deed hem aan zijn vader denken. Zijn bewegingen en de manier van praten. ‘Wat ik heel graag zou willen, ging Klaas op zijn vraag in. Ik zou zo graag een lekker bakkie koffie willen.’
‘Geen probleem, dan krijg jij koffie,’ antwoordde de notaris en gaf de blonde vrouw opdracht om koffie voor zijn gast te maken.
De notaris en Klaas namen alle mogelijkheden met elkaar door. Klaas had zijn eigendomspapieren van het schip en de overeenkomst die voor de dood van zijn vader was gesloten, meegenomen. De notaris kwam tot de conclusie dat hij alle afspraken keurig was nagekomen.
‘Mijn advies is dat je van nu af aan niet meer het ouderlijk huis betreedt. Wat er ook gebeurt, zet geen voet meer over die drempel. Ik heb begrepen dat je moeder er erg slecht aan toe is. Het spijt me dat ik geen betere boodschap voor je heb. Neem afscheid van haar, zodat zij met een gerust hart kan sterven.’
Klaas nam afscheid van de notaris die hem nogmaals op het hart drukte niet meer het ouderlijk huis te betreden, zeker niet na het overlijden van zijn moeder. Hij knikte en voelde zich opgelucht, maar bezwaard tegelijk. Het was maar goed dat vader dit nooit heeft hoeven meemaken. Hoewel, misschien was dit wel een van die dingen waar hij hem altijd voor heeft gewaarschuwd. Tijdens de gezamenlijke borreluurtjes aan boord hadden ze vaak genoeg zitten filosoferen over van alles en nog wat. Dikwijls kwam die ouwe dan met een spreuk waar hij dan over na moest denken. Eén daarvan was. ‘Acht is meer dan tien.’
‘Ja, hoor Pa, tien is toch meer dan acht.’
‘Nee jongen, als je geen acht slaat op die tien…, ’ en zo waren er nog meer van die spreuken. Soms begreep hij ze niet, maar naar mate hij ouder werd ging hij ze steeds vaker begrijpen.
Hij haalde het intussen verfomfaaide papiertje, waar Helma haar adres had opgeschreven, uit zijn zak. Uit zijn andere zak haalde hij de sleutel die ze hem had toegestopt. Pakte de oude koffer op en stapte stevig door. Toen hij voor het boetiekje stond begreep hij dat het om de bovenste verdieping ging. Een zolder had ze het genoemd. In de winkel zag hij een jonge vrouw staan die wel enige gelijkenis had met Helma. Hij stapte op haar af en zei: ‘ik ben opzoek naar Helma.’
‘Dan moet jij de schipper zijn,’ antwoordde de vrouw. Ze stelde zich aan hem voor als Trees, de zus van Helma. Verlegen gaf ze hem een hand en even keken ze elkaar zwijgend aan. Klaas voelde een warme golf door hem heen wat hij niet thuis kon brengen. De enkele seconden die de handdruk duurde, leken voor beiden minuten, en wisten geen van beiden wat zij moesten zegen. Met een glimlach en een bloos op de wangen, stelde Trees voor dat hij alvast naar boven ging.
‘Neem iets te drinken en als je honger hebt, neem dan iets te eten. Ik denk dat Helma elk moment kan komen.’
Lang hoefde hij niet te wachten. Beneden hoorde hij de winkelbel rinkelen en Helma een gesprek met haar zus voeren. Hij kon niet verstaan waar het overging, maar daar was hij ook niet mee bezig.
‘Het gaat koud worden. Ik had mijn winterjas moeten aantrekken,’ melde Helma toen ze binnenkwam. ‘Ik heb je moeder gesproken. Ze zag er niet al te best uit. Op dit moment is ze nog wel helder, maar dat kan veranderen als de medicijnen die ze voor de pijn krijgt aanslaan. We hebben een goed gesprek met elkaar gehad en ik heb kunnen regelen dat jij haar vanavond na het bezoekuur mag bezoeken.’
‘Hoe heb je dit kunnen regelen,’ vroeg Klaas.
‘Oh, ik heb ook hier en daar zo mijn mensen zitten. Ik neem aan dat je met mijn vader hebt gesproken?
Klaas knikte bevestigd en bedankte haar voor alles was ze voor hem deed.
‘Ach, het is goed. Er komt misschien een tijd dat we jou nodig hebben. Ik weet zeker dat jij er dan voor ons bent. Ik zal je je kamer wijzen.’

