Sint en de Pandabeer 3

deel 3

Onderweg komt hij de eend ‘die niet kan zwemmen’ tegen. Van hem hoort hij dat Elsje heel geheimzinnig doet.
‘Ik heb haar zien lopen met een bundeltje kleding en voor ik er erg in had, was ze tussen de struiken verdwenen. Ik heb nog gewacht, maar toen ik de muziek bij het dorp niet meer hoorde, wilde ik weten wat er allemaal in het dorp en op die boot afspeelde.’
Brummel krabt achter zijn oor, maar neemt niet de moeite om verder te luisteren. Via het pad loopt hij naar het dorp en denk diep na. ‘Ik weet nog veel meer Brummel,’ schreeuwt de eend hem achterna, maar Brummel hoort hem niet meer. Hij wilde Brummel nog vertellen dat hij Elsje met één of andere rare figuur met een roetzwart gezicht in de richting van het dorp heeft zien wandelen, maar Brummel loopt snel door. Die kijkt nog even om en zwaait naar hem.
Brummel vraagt zich af waarom Elsje zo geheimzinnig doet. Wat deed ze in die struiken en waarom had ze die kleren bij zich. Ik moet het uitzoeken, maar waar moet ik beginnen, denkt hij.
In het dorp klimt hij in een boom en hij is erg tevreden met zichzelf. ‘Ik wist niet dat ik zo goed kon klimmen. Nu kan ik alles overzien,’ fluistert hij in zichzelf.
Hij ziet de kinderen naar de stoomboot staren. Zij begrijpen maar niet waarom hij hun kant niet opkomt. Opeens herkent Brummel de zwartepiet die hij bij de woonboot heeft gezien. De piet wil dat de kinderen stil zijn. Eindelijk lukt het hem om ze stil te krijgen en hij begint te vertellen.
‘Lieve kinderen, er is iets heel vervelends gebeurd. Eén van onze jonge pieten is verdwenen. Ze heet Beginpiet en ze moet nog heel veel leren. We hebben overal gezocht, maar we kunnen haar niet vinden.’
‘Het is een meisje, de zwartepiet die verdwenen is, is een meisje. Zie je wel mam, een meisje kan ook zwartepiet zijn.’
‘Stil nou schat, anders kan ik niet horen wat zwartepiet zegt.’
’Ja, en zo zie je maar,’ roept een jongen naast haar. ‘Een meisje kan geen zwartepiet zijn. Ze raken weg, of ze lopen weg.’
Het meisje balt haar vuistjes, maar houd zich in en steek haar tong naar hem uit.
‘Lieve kinderen, we zijn bang dat het Sinterklaasfeest dit jaar niet kan doorgaan. We zijn namelijk ook op zoek naar een beertje, dat bestemd is voor een meisje in Suriname. Ja, jullie horen het goed, in Suriname. We willen haar niet teleurstellen. Sinterklaas is zo bedroefd om de verdwijning van Beginpiet dat hij dit jaar zijn verjaardag wil overslaan.’
De kinderen zuchten en steunen en weten niet wat ze horen. De één vind het heel erg, maar de ander kan het geen reet schelen, want ze geloofde toch niet in Sinterklaas. Maar de meeste kinderen vinden het vreselijk en stellen zwartepiet voor dat ze meehelpen om de vermiste Piet en de beer te vinden.
Dat vindt de burgemeester een goed plan en vertelt dat ook hij dat al heeft voorgesteld.
‘En wie Beginpiet vindt, krijgt een extra cadeau,’ roept Cadeautjespiet.
Als de kade bijna leeg is, laat Brummel zich naar beneden zakken en rent terug naar de woonboot. Daar ziet hij Elsje aan komen wandelen.
‘Wat doe jij in deze kou buiten Brummel?
‘Niets, gewoon even een frisse neus halen, maar moet jij niet op school zijn?’
’Nee hoor, het is woensdagmiddag en toen ik van school wegliep, was het al bijna tijd om naar huis te gaan.’
‘Hoe zo wegliep. Ben je van school weggelopen. Werd je gepest?’
Elsje schikt. Bijna had ze zich verraden. ‘Nee hoor, maar maar…, ik moest iets voor de meester wegbrengen en toen was het al zo laat dat die paar minuten niet meer de moeite waard waren om naar school terug te gaan,’ loog ze. ‘Weet je Brummel, ik wil je iets vragen,’ maar ze heeft al direct spijt van haar vraag. ‘Laten we naar binnen gaan, het is erg koud,’ stelt Elsje voor.
