Pietje Paling en de Kerstman

Het is een mooie avond in december. De temperatuur is zo zacht dat niemand zich kan herinneren dat hij of zij zo’n warme decemberavond hadden meegemaakt.
Samen met zijn kleine zusje Suus zit Pietje op het gammele bankje voor hun huis. Nou ja huis, meer dan een onbewoonbare woning kan je het niet noemen. De gemeente aast al een lange tijd op het huisje. Ze maken het de ouders van Pietje zo nu en dan erg moeilijk en voeren met hun dreigementen van tijd tot tijd de druk op. Vader houdt voet bij stuk en hij is geenszins van plan om te verhuizen. Op een dag was vader zo boos op de ambtenaar geworden dat hij hem in het water had gegooid. Ze beschuldigde hem van illegale palingvisserij en dat had vader niet gepikt, evenmin als al die dreigementen waar ze hem telkens mee dreigde om met zijn gezin te verhuizen.
Vader moest voorkomen voor het mishandelen van een ambtenaar in functie en dat leverde hem een gevangenisstraf op. Pietje vond het oordeel niet eerlijk en weet zeker dat ze dat hadden gedaan om zo in het bezit te komen van het stukje grond waarop hun huisje staat.
Het beroep dat Vader uitoefent was van vader op zoon overgegaan en dat duurde nu al tweehonderd jaar. Ook Pietje droomde ervan om palingvisser te worden, maar hij wil het wel anders aanpakken dan Pa nu doet.
Op school is hij telkens het middelpunt van pestende medeleerlingen. Hij wordt getreiterd en dat zijn vader in de gevangenis heeft gezeten maakt het er niet rooskleuriger op. In het fietsenhok wordt hij in het nauw gedreven en daar wordt het één en ander in zijn oor gefluisterd. Hij had zich afgevraagd hoe zij aan al die informatie kwamen, maar al snel werd het hem duidelijk. Hij begreep dat zij door hun ouders werden opgehitst. Het pesten ging ook altijd in het geniep en als hij erover klaagden hielden ze altijd vol dat ze nooit iets kwaads tegen hem hadden gezegd.
Moeder was weleens naar school geweest om er met de schoolleiding over te spreken, maar daardoor was het alleen maar erger geworden. Pietje had er mee om leren gaan, maar af en toe zou hij ze het liefst in het meer willen gooien, net als zijn vader had gedaan met die ambtenaar.
Die ergernis stopte hij maar weer snel weg. Hij had gezien waar het zijn vader had gebracht.
Gelukkig heeft hij momenteel een hele lieve juf, die hem begrijpt en hem helpt vooruit te komen.
‘Pietje, ik wil dat jij je best doet op school en als je het even moeilijk hebt leg je gewoon deze potlood op mijn tafel. Na schooltijd kunnen we dan even met elkaar praten,’ had ze op een dag gezegd.
Deze juf valt in voor zijn eigen juf, die een kindje verwacht. Zijn eigen juf is best oké, maar niet zo lief als deze. De wetenschap dat zij er voor hem is sterkt hem in zijn doen en laten. Toch zijn er soms momenten dat hij er niet meer tegen kan en erop losslaat, zoals die keer dat hij een jongen een bloedneus had geslagen omdat hij zijn moeder voor hoer had uitgemaakt. Dat kon hij niet over zijn kant laten gaan en blind van woede had hij erop losgeslagen.
De juf had de jongens uit elkaar gehaald en hem laten weten dat dit niet goed te praten was. ‘Jongen, ik begrijp je best, maar dit is niet de weg om het probleem op te lossen.’
De volgende dag stond er een ambtenaar bij zijn huisje op de stoep en werd hij zonder pardon meegenomen en naar het politiebureau gebracht.
Vader en moeder deden alles om hem vrij te krijgen, maar ze werden met een kluitje in het riet weggestuurd.
In een kantoortje wordt Pietje geboden om tegenover een aantal mensen, die achter een grote tafel zitten, plaats te nemen. Ze ondervragen hem op een vriendelijke manier, maar hij geeft geen enkel antwoord op hun vragen. Dan veranderen ze van tactiek en dreigen hem, dat als hij geen antwoordt geeft op hun vragen, hij niet terug mag naar huis.
Pietje haalt zijn schouders op en blijft zwijgen. Zijn blik is gericht op zijn handen en met zijn duimen draait hij rondjes.
Al snel moet hij voor de rechter verschijnen en als hij de kamer in komt ziet hij tot zijn vreugde dat ook de juf aanwezig is. Hij werpt haar een lichte glimlach toe en zij knikt liefdevol naar hem.
De man die achter het grote bureau in zijn bruine ledere stoel zit laat hem weten dat hij de rechter is. Hij vraagt hem te vertellen wat er werkelijk is gebeurd.
De juf legt een hand tegen zijn wang en zegt: ‘Pietje vertel de rechter waarom je het hebt gedaan. Vertel wat jij al die tijd hebt gevoeld en hoe ze je iedere dag hebben pijn gedaan. Het is niet goed wat je hebt gedaan, maar je moet het de rechter vertellen. Wil je dat?’
Pietje staat op en buigt nederig voor de rechter en na een lichte knik laat hij de rechter weten dat hij alles zal vertellen.
‘Ga maar zitten Pietje,’ zegt de rechter. ‘Vertel rustig je verhaal en neem er de tijd voor. Misschien stel ik je af en toe een vraag of waarom je deed wat je deed. Ik wil dat je dan een eerlijk antwoordt geeft.’
Brutaal antwoordt Pietje: ‘Mijn moeder zegt altijd. Volwassenen die waarom vragen stellen, zijn net als kinderen. Waarom dit, waarom dat. Het spijt me meneer. Is dat verkeerd?’
‘Ja, zo kan die wel weer. Vertel maar op,’ antwoordt de rechter met een lichte glimlach.
Pietje knikt verlegen en kijkt de juf indringend aan. Ze moedigt hem aan en zegt dat het goed is en dat hij rustig zijn verhaal kan vertellen.
Wat verwarrend begint hij te vertellen en hoe verder hij in zijn verhaal komt, hoe beter hij zichzelf onder controle krijgt. De juf moedigt hem van tijd tot tijd aan en de rechter zit achteroverleunend aandachtig naar hem te luisteren. Soms knikt hij alsof hij wil zeggen dat hij hem begrijpt. Als Pietje zijn verhaal beëindigt kijkt hij de juf aan en glimlachend aait ze hem over zijn bol.
‘Tja jongeman, dat is niet mis. Ik begrijp je gemoedsbewegingen, maar het is niet de bedoeling dat we erop los gaan slaan. Daar zou de wereld er niet mooier op worden. Er zit niets anders op dan dat ik je een straf opleg,’ zegt de rechter en wrijft over zijn spierwitte baard en kijkt de juf diepgaand aan.
De juf knikt begrijpend, maar Pietje ziet de bui al hangen. Niemand zou hem geloven als hij zou zeggen dat hij het nooit meer zou doen. Teleurgesteld kijkt hij naar de grond. Hij heeft sterk het gevoel dat ook de juf hem nu heeft laten vallen.
‘Pietje, heb je er spijt van wat je hebt gedaan. Deze vraag is erg belangrijk voor je straf?’
Pietje kijkt de juf en dan weer de rechter overtuigend aan. Hij voelt zich voor het blok gezet en buigt zijn hoofd. Hij heeft geen idee hoe hij de vraag moet beantwoorden en dan herhaalt de rechter de vraag.
Pietje recht zijn rug en kijkt de rechter en de juf recht in de ogen en zegt: ‘Wilt u dat ik eerlijk ben?’
‘Ja jongen, dat is wel de bedoeling. Aan liegen heb je niets en ik kom er toch wel achter.’
‘Meneer…., nee ik heb er geen spijt van, maar ik zal het nooit meer doen. Ik trek hier mijn les uit.’
De juf kijkt hem in verwarring aan en ook de rechter begrijpt niet waar hij die wijsheid vandaan haalt en kijkt de juf met opgetrokken wenkbrauwen aan.
‘Zal wel het verkeerde antwoordt zijn, maar ik zeg het wel in alle eerlijkheid, anders zou ik moeten liegen. Die wijsheid heb ik van mijn ouders, al wilde ik ze niet altijd geloven, maar nu ik hier sta weet ik dat ze gelijk hebben en daar maak ik nu gebruik van. Het spijt me.’
De rechter heeft moeite om zijn lachen in te houden en serieus te blijven, maar hij is wel onder de indruk. ‘Oké, je bent eerlijk en in mijn ogen oprecht, maar ik moet je een straf opleggen. Ik zou kunnen kiezen om je veertien weken tuchtschool te geven, of veertiendagen eenzame opsluiting.’
Pietje schrikt hiervan en begrijpt niet dat als je eerlijk bent dat je alsnog zo’n strenge straf wordt opgelegd en dat ziet de rechter aan zijn gezicht.
‘Even erbij blijven Pietje. Het zijn zware straffen, maar van een tuchtschool, geloof me daar word je niet beter van. Dan blijft over, veertiendagen eenzame opsluiting. Nee, dat lijkt me zo eenzaam, dus dat doen we ook niet.’ De rechter ziet aan Pietjes gezicht dat hij is opgelucht.
‘Nee, ik heb een veel betere straf die ik je ga opleggen. Het is zwaar, maar als je het vol houdt, zal je goed beloond worden. Ja, je hoort het goed, beloond worden. Over een week is het kerstavond en ik weet dat jij en je vader niet in de kerstman geloven. Dat hoeft ook niet, maar als je mijn aanbod niet aanneemt dan moet ik alsnog uit één van de twee eerste straffen kiezen.’
Ook al weet Pietje niet wat de opdracht is, die beloning is erg aanlokkelijk en niemand kan van hem eisen dat hij in de kerstman gaat geloven. Geen haar op zijn hoofd die daaraan denkt.
‘Ik neem uw voorstel aan, maar in de kerstman geloven….’
‘Dat is erg eerlijk van je. Je hoeft ook niet in hem geloven, als je de opdracht maar goed uitvoert.
Het is een opdracht die erg belangrijk is en heel verantwoordelijk en deze mag zeker niet fout lopen. Je bent een belhamel, maar ik zal je vertellen wat de bedoeling is. Ten eerste is het een geheim tussen jou, de juf en mij. Zodra je ook maar iemand wat over jouw opdracht vertelt, vervalt onze overeenkomst en kom je in aanmerking voor een strengere straf. Begrijp je wat ik bedoel?’
Pietje weet even niet wat hij moet doen, maar als hij de juf aankijkt ziet hij dat ze instemmend naar hem knikt.
‘Ik neem de opdracht aan en ga mijn best doen, maar u kunt niet van mij verwachten dat ik in de kerstman ga geloven, dat echt niet. De kerstman, waar hebben we het over?’
De rechter knikt en vertelt hem wat hij in de week naar kerstavond moet doen. Hij legt hem uit dat door het opwarmen van de aarde de Noordpool smelt en dat het onderkomen van kerstman en al zijn medewerkers bijna is weggesmolten. ‘Ze zijn gedwongen om naar de Zuidpool te verhuizen. De rendieren zijn helemaal de klus kwijt en kunnen onmogelijk de kerstcadeautjes op tijd afleveren. Hun richtingsgevoel is van slag en de kerstman is bang dat de kerst dit jaar niet kan doorgaan. Het erge van dit alles is, dat de kerstman de rendieren met pensioen heeft gestuurd. Kijk me niet zo ongeloofwaardig aan Pietje. Dat je vader en jij niet in de kerstman geloven houdt nog niet in dat de andere dat ook niet doen. Jij bent de enige die kerstavond kan redden, doe het dan alleen voor de andere kinderen. Ja, ik weet dat je daar niets mee hebt, maar neem van mij aan dat er ook hele lieve kinderen zijn. Denk maar eens aan je zusje. Nou, wat vind je ervan. Denk er goed over na en beslist daarna of de kerstman nou wel of niet bestaat,’ en voor het eerst spreekt hij Pietje streng toe. ‘Wat heb je hierop te zeggen.’
Pietje kijkt hem bedenkelijk aan. Hij heeft wel een keus, maar ook weer niet. Ik moet er maar het beste van maken, denkt hij.
Samen met de juf verlaat hij het gebouw en hij wordt door haar naar huis gebracht. Ze laat hem uitstappen en groet hem. Dan rijdt ze weg en Pietje wandelt naar het huis. Daar ziet hij dat er niets is veranderd. Op tafel staat het schamele voedsel wat elke avond weer wordt opgediend. Vader en moeder doen wel hun best, maar er is gewoon weg niet genoeg geld. Hij kijkt zijn vader aan en vraagt: ‘Pap, bestaat de kerstman echt niet?’
Vader kijkt hem hoofdschuddend aan, maar geeft geen antwoordt.
Suus legt een handje op zijn arm en fluistert: ‘Ik weet het niet broer. Als de kerstman bestaat, vind ik wel dat hij eerst voor wat meer eten moet zorgen, anders worden we ziek,’ en gretig neemt ze een hap van de grauwe erwten.
Moeder kijkt hem verbaast aan en haalt haar schouders op. Wat een vraag, denkt ze. Opnieuw kijkt Pietje zijn vader vragend aan, maar die blijft zwijgen.
Dan is het bedtijd en moet hij naar zijn sobere slaapkamertje. Eens was hij bij een vriendje, dat later bleek helemaal geen vriendje te zijn, toen hoorde hij dat hij niet meer met hem mocht spelen. Hoe verdrietig hij ook was, hij had het niet laten blijken en zijn schouders opgehaald.
Die jongen had alles wat je als kind maar kon wensen. Toen Pietje de enorme treinbaan zag had hij zijn ogen uitgekeken. Aan de andere kant was het maar goed ook dat hij niet meer met hem om mocht gaan. Nu kon hij zich ten minste niet meer vergapen aan die treinbaan, gniffelt Pietje