Het was al tegen negen uur in de avond toen Klaas en Helma op de afdeling, waar de moeder van Klaas werd verzorgd aankwamen. Helma melde zich bij de verpleegkundige en vertelde Klaas in welke kamer ze werd verpleegd. Zachtjes liep hij de kamer in en schrok van de toestand waarin zijn moeder verkeerde. Bleek lag ze in de kussens en even zag hij een twinkeling in haar ogen toen ze hem herkende.
‘Dag lieve jongen. Helma vertelde al dat je zou komen. Ik heb de dokter gevraagd of ik mijn pijnstillers wat later zou mogen innemen zodat ik even met je kon praten. Het spijt me dat ik je zo veel last hebt bezorgd. Je had je thuiskomst vast vrolijker voorgesteld.’
‘Ach mam, ik weet niet wat ik van mijn thuiskomst had verwacht. In ieder geval niet dit, maar daar kan jij toch niets aan doen.’
‘Weet je het doet er allemaal niet meer toe. Ik voel dat mijn krachten aflopen. De motor is op. Dat geeft niet want ik zal heel snel je vader weer zien. Maar jij, jij moet heel goed voor jezelf gaan zorgen. Zoek een leuke vrouw en sticht een gezin.’
Nog een half uurtje sprak hij met zijn moeder. Toen merkte hij dat ze moe werd en de pijn niet zo goed meer kon verdragen. Intens namen ze afscheid van elkaar, en beiden wisten dat dit de laatste keer zou zijn dat ze elkaar zagen. Klaas ging naar de verpleegkundige en vroeg haar of ze naar zijn moeder wilde kijken en haar haar medicijnen tegen de pijn zou willen geven. Ze knikte en liep meteen naar de kamer waar ze moeder lag. Klaas keek haar na alsof hij de aanwezigheid van zijn moeder zolang mogelijk wilde vasthouden.
Beneden in de hal wachtte Helma hem op en zonder een woord te zeggen reed ze in haar kleine fiat naar haar woning. In gedachten namen ze plaats aan een tafel. Meteen stond ze op, haalde twee bier uit de koelkast en schonk voor beiden een glas in.
‘Normaal gesproken drink ik nooit bier, maar nu ben ik wel aan iets sterkers dan water toe.’
Klaas keek haar aan en een lichte glimlach kwam rond zijn mond. ‘Moet je ons hier eens zien zitten. Het is maar goed dat Bas ons zo niet ziet.’
‘Ach wat, Bas zou er alle begrip voor hebben. Ik begrijp niet waar die adoratie van hem voor jou en je vader vandaan komt.’
‘Bas heeft het thuis niet makkelijk gehad. Pa ving hem altijd op alsof het zijn eigen kind was en zo voelt dat ook, alsof hij mijn broer is.’
‘Ik bedoel er ook niets kwaads mee, begrijp me goed. Ik heb gelukkig hele lieve ouders en daar prijs ik me gelukkig mee, zei ze al fluisterend. ‘Hoe was het bij je moeder?’
‘Ze was erg vermoeid en had veel pijn. Ik hoop maar dat ze rustig mag inslapen, maar ik zal haar missen.’

Twee dagen later was het zover. Zijn moeder was rustig ingeslapen en de begrafenis vond in stilte plaats, maar klaas kon er niet bij zijn.

Twee maanden gingen voorbij. Klaas en Bas voeren als vanouds weer wekelijks uit. Inmiddels was hij goed bevriend geraakt met Helma’s zus Trees. Ze draaiden om elkaar heen. Helma en Bas vonden het heerlijk om te zien dat Klaas beetje bij beetje weer wat meer grip op zijn leven kreeg. Ze hoopte dat de gevoelens van Klaas en Trees zouden uitgroeien tot meer dan alleen vriendschap.
Op de zaterdag voor kerst stond Helma plots in de kamer van Klaas en overhandigde hem een brief. Aandachtig nam hij de brief in zich op en overhandigde deze aan Helma. ‘Hier, lees maar, daar waren we al bang voor?’
Helma las de brief en knikte. ‘Ja, hier hebben we het over gehad. Je weet wat je nu moet doen, de erfenis verwerpen.’
Klaas knikte en de volgende dag regelde hij de hele kwestie. Voor hem was het boek nu voor eens en voor altijd gesloten.

Weken gingen er voorbij en in het dorp was Klaas niet meer dagelijks het onderwerp van het gesprek. Inmiddels waren er alweer nieuwe schandaaltjes waar men druk over sprak. Toch waren er nog altijd lui die de moord op de pastoor van tijd tot tijd nieuw leven inbliezen. Er was immers nooit duidelijk geworden waarom de man was vermoord. Dat was iets waar sommige zich niet bij konden neerleggen. Nog altijd was men ervan overtuigd dat de vader van Klaas niet meer in zijn graf lag. De band met Trees was steeds hechter geworden en samen waren ze eraan toe om een eigen stekje te gaan zoeken om in te gaan wonen. Die gebeurtenis kwam in een stroomversnelling toen Trees grijnzen voor hem stond.
‘Raad eens Klaas. Ik heb een nieuwtje,’ fluisterde ze zacht.
‘Oh, heb je een prijs gewonen?’
‘Dat kan je wel zeggen, ik ben zwanger’ antwoordde ze.
Klaas hoorde haar niet, hij gaf haar een brief en zij keek hem vragend aan.
‘Waarom moet je op het politiebureau komen,’ vroeg ze hem.
‘Ik weet het niet Wat ik hieruit begrijp is, dat ze inlichtingen willen over de dood van mijn vader. Ik weet ook niet waar dit opslaat.’
Hij legde de brief op tafel en keek Trees vervolgens aan. ‘Wat wilde je me vertellen. Wat zei je ook al weer.’
Trees keek hem zwijgend aan en besloot om haar geheim nog even voor zich te houden, maar daar kreeg ze weinig kans voor.
‘Wat zei je nou. Ben je zwanger. Meen je dat?’
Trees knikte en glimlachte hem stralend toe.
‘Geweldig,’ riep Klaas, tilde haar van de grond en kuste haar innig. ‘Jeetje, ik word vader. Niet te geloven.’
Trees keek hem verrassend aan. Dit was een andere kant van hem die ze nog niet kende. Ze had niet gedacht dat hij zo uitzinnig op haar nieuws zou reageren. ‘Lieverd, had jij geen afspraak met Bas?’
‘Oh, ja dat is waar. Ik ga maar gauw, stel je voor ruzie met mijn partner. Dat kan ik me niet veroorloven, niet nu we een mondje meer moeten gaan voeden,’ antwoordde hij glimlachend. Nog even knuffelde hij Trees en rende in de richting van de haven.

