Sint en de Pandabeer 2

Deel 2

Sinterklaas trekt aan zijn eigen baard en begrijpt dat hij Beginpiet verkeerd heeft beoordeeld en onrecht heeft aangedaan.
‘Het is mijn schuld. Ik geloofde hem niet en wie weet waar hij nu is. Ik wil dat alle pieten naar Beginpiet opzoek gaan. Dan vieren we dit jaar maar geen Sinterklaasfeest. Meer dan vijfhonderd jaar heb ik Nederland bezocht. Het is nog nooit voorgekomen dat die lieve kinderen een Sinterklaasfeest hebben moeten missen. Het is een ramp, maar Beginpiet gaat nu even voor,’ zegt Sint kordaat.

Brummel neemt Pandie mee naar binnen, tilt het luikje op dat achter de deur in de gang onder de mat verborgen ligt en zegt. ‘Kijk Pandie, hier kan jij je verstoppen.’
‘Maar het is daar zo donker. Dat durf ik niet,’ fluistert ze, maar Brummel duwt haar een zoeklicht in haar handen en sluit het luik achter haar. Als Pandie het zoeklicht aanknipte, ziet ze dat het er nat en vochtig is. De rillingen bekruipen haar rug en angstig neemt ze plaats op een stalenbalk.
‘Oh nee, dat is vies en nat.’
Ze luistert aandachtig naar de geluiden die zich boven haar hoofd afspelen, maar buiten wat gestommel, kan ze niets waarnemen. Alleen het deinen van het water tegen de woonboot is hoorbaar.
‘Hoi,’ hoort ze een stem boven haar. Even denkt ze dat het Brummel is, maar als ze naar boven kijkt ziet ze dat het luik nog dicht is.
‘Misschien heeft hij me hier wel voor altijd opgesloten. Straks ga ik nog dood van de honger en de kou,’ mummelde ze.
‘Nee, dat doet Brummel niet,’ zegt de stem.
Ze schrik zich een hoedje en probeert te ontdekken waar de stem vandaan komt. Richt het zoeklicht op het plafond. Daar ziet ze verstopt in een nis een raar beest onderste boven aan het plafond hangen.
‘Niet bang zijn, ik ben Koos, Koos de vleermuis. Ik woon hier en dat wil ik graag zo houden.’
‘Wat ben jij voor beest,’ vraagt Pandie.
‘Nou ja, dat zeg ik toch. Ik ben Koos de vleermuis, een vleermuis dus,’ en spreidt zijn vleugels uit.
‘Ben jij een vleermuis? Je hebt vleugels en je hoofd lijkt op een hondenkop. Ben jij gevaarlijk,’ vraagt Pandie voorzichtig?
‘Ha ha ha ha, ik gevaarlijk. Als ik gevaarlijk zou zijn, had ik je allang opgevreten. Nee hoor, ik ben een vleermuis die niemand kwaad doet. Tenzij ze mij kwaad doen, want dan bijt ik ze en worden ze ziek. Dan krijgen ze de ziekte die ze hondsdolheid noemen. Maar wat doe jij hier en wat voor beest ben jij. Misschien moet ik wel bang voor jou zijn,’ vraag Koos op zijn beurt.
Pandie vertelt hem wat eraan de hand is en Koos de vleermuis bied meteen zijn hulp aan.
‘Hier is het lekker donker, althans als jij dat licht ten minste een andere kant op wilt laten schijnen. Wij vleermuizen kunnen daar niet tegen. Mijn ogen gaan er pijn van doen.’
‘Sorry, dat wist ik niet,’ en snel doet ze het licht uit.
‘Niet Bang zijn Pandie, ik kan heel goed zien. Wen even aan het licht en je zult veel beter kunnen zien.’
Pandie tuurde in het rond en tot haar verbazing wennen haar ogen snel aan het donker en ziet ze uit bepaalde richtingen licht naar binnen schijnen.
‘Kijk dat licht daar. Als het schemerig wordt vlieg ik altijd naar buiten. Kruip maar eens naar de opening dan kun je over het hele meer uitkijken,’ zegt de vleermuis.
Pandie kruipt over de glibberige grond en kijk door een gat naar buiten. Overal ziet ze zwarte pieten rondkijken. Ze zoeken in alle hoeken en gaten.