‘Kom Pietje, wakker worden. Het is tijd. Roep jij Suusje even, dan maak ik een boterham voor jullie klaar.’
Hij doet wat moeder vraagt en kleed zich snel aan. In de keuken staat inderdaad zijn boterham klaar. Ook vandaag zit er alleen wat margarine op en met pijn in zijn buik wandelt hij met Suusje naar school.
Het valt hem op dat er niets is veranderd in de houding van zijn klasgenoten. Ze fluisteren en schelden hem nog steeds uit. Ook de juf is zoals gewoonlijk druk in de weer en even vraagt hij zich af of het allemaal een droom is geweest. Eén ding heeft hij wel van zijn droom geleerd, dat is dat hij zich niet meer uit zijn tent moest laten lokken.
In de pauze gaat hij op het muurtje zitten en dan komt er plotseling een meisje naast hem zitten die hij niet kent.
‘Hallo, ik ben Emma. Ik woon in het dorp verderop,’ en ze steekt haar hand naar hem uit. ‘Wat is jouw naam?’
‘Pietje, maar ze noemen me Pietje Paling. Dat komt omdat mijn vader palingvisser van beroep is. Oh ja, en hij heeft in de gevangenis gezeten omdat hij iemand van het gemeentehuis in het meer heeft gegooid. Zo…., dat weet je dan meteen. Dan hoef je dat niet van de andere te horen,’ en hij kijkt haar met één oog aan.
‘Dat kan, maar ik maak zelf wel uit met wie ik omga. Weet je, mijn vader hè,’ en ze begint te grinniken. ‘Mijn vader heeft een keer zijn manager in het water gegooid, maar hij hoefde daarvoor niet de gevangenis in. Ben jij niet die Pietje die aan het meer woont. Dat plekje, dat iedereen wil hebben. Het is daar zo mooi. Ik ben er vaak met mijn ouders geweest. Wat ik ervan weet is dat ze daar een haven willen aanleggen en daaromheen willen ze dure villa’s bouwen, maar het kan ook een gerucht zijn hoor.’
Het was voor het eerst dat Pietje over die plannen hoorde, maar hij geloofde haar direct. Dat zou verklaren waarom ze zijn ouders zo onder druk zetten. Zijn kleine hersentjes draaiden op volle toeren. Snel springt hij van het muurtje en rent het schoolplein af. Achter hem hoort hij Emma roepen: ‘Piet, waar ga je nou opeens naar toe, de school begint zo en ik wil niet dat je in de problemen komt?’
Hij draait zich om en begrijpt dat hij weer veel te snel reageert en hij had zich zo voorgenomen dat niet meer te doen. ‘Je hebt gelijk Emma, bedankt. Ik hoop dat jij wel een echte vriendin voor mij kan zijn,’ en verlegen kijkt hij haar aan, wetend dat hij opnieuw teleurgesteld gaat worden.
‘Mijn gevoel is goed, maar het ligt ook aan jou of we vrienden kunnen zijn. Dat gaat echt niet zomaar,’ antwoordt Emma.
In de klas wordt Emma aan de kinderen voorgesteld en de juf vraag waar ze wil gaan zitten. De kinderen, waarvan de plaats naast hen nog vrij is roepen dat ze bij hem of haar kan komen zitten. Emma kijkt in het rond en haar blik valt op de lege plek naast Pietje. Haar keuze is al snel gemaakt. ‘Ik wil naast Piet zitten juf!’
Het wordt doodstil in de klas en een paar meisjes fluisteren haar toe dat ze dat niet moet doen, maar trots loopt Emma op Pietje af en gaat naast hem aan de tafel zitten. Zijdelinks kijkt ze hem aan en ze ziet dat hij straalt.
Pietje doet zoals altijd zijn best om de vragen die hem door de juf worden gesteld te beantwoorden en vaak is hij de enige in de klas die de antwoorden kent. Emma is blij dat ze ervoor heeft gekozen om naast hem te gaan zitten en samen vullen ze elkaar goed aan. Wat Pietje niet weet, weet Emma dan wel weer. De boze blikken van de anderen nemen ze voor lief. Samen zijn ze een sterk team. Alleen begrijpt Pietje niet goed waarom de andere hem sinds de komst van Emma hem met rust laten.