Aan boord was Bas druk bezig de apparatuur aan het controleren toen Klaas hem vrolijk op de schouders klopte en hem allereerst zijn grootte nieuws vertelde.
‘Zie je het voor je Bas. Ik papa.’
‘Nou gezegend is dat kind,’ grijnsde Bas, die net als Trees een andere kant van Klaas zag. ‘In het dorp hebben ze in ieder geval weer iets om over te roddelen.’
‘Jij weet ook wel, hoe je iemand moet ontmoedigen hè,’ zei Klaas.
‘Ik maak maar een grapje, dat weet je toch?’
‘Allicht weet ik dat, maar ik heb hier iets waar ze ongetwijfeld over gaan roddelen,’ en hij overhandigde Bas de brief die hij had ontvangen.
‘Weet je wat ze willen,’ vroeg Bas.
Klaas haalde zijn schouders op. ‘Ik heb geen idee wat ze willen weten. Ik wacht het maar rustig af.’
‘Misschien heeft het nog steeds te maken met dat verhaal dat steeds maar wordt opgerakeld.’
‘Wat bedoel je. Welk verhaal,’ vroeg Klaas.
‘Nou, je weet wel. Dat verhaal dat men beweerd dat je vader niet in zijn graf ligt.’
‘Wat een onzin. Zou je denken. Wat willen ze nou. Gaan kijken of die man nog in zijn kist ligt. Kunnen ze die man, nu hij in zijn kist ligt, nog niet met rust laten’
‘Weet je Klaas, ze zijn er hier gek genoeg voor. Die pastor was als het ware een heilige, ook al heeft hij ik-weet-niet-wat uitgespookt. Denk alleen maar aan mijn broer. Hij en die koster van hem, hebben hem voor zijn leven getekend.’
‘Hoe gaat het eigenlijk met je broer?’
Bas haalde zijn schouders op en zei. ‘Ach, niet anders dan anders. Ik zie hem niet zo vaak.’
‘Kop op man. Gaat het wel goed met je,’ vroeg Klaas die vond dat Bas een sombere uitdrukking had.

