De uitstrooiing

De lichtblauw gekleurde urn wordt stevig met beiden handen vastgehouden en voorzichtig loopt ze ermee naar de buffetkas. Liefdevol plaatst ze hem weer terug op zijn inmiddels vastte plekje op de glazenplaat.
‘Morgen is het zover, dan is de dag aangebroken dat de uitstrooiing gaat plaatsvinden,’ fluistert ze glimlachend. ‘Ik kijk er naar uit om je morgen met liefde te mogen legen,’ en ze wrijft met een zachte doek de urn op. ‘Zo, je glimp weer. Ik kan mezelf erin spiegelen.’

De volgende dag is ze al vroeg op, neemt een douche en trekt haar mooiste jurk aan.
De bordeaux kleurige jurk bedrukt met rode roze staat haar goed en steekt goed af bij de kleur van de urn. De jurk is speciaal voor deze gelegenheid gekocht en ze keurt zichzelf in de spiegel. Ze pakt de urn uit de kast en met gestrekte armen spreekt ze hem toe: ‘Je kunt beter in zee worden uitgestrooid. Dat is altijd beter dan door het lavet. Daar krijg je misschien een verstoppingen van.’

Eerst wordt er uitgebreid ontbeten en tersluiks kijkt ze op haar horloge. Ze is zich ervan bewust dat het bijna tijd is om te vertrekken. Stel je voor straks missen ze de boot nog. Buiten hoort ze het getoeter van de auto en zuchtend zegt ze: ‘Ja ja, ik kom al!’
Zwijgend rijden ze naar de haven, ieder in zijn eigen gedachten.
‘Vind je het spannend,’ vraagt hij. ‘Ik zelf wel. Dit heb ik nog niet meegemaakt. Wel een raar idee, toch?’
‘Dat wel natuurlijk. Ik ben ook wel een beetje zenuwachtig, maar meer omdat ik bang ben om zeeziek te worden,’ antwoordt ze.
‘Dat zal wel meevallen. Het is prachtig weer,’ glundert hij.
‘Wat willen we dan nog meer. Het is een mooie dag voor de verstrooiing. Ja toch,’ en kijkt hem met haar pretoogjes vragend aan.
‘Daar ben ik het helemaal mee eens, maar ik blijf het een raar idee vinden. Maar ja, jij wil hem over zee laten uit strooien en niet door het lavet. Ik zou zeggen, laten we ervan genieten. Gewoon een vreemd dagje uit.’
‘Je hebt gelijk, niets mis mee. Zo is het leven nou eenmaal,’ en ze geeft hem een knipoog met een gulle glimlach.

Aan boord houdt ze de urn stevig in haar handen. Stel je voor dat ze hem stuk zou laten vallen. Het is prachtig weer. De strakblauwe hemel straalt hen tegemoet. Het schip vaart rustig de haven uit en na niet al te lang wordt er gevraagd of zij er behoefte aan hebben dat de schipper een speech houdt.
‘Nee, dat is niet nodig. Wij hebben een eigen ceremonie in gedachten, Antwoordt ze.
‘Ook goed mevrouw. U kunt de urn aan lijzijde legen. Anders waait het as weer terug en krijgt u het in uw gezicht.’
‘Is goed, nou daar ga je dan schat. Zo voelt het nou als je overboord wordt gegooid. Vertel me straks maar hoe je het hebt beleefd. Een twee drie in Gods naam,’ ze opent de deksel en laat de inhoudt door de wind over de zee verspreiden. Op het moment dat ze de deksel weer op de urn wil plaatsen laat ze hem per ongeluk vallen. De urn valt op zijn zij en loopt langzaam vol water. In het heldere water zien ze de urn al wiegelend naar de zeebodem zakken.
‘Nou ja, dat moet mij weer overkomen,’ en ze gooit de deksel erachter aan. ‘Laat de zee deze dan ook maar tot zich nemen.’

Vanaf een afstandje nemen de bemanningsleden de situatie waar en begrijpen er niets van. Ook de schipper die nieuwsgierig is geworden staat hen verbaast aan te kijken. De bemanning kijken ernaar met lede ogen naar.
‘Mag ik u beiden condoleren met uw verlies,’ vraagt de schipper.
‘Dat is niet nodig schipper,’ zegt ze.
Verbaast kijkt hij ze aan en vraagt of ze iets willen drinken.
‘Nou, wij hebben wel trek in iets sterks, ja toch,’ zegt ze tegen de man naast haar.
Onder een drankje wil de schipper weten wie de overleden was die zij hebben uitgestrooid.
‘Dat is een raar verhaal,’ en ze vertelt hem hoe de vork in de steel zit.
‘Iedere keer als mijn man zich heeft geschoren, leegt hij zijn scheerapparaat altijd in het lavet. Op een dag heb ik hem erop aangesproken dat hij dat maar niet meer moest doen. Het is net of er iedere keer iets van hemzelf door het lavet wordt gespoeld. Toen kwam ik op het idee om het te bewaren. Dat wilde hij wel, maar de afspraak was dat als de urn vol was dat we hem dan samen over zee zouden uitstrooien. Zo maakt hij zijn eigen verstrooiing toch nog een beetje mee. Dat is het verhaal achter deze verstrooiing,’ antwoordt ze.
De schipper kijkt haar nietszeggend aan. Schudt wat met zijn hoofd en verlaat de mestroom.
‘Volgens mij is hij er niet blij mee,’ zegt ze tegen haar man.
‘Ik kan er wel begrip voor hebben dat hij geërgerd is, maar ik heb er geen spijt van. Jij wel?’
‘Nee, het is onze dag. Ik ben blij dat je er nog bent. Zo te horen zijn we weer aan de kade. Laten we nog iets leuks gaan doen,’ grinnikt ze.
Als ze van boord willen, roept de schipper.
‘Als een van jullie echt dood is en de ander wil de as uitstrooien, doe ik het gratis,’ en loopt grijnzend van hen weg.
‘Daar houden we je aan,’ roept ze hem na.
De meeuwen vliegen krijsend om hen heen alsof ze willen zeggen. ‘Nou de volgende keer willen wij er ook weer bij zijn.’

Einde.