De dag is aangebroken dat de kerstvakantie begint en de twee vrienden spreken met elkaar af om elkaar in de vakantie te blijven ontmoeten. Pietje wil dat heel graag, maar hij durft haar niet mee te nemen naar zijn huis. Hij weet inmiddels dat zij in een mooi huis woont en dat ze het thuis best goed hebben en hij is bang dat ze hem alsnog in de steek zou laten als ze zou zien hoe het bij hem thuis was. Natuurlijk is het schoon en netjes bij hem thuis en vader en moeder doen daar altijd hun uiterste best voor, maar ze waren nu eenmaal erg arm en vader verdiende niet veel met de visserij.
‘Is er iets Piet. Je wil toch wel met mij omgaan nu de kerst nadert? Hee…., hoor je eigenlijk wel wat ik je vraag. Ik zal je heus nooit in de steek laten. Echt, dat beloof ik.’
Verlegen kijkt hij haar aan en vertelt haar dat ze erg arm zijn en dat hij haar niets kan bieden. ‘Ik ben bang dat je net als de andere mij met een smoes in de steek laat. Weet je, ik ga mijn vader helpen.’ Hij weet best dat dat een leugen is, maar wat moet hij anders. ‘Sorry, dat is niet waar.’
Emma ziet dat de tranen over zijn wangen rollen en slaat een arm om hem heen en zegt zacht: ‘Piet, ik vind je aardig en oprecht. Heus, ik weet hoe het voelt om arm te zijn, maar je moet weten dat rijk zijn misschien nog veel erger is. Als jij mij vertrouwt, dan vertrouw ik jou. Ik ga nu naar huis anders wordt mijn moeder ongerust. Vanmiddag kom ik naar jou toe. We hebben nog veel te bespreken,’ ze geeft hem een kus op zijn wang en gaat dan op weg naar huis.
Pietje kijkt haar na. Hij is blij, maar weet dat deze blijdschap vanmiddag al over kan zijn. Ja, we zijn arm, maar weet ze wel hoe arm we zijn, denkt hij.
Thuis ziet hij nog net zijn vader met paling van de boot afkomen en hij helpt hem met het aanpakken van de vangst.
‘Vandaag heb ik wat voor onszelf kunnen vangen, maar het wordt steeds minder. Kom, we gaan ze klaarmaken om te roken. Wil jij ze voor mij speten?’
‘Natuurlijk pap.’
Samen wandelen ze naar huis en als ze bij de deur aankomen zien ze moeder met tranen in haar ogen naar een vel papier, dat aan de deur gespijkerd is, staren.
‘Wat krijgen we nu weer,’ vraagt vader? Als hij leest wat er op het papier staat schrikt ook hij.
‘De gemeente heeft de woning onbewoonbaar verklaard en we moeten op kerstavond de woning hebben verlaten, anders worden we er door de politie uitgezet,’ vertelt vader.
Pietje vertelt dat het gerucht gaat dat de gemeente de grond wil gebruiken om er een haven aan te leggen en dure woningen te bouwen.
‘Ja man, we hadden het geld en de andere woning moeten aannemen. Nu krijgen we hoogst waarschijnlijk niets. Wat nu,’ zegt moeder?’
Pietje pakt de hand van zijn zusje en zegt dat ze papa en mama maar even alleen moeten laten.
‘We gaan toch niet verhuizen hè Pietje?’ Suusje kruipt dicht tegen hem aan en kijkt hem verdrietig aan.
Hij heeft geen idee wat hij tegen haar moet zeggen en neemt haar voor een korte wandeling mee naar buiten. Als ze weer thuiskomen ziet hij zijn ouders zwijgend bij de kachel zitten.
‘Ga de paling maar speten,’ zegt moeder en werpt hem een flauwe glimlach toe.
Voordat hij naar buiten gaat kijkt hij nog even om en ziet dat moeder haar tranen droogt.
Op het bankje dat onder het raam staat gaat hij zitten. Zorgvuldig maakt hij de paling schoon en speet ze aan een houten stok.
‘Hoi Piet, ik ben er. Wat ben je aan het doen,’ hoort hij Emma vragen?
Hij legt haar uit waar hij mee bezig is en als hij daarmee klaar is, gaat hij naar binnen en laat zijn vader weten dat hij klaar is.
‘Bedankt jongen, je bent de bovenste beste. En wie is dat meisje, die achter je staat?’
Emma stelt zich netjes aan iedereen voor en gaat naast Suusje zitten. Ze kunnen het samen al snel goed met elkaar vinden. ‘Nu moet ik toch echt even met Piet praten hoor.’
Suusje vindt het best wel jammer, maar begrijpt haar best. Zeker als ze belooft haar snel weer te komen opzoeken.
Emma en Pietje wandelen samen over de dijk en Pietje vraag haar wat ze nou eigenlijk wil
‘Nou gewoon. Ik wil een vriendin zijn, ook van je zusje. Kom nou, Piet vertrouw me of haak zelf af. We moeten kijken of we alles kunnen terugdraaien. Ik heb een plan, al weet ik niet of het gaat werken, maar je moet wel meewerken,’ en kijkt hem vragend aan.
‘Natuurlijk werk ik mee, maar misschien heb ik zelf ook wel een plan. Geloof jij in de kerstman?’
‘Nee, niet zoals de andere. En jij, geloof jij in de kerstman?’
‘Nee, ik ook niet,’ antwoordt Pietje.
‘Kom Piet, we gaan naar het stadhuis. Ik heb een plan,’ en ze legt hem uit wat ze hiermee wil bereiken.
Samen overleggen ze hoe ze het gewenste resultaat kunnen bereiken, maar op het gemeentehuis worden ze afgepoeierd door de receptioniste. Ze vertelt hun dat ze nog veel te jong zijn om door de burgemeester te worden ontvangen. Emma besluit het op een andere manier voor elkaar te krijgen en gaat krijsend op de grond liggen. Pietje gaat naast haar zitten en vertelt de receptioniste dat als ze de burgemeester niet mogen spreken, Emma net zolang blijft gillen totdat ze de burgemeester te spreken krijgen.
Plotseling staat de burgemeester voor hen en vraagt: ‘Wat is hier aan de hand?’
De receptioniste vertelt hem dat ze zomaar zijn binnengekomen en dat ze de boel op stelten zetten. ‘Ze willen kosten, wat kost u spreken.’
‘Wat is jullie probleem,’ vraagt de burgemeester?
Emma staat op en voert, zoals afgesproken, het woord. ‘Wij willen u spreken, als u tenminste de burgemeester bent, anders gaan we weer krijsen.’
‘Ik ben de enige echte burgemeester. Ik zal met jullie spreken, maar als jullie onzin te vertellen hebben, gooi ik jullie het gemeentehuis uit en laat jullie opsluiten.’
Pietje kijkt hem bedenkelijk aan en hoopt maar dat het goed gaat. Hij moet er niet aan denken om nogmaals naar het politiebureau te worden overgebracht.
De burgemeester vraagt ze om hem te volgen en vriendelijk vraagt hij of ze willen plaatsnemen.
Pietje en Emma kijken met bewondering de kamer rond en nemen plaats in de comfortabele stoelen.
‘Vertel op, wat is er zo belangrijk,’ vraagt de burgemeester?
Nederig buigt Pietje zijn hoofd en vertelt wat er is gebeurd en dat ze op kerstavond hun huis uit moeten. Ook Emma mengt zich in het gesprek en zegt dat ze dit niet verdienen.
Met belangstelling luistert de burgemeester naar het verhaal. ‘Zo heb ik het nooit bekeken, maar ik kan het niet meer terugdraaien,’ antwoordt hij.
‘Dan bent u een burgemeester van niets,’ roept Pietje boos. ‘Uw gemeente denkt alleen maar aan het geld en de inkomsten. En aan de rijken, die er zo nodig een villa willen laten bouwen. Mijn ouders en mijn zusje Suusje betekenen niets voor u,’ snikt Pietje en kan zijn tranen nu niet meer bedwingen.
De burgemeester is onder de indruk van zijn verdriet en dat ziet Emma ook.
‘Maar burgemeester, u zegt dat u er niets aan kunt doen. Toch heeft Pietje een aanbod voor u en ik weet zeker dat u die niet kunt weigeren.’
Emma stoot Pietje aan en moedigt hem aan zijn voorstel te verwoorden. ‘Oh ja, eh…., ik….,’ stottert Pietje. ‘Als we op kerstavond onze onbewoonbare woning vervangen dan kunt u de uitzetting niet doorzetten. Ik weet dat u een gok neemt, maar u moet mijn ouders wel een kans geven.’ Pietje kijkt de burgemeester droevig aan en weet heel goed dat de kans klein is dat het plan gaat lukken. De burgemeester en hij kijken elkaar aan en dan zegt de burgemeester ineens.
‘Deal, maar als je verliest dan moet je niet zeuren of hier weer op de stoep staan, en nu wegwezen.’
‘Nou nee, burgemeester. We willen deze belofte wel zwart op wit hebben,’ zegt Emma. ‘Zo niet, dan blijven we hier. Eerlijk is eerlijk.’
Even is de burgemeester uit het veld geslagen, maar geeft uiteindelijk toe. Voor de burgemeester is het zo goed als zeker dat ze de overeenkomst onmogelijk waar kunnen maken.
Het documentje wordt door de burgemeester uitgeschreven en voorzien van zijn handtekening.
Pietje vouwt het document in vieren en stopt het in zijn broekzak. Opgelaten verlaten Emma en hij het gemeentehuis.