Klaas melde zich op het politiebureau. Daar werd hij meegenomen en een kamertje ingeduwd. ‘Waarom word ik een verhoorkamertje ingeduwd. Het is toch niet de bedoeling dat ik hier moet blijven,’ vroeg hij in paniek.
De jonge agent keek hem aan en zei. ‘Nee meneer, de deur blijft gewoon open. Rechercheur Kaspers wil alleen even met u praten.’
Onrustig begon Klaas door het kamertje te ijsberen. Zijn gedachten voeren hem terug naar de verhoren die hem jaren geleden waren afgenomen. De tijd die hij wachtend moest doorbrengen leken uren te duren. Uiteindelijk ging de deur open en stapte er twee mannen en een vrouwelijk rechercheur de kamer binnen. Keurig stelden ze zich aan hem voor. Er werd hem een kop koffie aangeboden waar Klaas dankbaar gebruik van maakte.
‘Kunt u mij uitleggen waarom ik ben opgeroepen om hier te verschijnen?’
De vrouwelijke rechercheur glimlachte hem toe en zei. ‘Wij krijgen regelmatig tips binnen inzake het graf van uw vader. Deze tipt blijven zo vaak binnenkomen, dat ik hoop dat u begrijpt, dat wij deze tips niet kunnen blijven negeren. U bent indertijd veroordeeld voor de moord op de pastoor. Ons is nooit duidelijk geworden waarom die moord heeft plaatsgevonden.’
‘Hoe moet ik weten waarom die moord heeft plaatsgevonden. Ik heb hem niet gepleegd. U zou er goed aan doen te onderzoeken wie die moord wel heeft gepleegd,’ antwoordde Klaas geïrriteerd.
‘Voor ons is die zaak gesloten en de moordenaar veroordeeld. Wij kunnen de zaak alleen opnieuw openen indien er nieuwe bewijzen worden gevonden om uw gemende onschuld te bewijzen.
Het Openbaar Ministerie heeft toestemming gekregen om het graf van uw ouders te openen en te onderzoeken. Wij begrijpen dat dit voor u een schrok is, maar wij kunnen de geruchten, die keer op keer de kop op steken niet langer naast ons neerleggen. Uw overige familieleden zijn reeds op de hoogte gebracht van dit feit en wij willen deze procedure zo snel mogelijk afsluiten. Dit was dus de reden waarom wij u hebben verzocht om u te melden.’
Klaas keek de aanwezig verbijsterd aan. ‘Wie is toch die zogenaamde tipgever van u. Hoe komt die man in hemelsnaam op dat hele verhaal.’
‘Waarom denkt u dat het een man is,’ vroeg de vrouwelijke rechercheur.
‘Oh, nou het zou me ook niet verbazen als het één van die ouwe roddeltantes zou zijn.’
‘Misschien is dat geheel u eigen schuld. Hebt u zelf niet geroepen dat uw vaders wens moest worden ingewilligd.’
Klaas begreep dat het beter was dat hij zijn mond hield. Het had geen enkele zin om hier tegenin te gaan. ‘Wanneer gaat u het graf openen?’
‘Zo snel mogelijk. We hebben gewacht tot dat we met u hadden gesproken. U begrijpt dat wij van u geen toestemming meer nodig hebben, maar het zou verstandig zijn als u met ons zou meewerken. Elke tegenwerking maakt u verdacht en geeft de gemeenschap nog meer stof tot speculaties.’
De twee mannelijke rechercheurs verlieten de kamer, maar niet voordat ze hem nogmaals een hand hadden gegeven en zeiden dat ze begrepen dat deze tragedie hem rauw op zijn dak viel.
Klaas bedankte de mannen en keek vervolgens de vrouw tegenover hem aan. ‘Denkt u dat, wanneer straks het graf van mijn ouders is geopend. En men met eigen ogen heeft gezien dat mijn vader gewoon in zijn kist ligt, deze hele geschiedenis achter de rug is. Wat als straks iemand ineens weer met een ander verhaal naar voren komt. Word ik dan weer ontboden om uit te zoeken of ook dat verhaal klopt. Hoe ver gaat u?’
Ze keek hem aan en was duidelijk onder de indruk van zijn vraag. ‘Het kan in ieder geval dit gerucht uit de weg ruimen. Misschien zou u uw leven anders moeten gaan indelen. Opnieuw beginnen waar ze u niet kennen. Ik heb begrepen dat uw vrouw zwanger is. Denk er eens over na, u bent nog jong.’
Ze nam afscheid en gaf hem haar telefoonnummer. ‘Mocht u nog vragen hebben bel me dan gerust. Ik laat het u zo snel mogelijk weten wanneer het graf wordt geopend.
Klaas nam haar kaartje en keek haar vragend aan. ‘Ik heb nog één vraag?’
‘En dat is?’
‘Stel dat ik u zou vragen of een aantal dorpbewoners de opening van het graf zouden mogen bijwonen. Is dat dan mogelijk?’
‘Dat is niet gebruikelijk, maar ik begrijp u vraag. Daar moet ik naar informeren. Waarom is dat zo belangrijk voor u?
‘Mijn hoop is dat zij mij na het openen van het graf en zij met eigen ogen zien dat pa nog gewoon in zijn graf ligt, mij eindelijk met rust laten.’
‘Aan hoeveel mensen denkt u dan?’
‘Ik denk aan degene die u steeds lastigvallen met hun roddelpraat. Ik hoef niet te weten wie het zijn. Ik wil ook niet aanwezig zijn, wanneer mijn ouders in hun laatste rustplaats worden verstoord.’
‘En u denkt dat die personen wel aanwezig willen zijn?’
‘Mensen die zover gaan deinzen nergens voor terug. Ze zitten waarschijnlijk vol haat. God mag weten waarom.’
De rechercheur gaf Klaas een hand en zei dat ze nog contact met hem zou opnemen zodra ze meer informatie voor hem had omtrent het tijdstip van openen.

Twee weken later was het zover. Afgesproken was dat Klaas zich op het tijdstip van opgraving op het bureau zou melden. Daar zou hij wachten totdat rechercheur Kaspers hem de bevindingen zou melden. Ze had hem verteld dat de opgraving enkele uren in beslag zou nemen. Voor de zekerheid zouden ze ook DNA-matriaal van de overledene afnemen om voor eens en voor altijd de zaak te laten rusten. Klaas had gemengde gevoelens omtrent het hele gebeuren. Vandaag zou blijken dat hij altijd de waarheid had gesproken over het feit dat hij zijn vader na zijn dood met geen vinger had aangeraakt. En dat de ouwe samen met zijn moeder in één graf lag. In de loop van de jaren had hij ook wel begrepen dat dat de grootste wens van zijn moeder was geweest. Aan het eind samen zijn met haar man, op hun laatste rustplaats. Nu restte hem nog enkele uren voordat de dorpsbewoners hem en zijn ouders, voor eens en voor altijd die rust zouden gunnen. Kaspers had weten te bereiken dat er bij hoge uitzondering twee vooraanstaande dorpbewoners aanwezig mochten zijn.

