8 Niet begrepen

Noortje wordt niet begrepen

Vrolijk danst Noortje door de tuin en zo nu en dan neuriet ze een deuntje. De zwaan kijkt haar verrast aan en vraagt: ‘Wat is er met jou aan de hand?’
Noortje gaat aan de waterkant zitten en pardoes dompelt ze haar voetjes onderwater.
‘Oh, oh, dat vindt mama vast niet leuk,’ moppert ze.
‘Niets aan de hand, wij letten wel op je,’ kraait de kraai, die op haar geneurie is afgekomen. Hij land bovenop de rug van de zwaan, ook hij wil weten waarom ze zo blij is.
De zwaan heeft niets met de kraai en probeert hem van zijn rug af te schudden, maar dat lukt hem niet. Boos begint hij met zijn vleugels te klapperen. De kraai vliegt omhoog tegen zo’n enorme kracht is hij niet opgewassen.
‘Nou ja zeg…, wat heb jij een kapsones,’ bromt de kraai en hij gaat aan de kant naast Noortje zitten.
Noortje kijkt hem boos aan en met haar vingertje wijst zij hem terecht. ‘Je houd je rustig, anders bind ik je snavel dicht,’ vermaant ze hem.
Intussen hebben ook de kinderzwanen zich rondom Noortje verzameld en druk kwebbelen ze door elkaar heen. ‘Vertel op Noortje, waarom ben jij zo blij,’ vraagt het zwarte zwaantje.
‘Kom maar op mijn schoot zitten,’ vraagt Noortje. ‘Maar niet poepen hoor, anders wordt mijn jurk zo vies.’ Voorzichtig aait ze hem over zijn donzige veren.
De kraai heeft er genoeg van. Al dat aardige gedoe is niet aan hem besteed en nijdig vliegt hij over Noortje en poept grijnzend op haar hoofd. Noortje schreeuwt hem toe: ‘Ik krijg jou nog wel’, en ze balt haar vuist zoals ze haar papa weleens heeft zien doen, als hij boos is.
Ook papazwaan is boos en vliegt achter de kraai aan. Noortje vind het niet leuk meer en opeens vindt ze het ook niet meer belangrijk om haar blijdschap met de anderen te delen.
‘Ik ga naar huis. Mama zal wel boos zijn, nu moet ik natuurlijk ook nog in bad. Bah, het is allemaal de schuld van die rotkraai!’

Mammazwaan legt haar snavel op Noortjes schoot en zegt. ‘Schat, vertel een andere keer maar waarom je zo blij bent,’ en samen met haar kinderen zwemt ze het meer op.
Noortje is vies en nat. Ze stapt de keuken binnen waar mama net voor beiden een glas limonade inschenkt. ‘Ben je daar, ik heb een koel glas limonade voor ons.’
Normaal gesproken springt Noortje op het glas af, maar nu blijft ze stil op een afstand staan met haar gezicht naar de grond gericht.
‘Ach kind, wat zie je eruit,’ roept mama.
Noortje ziet de bui al hangen en is bang dat ze nu vast een week niet in de tuin mag spelen en dat alleen omdat ze per ongelijk met haar voetjes in het water is beland en omdat die vervelende kraai op haar heeft gepoept. Mama komt op haar af en neemt haar zwijgend mee naar de badkamer.
‘Hoe kom je zo vies?’
Noortje kijk haar beteuterd aan en vertelt dat ze per ongelijk met haar voetjes in het water is beland en dat de kraai op haar hoofd heeft gepoept. ‘Krijg ik nu straf?’
‘Het is al goed, schat. Die fantasie van jou. Wat moet ik hiermee,’ antwoordt mama.
Noortje neemt haar hand en kijkt haar met een pruillipje aan. ‘Ik mag toch nog wel naar school hè?’
Mamma kijkt haar lachend aan en zet haar in het volgelopen bad. ‘Warm genoeg?’
Noortje knikt en samen hebben ze de grootste lol. Er worden ballonen gevuld met water en over weer naar elkaar gegooid.
‘Zo zo, wat een blijdschap hier,’ roept papa, die net thuiskomt van zijn werk. ‘Weten jullie waarom al die zwanen voor de keukendeur zitten. Ik kon er bijna niet doorheen. Even dacht ik dat één van die beesten iets tegen me zei. Niet te geloven toch.’
Papa haalt Noortje uit het bad en wikkelt haar in een badlaken. Noortje glundert en roept: ‘Je moet niet zo fantaseren hoor pap,’ en ze scheten alle drie in de lach.

Einde