Onderweg naar Pietjes huis babbelen ze over van alles. ‘Weet jij dat de Noordpool smelt en dat het onderkomen van de kerstman smelt,’ vraagt Emma plots.
‘Maar jij gelooft toch niet in de kerstman,’ antwoordt Pietje.
Emma haalt haar schouders op en zegt: ‘Ik weet het niet, ergens gehoord, maar als het zo is dan komt hij dit jaar niet. Ik weet ook wel dat ik maar wat klets, maar toch. Wat denk jij. Nee…, stom. Jij gelooft er al helemaal niet in. Waarschijnlijk is de kerstman in het verleden nog nooit bij jullie geweest en hebben jij en Suusje nooit een cadeau gekregen. Sorry Piet.’
Piet haalt zijn schouders op en zwijgt. Emma fluistert dat het vast wel goed komt.
Als hij thuiskomt en het bevel nog ziet hangen, vraagt hij zich af waar ze nu naar toe moeten. Alle woningen die ze de afgelopen jaren kregen aangeboden hadden zijn ouders afgewezen.
Als je het goed bekijkt is het letterlijk, eigenschuld, dikke bult.
Zijn ouders zitten voor de kachel, die vader vorig jaar voor een prikje op de kop heeft weten te tikken. De vorige was zo oud geweest en vader vertrouwde hem niet meer en was opzoek gegaan naar een nieuwe. Toen was hij een oude vriend tegengekomen, die centrale verwarming in zijn huis aan het aanleggen was en vader kon voor een prikkie zijn oude kachel over nemen. Het bleek een goede koop te zijn, want hij gaf behoorlijk wat warmte af.
Suusje zit tussen hen in en speelt liefdevol met haar pop. Emma vraagt of ze de pop mag zien, maar Suusje drukt haar stevig tegen zich aan.
‘Ik wil alleen maar naar haar kijken, maar je hebt gelijk. Hou haar maar goed vast,’ stelt ze Suusje
gerust. ‘Ik vind het zo erg voor jullie. Eigenlijk zouden we een wens moeten kunnen doen,’ zegt Emma en kijkt ze één voor één aan. ‘Waarom niet, het kan toch geen kwaad. Niet geschoten is misgeschoten, ja toch?’ Niemand reageert en ze besluit om verder haar mond maar te houden. Ik begrijpt het best, denkt ze. Ik kan makkelijk praten. Straks ga ik weer naar huis. Daar waar we genoeg geld en eten hebben en waar niet elke cent tien keer omgedraaid hoeft te worden.
‘Ik zou wensen…. Wat zijn wensen Emma,’ vraagt Suusje opeens?
‘Dat is als je iets vraagt wat je heel graag wil zien of zou willen hebben. Ik zou voor jullie een mooie woning wensen,’ antwoordt Emma.
Suusje kijkt Emma met dichtgeknepen ogen aan en zegt: ‘Dan wens ik dat papa weer heel veel paling vangt en dat mijn pop gemaakt wordt. Kijk maar, haar jurkje zit vol lappen. Net als de broek van Pietje.’
Ook Pietje doet een wens. ‘Dan wens ik, dat als alle andere wensen uitkomen, er op oudejaarsdag ijs op het meer ligt.’
‘En vuurwerk,’ roept Suusje.
‘Ja, ook vuurwerk voor mijn zusje,’ vult Pietje aan.
‘Schat, wat wens jij, ondanks dat je niet in de kerstman gelooft. Nee, nu niet met je hoofdschudden. Je hebt gehoord wat Emma zei: ‘Niet geschoten is misgeschoten’, fluistert Pietjes moeder. ‘Kom op schat, verpest het nou niet. Als jij niets wenst gaan misschien ook onze wensen niet door. Ik wens dat we gezond blijven en daar hebben we vitaminus voor nodig. Van paling alleen blijven we niet gezond. Wat jij schat,’ vraagt ze bijna smekend?
Suusje klimt bij haar vader op schoot en pakt zijn hand. ‘Je wilt toch wel dat mijn pop weer als nieuw wordt?’
Er komt zowaar een glimlach op zijn gezicht en om zijn dochtertje niet teleur te stellen besluit hij mee te doen. ‘Ik wens dat al jullie wensen uitkomen. Zo, nu ga ik kijken hoe mijn fuiken erbij liggen en of er nog iets in zit.’
Als hij bij de voordeur is trekt hij het bevel van de deur en scheurt deze in snippers.
‘Laten we naar mijn huis gaan Piet. Het is een eindje lopen over de dijk, maar dan kunnen we gezellig nog wat kletsen.’
Eigenlijk heeft Pietje er diep in zijn hart helemaal geen zin in, maar hij weet dat hij het niet kan maken om haar alleen te laten gaan en samen wandelen ze over de dijk naar het huis van Emma.
De temperatuur is aangenaam voor de tijd van het jaar en er is nog veel bedrijvigheid op het meer. Het uitzicht is schitterend en ze kunnen er geen genoeg van krijgen. Het vissersdorp waar Emma woont komt in zicht en ze zien een paar schepen de haven binnen varen. Ook deze vissers hebben last van het afnemen van de palingstand, zij kunnen hun hoofd nog boven water houden met de bijvangst. Als ze bij het huis van Emma zijn voelt Pietje een onaangenaam gevoel in zij buik opkomen. De moeder van Emma staat haar al op te wachten en vriendelijk begroet ze hen.
‘Zo, wie hebben we daar,’ vraagt ze zacht?
‘Dat is nou Pietje, mam. Hij is mijn beste vriend. Ik zit naast hem in de klas en het is heel gezellig en veel fijner op deze school dan de vorige. Mam, Pietje woont in dat huisje bij het meer. Zijn ouders zijn reuze aardig. Weet je, ze zijn erg arm en de gemeente heeft hun woning onbewoonbaar verklaard. Ze moeten op kerstavond hun huis uit.’
Pietje houdt zijn adem in en is bang dat hij voor de zoveelste keer zal worden weggestuurd.
‘Oh…, dat meen je niet. Zijn ze nou helemaal gek geworden. Dat kan toch niet,’ antwoordt de moeder van Emma boos. ‘Gaan jullie maar spelen. Ik hoop dat het meevalt en dat jullie snel een ander huis krijgen toegewezen.’
Pietje haalt zijn schouders op en loopt achter Emma aan naar haar kamer. Daar kijkt hij zijn ogen uit. Zoveel speelgoed heeft hij nog niet eens in het kleine speelgoedwinkeltje bij hen in het dorp gezien. Op haar bed ligt een tablet en Emma reikt hem deze toe.
‘Hier…., deze is voor jou. Ik heb pas een nieuwe van mijn vader gekregen. Als hij op tournee is neemt hij altijd iets voor mij mee.’
‘Emma, dat is heel lief, maar ik heb er niets aan. Wij hebben toch geen internet.’
‘Oké, weet je wat dan bewaar ik hem gewoon voor je,’ antwoordt Emma.
Pietje voelt zich niet op zijn gemak en wil zo snel mogelijk naar huis. Daar voelt hij zich veilig ondanks de armoede. Emma is aardig, maar hij weet niet hoe hij zich bij haar thuis moet gedragen.
‘Je wilt zeker naar huis hè,’ vraagt Emma. ‘Ga maar gauw, het is nog licht. Morgen kom ik je ophalen, oké?’