Maar Brummel wil dat niet. Wee je gebeente dat ze Pandie ontdekte en wat dan. Ik moet haar zien weg te lokken, denkt hij, maar Elsje laat zich niet weglokken. Voor hij iets kan verzinnen, wandelt ze naar binnen en neemt plaats in de woonkamer. Ze tuurt door het raam naar buiten en Brummel gaat naast haar zitten en houdt haar goed in de gaten. Hij zwengelt, verveelt met zijn berenpootjes heen en weer en beiden staren voor zich uit.
Plots zegt Brummel. ‘Jij wilde me toch iets vragen?’
‘Nee hoor, ik weet van niets.’
‘Nou zeg, ik heb het zelf gehoord. Wat hou je voor mij achter. Kom op Elsje, anders ga je maar weg hoor. Nee, dat is ook niet eerlijk van mij, vertel op Elsje!’
‘Heb jij soms zelf iets te verbergen,’ vraagt Elsje
Brummel zwijgt ook, want Elsje wil Beginpiet niet verraden en Brummel Pandie niet.

Ondertussen is het onrustig in het dorp en in het hele land gonst het van de geruchten dat er hoogst waarschijnlijk geen Sinterklaasfeest wordt gevierd dit jaar. De kranten staan er bol van en op tv worden alle Sinterklaasprogramma’s uitgesteld. Het lijkt erop dat er inderdaad geen Sinterklaasfeest gevierd zal worden dit jaar. De kade staat vol dagjesmensen. Zij willen met eigen ogen zien wat er aan de hand is en waarom de boot van Sinterklaas niet aan de kade wordt aangemeerd. Inmiddels is het zoeken naar Beginpiet gestaakt. De brandweer zoekt nog wel op het meer, maar zij zijn van mening dat niemand het overleeft in het koude water. Ze denken vrijwel zeker dat Beginpiet is verdronken.
‘Ik vrees het ergste,’ zegt een vader. Zijn dochtertje staat beteuterd naast hem en houdt haar vaders hand stevig vast. ‘Pap, het is wel zielig hè voor Sinterklaas en de pieten, maar nu krijg ik ook mijn poppenwagen niet. Ik had me er zo op verheugd en onze Fientje denkt dat ze een mooie praatpop krijgt. Ik begrijp het wel, maar Fientje is nog veel te klein,’ fluistert ze.
Haar papa tilt haar op en droogt haar tranen en zegt: ‘Live schat, misschien komt het nog goed. Sinterklaas vindt er vast wel iets op. Misschien zijn Beginpiet en de pandabeer dichterbij dan wij denken.’
Brummel en Pandie kunnen door het open patrijspoortje precies horen wat de vader van het meisje zegt. Pandie wordt er erg verdrietig van en steekt haar hoofd door de patrijspoort. Net als ze wil roepen waar ze is, trekt Brummel haar terug en sluit de patrijspoort.
‘Ben je nou helemaal gek. We hebben nog wel even. Laten we daar gebruik van maken. Misschien….., oh jee, mondje dicht, voordat Elsje alles hoort. Ik kan haar er niet bij betrekken. Ze doet echt geheimzinnig en als ik vertel dat je hier bent, kunnen we het wel schudden.’
Hij denkt na en komt tot de slotsom dat de hele toestand niet meer alleen om Pandie gaat.
‘Zeg Pandie, ik heb het vermoeden dat het niet meer alleen om jou gaat. Beginpiet is er de oorzaak van dat er dit jaar geen Sinterklaasfeest wordt gevierd. Misschien zouden wij ook op zoek kunnen gaan naar die Beginpiet. Ik heb gehoord dat hij naar jou op zoek is.’
Verbaast kijkt Pandie hem aan en kan hem niet helemaal volgen. Plots horen ze dat er iemand onder de vloer zit te bonken.
‘Dat moet Koos de vleermuis zijn,’ zegt Pandie. Als hij iets weet, zou hij tegen de vloer bonken. Laten we snel gaan kijken wat hij weet.’
Het luik wordt geopend en ja hoor daar is Koos de vleermuis.
