11 Het enge mannetje

Diep ingedachte tuurt Noortje naar het raam. Met de achterkant van haar kleurpotlood tikt ze een bekend wijsje. Als dat wijsje eenmaal in haar hoofd zit krijgt ze het er maar moeilijk uit. Soms kan ze het de hele weg naar huis wel neuriën en nu, ja ook nu zit het in haar hoofd.
Opeens herkent ze het enge mannetje. Hij zit gewoon in het raamkozijn. Ze kan haar ogen niet geloven. Hoe kan dat nou?

‘Noortje, wil je ophouden met dat getik. De andere kinderen willen in alle rust kunnen tekenen,’ zegt de juffrouw glimlachend.
Noortje kijkt op en wil de juffrouw vertellen dat het enge mannetje in het raamkozijn zit, maar ze durft het niet. De juffrouw kijkt haar vragend aan. ‘Is er iets?’
‘Niets juf,’ en ze zet de punt van haar potlood op het nog lege paper.
‘Hallo Noortje, niet schrikken, ik ben het maar,’ zegt het enge mannetje plotseling en hij gaat op haar tafeltje zitten. ‘Wees maar niet bang hoor. De andere kunnen mij niet zien. Zullen we vriendjes worden?’
‘Dat weet ik niet hoor. Je lijkt me geen aardig mannetje.’
‘Wie is er niet aardig,’ vraagt de juffrouw.
Noortje kijkt op en ziet dat de andere haar aanstaren en sommige lachen haar uit.
‘Ophouden,’ roept de juffrouw streng. ‘In mijn klas wordt er niemand uitgelachen. Hebben jullie dat begrepen.’
‘Ja juffrouw,’ roepen de kinderen in koor.
Noortje krijgt het erg warm en ze voelt haar wangen branden. Ze schaamt zich en kijkt de juffrouw met tranen in haar ogen aan. De juf komt naast haar staan en vraagt wat er aan de hand is. Noortje wil het de juffrouw wel vertellen, maar zij kan het enge mannetje toch niet zien.
Het mannetje tikt met zijn gekromde vinger tegen zijn mond en fluistert, ‘dat zou ik niet doen. Ze geloven je toch niet!’
Verlegen kijkt ze de juffrouw aan. Ze weet niet of ze het haar wel kan vertellen. Nee, de enige met wie ze hierover kan praten is papa, maar die is er niet. Ze zucht even diep en de juffrouw aait haar over haar bolletje.
‘Ga maar verder met je tekening,’ zegt ze.
Noortje kijkt het enge mannetje met zijn rare hoed aan en gaat driftig aan de slag. Eerst tekent ze het rare hoedje, dan zijn enge gezicht en als laatste zijn gekke armen en benen. Als ze kaar is moet ze er zelf om giechelen.
De kinderen snappen er niets van en kijken van Noortje naar de Juffrouw. De juffrouw komt weer naar haar toe en bekijkt de tekening aandachtig.
‘Juffrouw is hij niet goed gelukt, echt hoor hij lijkt er sprekend op,’ zegt ze en gespannen wacht ze af wat de juffrouw ervan vindt.
‘Maar lieve schat. Ik zie geen tekening.’
Noortjes kijkt op het papier en ziet nu ook dat het vel leeg is.
‘Hoe kan dat nou, ik heb het enge mannetje met zijn rare hoed echt getekend. Ik ik…, en dan begint ze te snikken.
De juf gaat op haar hurken zitten en fluistert. ‘Probeer het maar opnieuw. Heus het gaat je wel lukken.’
Ze begrijp er niets van, maar doet braaf wat de juf zegt. Af en toe kijkt ze op en ziet dat de kinderen haar grijnzend aankijken. De een tikt tegen zijn voorhoofd en een ander gebaard weer op een ander manier dat ze niet goed snik is. Zo af en toe loopt de juffrouw langs en moedigt haar aan. Het enge mannetje die onzichtbaar voor de juffrouw op het tafeltje staat fluistert dat de tekening op hem lijkt.
Noortje wordt boos op hem en met een snelle armbeweging slaat ze hem van het tafeltje en roept. ‘Wegwezen jij. Blijf van mijn tekening af.
Opnieuw lachen haar klasgenootjes haar uit en Noortje voelt zich betrapt. Ze weet dat sommige denken dat ze gek is en ze neemt het ze niet eens kwalijk.
‘Het is allemaal jouw schuld,’ schreeuwt ze naar het rare mannetje.
De kinderen in de klas worden steeds drukker en jouwen Noortje uit. Even weet ook de juffrouw niet hoe ze haar pupillen weer rustig moet krijgen.
Het mannetje springt weer op de tafel. ‘Niet huilen lieve schat,’ fluistert hij. ‘Ze zullen ervan lusten om jou zo uit te lachen. Wacht maar eens af.’
‘Maar niet Mellie, mijn vriendinnetje. Zij plaag mij niet.’
Hij belooft het haar en mompelt een paar toverspreuken.
Wat Noortje dan te zien krijgt is echt lachwekkend. Haar klasgenootjes wandelen door de klas. Sommige mekkeren als een schaap of huilen als een wolf. Een ander kind denkt dat hij een slang is en kronkel en sist op de grond.
‘Stop hier onmiddellijk mee,’ roept de juf.
Noortje vindt dat ze een koekje van eigen deeg krijgen. Moeten ze haar maar niet zo uitlachen, maar na een paar minuten vindt ze dat het wel genoeg is. Ze vraagt het mannetje er mee te stoppen en per ongelijk trekt ze het rare hoedje van zijn hoofd.
De juffrouw kijkt haar verschikt aan. Ook zij ziet nu het enge mannetje op de tafel staan.

‘Snel Noortje, zet mijn hoed weer op, anders zien de andere mij ook. Alsjeblieft, daarna verdwijn ik voor altijd,’ smeekt hij.
Noortje twijfelt. Hij zegt wel dat hij ophoudt, maar daar gelooft ze niets van. Toch wil iets in haar dat het mannetje blijft bestaan.
‘Oké, maar zorgt dan dat alles weer gewoon wordt,’ en streng wijst zij met haar vingertje. ‘Ze zijn nu wel genoeg gestraft.’
‘Ik beloof het, maar zet alsjeblieft mijn hoedje op mijn hoofd terug. Knip maar met je vingers dan wordt alles weer normaal.’
Ze knipt met haar vingers en de kinderen kijken elkaar verbaast aan. De juffrouw staat nog steeds geschrokken tegen de muur en laat zich voorzichtig op een stoel zakken. Ze begrijpt er niets van. Dit heeft ze nog nooit meegemaakt. Gelukkig is de rust wedergekeerd en is iedereen weer aan zijn of haar taak bezig.
Het enge mannetje bedankt Noortje en als een witte wolk verdwijnt hij uit de klas.
‘Noortje, is je tekening al af,’ vraagt de juffrouw.
‘Ja hoor,’ en ze wandelt ermee naar de juf.
De juffrouw bekijkt de tekening aandachtig, maar houdt verstandig haar mond. Ze prijst Noortje ‘Hij is echt mooi geworden. Het lijkt sprekend op het mannetje.’
Noortje kijkt haar aan en vraagt. ‘Kent u hem ook?’
De juffrouw glimlacht en trekt haar schouders op.

Einde.