De volgende ochtend wordt er hard op de deur gebonkt en niet veel later stat Emma voor zijn neus. ‘Kom Piet, we moeten naar buiten. Ik heb je wat te vertellen, dat heel belangrijk voor je kan zijn.’
Pietje kleedt zich snel aan en gaat meteen met haar mee. ‘Wat is er nou zo belangrijk,’ vraagt hij?
‘Laten we over de dijk gaan wandelen. Weet je vanmorgen stond er in de krant dat de burgemeester alsnog de aanleg van de haven wil doorzetten. Dat betekent dat dat briefje dus niets uitmaakt. We zijn gewoon in de maling genomen,’ antwoordt Emma.
Pietje voelt in zijn zak en kan het briefje niet meer vinden. ‘Ik moet het verloren zijn, dat kan toch niet anders.’
Misschien is dat briefje er wel nooit geweest, net als die rechter met zijn vreemde straf. Hij begrijpt dat zij over een paar dagen al hun huis moeten verlaten. ‘Was dit alles dan maar een droom,’ fluistert hij?
‘Droom, wat voor een droom,’ vraagt Emma?
Pietje wil het wel vertellen, maar hij had de rechter en de juf belooft te zwijgen en daar houdt hij zich ook aan. ‘Oh, niets,’ antwoordt hij.
In het dorp van Emma scharrelen ze wat langs de haven en Emma vertelt over haar vader, die erg veel weg is. ‘Weet je Piet, rijk zijn heeft ook zijn keerzijde. Soms is hij zo moe en dan laat ik hem maar een tijdje met rust. En dan heb je ook nog de roddelbladen, die denken altijd dat ze alles weten. Ze vallen hem aan en als hij dan weer wat zegt leggen ze het verkeerd uit. Mooie koppen zetten ze op de voorpagina, maar er klopt geen reet van wat ze schrijven.’
Pietje kijkt haar bezorgd aan. Hij kent haar dan wel nog niet zo lang, maar nu klinkt ze toch een beetje somber. ‘Mijn moeder heeft ook wel eens zo’n roddelblad gelezen. Ze had een stapeltje van een buurvrouw gekregen. Je hebt gelijk. Als je de verhalen leest wordt er eigenlijk niets verteld. Ik denk dat wij op school veel mooiere stukken kunnen schrijven.’
Emma kijkt hem een moment zwijgend aan en zegt: ‘Jeetje, waar haal je het vandaan, maar je hebt helemaal gelijk. Misschien moeten we daar iets mee doen als we weer op school zijn. Ik hoop zo dat jullie snel een nieuw huis krijgen, dat meen ik. Jouw vader is volgens mij, net als de mijne een schat. Ook al komt hij over als een brombeer.’
Pietje bevestigt het en antwoordt: ‘Met jouw vader gaat het ook wel goedkomen.’
Tegen de tijd dat het donker wordt wandelt hij terug naar huis. Hij ziet de zon onder de kim zakken en gaat nog even op het bankje aan het water zitten. Hij kan zich niet voorstellen dat ze straks geen onderdak meer zouden hebben en dat ze niet meer aan het meer zouden wonen.
Plots komen er een paar mensen in donkere kleding langslopen. Hun gezicht is bedekt en dan blijft er één voor hem staan en vraagt of hij Pietje Paling is. Pietje knikt.
‘Jij kan straks je hart ophalen,’ zegt degene en loopt vervolgens door.
Pietje begrijpt er niets van, maar hij heeft er ook helemaal geen behoefte aan om te weten hoe anderen over hem denken.
Niet veel later ruikt hij een vreemde lucht. Het lijkt wel alsof er iets in de brand staat en zoekend kijkt hij om zich heen. Plots begrijpt hij waar de lucht vandaan komt en hij ziet dat hun huisje in brand staat. Hij rent erop af en bedenkt dat zijn ouders en Suusje wel eens binnen zouden kunnen zijn. Hij rent naar binnen en kijkt zoekend om zich heen. Roept, maar krijgt geen antwoordt. Pietje rent van de ene naar de andere ruimte en probeert de brandende stukken te vermijden, maar hij kan niemand vinden. Behalve dan de hamster die hij oppakt en dan ziet hij de pop van Suusje liggen ook die pakt hij snel op en dan brengt hij zichzelf in veiligheid. Hij hoopt maar dat hij goed gezocht heeft en dat er echt niemand in het huis aanwezig is. Verslagen kijkt hij naar de brandende woning en hij hoort het geknetter van het hout. Niet veel later valt het als een kaartenhuis op de grond. Hij gaat weer op het bankje zitten en zijn hele lijfje trilt van de schrik en van woede. Hij weet zeker dat het huis is aangestoken, dat kan niet anders. Dan valt hem iets vreemds op. Midden op het meer ziet hij lichten opdoemen die rechtop hem afkomen. Hij gaat aan de rand van het meer staan en kijkt met verbazing naar iets dat in het maanlicht een vreemde vorm heeft.
‘Hee, ben jij Pietje,’ wordt er vanaf het vreemde object geroepen?
Pietje denkt na of hij wel ja zal zeggen en opnieuw vraagt de persoon: ‘Ben je Pietje nu wel of niet. Mogen we anders hierop hem wachten, alsjeblieft?’
‘Ik ben Pietje,’ roept hij schuchter, niet wetend of hij hier wel goed aandoet.
‘Mooi zo, we hebben grote problemen met de kerstman en die zegt dat ik naar hier moet varen omdat jij hier te vinden bent. Dus, hier zijn we dan.’
Pietje wil nog vragen waarom dat is, maar hij wordt meteen aan boord ontboden. Snel stapt hij op dat vreemde ding en ziet een klein mannetje dat zegt dat hij moet meekomen. Pietjes gedachten werken op volle toeren. Je gaat me toch niet vertellen dat dit echte dwergen of lilliputters, of weet ik veel wat ze zijn, denkt hij. Oh jee, dat mag ik helemaal niet zeggen.
Als hij naar binnen klimt en het mannetje volgt komt hij in een enorme ruimte. Daar ziet hij meerdere van die kleine wezentjes. Er is veel bedrijvigheid. Te veel om zo plotseling te bevatten.
Hij ziet veel speelgoed en inpakkers. Technisch apparatuur die volop in beweging is. Hij kijkt zijn ogen uit en dan pakt iemand plotseling zijn hand.
‘Kom alsjeblieft met mij mee. We hebben geen tijd te verliezen. Het is belangrijk dat we alle kinderen een leuke kerst geven. Laten we meteen naar de kerstman gaan. Jij kan hem misschien overhalen om in actie te komen. Weet je, hij heeft in een vlaag van verstandsverbijstering de rendieren met pensioen gestuurd. Hij dacht dat hij ze niet meer nodig zou hebben. Dat is zijn grootste en domste fout die hij in die honderden jaren heeft gemaakt. Wij hebben de rendieren nu harder nodig dan ooit. De rendieren zeggen dat ze met pensioen zijn gestuurd en pensioen is pensioen, zeggen ze en ik kan ze niet eens ongelijk geven,’ zegt het mannetje.
Ze komen bij een hoge en brede deur en zonder te kloppen gaan ze naar binnen. Daar ziet Pietje de kerstman in zijn bed liggen. Verlegen loopt hij op verzoek van een vrouw naar de kerstman.
‘Oh, jij bent Pietje. Welkom, ik heb je laten komen want ik denk dat jij de enige bent die ons kan helpen. Weet je Pietje, ik ben radeloos. Piet, ben jij ook een piet van mijn collega Klaas? Nou Pietje, Klaas is een hele lieve collega, die de kinderen verwend,’ fluistert de kerstman. ‘Hij is erg verdrietig omdat er mensen zijn die andere het plezier misgunnen en het begrip piet niet begrijpen. Maar goed, ik hoop alleen dat wij hierna niet aan de beurt zijn en dat onze goede bedoelingen, net als die van Sint-Nicolaas niet in twijfel worden getrokken. Sommige mensen zou je..,’ maar hij houdt snel zijn mond als hij ziet dat zijn vrouw hem zegt dat Pietje niet gekomen is om dit aan te horen.
Pietje knikt en vraagt wat hij wel kan doen en de kerstman niet?
‘Het zit zo,’ en door de emoties kan de kerstman geen woord meer uitbrengen. Zijn vrouw vraagt of hij even in de gang wil wachten en dat ze zo naar hem toekomt.
‘Weet je, mijn man moet rusten. Hij heeft een burn-out, zoals de mensen dat noemen. Nou hij heeft nu gewoon de pest aan zichzelf omdat hij alles verkeerd heeft ingeschat,’ fluistert ze in Pietjes oor. ‘Maar dat blijft onder ons, ja toch?’
‘Zeker weten, mijn mond is op slot,’ antwoordt Pietje en maakt het gebaar alsof hij een sleuteltje weggooit. Rustig wandelt hij de kamer uit en trekt de deur achter zich dicht.
In de gang komen er meerdere dwergen op hem af en vragen hoe het met de kerstman gaat.
‘Volgens mij niet zo best, maar ik heb geen idee waarom hij mij hiervoor heeft uitgekozen. Wat zijn jullie eigenlijk. Dwergen, lilliputters, kleine mensen, aardmannetjes, elfen of kabouters.
‘Wat jij wil, we helpen allemaal,’ antwoordt één van de mannetjes.
‘We nemen jou omdat je slim bent. Als dat niet zo was zou de kerstvrouw je nooit hebben laten ophalen.’
‘De kerstvrouw, hoor ik dat echt goed?’
‘Jazeker, ze heeft de leiding overgenomen omdat de kerstman het uit de hand heeft laten lopen,’ zegt een dwerg met een donkere huidskleur.
Pietje kijkt in het rond en het valt hem op dat alle helpers uit diverse werelddelen afkomstig zijn.
‘Je vindt ons een beetje raar hé,’ vraagt één van hen. ‘Ik kom uit Zuid-Afrika.’
‘En ik uit India,’ roept weer een ander. ‘Ik werkte in het circus, maar toen ging mijn baas dood en ging het circus failliet. De kerstman heeft mij toen opgenomen en zo heeft ieder van ons zijn eigen verhaal.’
Pietje is erg onder de indruk van al die verhalen. Plotseling staat de kerstvrouw voor hem en vraagt of hij al een oplossing heeft. Pietje haalt zijn schouders op en dan vertelt één van de helpers haar dat het hun schuld is dat Pietje nog geen oplossing heeft. Zij hadden hem immers afgeleid met hun verhalen.
‘We moeten een oplossing vinden anders zijn de kinderen de dupe van dit alles,’ zegt de kerstvrouw.
‘Ja,’ snikt één van de dwergen. ‘Anders valt ons feest op nieuwjaarsdag ook in duigen. Elk jaar vieren we samen met alle medewerkers van de Sint, oh sorry, nu heb ik het weer verklapt. Sint heeft een aantal pieten moeten wegsturen en die hebben het nu ook niet zo breed, net als bij jullie thuis. Daarom Pietje, daarom hebben we jou uitgekozen om kersavond te redden.’
‘Ja, lieve schatten. We moeten een oplossing zien te vinden. Klagen heeft geen zin, we moeten aan het werk,’ zegt de kerstvrouw en kijkt Pietje vragend aan.
‘Jullie kunnen mij nu wel aankijken, maar waarom denken jullie dat ik de oplossing zou weten. Ik heb ook geen idee hoe we dit probleem kunnen oplossen. Vertel me nu eerst maar wat het grootste problemen is. Dan kunnen we kijken wat wel en niet belangrijk is. Ik hoorde iets over rendieren die met pensioen zijn gestuurd.’
‘Dat klopt,’ antwoordt de kerstvrouw. ‘We kunnen ze nergens vinden, terwijl ze toch allemaal gechipt zijn.’
‘Wat is dan het probleem? Dan zoeken jullie ze toch gewoon op,’ vraagt Pietje.
‘Tja…,’ zegt een elf en hij doet een stap naar voren. ‘Het probleem is dat het apparaat, waarmee we ze kunnen traceren zoek is geraakt.’
‘Wie beheerd dat apparaat dan,’ vraagt Pietje?
‘Domme Dommis,’ roept één van de andere.
‘Domme Dommis,’ waarom noemen jullie hem zo?’
‘Dat heb ik zelf zo gewild,’ antwoordt een elf en hij duwt de andere opzij en gaat voor Pietje staan.
‘Waarom dan. Vind jij jezelf zo dom,’ vraagt Pietje?
‘Ik ben niet dom, maar ik vind het gewoon een mooie naam. Dommis, dom Dommis. Ik moest van de kerstman een naam verzinnen en deze vond ik mooi, daarom heet ik dom Dommis. Geintje, ik heet gewoon Dommis.
‘Oké,’ antwoordt Pietje. ‘Maar wat doe je dan voor werk?’
‘Ik ruim alles op. Alles wat de andere niet meer gebruiken,’ legt Dommis uit.
‘Ja, dat kan iedereen, die niet al te slim is,’ roept één van de helpers.
Pietje begint hard te lachen en antwoordt dan: ‘En jij vindt het slim om Dommis dan alles te geven, wat hij vervolgens dan weer weggooit. Heet jij soms Slimmis?’
Ze kijken hem niet begrijpend aan en dan grijpt de kerstvrouw in en zegt dat Dommis helemaal niet dom is. Hij heeft die naam zelf verzonnen omdat hij hem mooi vindt, maar dom is hij zeker niet.
Pietje vraagt aan Dommis of hij ook dingen bewaard en Dommis gebaard dat hij moet meekomen. Samen nemen ze plaats op een soort karretje en met een enorme snelheid flitsen ze weg. Pietje begrijpt niet waar hij is en hoe het kan dat het hier zo groot is. Plots staan ze stil en Dommis laat hem zien waar hij alles opslaat en bewaard. Pietje kijkt in het rond en ziet zoveel rommel liggen dat hij een vermoeden krijgt dat zij niet zullen vinden waar ze naar opzoek zijn. Verderop ziet hij de stallen die er verlaten bijstaan.
‘Hier hadden Blitzen, Comet, Cupit, Dancer, Dasher, Donder, Prancer, Vixen, en Rudolf, moeten staan,’ zegt Dommis. ‘Wij begrijpen niet waarom ze met pensioen gestuurd zijn. Ik denk dat het ook een beetje te maken heeft met Sint-Nicolaas, die in Nederland erg veel kritiek krijgt om zijn pieten, maar wel erg populair is bij de kinderen. De kerstman is nu bang dat ze de pijlen op hem en zijn helpers gaan richten’
‘Ja, daar weet ik alles van,’ antwoordt Pietje. ‘Maar we moeten de rendieren zien terug te vinden. Weet jij waar je het apparaat hebt opgeborgen, zodat we kunnen traceren waar ze zijn?’
Dommis wrijft over zijn kin en denkt goed na. Plotseling steekt hij een vinger op en verschijnt er een glimlach rondom zijn mond. Hij grijpt naar zijn tablet, die op zijn bureautje ligt.
‘Oh, heb jij een tablet,’ vraagt Pietje?
‘Ja zeker, ik moet nog zoveel spullen omzetten in data en dit is handiger dan al die boeken waar we ze vroeger in moesten schrijven. Dat is jammer, hij staat er nog niet in. Dan moeten we hem op de ouderwetse manier opzoeken.’
‘Oh jee…, gaat dat lang duren?’
‘Wel als jij steeds maar vragen blijft stellen. Kom mee Piet, laten we van start gaan. Ik ga voor chipzoeker. Ja, laten we dat eerst maar proberen.’
Ze wandelen langs de alfabetische gerangschikte lades en trekken ze één voor één open. Als ze onder de chip zoeken ontdekken ze dat hij is opgeborgen onder de code 112-uur-rendieren. Al snel hebben ze het traceerapparaat gevonden.
‘Nou, dat is een hele opluchting Dommis. Je bent inderdaad niet dom. Laten we het apparaat maar meteen naar de kerstvrouw brengen.’
De kerstvrouw is blij ze te zien en Dommis koppelt het apparaat aan. Pietje kan zijn ogen niet geloven. Hij begrijpt niet in wat voor een tent, nou ja tent. Om zich heen ziet hij de aller modernste ultra-apparatuur met de allernieuwste technieken, waar hij geen kaas, maar ook geen paling van begrijpt, denkt hij.
Op het grote scherm verschijnt een wereldkaart en niet veel later ontdekken ze acht kleine stipjes. Dat moeten de rendieren zijn.
‘Ojee…, we hebben een groot probleem,’ roept de kerstvrouw. ‘Ze struinen in Finland. Hoe krijgen we ze zo snel mogelijk hier? De arrenslede kunnen we niet gebruiken omdat hij niet vliegt zonder de rendieren. Zij zijn namelijk een éénheid.’
‘Dan moeten we ze ophalen,’ oppert Pietje. ‘Ik neem aan dat dit ding met al zijn apparatuur kan varen of vliegen. Geloof me, we moeten echt opschieten. Zo te zien is één van de rendieren door het ijs gezakt.’
Dommis zoemt het beeld wat dichterbij en tot hun schrik zien ze dat er inderdaad al één van de rendieren in het water ligt en dat de anderen op kruiende schotsen staan.
‘We moeten echt voort maken,’ roept Pietje en kijkt de kerstvrouw vragend aan.
De helpers verzamelen zich en begrijpen dat ze snel in actie moeten komen nu Blitzen en Comet in het water liggen te spartelen en de andere rendieren ook in gevaar zijn. Stel je voor dat hen iets zou overkomen, dan zouden ze zeker verloren zijn. Jammerend vragen ze Pietje iets te doen.
Radeloos kijkt Pietje om zich heen en besluit dan om ze toe te spreken. Hij gaat op een verhoging staan en spreekt ze toe. Somber kijken ze hem aan en begrijpen maar niet wat hij van ze wil.
Pietje vraagt Dommis naar de besturingsruimte te gaan. Dommis knikt en samen lopen ze naar de burg. Daar ziet Pietje dat, ondanks zijn hypermoderne apparatuur, de brug een ouderwetse uitstraling heeft. Waarschijnlijk voelt de kerstman zich hier erg op zijn gemak, al denkt Pietje dat een likje verf het geheel wat zou opknappen. Maar goed, daar was hij hier niet voor, denkt hij.
De kerstvrouw komt naast hem staan en vertelt hem dat zij zich toch wel een beetje zorgen maakt om de kerstman. Het enige wat hij wil is slapen en met rust gelaten worden.
‘Dat probleem moeten we later oplossen,’ antwoordt Pietje en de kerstvrouw knikt.
Pietje begrijpt niets van al die schermen en knopjes en de kerstvrouw vraagt: Wat is je plan?’
‘We moeten naar de rendieren, maar ik heb geen idee hoe dit vaartuig werkt,’ antwoordt hij.
‘Laat mij maar,’ zegt de kerstvrouw en zet het gevaarte in beweging. Behendig voert ze de coördinaten naar hun bestemming in. ‘Oké…, Piet, daar gaan we.’
‘Als de anderen op school dit zouden kunnen zien. Niemand zou dit geloven. U, die het vaartuig bestuurd. Wat gaaf!’
De kerstvrouw kijkt hem glimlachend aan. ‘Daar heb ik nog nooit bij stil gestaan. Best goed hé?’
Langzaam komt het gevaarte uit het water en door het patrijspoortje ziet Pietje zijn ouders en Suusje voor hun uitgebrande woning staan. Hij staakt een zucht van verlichting. Ze leven nog en hij vraagt aan de kerstvrouw of hij kan laten weten waar hij is.
‘Het spijt me Pietje, we staan in onze onzichtbare modus. Niemand mag weten dat we hier zijn. Geloof me het komt allemaal goed. Als het jou lukt om kerstavond te redden word je goed beloond.’
Verbaast kijkt hij haar aan en even denkt hij de stem van de juf te herkennen en waren dat niet dezelfde woorden die de rechter tegen hem had gesproken. Helaas is er geen tijd om hier verder over na te denken. Het geluid van de zoemende motoren geven een grandioos gevoel. Het gevaarte stijgt naar grote hoogte, zo hoog dat hij bijna de gehele aarde kan zien. Lang duurt het niet voordat het vaartuig daalt en de ijsschotsen zichtbaar worden. Boven het water vermindert het vaartuig zijn snelheid en dan zien ze de rendieren inzicht komen. Ze zien dat het ijs twee van de rendieren afdrijven en de anderen kunnen niets anders doen dan toekijken.
‘Wat nu Piet,’ vraagt de kerstvrouw.
‘We hebben de beschikking over zoveel moderne snufjes, maar geen plan om de rendieren te redden. Dat is toch dom. Kunnen we ze niet opstralen, zoals ik wel eens in één van die films heb zien doen?’
‘Dat zijn fabels Piet, maar je hebt gelijk. We hebben verzaakt om een systeem in te bouwen waarin we andere kunnen redden. Heb jij er één?’
‘We zullen het op een ouderwetse manier moeten doen,’ antwoordt Pietje.
‘En dat is?’
‘Gewoon met een net. Die laten we zakken, gooien ze om hen heen en dan hijsen we ze op.’
‘Netten, die hebben we,’ roept één van de elfen. ‘Kom mee naar de laadruimte,’ schreeuwt hij.
‘Niet vergeten het net goed vast te maken, anders verliezen we ze nog. Het moet in één keer lukken. Schiet op, we hebben niet veel tijd meer,’ zegt Pietje.
Via de intercom hebben ze contact met de laadruimte en vanaf de brug geeft Pietje de bevelen door. ‘Op mijn teken laten jullie het net vallen,’ meldt hij de helpers in de laadruimte. De kerstvrouw beveelt hij wat lager te vliegen. ‘Ja, zo gaat die goed, zo gaat die beter. Nog een paar meter.’ Roept hij.
Ze horen de ijsschotsen kraken en tegen elkaar op toornen. Blitzen en Comet vechten voor hun leven en Pietje ziet dat ze uitgepunt raken en het niet lang meer vol kunnen houden. ‘Volhouden jongens. Nog even volhouden,’ moedigt hij ze aan.
‘Nog iets naar voren, een klein beetje nog,’ beveelt hij de kerstvrouw. ‘Laat het net maar vallen!’
De helpers in de laadruimte laten het net vallen, maar de wind is sterk en waait het net van de rendieren weg. Pietje verzameld al zijn moed om opnieuw een poging te wagen voor het te laat is.
‘Nu 10 meter naar voren,’ vraagt Pietje en de kerstvrouw volgt opnieuw zijn bevel op.
Het net sluit zich rondom de rendieren en dan schreeuwt Pietje: ‘Snel snel…. Trekken?’
Met man en macht trekken ze de lijn strak aan en dan wordt de lijn met een paar slagen om een winch getrokken zodat de rendieren het ruim ingetrokken kunnen worden. Als ze veilig en wel aan boord zijn klinkt er een oorverdovend lawaai. Alle helpers klappen voor Pietje, die er verlegen van wordt.
‘Dank je Piet. Dit is een hele opluchting,’ zegt de kerstvrouw. ‘Goed gedaan, jullie allemaal.’
De rendieren worden opgevangen en verzorgt. Vermoeid loopt Komeet naar Pietje en fluistert. ‘Bedank, dat je ons gered hebt. Dat hele pensioen gebeuren, was niets voor mij. Ik ben blij dat ik terug ben,’ fluistert hij.
Dommis trekt aan Pietjes mouw en wijst naar de winch, waar ze de dieren mee hebben opgehesen. ‘Gelukkig, had ik die nog niet opgeruimd, anders was het toch heel anders met die belhamels afgelopen, ja toch?’
Pietje geeft hem gelijk en vraagt aan de kerstvrouw. ‘Wat nu?’
‘Goeie vraag Piet, wat nu? Ik denk dat we de arrenslee en de rendieren moeten inspannen.’
Pietje begrijpt wat ze bedoelt en geeft de opdracht door aan één van de elven die verantwoordelijk is voor het onderhoud van de arrenslee.
De arrenslee wordt ingespannen en de kerstvrouw knuffelt één voor één de rendieren. ‘Gelukkig is alles goed afgelopen. De kerstman had jullie nooit met pensioen moeten laten gaan, maar daar praten we nog wel een keer over. Ik hoop zo dat jullie de kerstavond kunnen redden.’
‘Het spreekt van zelf dat wij onze best daarvoor gaan doen,’ antwoordt Blixem. ‘We vonden het toch maar niets, zonder al onze vrienden en we zijn blij weer bij jullie te zijn.’
‘We hebben nu geen tijd voor al die emoties,’ fluistert Pietje. ‘Laten we de cadeautjes inladen. Als die er ten minste allemaal inpassen?’
Geen van allen geven antwoord op die vraag en beginnen met het inladen van de cadeautjes. Pietje kijkt zijn ogen uit en vraagt zich opnieuw af waar ze al die cadeautjes laten. Waarschijnlijk is die slee net zo ruim als het luchtschip, of onderzeeër, wat het ook mogen zijn. Op de deur ziet hij een afbeelding van het schip en het valt hem op dat het veel weg heeft van een rog. Onderzoekend kijkt hij om zich heen en moet toegeven dat de ruimte inderdaad erg laag en plat is. Hij kan er maar nauwelijks in staan, maar het is wel enorm groot.