Na dat het graf van Klaas ouders met hekken hermetisch was afgeschermd tilde de grafdelvers met hun machine de zware grafsteen van zijn plaats. Met een graafmachine werd de bovenste zandlaag verwijderd. Het laatste restje zand werd met een schop weggeschept. Eerst werd voorzichtig de kist van zijn moeder naar boven getild, daarna volgde de kist van zijn vader. De kist werd geopend en het dode lichaam, althans wat er nog van over was werd zichtbaar. De patholoog-anatoom nam enkele monsters, daarna werd de kist weer gesloten. Het bewijs dat zijn vader gewoon in zijn kist lag, was nu in ieder geval geleverd. Voorbereidingen werden getroffen om beiden kisten weer netjes in het graf te plaatsen. Dat moest voorzichtig gebeuren want in hetzelfde familiegraf lagen ook de ouders van de moeder van Klaas.
Voorzichtig stapte één van de grafdelvers in het graf om de voorbereidingen te treffen, zodat ze de kisten weer konden herplaatsen. Plotseling gleed hij uit en voelde de kist onder hem verpulveren. Even vloekte de man omdat hij wist dat ze nu nog meer werk zouden hebben aan het hele karwei wat hem toch al zo had tegengestaan. Zijn collega schoot hem te hulp en vroeg wat er aan de hand was.
‘De kist hieronder is zo verpulvert. Ik ben bang dat we deze moeten herschikken.’
‘Verdorie, ook dat nog. Is het erg?’
‘Dat moet ik even bekijken. Kan jij van bovenaf de situatie beoordelen?’
Zijn collega zorgde dat het graf wat meer werd verlicht. ‘Weet je zeker dat alleen de bovenste kist is ingestort?’
‘Ja, dat weet ik zeker. Ik voelde maar een lichte verschuiving. Hoe zo?’
‘Nou, ik heb het idee dat ik er twee schedels zichtbaar zijn. Het vreemde is wel dat ze aan weerzijde liggen. Dat zou betekenen dat één van de kisten verkeerd om in het graf is gezet.’
Inmiddels waren de overige leden en de patholoog-anatoom gealarmeerd. Besloten werd om de bovenste laag wat vrij te maken en al snel werd duidelijk dat er iets niet klopte.
‘Hier liggen twee lijken in één kist,’ riep de grafdelver verbaast uit.
‘Oké, niet meer aanzitten,’ riep de rechercheur.

Vermoeid gooide rechercheur Kaspers haar jas op haar bureaustoel. De kamer die zij met meerdere collega’s moest delen was klein en donker. Vaak deprimeerde de ruimte haar en ze probeerde dus zo min mogelijk in deze ruimte te vertoeven. Haar collega tegenover haar keek haar uitdagend aan. Als vrouwelijke rechercheur moest ze nog beter haar best doen om in deze mannenwereld tot zijn recht te komen. ‘Heeft iemand de zoon al op de hoogte gebracht van onze bevindingen,’ vroeg ze haar collega, die haar nog steeds uitdagend zat aan te kijken.
‘Nee, dat laten we graag aan jou over,’ grijnsde hij.
Kaspers stond op en schonk 2 koppen koffie in waarmee ze de kamer inliep waar Klaas al die tijd had zitten wachten.
‘En,’ vroeg Klaas.
‘Tja, het spijt me. Er is zorgvuldig, voor zover dat mogelijk is, waardig met uw ouders omgegaan. Helaas is deze hele geschiedenis nog niet voorbij. Herkent u dit?’ Kaspers haalde een plastic zakje met een voorwerp uit haar zak en overhandigde deze aan Klaas.
‘Nee, het lijkt wel een kruis,’ en hij onderzocht het voorwerp aandachtig. ‘Kijk er staan zelfs initialen in.’
Beiden bekeken ze de initialen. Deze waren haar nog niet opgevallen. JK, wie zou dat kunnen zijn? Zeggen die initialen u ook niets?’
‘Nee, hoe moet ik dat weten. Dat hele kruisje komt me niet bekent voor. Hoe komt u er aan?’
‘Dit lag in de kist van uw opa. Hij deelde zijn kist met nog een persoon.’
‘U maakt een grapje,’ vroeg Klaas.
‘Nee, helaas niet. Beide zijn meegenomen voor nader onderzoek om uit te zoeken wie die 2e persoon is. Ik stel voor dat u naar huis gaat. Zodra ik meer weet neem ik contact met u op.’
Klaas keek haar verslagen aan en stond uitgeput op, wandelde naar de deur en draaide zich nog even om. ‘Morgen varen we uit.’
‘Ja, goed. Voor volgende week verwacht ik toch geen bericht. Tot ziens,’ liep naar hem toe en gaf hem een warme handdruk. ‘Houd u taai. Er zal wel weer heel wat worden afgeroddeld in dit gehucht.’
Er kwam een glimlach rond de mond van Klaas. ‘Ongetwijfeld. Daar leven ze van. We houden ze wel bezig hé.’
‘Dat kan je wel zeggen,’ glimlachte Kaspers terug. ‘Nu naar huis, daar zullen ze wel op je wachten. Roddels gaan hier sneller dan een telegram.’