‘Puf, wat ben ik blij dat ik hier zit. Hier vinden ze me nooit,’ zegt ze tegen de vleermuis die naast haar aan het plafond is gaan hangen.

Brummel zelf kan niets anders doen dan languit in het raamkozijn liggen om zo de zwarte pieten te bespiedden.
‘Is dit wat we zoeken,’ vraagt één van de pieten die nog nooit een pandabeer heeft gezien.
‘Nee joh, een pandabeer heeft witte en zwarte vlekken. Deze lijkt er wel veel op maar heeft geen vlekken. Laten we verder gaan zoeken, want het is zo 5 december en dan moeten we hem gevonden hebben,’ zegt de snelle Zoekpiet.
Opeens hoort ze ‘piep piep piep piep.’
Een zwarte piet haalt zijn mobieltje uit zijn broekzak en kijkt naar het Sms-bericht.
‘Nee hè, dat ook nog. Nu moeten we ook de Beginpiet gaan zoeken.’
De oren van Brummel spitste zich. Hij luistert aandachtig naar wat de zwarte piet over ene Beginpiet te vertellen heeft.
‘Beginpiet, wat bedoelt hij. Hij begrijp wel dat er een zekere zwarte piet van de stoomboot in het water is gesprongen. Dat hele gedoe met die stoomboot wordt erg ingewikkeld. Eerst Pandie en nu zoeken ze weer ene Beginpiet.
De zwarte pieten springen in hun bootje en roeien terug naar de stoomboot. Brummel rent naar het luik en opende het. Steek zijn hoofd door het gat, maar nergens ziet hij Pandie.
‘Pandie, waar zit je? Je kunt naar boven komen. De kust is veilig,’ maar als hij niets hoort, waagt hij zich naar beneden. Ergens in een hoek ziet hij in het schijnsel van het zoeklicht een vleermuis onderste boven aan het plafond hangen. Even schrik hij, maar dan hoort hij Pandie’s stem. Even ontsnapt er een zucht van verlichting.
‘Niet schrikken Brummel. Dat is Koos de vleermuis. Als het pikkendonker is gaat ook hij mij helpen. Hij kan heel goed in het donker zien, zo kan hij de stoomboot in de gaten houden,’ fluistert Pandie.
Brummel wordt een heel klein beetje jaloers en vraagt. ‘Dan heb je mij zeker niet meer nodig. Jullie vinden het samen verder wel. Ik ga naar de stoomboot kijken,’ en teleurgesteld klimt hij naar boven. Pandie rent hem achterna en kan nog net, voordat Brummel het luik wil sluiten, naar boven klimmen.
‘Brummel doe niet zo gek. Ik heb je heel hard nodig en je hebt me al uit een vervelende situatie geholpen,’ ze trekt aan zijn trui en gaat voor hem staan. ‘Lieve Brummel, ik zal niet weten hoe ik dit alleen zou moeten oplossen. Straks vinden ze me en dan verschepen ze me naar Suriname. Daarbij komt, dat ik heel graag jouw vriendinnetje wil blijven.’
Brummel kijkt haar aan en zegt. ‘Ik heb al een vriendinnetje en haar naam is Elsje, hij neemt Pandie in zijn armen en geeft haar een knuffel op haar witte oor. ‘Sorry, ik denk dat ik een beetje jaloers werd,’ en buigt zijn hoofd van schaamte.
‘Jaloers op Koos de vleermuis. Wel nee joh, dat hoeft toch niet. Wat moet ik nou met een vleermuis. Ja, hij is heel erg aardig en hij gaat me helpen, maar ken jij Koos de vleermuis dan niet. Hij woont al heel lang onder in de woonboot,’
’Laat maar,’ zegt Brummel. Het is al goed. We moeten ervoor zorgen dat ze je niet vinden, al weet ik niet zo goed hoe dit verder af moet lopen. We moeten kijken waar je in de tussentijd kan wonen. Mijn oom zal je echt geen plaatsje hier op de woonboot aanbieden,’ zegt Brummel triest.
Pandie kijkt hem aan en de tranen lopen over haar wangen. ‘Help me alsjeblieft Brummel. Ik heb er alles voor over om niet naar Suriname te worden gestuurd. Het is daar veel te warm voor mij.’
‘Ben jij een verstekeling?’
‘Dat klopt, ik heb me tussen de speelgoed panda’s verstopt.’