‘Kom Piet, instapen. We gaan op weg en laten we hopen dat we het halen,’ roept de kerstvrouw.
Met een reuze snelheid vliegt de arrenslee door de lucht. Pietje krijgt nauwelijks de tijd om te zien waar of hij zich bevindt. Plots remt de slee af en hij ziet dat ze in het dorp zijn waar Emma woont. Hij begrijpt dat ook bij haar kerstcadeaus worden afgeleverd. Daar waar de cadeaus niet door de schoorsteen kunnen worden ze bij de voor- of achterdeur of op het erf gezet.
Het is voor allen een zware en vermoeiende avond, maar uiteindelijk zijn ze toch op tijd klaar. De kerstvrouw straalt van geluk en als ze terug aan boord zijn ziet hij dat ook de andere stralen van geluk. Ze zingen de mooiste liederen, die hij ooit heeft gehoord. Opeens wordt er weer aan de mouw van zijn jas getrokken en staat er een elf voor hem. De elf is helemaal in het zwart gekleed en zijn gezicht is zo zwart als roet. Even denkt hij dat het één van de helpers uit Afrika is, maar dan herkent hij zijn stem en zijn gulle lach. Pietje schatert van het lachen.
‘Zeg Pietje, waarom lach je mij uit. Ik ben het Dommis.’
‘Ik lach je niet uit Dommis. Ik lach om iets dat nog dommer is, dan ik al dacht.’
‘Wat bedoel je. Leg eens uit! Ben ik dan toch dom?’
‘Nee, integendeel. Ik moet erom lachen dat je zo zwart bent. Als ik niet beter zou weten zou ik denken dat je één van de pieten van Sinterklaas bent. Daar moet ik om lachen. Dat moet ik niet doen omdat de pieten van Sinterklaas het best wel zwaar hebben, ze mogen namelijk niet zwart meer zijn. Sommige mensen begrijpen niet dat het zwart van het roet uit de schoorsteen is en dat is erg jammer. Ik hoop dat dat gekibbel heel snel over is en dat iedereen er weer plezier aan beleefd.
‘Ik hoop het ook,’ zegt de kerstvrouw. ‘Weet je onze elfen, dwergen, en noem maar op komen overal vandaan. Mijn man en ik zouden niet weten wat we zonder hun zouden moeten doen. We hebben het met zijn alle best fijn, maar de druk van alle problemen die in de wereld spelen doet mijn man geen goed. Gelukkig heeft hij een goede band met zijn vriend Sinterklaas en komen ze er samen wel uit. Straks na de feestdagen in het nieuwe jaar hebben we weer, als elk jaar een groot feest. Geloof me het komt goed. Het komt goed.’