‘Ik heb misschien nieuws voor jullie. Ik ben op onderzoek uit geweest en heb een vlucht over en door het dorp gemaakt. Ik heb door heel wat ramen gegluurd en ik heb zo’n vermoeden dat ik weet waar Beginpiet zich bevindt. Eigenlijk weet ik het bijna wel zeker.’
‘Maar dan leeft hij gelukkig nog,’ roept Pandie blij.
‘Ik kan jullie er zo naar toe brengen,’ zegt Koos.
‘Morgen is het al Sinterklaasavond, dus moeten we snel iets doen. Kan jij ons er heen brengen,’ vraagt Brummel.
‘Dat kan wel, maar dan moet het eerst nog wat donkerder worden. Nu dus even niet. Sluit het luik maar, dan ga ik eerst even een dutje doen. Als het buiten gaat schemeren dan zie ik je buiten, oké?’
Brummel wil nog iets zeggen, maar Koos vliegt terug naar zijn hoek en valt vrijwel direct in slaap.
Brummel moet Pandie alleen laten omdat hij eerst nog iets moet regelen: ‘Je gaat geen gekke dingen doen hoor Pandie. Nog even volhouden. We vinden wel een oplossing. Koos gaat ons straks helpen. Als we morgenochtend Beginpiet niet hebben gevonden, laat ik je naar de stoomboot brengen. Ik weet nog niet precies hoe, maar dat zijn zorgen voor morgen,’ stelt hij Pandie gerust. Net als hij naar buiten wil, komt Elsje binnen wandelen. Hij krijgt steeds meer het vermoeden dat ze polshoogte komt nemen. Zwijgend neemt ze weer plaats in het raamkozijn. Nog nooit hebben ze daar zo zwijgzaam gezeten. Er hangt een gespannen sfeer en beiden begrijpen niet wat er in de ander omgaat. Hoe kan het ook. Beiden hebben immers een geheim wat ze niet met elkaar willen delen.
Opeens staat oom voor hen en vraagt.
‘Ben je hier ook Elsje. Ik heb je niet horen aankomen. Eet je met ons mee,’ maar zonder iets te zeggen staat ze op en rent weg. Brummel kijkt haar na en snapt er helemaal niets meer van.
‘Waarom loopt ze zomaar weg. Ze zegt ons niet eens gedag,’ maar aan de andere kant is hij ook blij dat ze weg is. Nu kan hij ten minste zijn probleem rustig proberen op te lossen.
‘Ach Brummel, laat maar. Het is al bijna etenstijd. Misschien krijgt ze een standje als ze te laat thuiskomt. En morgen is het Sinterklaasfeest. Misschien is ze daar ook wel een beetje zenuwachtig voor.
Maar Brummel weet wel beter. ‘Morgen krijgt niemand een cadeautje,’ mummelt hij.
Zijn oom neemt hem op schoot en vraagt waarom hij toch zo bedroefd is.
‘Dat kan ik niet zeggen oom. Ik weet…, en dat heb ik echt gehoord dat Sinterklaas zijn verjaardag dit jaar niet viert. Hij is wel in het land, maar niet aan de kade kijk maar,’ en wijs naar de stoomboot. ‘Hij ligt er al de hele tijd. De kinderen in het dorp hebben hun keeltjes schoor gezongen, maar de boot blijft daar gewoon liggen. Ik heb ook gehoord dat Beginpiet is verdwenen en dat ze misschien wel verdronken is.’
Oom staat op en zegt: ‘Ik ga nog even naar het dorp en als ik terug ben dan gaan we iets eten.’ Hij trekt zijn jas aan en sluit de deur achter zich.
Brummel haalt zijn schoudertjes op en is blij dat hij weer alleen is. Hij rent naar zijn kamertje en ziet dat Pandie zich onder zijn bed heeft verstopt. ‘Ik had je toch gezegd dat jij je in de kist moet verstoppen.’
‘Je kunt me wat Brummel. Dat heb ik ook gedaan, maar het is er verschrikkelijk donker en er ziet nog iemand in.’
‘Dat kan niet Pandie, je ziet dingen die er niet zijn.’