Klaas liep naar het huisje wat Trees en hij enkele weken geleden hadden gekocht. Trees was nog ijverig bezig met het opknappen van het laatste kamertje. Dat kamertje werd de kinderkamer. Uren kon ze er aan spenderen. Kleuren werden zorgvuldig uitgekozen. Ze wilden geen blauw of roze, maar neutrale zachte kleuren. Buiten bleef hij even voor het huisje staan en voelde een warme golf van geluk door zijn lichaam stromen. En de zeewind door zijn haren strijken. Draaide zich om en tuurde over de zee en het strand. Over een tijdje waren ze met zijn drietjes, al met al lachte het geluk hem toch nog toe. Binnen vond hij Trees, zoals hij al had verwacht in het toekomstige kinderkamertje. ‘Het is moeilijk hé, om te wachten totdat ik je kan helpen met die klus,’ plaagde hij haar, toen hij zag dat ze onder het behangplaksel zat.
‘Je kent me toch onderhand wel. Wat vind je ervan.’
‘Wil je mijn eerlijke mening?’
‘Hoezo, vind je er niks aan?’
‘Ik maak maar een geintje. Als jij het mooi vindt is het goed. Dat is geen commentaar. Al moesten we in een hut wonen dan nog zou ik hem mooi vinden zolang jij er maar bent.’
‘Ja, je weet het weer mooi te brengen,’ glimlachte ze. ‘Hoe is het gegaan?’
‘Ik denk dat je even moet gaan zitten,’ en nam haar even in zijn armen, en liet gewillig liefkozen.
‘Ga je het me nog vertellen?’
‘De opgraving van pa en ma verliepen goed, maar bij het terugplaatsen ontdekte ze dat er niet 4 maar 5 personen in het graf liggen. Kaspers vertelde me dat er in de kist van opa nog een 2e persoon lag.’
‘Dat meen je niet,’ vroeg Trees verbaast.
‘Jawel. Opa zal het in ieder geval niet koud hebben gehad, maar de vraag is. Wie en hoe komt die andere persoon in die kist.’
‘Wat gebeurt er nu,’ vroeg Trees.
‘Ik weet het niet. Kaspers neemt, zodra ze meer weet contact met me op. Ik heb geen idee wat er verder gaat gebeuren.’
‘Heeft dat gevolgen voor ons?’
‘Voor ons. Wat hebben wij er mee te maken. Ik heb ook geen idee wie en hoe die persoon daar terecht is gekomen.’
Beneden werd er gebeld en ze hoorde dat de sleutel in het slot werd gestoken. ‘Dat zullen Bas en Helma zijn,’ zei Trees.
Samenliepen ze de trap af en begroette de twee. Helma omhelsde haar zus en liet haar blik over haar buikje glijden. ‘Het gaat goed hé Klaas,’ vroeg ze.
Klaas keek haar aan en knikte. ‘Wat denk je. Wanneer ben jij eraan toe Helma.’
Ze keek hem heel even verdrietig aan en keek vervolgens naar Bas. Klaas ving die verdrietige blik op, ook al was hij maar heel kort aanwezig geweest. Hij was van haar gaan houden. Niet op de manier zoals van Trees, maar hij voelde dat hij een zwak voor haar had. Het deed hem pijn dat hij zag dat ze niet gelukkig was. Waar was Bas mee bezig.
‘Is het waar, wat er wordt verteld,’ vroeg Helma.
‘Ik ben bang van wel, zei Klaas.’
‘Wat gaat er nu gebeuren?’
‘Ze hebben de resten meegenomen om te onderzoeken wie die 2e persoon zou kunnen zijn. Wat ze daarna gaan doen weet ik ook niet.’
‘Het blijft een lugubere gedachten. Wie doet nou zoiets? Wat vind jij ervan Bas?’
Bas keek haar aan en haalde zijn schouders op. ‘Ik ga even naar buiten. Zie je morgen wel aan boord Klaas.’ Hij wandelde naar buiten en liet de andere verbaast achter.
‘Wat heeft hij opeens. Hebben jullie soms ruzie gehad,’ vroeg Trees.
‘Nee, maar hij is de laatste tijd…. Ach, het gaat wel over. Ik heb die strook meegebracht zodat we die kunnen bevestigen als je die muur hebt behangen.’
‘Oh, maar die muur is al klaar,’ antwoordde Trees.
Klaas keek de twee vrouwen aan en begreep dat hij hier geen stok meer tussen zou krijgen. ‘Dames, ik ben even weg.’
De vrouwen hadden hem niet eens meer in de gaten en voorzichtig sloot Klaas de voordeur achter zich. Hij wandelde naar de haven, waar hij enkele bemanningsleden tegen kwam. Ze begroette hem warm, terwijl hij aan boord klom. De monteur was met de lichtmotor bezig en Klaas besloot hem een handje te helpen, waar de monteur dankbaar gebruik van maakte. Samen zongen ze oude zeemansliederen en na een uurtje waren ze klaar. ‘Nou schipper, dat was als van oudst. Die ouwe van je kwam me ook altijd even helpen met dit klusje. Zo af en toe mis ik die man.’
‘Ja Teun, dat kan ik me voorstellen. Hij was ook van jouw generatie. Je bent de oudste hier aan boord. Dit motortje zou niet zonder jou kunnen.’
‘Denk je?’
‘Zeker weten. Jij kent elk schroefje, moertje, leertje, wat zit er nog meer in die motor?
‘Joh, neem je moer in de maling,’ en klopte hem gemoedelijk op zijn schouder. ‘Ik ga naar de kroeg een pilsje drinken. Ga je mee?’
‘Nee, ik zie je morgen Teun. Maak het niet te laat in de kroeg. Moeder de vrouw wil je vandaag ook nog even zien’
Klaas besloot om te gaan kijken of Bas misschien naar huis was gegaan. Hij had verwacht dat hij hem aan boord zou aantreffen, maar Teun had hem ook niet gezien. Hij opende de deur van de boetiek, maar ook daar was hij niet. Zijn maag begon te protesteren en zijn horloge vertelde hem dat het inmiddels tegen zessen liep. De volgende morgen zouden ze weer vroeg uitvaren en er was nog een hoop te doen. Thuis trof hij Trees aan in de keuken en ze begroette hem liefdevol.
‘Heb je Bas nog gevonden,’ vroeg ze.
‘Nee, ik had gehoopt dat hij aan boord zou zijn, maar daar trof ik alleen Teun aan.’
‘Vreemd, kom we gaan eten. Ik heb honger als een paard. Ten slotte moet ik eten voor twee.’
‘Nou, daar doe je anders goed je best voor,’ antwoordde Klaas.