‘Rustig maar, ik ga kijken wat ik voor je kan doen. Laten we eerst iets gaan eten. Lust je een boterham met honing. ‘Ja, natuurlijk lust je dat, of heb jij liever wat anders?’
‘Heb je bamboe,’ vraagt Pandie.
‘Nee, dat hebben we jammer genoeg niet,’ antwoordt Brummel.
Jasper de zwaan zwemt het meer over en net als hij naar zijn winter slaapplaats wil zwemmen, hoort hij gekreun. Hij strekte zijn nek zo ver mogelijk uit en zoekt de omgeving af. Zwemt op het gekreun af en dan ziet hij een zwarte piet verkleumd en bibberend van de kou tussen het riet zitten. Voorzichtig zwemt hij er op af. Als zwarte piet de grote snavel van Jasper voor zich ziet, schrik hij.
‘Hallo, niet schrikken. Ik ben Jasper de zwaan, wat doe jij hier zo alleen in de kou. Volgens mij hoor jij op die boot daar.’
Beginpiet kon zijn oren niet geloven. Hij begrijpt er niets van. Een zwaan die tegen hem praat. Droomt hij of is hij door de kou bevangen. ‘Ik droom zeker, ja toch?’
‘Nee, hoor je droomt niet, maar als je hier blijft zitten, ga je dood van de kou en de honger,’ zegt Jasper. Beginpiet vertelt Jasper zijn verhaal. Jasper luistert aandachtig. Af en toe kromt hij zijn nek en kijkt Beginpiet met een scheve kop aan.
‘Ik ben gevlucht en ga nu zelf opzoek naar die pandabeer. Geen Werkpiet die mij tegen kan houden, zelfs Sinterklaas niet. Trouwens, ze geloven me toch niet,’ jammert hij.
Jasper kromt zijn nek opnieuw en beweeg hem heen en weer. Even weet hij niet wat hij daarop moet zeggen. Misschien is het een list van die zwarte piet om hem naar Pandie toe te lokken.
‘Kun je bewijzen dat je die pandabeer niet wilt vangen en er een beloning voor wil vangen?’
‘Tja, dat wordt moeilijk, maar ik zeg de waarheid. Je moet mij op m’n woord geloven. Trouwens ik ben de enige zwarte piet die in die pandabeer gelooft. De anderen hebben me allemaal uitgelachen en voor straf moest ik naar de kolenbunker, maar dat heb ik je net al verteld. Geloof me of niet, maar ik ga niet terug naar de stoomboot voordat ik die pandabeer heb gevonden. Ik moet die beer vinden, al wordt het mijn dood, daarmee is de kous af.’
Jasper moet toegeven dat het hele verhaal wel overtuigend overkomt.
‘Ik zal kijken wat ik voor je kan doen, maar hier kan je zeer zeker niet blijven. Beweeg je zo min mogelijk dan ga ik hulp halen. En niet weglopen. Je moet me vertrouwen,’ fluistert hij.
Statig als altijd vliegt hij op en neemt de weg naar het dorp. Daar land hij op het schoolplein en waggelt in de richting van het raam waarvan hij zeker weet dat Elsje in die klas zit. Telkens vliegt hij op en kijkt door het raam, maar Elsje is niet te zien. De overige kinderen in de klas hebben hem ontdekt en rennen naar het raam. Ze kunnen hun ogen niet geloven. Uiteindelijk neemt Jasper het volgende raam en weer spreid hij zijn vleugels en gaat telkens een stukje omhoog en dan weer omlaag. En ja hoor, eindelijk ziet hij Elsje aan een tafeltje zitten. Ze is aandachtig in haar werk verdiept, maar één van haar klasgenootjes stoot haar aan. ‘Kijk eens naar buiten. Zie jij wat ik zie?’
Elsje kijkt op en ziet de zwaan met zijn rode snavel en een al wat grijzige kop, net boven het raamkozijn uitkomen. Geduldig wacht Jasper af en even later ziet hij dat de deur van de school wordt geopend. En ja hoor, daar staat Elsje en vraagt wat er aan de hand was.
‘Je moet meteen meekomen. Beginpiet zit in de problemen. Hij heeft zich verstopt tussen het riet. Je moet hem helpen anders loopt het niet goed met hem af,’ smeekt Jasper.