‘Zeker weten Brummel, ik voelde zijn tanden, echt waar,’
Brummel kijkt naar de kist. Hij weet zeker dat er niemand anders in zit. Voor de zekerheid kijkt hij voorzichtig over de rand. Het wordt stil doodstil, maar plots laat hij zich op de grond zakken en rolt lachend over de grond. ‘Dat is echt lachen. Nee Pandie, ik lach je niet uit, maar die tanden die jij voelde dat was het kunstgebit van de vader van mijn oom. We hebben ze zelfs een keer gebruikt, toen ik samen met oom een sneeuwpop had gemaakt. Die sneeuwpop hebben we een mond gegeven en daarin hebben die tanden gestopt. Je had het moeten zien. Dat was zo gaaf joh.’
Pandie kan er niet om lachen en vraagt of hij al een oplossing heeft voor hun probleem. ‘Ga je samen met Koos opzoek. Stel dat je niets vindt, wat dan?’
Verslagen neemt Brummel plaats op het bed en kijk door de patrijspoort naar de stoomboot.
‘Brummel, morgen ga ik echt terug naar de stoomboot. Dan maar naar Suriname. Daar zit dat kindje op mij te wachten. Eigenlijk is het best zielig voor dat kind. Ze denkt een pandabeer te krijgen, wat ze heel graag zou willen, maar die komt niet,’ fluistert Pandie, die zich heel schuldig voelt. ‘Het was een domme zet van mij om weg te lopen. Ik heb niet alleen mijzelf in gevaar gebracht, maar ook Beginpiet.’
Brummel kan zijn tranen niet meer bedwingen. Hij moest er niet aan denken dat hij daar in dat snik hete land zou moeten leven. Nee, het ergste is dat hij er niet eens naar toe hoeft, maar Pandie. Eigenlijk wil hij helemaal niet dat ze weggaat. Hij kijkt Pandie aan en voelt iets in zijn buik dat hij niet kent. Als Elsje dit zou weten, zou ze zeggen dat ik verliefd ben en dan heeft ze nog gelijk ook. Ik wil Pandie niet kwijt. Nee…, ik moet niet aan mezelf denken. Het gaat niet om mij, maar om heel veel kinderen. Ook dat kindje in Suriname. We moeten het probleem oplossen.
‘Misschien heb je gelijk Pandie. Het zou misschien beter zijn als je naar Suriname zou vertrekken, maar ik vind dat we nog even moeten wachten. Misschien is er wel een misverstand in het spel.’
Maar daar gelooft Pandie niet in.
‘In Spanje maken ze geen vergissingen,’ en ze laat zich van onmacht plat op bed vallen.
Brummel probeert haar te troosten en wrijft haar zachtjes over haar rug.
‘Brummel, ik weet nu al dat ik niet buiten jou kan. Ik wil voor altijd bij jou blijven.
‘Tja, dat wil ik ook, maar ik zou niet weten hoe we dat voor elkaar moeten krijgen.’
Oom is bij de kade aangekomen, waar nog een handje vol kinderen staan. Hij tuurt over het meer en ziet in de schemering de stoomboot liggen. Voorafgaande jaren was de boot altijd feestelijk verlicht geweest, maar nu heeft men alleen de ankerverlichting opgestoken. Hij loopt op een groepje mensen af en begrijpt dat Brummel gelijk had. Ook hij wil weten wat er precies aan de hand is. De mensen leggen hem uit wat er de afgelopen dagen is gebeurd. En verslagen keert oom terug naar de woonboot.
Droevig zit Brummel nog steeds in het raamkozijn en speelt onhandig met een kussen. Oom neemt plaats in zijn stoel en aan zijn voorhoofd kan Brummel zien dat hij nadenkt.
Oom had voor allen een cadeautje gekocht. Hij weet zeker dat Elsje er heel blij mee zou zijn geweest, maar als Sinterklaas zijn verjaardag niet viert dan zou ook hij de cadeautjes tot het volgend jaar moeten verstoppen. Hij staat op en loopt naar zijn slaapkamer. Pakt de sleutel onder zijn kussen vandaan en opent de kastdeur. Verbaast kijk hij naar de lege plek waar het cadeau had moeten liggen. Hij snapte er niets van. Hij heeft het vermoeden dat er met Sinterklaas wordt gesold.
Dat kan niet. Wie heeft die knuffelbeer gestolen, denkt hij en verlaat de slaapkamer. Met een grote frons op zijn voorhoofd neemt hij weer plaats op zijn stoel.