Dat is het laatste wat Pietje hoort voordat hij een vreemd hoog geluid hoort en alles om hem heen begint te draaien. Als hij zijn ogen opent zit hij weer op het bankje met in zijn hand zijn hamster den de pop van Suusje. Het is kil en hij mist zijn ouders. Langzaam komt hij in beweging en loopt naar het uitgebrande huis. Daar staan zijn ouders en Suusje. Moeder draait zich om en ziet hem staan en dan verschijnt er een brede lach op haar gezicht. Ze laat haar man weten dat Pietje achter ze staat. Pietje ziet twee agenten op hem afkomen die hem beetpakken en in een politieauto smijten. Het gaat allemaal zo snel dat zijn ouders hem niet eens kunnen omhelzen. In de politieauto wordt het Pietje duidelijk dat hij ervan wordt beschuldigd het huis in de brand te hebben gestoken. Hardhandig wordt hij in een cel gesmeten en verslagen gaat hij op het bed zitten en trekt hij zijn knieën op. Hij begrijpt er niets van en is moe, heel erg moe, maar ook heel erg boos over hetgeen hem overkomt.
Pietje heeft geen idee hoelang hij zit opgesloten. Door het kleine raam, ziet hij dat de avond zijn intrede doet. Opeens hoort hij dat de sleutel in het slot wordt omgedraaid en een agent rijkt hem een deken en een kussen aan.
‘Je zult wel honger hebben,’ vraagt de agent? ‘Ik kan wel iets lekkers voor je regelen. Je zal wel boos en verdrietig zijn. Het gaat vast goedkomen. Laat je niet kisten.’
Voordat Pietje antwoordt kan geven is hij alweer verdwenen.
Niet veel later komt er een agent in burger binnen die hem vraagt hoe hij aan die deken komt.
‘Daar heb jij helemaal geen recht op, achterbaks joch.’
Pietje kijkt hem aan en zegt: ‘Ja meneer, maar wat u niet weet is dat ik kan toveren. Ik zou maar oppassen als ik u was, anders verander ik u in een paling en u weet misschien wel, dat palingen allesvreters zijn,’ grapt Pietje.
De man kijkt hem boos aan en antwoordt: ‘Ja ja, maak er maar een grapje over, maar jij ontkomt je straf niet mannetje!’
‘U kunt niet zeggen dat ik u niet gewaarschuwd heb, meneer. Ik weet niets over de brand. Ik was met de…,’ Pietje besluit om zijn mond te houden. Wie zou hem trouwens geloven.
De rechercheur probeert hem te laten bekennen, maar Pietje blijft zwijgen. Verhit vertrekt de man uit zijn cel en smijt de deur achter zich dicht. Pietje hoort dat de deur weer in het slot wordt gedraaid. Opnieuw is het stil en even doezelt hij weg.
‘Ja jongen,’ hoort hij en als hij zijn hoofd optilt staat er een vrouw voor hem.
Glimlachend kijkt ze hem aan en hij vraagt, wat er zo grappig is. Hij vertrouwt haar niet. Ze heeft een gemene blik in haar ogen, die ze met een glimlach wil verdoezelen. Als hij haar goed observeert komt hij tot de conclusie dat ze zeker honderdveertig kilo moet wegen. Haar benen lijken op die van een varken. Breeduit gaat ze voor hem staan en fluistert: ‘Je kan maar beter zeggen dat je het hebt gedaan. Misschien krijg je dan strafvermindering. Er zijn zoveel getuigen die je hebben gezien. Die hamster en de pop van je zusje heb je natuurlijk net voor je het huis in de fik stak, uit het huis gehaald. Als je niet beken dan ga je voor jaren naar een tuchtschool en dan zie je je ouders en zusje voorlopig niet terug. Kom op Pietje, zeg dat je het gedaan hebt!’
Pietje laat het gelaten over zich heen gaan. Om de één of andere reden lijkt het wel alsof iets hem behoed om uit te vallen en aan zijn boosheid toe te geven. Gefrustreerd verlaat de vrouw de cel en is Pietje weer alleen. Zijn lichaam begint te trillen van alle emoties. Hij denkt aan Emma, ook zij heeft hem in de steek gelaten, met al haar mooie woorden. Even voelt hij zich verlaten, zeker als de woorden van de vrouw door zijn hoofd spoken. ‘Als je niet beken dan ga je voor jaren naar een tuchtschool en dan zie je je ouders en zusje voorlopig niet terug,’ had ze gezegd.
Suusje, hoe zou het met haar gaan? Even is hij in tweestrijd, maar bekennen voor iets wat hij niet heeft gedaan. Dat nooit! Eens zullen ze hem toch moeten laten gaan. Pietje gaat languit op het bed liggen. Met zijn handen onder zijn hoofd staart hij naar het plafon en denkt na. Zou dit alles misschien te maken hebben met de onteigening van het stukje grond en hun huis. Langzaam krijgt hij zichzelf weer onder controle en is zeker niet van plan om te zwichten voor chantage. Dat is iets wat zijn ouders hem altijd op het hart hadden gedrukt.
Op oudejaarsmorgen moet hij voor de rechter verschijnen. Als hij de rechtszaal wordt binnengebracht zinkt de moed in zijn schoenen. Daar zit dezelfde rechter die hem de vorige keer had veroordeeld. In de zaal wordt het onrustig als hij door de agenten via het gangpad naar zijn plaats wordt geleid. Mensen fluisteren en even krijgt Pietje het gevoel alsof hij het liefst in rook zou willen opgaan. Rook, denkt hij. Daar ben ik hiervoor, en even komt er een glimlach om zijn mond. Op de tribune ziet hij zijn juf zitten en even krijgt hij een sprankeltje hoop.
De rechter sommeert de aanwezige dat ze stil moeten zijn en dat ze kunnen gaan zitten. Dan kijkt hij de aanklager aan en vraagt wat de aanklacht is?
Pietje luistert met gebogen hoofd naar wat de aanklager te melden heeft. Hij voelt zich eenzaam en verschrikkelijk in de steek gelaten. Geen van de aanklachten had hij gedaan en hij was zijn afspraken nagekomen. Hij voelde een ondragelijke leegte in zich opkomen en zijn buik deed pijn.
‘Zijn er bewijzen dat de gedaagde deze feiten heeft gepleegd,’ hoort hij de rechter vragen?
‘Zeker, Edelachtbare. Ik treed op namens de gemeente en het staat als een paal boven water dat hij zijn eigen huis in de brand heeft gestoken,’ antwoordt de aanklager.
‘Pietje, wat heb jij hierop te zeggen. Heb je dat gedaan. Ik wil dat je hier een eerlijk antwoordt op geeft,’ vraagt de rechter?
Pietje kijkt de rechter ongemakkelijk aan en het wordt muisstil in de zaal. Met spanning wachten ze af wat hij hierop gaat antwoorden.
‘Ziet u nu wel. Hij geeft niet eens antwoordt op uw vraag. Hij is vast weer één of andere leugen aan het verzinnen,’ roept de aanklager.
‘Bent u aan het woord of Pietje,’ vraagt de rechter? ‘Kom Pietje trek je nergens iets van aan en geef mij je antwoordt.’
‘Nee meneer, ik weet hier niets van. Ik durf daar mijn hand voor in het vuur te steken. Het vuur van ons huis dat door een paar mannen is aangestoken.’
‘Dank je Piet,’ antwoordt de rechter.
Plotseling wordt het erg rumoerig in de zaal en als Pietje omkijkt ziet hij Emma in de deuropening staan.
‘Wat is daar aan de hand,’ vraagt de rechter aan de griffier?
Vastberaden loopt Emma naar de rechter en fluistert hem iets toe. Pietje begrijpt er niets van en is verrast als Emma naast hem komt zitten. Ze geeft hem een kus op zijn wang en even voelt hij zich blij worden. Het voelt zo vertrouwd, nu ze weer naast hem zit.
‘Ik begrijp dat u de verdediging van beschuldigde op u wilt nemen,’ vraagt de rechter aan Emma?
‘Klopt meneer. Ik ga hem verdedigen. Ik heb hier nog iets wat u zeker moet weten.’
Emma overhandigd de bode iets en die geeft het op zijn beurt weer aan de rechter.
Pietje heeft geen idee waar of ze het overhebben. Even kijkt hij achterom en ziet even verderop zijn ouders en Suusje zitten. Dat geeft hem hoop en Suusje blaast via haar handje een kusje zijn kant op. Hij maakt een vangbeweging en lacht haar liefdevol toe.
‘Als ik het goed begrijpt moet er een briefje van de burgemeester zijn waarin zij verzekert dat als er voor kersavond een nieuwe woning wordt gebouwd, het gezin daar zou mogen blijven wonen?’
‘Dat klopt meneer,’ antwoordt Emma. ‘Ik was erbij, toen dat briefje werd opgemaakt en ondertekend.’ Emma fluistert Pietje aan dat hij het briefje moet laten zien. Hij voelt in zijn zakken, maar weet eigenlijk al dat hij het niet meer heeft. Nogmaals voelt hij in zijn zakken en fluistert: ‘Je weet toch, dat ik het briefje heb verloren.’
De aanklager hoopt dat hij het briefje kwijt is. Dat zou betekenen dat er geen enkel bewijs is en dat ze gewonnen hebben. Er staat immers geen nieuwe woning.
‘Is dat weer één van die leugens,’ zegt de aanklager.
‘Houdt u nou toch eens uw mond. Ik ben hier de rechter en ik ken mijn werk. Dat kan ik van u niet zeggen. Straks, komt u zeker aan de beurt om u zegje te doen,’ vermaant de rechter hem.
‘Pietje haalt zijn schouders op en zegt: ‘Het spijt me meneer, maar ik ben het echt kwijt. Maar het is wel waar wat Emma vertelt.’
Opnieuw wordt het roerig in de zaal en zien ze dat Suusje over het middenpad op de rechter afloopt. Daar blijft ze staan en kijkt tegen de hoge tafel op. Zacht roept ze: ‘Meneer…, meneer.’
De rechter buigt zich voorover en vraagt vriendelijk wat ze wil. ‘Zeg het maar, kleine meid.’
Eén van haar handjes verdwijnt in haar schortje en daar haalt ze een verfrommelt briefje uit en geeft het aan de rechter. ‘Ik kan nog niet lezen meneer, maar misschien is dit het briefje dat mijn broer heeft verloren.’
‘Dank je wel schat. Ik zal het direct lezen. Ga maar naast je grote broer zitten. Jullie hebben elkaar vast wel gemist,’ en Suusje knikt.
Ze gaat tussen Emma en haar grote broer zitten en pakt de hand van Pietje.
Intussen leest de rechter aandachtig het briefje dat Suusje hem gaf. Even zwijgt hij en schraapt dan zijn keel. ‘Dit is inderdaad het documentje waar we het zojuist over hadden.’
Opnieuw komt de aanklager in opstand en zegt dat het briefje alleen geldig is als er op kerstavond een nieuw huis zou zijn gebouwd. Het staat er niet, dus is het ongeldig, verklaart hij.
‘Dat klopt, hier kan ik niets aan veranderen. Er staat inderdaad geen nieuwe woning,’ antwoordt de rechter.
In de zaal zitten veel belanghebbende die al geïnfesteerd hebben in de nieuwbouwplannen van de gemeente. Kleine vreugdekreetjes zijn dan ook duidelijk hoorbaar.
‘Pietje heb jij hier nog iets aan toe te voegen,’ vraagt de rechter?
Pietje schut teleurstellend zijn hoofd, maar herhaalt nogmaals dat hij niets met de brand te maken heeft.
‘Goed, dan schort ik de zitting voor een uur op en dan stel ik mijn vonnis,’ zegt de rechter.
In de zaal schudden mensen elkaar de hand. ‘Er kan niets meer misgaan,’ zegt een man in een driedelig pak en het groepje is zichtbaar verheugd.