Elsje verdwijnt terug in de school en komt niet lang erna terug met haar jas. De meester roept haar terug, maar beiden rennen weg van het schoolplein. De meester volgt haar en roept haar na dat als ze wegloopt, hij haar ouders zal moeten inlichten.
‘Doet u dat maar. Ik moet nu echt iets heel belangrijks gaan regelen meester!’
De meester heeft het nakijken, schudt met zijn hoofd. ‘Wat moet ik hier nu van denken,’ bromt hij.
Het moet toch niet gekker worden. Elsje, die er samen met een zwaan vandoor gaat. Het lijkt er nota benen op dat zij elkaar nog begrijpen ook. Nou ja, ik geloof niet eens in Sinterklaas laat staan in een meisje dat communiceert met een zwaan. Laat ook maar, ik kan hier het beste over zwijgen. Voor je het weet verklaren ze je voor gek. Statig wandelt de meester terug naar zijn klas. Toch kan hij het gebeuren niet helemaal van zich afzetten. Als hij de klas wil binnenlopen, stootte hij zijn hoofd tegen de deurpost en de kinderen schieten in de lach.
‘Meester, het lijkt wel of u een spook hebt gezien,’ roept één van zijn leerlingen.
‘Dat zou best wel eens waar kunnen zijn. Kom op kinderen, we gaan weer aan het werk, roept hij. De kinderen gniffelen, zij weten wel beter. Ze hebben al lang door dat Elsje speciale gaven bezit om met de dieren te communiceren, maar daar begrijpen die volwassenen toch niets van, vinden ze. Al snel is het weer rustig in de klas en zijn ze weer geconcentreerd aan het werk.

Elsje loopt langs de waterkant en volgt Jasper naar de plaats waar hij zwarte piet heeft achtergelaten. Zwarte piet ligt opgerold tussen het riet te bibberen van de kou en is door en door nat. Zijn gezicht die zo zwart als roet moet zijn is door de kou zo wit als een laken. Oh, wat heeft de piet het koud.
Elsje ziet dat het nog een hele jonge piet is. Tot haar verbazing blijkt het ook nog eens een meisjespiet te zijn.
‘Hallo, ik ben Elsje. Jasper heeft me gevraagd om jou te helpen, maar ik zal je eerst maar naar een warm plekje brengen. Kom, pak me maar goed vast en steun op mij.’
Van een afstand bekijkt Jasper hoe Elsje de zwarte piet verzorgt. Verder wil hij er niets mee te maken hebben. Nee, hij blijft er lekker buiten. Het wordt hem veel te ingewikkeld. Daarbij komt dat Brummel een hele goede vriend van hem en dat wil hij graag zo houden.
Ze zoeken het maar uit. Ik zeg niets over die Pandie. Voor je het weet zit ik in de nesten van een ander en daar heb ik helemaal geen zin in, denkt hij.
‘Jasper, kom je mee dan krijg je een lekker stukje brood voor de moeite.’
Nee, ik ga maar. Ik heb een vriendin beloofd om langs te komen. We gaan samen lekker vissen en misschien krijgen we bij de boerderij daarginds wel iets lekkers. Ik zie dat de mist optrekt, dus ik ga maar. Ik wens jullie het beste en snel zwemt hij het meer op.
Nou ja, die wil wel heel erg snel weg. Wat is er hier gaande en waar moet ik deze piet onderbrengen. Mijn moeder ziet me al aankomen. Jeetje wat nu. Jasper heeft me wel met iets opgescheept, denkt ze.
Beginpiet wil Elsje graag vertellen wat er aan de hand is, maar Elsje zegt dat ze een ander probleem hebben. Ze weet immers niet waar ze de piet moet onderbrengen.
Beginpiet vindt opeens dat ze hem maar het beste kan achterlaten. ‘Ik red me heus wel.’
‘Ben je gek, we vinden wel een oplossing. Laat dat maar aan mij over. Ik heb Jasper immers beloofd dat ik voor je zou zorgen, maar vertel jij me toch maar waarom je hier bent en wat je probleem is.’
Ze vertelt Elsje wat er is gebeurd, maar Elsje vindt het verhaal een beetje verwarrend.
‘Ergens is er dus een Pandabeer die niemand anders dan jij alleen hebt gezien en Sinterklaas en de andere pieten willen je niet geloven?’
‘Het is echt waar. Nu ga jij me zeker ook uitlachen. Jeetje, wat heb ik het koud.’