Brummel kan aan het gezicht van oom zien dat hij het helemaal niet naar zijn zin heeft. Hij probeerde nog uit te vissen wat er met hem aan de hand was, maar hij zegt nors dat hij naar bed moet. Brummel begrijpt er niets van. Op zijn tenen verlaat hij de kamer en neemt onder het bed naast Pandie plaats.
‘Nou ja, nu doet oom ook al zo raar. Hij is nors, zo heb ik hem nog nooit gezien,’
Pandie zegt niets en speelt futloos met haar tenen. Ze horen de deur kraken en zien de voeten van oom voor zich opdoemen.
‘Brummel waar ben je. Ik had niet zo naar tegen je mogen doen, maar er is iets naars gebeurd.’
Oom gaat op het bed van Brummel zitten. Brummel kruipt onder het bed vandaan en klimt op zijn schoot.
Pandie is erg bang dat oom haar zou ontdekken.
‘Lieve Brummeltje van me.’
‘Nou zeg oom, ik heet Brummel en ik ben al een stoere beer.’
‘Je hebt gelijk. Weet je, ik had een cadeau voor jullie gekocht en heb ontdekt dat het cadeau voor Elsje is verdwenen. Weet jij daar iets van?’
‘Hoe bedoel je oom. Denk jij dat ik het heb gestolen?’
‘Nee joh, misschien heb jij hier iemand rond zien hangen en het cadeau zien stelen of ermee weg zien lopen.’
‘Ik heb wel veel zwartepieten rond de woonboot zien scharrelen, maar die pikken niet en verder heb ik niemand gezien, buiten Elsje dan. Al moet ik zeggen dat ze erg geheimzinnig doet. Misschien heeft ze naar mij gezocht en toen het cadeau gevonden of gepikt.’
‘Dat geloof ik niet,’ zegt oom kribbig. ‘Ik zie Elsje daar niet vooraan, maar je zeg wel dat ze geheimzinnig doet. Het hele gedoe rond Sinterklaas is geheimzinnig. Wat is er toch aan de hand. Beginpiet is verdwenen en nu zijn ook de pakjes foetsie. Ik ga het uitzoeken.’
Brummel schikt, daar is hij niet zo blij mee. Stel dat oom de hele woonboot van top tot teen gaat doorzoeken en Pandie zou vinden.
‘Oom, zal ik u helpen zoeken? Doorzoek ik eerst uw slaapkamer en dan doorzoeken we samen de andere kamers,’ oppert Brummel.
‘Dat vind ik een goed plan.’
Als oom de kamer verlaat, rent Brummel naar de slaapkamer van zijn oom en doorzocht de kasten. Tot zijn grote verbazing ziet hij een beer die bijna precies op Pandie lijkt.
Volgens mij heeft hij gewoon in de verkeerde kast gekeken. Hij wordt al lekker oud zeg, maar het is wel toevallig. Een pandabeer net als Pandie. Hij sluit de deur, en net toen hij zijn kamer wilde binnen gaan, hoort hij Elsjes stem.
Pandie verstopte zich direct onder het bed. Als Elsje binnen komt, doet Brummel net alsof hij haar niet heeft horen aankomen.
‘Hoi Brummel, ik kom even kijken hoe het met je gaat. Het begint al aardig donker te worden, maar ik wilde even bij je zijn.’
Brummel vind het maar vreemd en eigenlijk heeft hij ook helemaal geen zin in haar. Nu het donker wordt heeft hij hele andere plannen. Hij heeft immers een afspraak met Koos de vleermuis. Straks loopt het echt mis. En nu maar hopen dat ze Pandie niet hoort of ziet. Ik moet Elsje hier weg zien te werken voor ze erachter komt, denkt hij en doet alsof hij verschrikkelijk veel slaap heeft.
‘Brummel, je doet zo vreemd de laatste tijd.’
‘Dat mag jij wel zeggen. Sinds die Sinterklaas van jou in ons land is lijkt het wel alsof ik niet meer besta. Ik heb niets te verbergen hoor. Ik weet niets van een pandabeer,’ en slaat van schrik zijn hand voor zijn mond. Maar het is al te laat, hij heeft zijn mond voorbijgepraat.
‘Wat weet jij van een pandabeer Brummel, zeg eens, weet jij waar ze is?’
‘Ik niet, ik denk eerder dat jij een geheim hebt.’

Einde deel 3