Een uur later komt de rechter terug en overhandigd een usb-stick aan de bode. Niet veel later wordt er een groot scherm naar beneden gerold en verschijnt er beeld op.
De zaal zit gespannen naar de beelden te kijken en zien dat er een drietal mannen het huis van de ouders van Pietje in de brand steken. Even later verschijnt Pietje, die het brandende huis in gaat, in het beeld. Even later komt hij weer naar buiten met zijn hamster en de pop van Suusje.
Het is muisstil in de zaal en sommige kijken met tranen in hun ogen naar Pietje. Het scherm gaat weer omhoog en de rechter spreekt zijn vonnis uit.

Pietje wordt van alle blaam gezuiverd en de mannen die het huis hebben aangestoken krijgen een flinke straf opgelegd. De gemeente mag de haven aanleggen en de villa’s mogen ook worden gebouwd, maar er zijn wel voorwaardes die de gemeente moet nakomen.
Zij moeten op de oude grond, voor de ouders van Pietje een ruime nieuwe woning bouwen. Die moet voldoet aan alle eisen van deze moderne tijd. Rondom de woning moet er voldoende ruimte zijn. Dezelfde ruimte die het gezin momenteel ook heeft. Dat kan betekenen dat de gemeente enkele woningen minder kan plaatsen. Daar is geen discussie over mogelijk en de familie moet gedurende de bouwperiode, op kosten van de gemeente, worden opgevangen in een hotel.
Het volgende punt is: De vader wordt voor het leven benoemd als havenmeester en mag gewoon doorgaan met het vangen van paling. Deze rechten worden automatisch doorgeven van vader op zoon enz., mits betrokkenen zelf afzien van deze rechten.
‘Dit is mijn vonnis en daarmee is de rechtbank gesloten,’ zegt de rechter en slaat met een hamer op zijn balie en knikt.
Pietje en zijn ouders kunnen hun geluk niet op. Suusje en Emma glunderen van geluk.

Op nieuwjaarsdag wandelt Pietje naar het huis van Emma en samen lopen ze weer terug naar de plek waar eens het huis van Pietje stond. Emma legt haar hoofd op zijn schouder en samen turen ze zwijgend over het meer. Hij zou Emma willen vertellen wat hij had meegemaakt op kerstavond, maar kan even de woorden er niet voor vinden.
Plotseling begint het water op te borrelen en zien ze het schip ‘De Rog’ boven water komen. Emma wil angstig weglopen, maar Pietje zegt dat het goed is. ‘Blijf maar hier.’
Het luik gaat open en Dommis springt op het dek. Voorzichtig stapt hij op de wal en zegt: ‘Alles is toch nog goed gekomen hé. Ik wist het wel hóór, maar ik mocht er niets over zeggen. Even was ik de film kwijt. Het spande er even om.’
‘Hoezo, welke film,’ vraagt Pietje? Opeens heeft hij het door. ‘Oh, die film. Je bent ook zo’n warhoofd. Hoe is het met de kerstman?’
‘Die knapt op. Die burn-out is bijna over, dankzij jou. Je moet de lieve groetjes hebben van de kerstvrouw en alle andere. Ook van Blitzen en Comet. Zij bedanken je nogmaals voor hun redding. Zo nu moet ik weer terug naar het schip, want we gaan naar ons nieuwe onderkomen. Daar is nog een hoop werk te doen. Je weet wel waar ik het over heb. Maak er een fijn jaar van,’ zegt hij en geeft beiden een knuffel ‘Jij ook bedankt Emma,’ fluistert hij haar toe en dan stapt hij weer op het schip. Niet veel later wordt het schip weer onzichtbaar. Alleen het geluid van de motoren is nog even hoorbaar.

Inmiddels is de zon ondergegaan en wordt het koud en dan zien ze dat het meer in hoog tempo dicht vriest. Suusje komt samen met vader en moeder naar het meer en niet veel later is het hele dorp aanwezig. Ook de mensen uit het dorp van Emma zijn naar het meer gekomen. Allen hebben ze de schaatsen meegenomen. Er wordt een soep en zopie tent aan de kant opgezet en er worden waar mogelijk is lichtjes aangebracht.
Suusje komt naar haar broer en roept: ‘Bedankt lieve broer, mijn wens is uitgekomen.’
Pietje kijkt om zich heen, maar kan zijn vader nergens vinden. Dan kijkt hij in de ogen van de juf en ze zwaait naar hem om vervolgens in het niets op te gaan. Uiteindelijk ontdekt hij in de menigte zijn vader, die met een mand vol paling hun kant op komt. Hij geeft zijn vrouw en kinderen een knuffel.
Aan de andere zijde van het meer klinkt er een sissend geluid, gevolgd door een knal en aan de hemel is schitterend vuurwerk te zien. Betoverend kijken ze allemaal naar de hemel en dan wordt er tussen alle kleuren een tekst zichtbaar.

Lieve schatten,

Voor even was ik jullie juf. Pietje nogmaals bedankt voor het redden van kerstavond. Emma, bedankt dat je Pietje het juiste pad hebt gewezen.

Liefs de juf

‘Dat is zeker een grapje van de juf,’ fluistert Pietje.
‘Natuurlijk,’ grinnikt Emma.
Moeder legt een arm rond zijn schouder en zegt: ‘Ik ben bang dat ik straks wakker word en dit alles niet is gebeurd.’
‘Dan dromen we allemaal dezelfde droom,’ antwoordt vader.

Einde