De volgende ochtend liep Trees met hem mee naar de haven en daar ontmoette ze Helma, die haar vertelde dat Bas de gehele nacht niet was thuis geweest. Tegen vieren kwam hij aan om zijn tas te pakken en had haar niet willen vertellen waar hij die nacht was geweest.
‘Misschien heeft hij gewoon hier aanboord geslapen,’ antwoordde Trees.
Helma keek haar dankbaar aan. ‘Je zal wel gelijk hebben. Hij heeft immers jaren op dat schip gewoond. Weet je, ik vind het helemaal niet erg dat hij één of twee weken op zee is en ik alleen zit, maar ’s nachts niet thuiskomen wanneer het schip binnen ligt.’
‘Hij zal er wel een hele goede reden voor hebben gehad. Misschien worstelt hij met iets waar hij jou nu even niet mee lastig wil vallen. Je kent hem toch. Het is een binnenvetter.’
‘Ja, je hebt gelijk. Ik ga even naar hem toe,’ en ze liep naar de brug waar Bas zijn instrumenten controleerde.
Schuldig keek hij haar aan en nam haar in zijn armen. ‘Ik leg het allemaal nog wel een keertje uit,’ fluisterde hij. ‘Het komt goed.’
Het liefst had Helma geschreeuwd dat ze er recht op had om te weten wat er aan de hand was, maar ze begreep dat ze op dit moment geen antwoord op haar vragen zou krijgen.
Ze namen innig afscheid van elkaar. Helma ging van boord en besloot om even langs het strand te lopen om haar hoofd leeg te maken. Ze had een vreemd voorgevoel, een soort zesde zintuig, wat ze niet thuis kon brengen.

Aan boord

‘Waar heb jij de hele nacht gezeten. Helma was doodongerust. Heb je haar nog gesproken,’ vroeg Klaas.
‘Jawel,’ was het enige antwoord dat hij kreeg en Bas verliet de brug.
Verbaast keek Klaas hem na en besloot dat hij het hier niet bij zou laten zitten. Die avond sprak hij Bas aan op zijn gedrag en wilde dat hij hem vertelde wat er aan de hand was. Bas weigerde om hem dit te vertellen waarop Klaas hem toeschreeuwde dat hij weigerde om mee te werken aan het verdriet dat hij Helma aandeed.
Aangeslagen keek Bas hem aan. ‘Het is niet mijn bedoeling om Helma pijn te doen. Ik hou te veel van haar om dit verdriet met haar te delen,’ en legde zijn hoofd in zijn handen. Hij had geen idee hoe hij zijn probleem moest oplossen. Zijn geheim met de schipper delen was ook geen optie, hoe graag hij dat ook gewild had.
Klaas liet het zo en verliet de ruimte en stoomden op naar de visgronden. Deze keer zouden ze wat verderop gaan dan gewoonlijk. Om de een of andere reden was de sfeer aanboord anders dan anders. Ook de verstandhouding tussen Klaas en Bas leek te zijn veranderd.
Bas loste als eerste één van de matrozen af.
‘Wel stuur, ik ga pitten. Goede wacht verder.’
‘Slaap lekker,’ antwoordde Bas.
Teun, de monteur die het schip en zijn motor door en door kende, werd wakker omdat hij het gevoel had dat de motor niet liep zoals die zou moeten draaien. Alsof er meer wentelingen bij waren gezet. Hij besloot een kijkje te gaan nemen op de brug. Tot zijn verbazing was daar niemand aanwezig. Hij besloot de schipper en de andere te alarmeren omdat het wel duidelijk was dat hier iets aan de hand was. Verslagen moesten ze concluderen dat de stuurman spoorloos was. De schipper rekende de koers en de stroming uit en liet het schip enkel keren heen en weer varen. Ze lichte de zee met hun lichten bij, maar het mocht niet baten. Bas was zomaar in het niets verdwenen. Intussen nam hij contact op met de wal, die hem berichtte dat ze een schip en een reddingshelikopter zouden sturen om hem te assisteren. De hele dag werd er nog gezocht, maar toen de zon onderging werd besloten het zoeken te staken. Gebroken meldde Klaas zijn bemanning dat de zoekactie werd beëindigd en dat ze huiswaarts moesten.
Zichtbaar aangeslagen zat de bemanning zwijgend benedendeks. Niemand begreep wat er met de stuur was gebeurd. De zee was kalm geweest. Het was een mooie heldere nacht. Wat was er gebeurd. Was de stuur gevallen, gesprongen of was hij overboord gegooid? Iemand verdween toch zo maar niet!

