9 Eindelijk naar school

Droef ligt prinsheerlijk te luieren in het zonnetje. Noortje ligt naast hem, haar hooft rust op zijn buik. Zo af en toe kijkt Droef op en geeft haar een lik. Noortje bewonderd haar nieuwe tas. Een echte rugtas voor school. Papa heeft hem meegenomen toen hij thuiskwam vanuit Denenmarken. Het is een mooie kleurige tas. Er staan afbeeldingen van jonge zwaantjes op.
‘Mooi hè Droef,’ en ze houdt de rugtas vlak voor zijn neus.
Droef ruikt eraan en begint plots te niezen. ‘Nou ja zeg, kijk uit je niest hem helemaal nat.’ Snel wrijft ze met de mouw van haar vest het vocht van haar rugtas. ‘Bah…., nu is hij niet meer zo mooi.’
Droef tilt zijn kop op en duwt hem tegen haar hand, alsof hij wilde zeggen. Ik deed het toch niet expres. Sorry.
‘Zo, wat heb ik gehoord. Je gaat naar school,’ hoort Noortje achter zich.
Ze springt op en daar, bij de grote eikenboom staat het vreemde mannetje met zijn rare hoed.
Noortje wil op hem aflopen, maar het mannetje roept; ‘Blijf staan, anders spuug ik hars op je tas en daar wordt hij erg lelijk van.’
Ze doet een paar stappen terug en valt over Droef, die op staat en besluit maar rustig in zijn hok te gaan liggen. Vandaag heeft hij even geen zin in gedoe. Even doet Noortje haar ogen dicht in de hoop dat, als ze ze weer opent het mannetje verdwenen is. Hij is eng en ze herinnert zich de nacht dat ze hem voor het eerst zag. Ze gooit haar rugtas ver achter zich en met trillende beentjes loopt ze op hem af.
‘Jij moet eens goed naar mij luisteren engerd. Als jij maar iets met mijn tas uitspookt dan krijg je het aan de stok met mijn papa. Of anders trek ik je hoed van je hoofd.’
Ze strekt haar hand naar de hoed van het mannetje, maar die springt snel opzij en roept angstig; ‘Nee, niet aan mijn hoed komen, ik beloof je lief te zijn en je niet meer te plagen.’
Noortje doet nogmaals een poging het hoedje te pakken, maar het mannetje blijft jammeren; ‘Alsjeblieft, niet doen. Als je mijn hoed van mijn hoofd haalt dan……, dan,’
‘Wat dan,’ vraagt Noortje.
‘Niets, grapje. Ik ga al. Nog een hele fijne dag op school,’ roept het mannetje en verdwijnt onder de struiken.
Noortje begrijpt er niets van en wandelt naar het meer. Daar zitten de jonge zwaantjes en wapperen met hun vleugels om de donsveertjes, die zij eerder hebben losgetrokken, eruit te schudden.
‘Mam, het kriebelt zo,’ roept een van de zwaantjes.
‘Probeer nog wat harder met je vleugels te slaan. Goed oefenen, het maakt ze sterker. Straks als je gaat vliegen heb je sterke vleugels nodig.’
‘Ja, mam.’
Noortje pakt haar rugtas en wandelt naar huis. Ze is een beetje ongeduldig. Ze wil zo graag naar school. Leren rekenen en schrijven. Mama zegt dat ze er ook mag spelen en tekenen.
‘Mam…., is het al tijd. Zal ik mijn tas alvast inpakken. Ik moet niet vergeten een appeltje mee te nemen. Hoe lang duurt het nog.,’ en ongeduldig trekt ze aan mama’s schort.
‘Even rustig schat,’ antwoordt mama.
Noortje begrijpt niet dat mama er erg tegenop ziet om haar kleine meid naar school te brengen.
‘Ga jij maar alvast je tas inpakken en vergeet niet je tekenboek en je kleurpotloden. Doe er maar een mooie rode appel bij.’
Noortje begrijpt er niets van. Dat heeft ze toch al gedaan. Heeft mama dat dan niet eens gezien. Ze haalt haar schoudertjes niet begrijpend op. ‘Mama’s,’ zucht ze.
Mama wrijft haar handen droog en zucht een paar keer. Ze vindt het maar niets om straks haar dochtertje achter te moeten laten op school, ook al is het maar voor een paar uurtjes.
Ze helpt Noortje in haar jasje en bindt de rugtas op haar rug. ‘Je wordt al een flinke meid. Kom schat we gaan,’ en trots wandelen ze door de tuin naar school.
‘Goed je best doen hoor,’ roept één van de zwaantjes. ‘Kijk ik kan al bijna vliegen,’ en hij klappert trots met zijn vleugels.
Noortje draait zich om en roept naar de zwaan; “Ik ga mijn best doen, net als jij!’
Mama kijkt haar verbaast aan. ‘Tegen wie heb je het?’
‘Oh, tegen de zwanen. Zij moeten leren vliegen en ik ga leren rekenen en schrijven,’ en ze kijkt mama trots aan.
Op het schoolplein zijn er meer kinderen die voor het eerst naar school gaan. De juffrouw kijkt haar aan en zegt. ‘Jij moet Noortje zijn. Ik ben juffrouw Ineke. Kom maar mee dan wijs ik je stoeltje aan.’
Noortje draait zich om en neemt afscheid van haar mama. Dan loopt ze weer naar haar stoel en zwaait nog even naar haar.
Naast haar zit een meisje die snikkend om haar mama roept en de tranen rollen over haar wangen.
Even voelt Noortje zich een beetje ziek, maar dan kijkt de juffrouw haar glimlachend aan. Dat doet haar goed. Noortje pakt de hand van het meisje en vraagt hoe ze heet.
‘Ik…, ik heet Mellie, ik wil naar huis,’ snikt ze opnieuw.
Noortje haalt een zakdoek uit haar zak en geeft hem aan Mellie. ‘Niet huilen, school kan alleen maar leuk zijn. We gaan tekenen en samen spelen en we hebben een hele lieve juf. Ja toch,’ en neemt weer haar handje in de hare.
De juf is lief en grappig, al snel zijn alle kinderen binnen. Eerst wordt er een ronde gesprek gehouden waar de kinderen zich aan elkaar voorstellen. Daarna besluit juffrouw Ineke dat ze de eerste dag mogen doen wat de kinderen het liefst doen. Al snel vormen er zich groepjes en gaan ze op in het spel wat ze hebben gekozen. Voor dat Noortje er erg in heeft staat mama haar weer op te wachten om naar huis te gaan.

Einde