‘Ik lach je niet uit, maar hoe moeten we dit verhaal geloofwaardig over laten komen. Als Sinterklaas het niet eens gelooft, wie doet dat dan wel. Er gaan trouwens geruchten dat Sinterklaas misschien voor de eerste keer, zolang als hij al in Nederland, België en Suriname komt niet aan wal gaat. Iets met…, maar ze stokte in haar woorden. Weet je, laten we eerst maar een warme plek voor je zoeken. Blijf even hier, ik kom zo terug. Laat je niet aan de anderen zien hoor, want dan ben je de klos en kan ik je niet meer helpen.
Nou ja, moet ik nu nog langer kou lijden. Als het moet, dan moet het maar. Ik kan toch geen kant op, en weer verstopt ze zich achter een paar struiken.
Oh wat heeft ze het koud en ze hoopt maar dat Elsje snel weer terugkomt.
Elsje loopt naar huis en via de achterdeur gaat ze naar haar kamertje opzoek naar warme kleding. Ze heeft gezien dat de piet net iets groter is dan zijzelf. Dus een ruime warme trui en een broek die moet haar wel passen. Ze sluipt het huis weer uit en rent terug naar Beginpiet.
Die zit ineengedoken en rilt over haar hele lichaam. ‘Hier, trek snel deze trui en broek aan dan heb je in ieder geval geen last meer van de kou.
‘Met die zwartepietenkleding van jou komen we echt niet langs mijn moeder. Als ze vraagt waar je vandaan komt, zeg je maar dat je in Afrika bent geboren. Dat vindt ze meteen zielig, dat hoop ik ten minste.’
Als ze bij haar huis aan komen kunnen ze ongemerkt haar kamer inkomen. Daar doet ze direct de deur op slot en begint een plan uit te broeden.

Sinterklaas heeft zich in zijn hut teruggetrokken. Hij vindt dat hij gefaald heeft. Telefoon Piet klopt op de deur en wandelt naar binnen. ‘Ik heb uw opdracht verwerkt Sinterklaas.’
‘Dank je Piet. Ik zou het niet over mijn hart kunnen verkrijgen dat het meisje in Suriname haar pandabeer niet zou krijgen. Weet je, ik maak me zo zorgen om Beginpiet. Ze is nog zo klein en teer. We moeten ook alle pakjes die al door de schoorsteen zijn bezorgt, terug halen. Het zou niet eerlijk zijn voor de andere kinderen die niets krijgen. Gelijke monniken, gelijke kappen,’ en na een diepe zucht verschijnt er een diepe rimpel op zijn voor hoofd. ‘Laat me maar even alleen beste Piet, ik moet even heel diep nadenken.’
Op het dek van de stoomboot wordt het drukker, maar het was niet de gebruikelijke gezellige drukte. Iedereen is van slag en ze zien in dat er dit jaar geen Sinterklaasfeest zal worden gevierd.
Ze hadden overal gezocht, maar nergens hebben ze Beginpiet kunnen vinden.
De mist trekt op en de pieten kunnen de kleintjes aan de kade zien staan. Ze roepen en zingen, maar de boot komt niet verder dan waar hij nu ligt afgemeerd. De burgemeester besluit om de Sint te vragen waarom hij niet naar de afgesproken aanlegsteiger komt.
Superhoofdpiet vertelt de burgermeester wat er aan de hand is. ‘Dat is verschrikkelijk,’ zegt de burgemeester.
‘Ik ga u helpen en geef mijn mensen opdracht om ook uit te kijken naar Beginpiet. Deze dag mag niet de treurigste dag van deze eeuw worden. Doe Sinterklaas de groetjes en vertel hem dat we met zijn allen op zoek gaan naar Beginpiet. ’

Brummel zit samen met Pandie nog steeds in zijn kamertje en volgt vanuit het venster alles wat er zich op het meer afspeelt. Pandie, die inmiddels inziet dat erop deze manier geen oplossing voor haar probleem komt, wil terug naar de stoomboot. Brummel vind dat ze daar maar even mee moest wachten.
‘Dat bespreken we later wel. Ik ga kijken wat er zich in het dorp afspeelt, want de muziek is al een tijdje niet meer hoorbaar. Blijf jij hier en als er iemand komt, duik je in die kist daar. Niemand zal je daar vinden,’ zegt Brummel en laat Pandie alleen achter op de woonboot.

Einde deel 2