Aan de wal werd een onderzoek ingesteld naar de verdwijning van Bas. De bemanning en de schipper werden verhoord. Opnieuw had het dorp zijn conclusie alweer getrokken. Ook deze keer ging het vingertje weer richting Klaas.
‘Die Bas zal wel te veel over die schipper te weten zijn gekomen. Snap je nou waarom die vent nog rondloopt? Hoeveel moeten er nog het lootje leggen,’ werd er gefluisterd.
Het onderzoek richtte zich op de laatste reis en de vreemde sfeer die er op dat moment heerste.
In afwachting van het onderzoek werd Klaas in voorlopige hechtenis genomen. Klaas wist maar al te goed wat dit betekende. Als ze geen antwoord op hun vragen zouden vinden, betekende dat dat hij voor de komende 3 dagen in de cel zou moeten doorbrengen. In het ergste geval zou er nadat hij was voorgeleid, een verlenging worden aangevraagd.
Zijn angst werd werkelijkheid. Er was meer tijd nodig om het onderzoek te leiden. Verslagen lag hij op het houten bed. Zijn gedachten voeren hem terug naar de vorige keer dat hij in dezelfde cel zat opgesloten. Vergeleken met toen lieten ze hem redelijk met rust. Geen oneindige verhoren. Zo nu en dan werd hij uit zijn cel gehaald en verhoord. Ze deden geen uitlatingen over het onderzoek. Het enige wat hij kon doen was wachten en hopen dat zijn advocaat meer voor hem kon doen dan dat hij tot nu toe had bereikt. Hij verlangde naar huis. Naar Trees, die nu hoogzwanger op hem wachtte. Hij vroeg zich af hoe het met haar ging. De afgelopen dagen had hij niets van haar gehoord en dat verontruste hem. De celdeur werd opengemaakt en de agent vertelde hem dat er bezoek was.
In de bezoekruimte trof hij Helma. Teleurgesteld ging hij tegenover haar zitten.
‘Je had natuurlijk Trees verwacht? Trees is ziek en moet rust houden. Haar bloeddruk is veel te hoog. Als hij morgen niet is gezakt, wordt ze opgenomen.’
‘Geloof jij dat ik Bas iets heb aangedaan?’
‘Nee Klaas, dat geloof ik niet. Jullie waren als het ware twee broers en hebben samen zo veel meegemaakt. Jullie zouden elkaar nooit iets aandoen. Wie zou dat beter moeten weten dan ik.’
‘Ze denken dat ik hem overboord heb gegooid.’
‘Er is daar geen enkel bewijs voor. Ga je zelf niets wijsmaken. Hou, hier mee op. Ik ben Bas verloren en natuurlijk wil ik weten wat er is gebeurd, maar ik ben ervan overtuigd dat jij hem niet hebt vermoord. Het ging niet goed met hem. Hij was teruggetrokken en in zichzelf gekeerd. Er waren momenten dat ook ik hem niet meer kon bereiken. Hij zat met iets, maar wat weet ik niet. Nog niet.’
‘Ik hoop dat deze nachtmerrie snel voorbij is,’ fluisterde Klaas en pakte haar beide handen vast.
‘Zorg je goed voor Trees,’ vroeg hij.
‘Natuurlijk doe ik dat. En jij moet sterk blijven. Laat je niet ontmoedigen. Het komt heus wel goed.’
Hij glimlachte haar flauwtjes toe en zei. ‘Ga maar, Trees heeft je op dit moment meer nodig dan ik. De baby kan elk moment geboren worden.’
Helma knikte en was blij dat ze hem niet had verteld hoe ernstig het met Trees was. Ze gaf hem een stevige knuffel en zei dat ze, wanneer ze nieuws had zo snel mogelijk weer zou komen.
Klaas werd teruggebracht naar zijn cel en de volgende dag werd hij vanuit zijn politiecel overgebracht naar het huis van bewaring.
In zijn cel probeerde hij zijn gedachten te verzetten. Ontspannen was iets dat hij in gevangenschap nooit zou leren. Dat was hem van de vorige keer maar al te goed bijgebleven. Hij vroeg zich af hoelang hij nu eigenlijk vrij was geweest. Onrustig liep hij heen en weer in de kleine ruimte. Zijn gedachten dwaalde af naar Trees en hun ongeboren kindje. Waarom moest hen dit weer overkomen. Had hij na de vorige straf nog niet genoeg geboet. Hoe kunnen mensen geloven dat er een God bestaat. Zo langzamerhand ging hij begrijpen waarom mensen zich van het leven beroven. Ze strijden tegen iets wat niet te winnen is. Soms bepaalt de omgeving hoe je moet leven, of je dat nou goed vindt of niet. Sommige worden hun hele leven gedwongen om te leven zoals andere dat van hen wensen. Een enkele keer hadden ze een bemanningslid aan boord gehad die zich zo door andere liet leiden. Om hun minderwaardigheidsgevoel te verbergen logen ze alsof het gedrukt stond. Vaak geloofde ze zelf wat ze vertelde. Voor het gemak vergaten ze dat ze in een klein dorp woonden waar iedereen, iedereen kent. Ze bleven ook niet lang aan boord. Na één reis hadden ze het dikwijls wel gezien. Zij bezitten de moed en de kracht niet om uit dat keurslijf te treden. En dan is er ook nog de pastoor die vanaf zijn preekstoel over hel en verdoemis predikt. Even kwam er een glimlach om zijn mond toen hij aan zijn moeder dacht. Dat arme mens was haar hele levenlang elke zondag trouw naar de kerk geweest en af en toe gebruikte ze één of andere spreuk uit de bijbel om zijn broers en hem aan te manen zich te gedragen. Pa had haar dan aangekeken met een blik van ‘Moet dat nou’. Het gevolg was dat ze zich tegen haar man keerde en riep. ‘Ja, jij hebt makkelijk praten. Jij zit straks weer op zee en dan moet ik de boel hier weer in het gareel zien te krijgen.’
‘Nou, dat lukt je ook wel zonder de hulp van boven hoor,’ antwoordde pa dan. Daarna was de discussie weer gesloten en was Ma al weer vergeten waarom ze hen wilde straffen.

Einde deel 2