7 De koffer

Noortje is blij dat papa weer thuis is. Deze keer was hij op zakenreis in Denemarken en hij heeft veel foto’s gemaakt en vertelt er mooie verhalen over. Nu hij thuis is kunnen ze weer samen spelen en misschien gaan ze wel weer een keer naar de dierentuin. Ze is toch zo benieuwt hoe de jonge tijgertjes het maken.
‘Mam, zullen we verstoppertje spelen?’
‘Zo dadelijk schat. Ga jij je maar alvast verstoppen,’ roept mama vanuit de keuken.
‘Prinses, ik kan geen verstoppertje met je spelen omdat ik even weg moet,’ zegt papa en geeft haar een aai over haar bol. ‘Als ik terug ben, dan ga ik je zoeken. Mama zal je vast niet kunnen vinden.’
Glimlachend kijkt ze papa na. Ze heeft immers een nieuw plekje gevonden waar ze zich kan verstoppen. De koffer, die papa altijd meeneemt op reis. Die is nu leeg, dat heeft ze mama horen zeggen. ‘Even luchten die koffer, jeetje wat stinkt hij,’ had ze geroepen.
Noortje kijkt goed in het rond of mama in de buurt is. Sluipt naar de koffer en kruipt erin. Dat gaat maar net. Ze pakt de deksel en laat hem voorzichtig zakken. Dan hoort ze een klik, maar weet niet dat de koffer in het slot is gevallen. Geduldig wacht ze totdat mama haar komt zoeken.
Ze ligt nu al een tijdje in de koffer en dat voelt ongemakkelijk aan. Er is niet zoveel ruimte om zich te bewegen. Ze probeert het deksel omhoog te duwen, maar dat lukt niet. Mama zal me nu wel zoeken, denkt ze en geduldig wacht ze af.
Inmiddels is papa weer thuis en vraagt waar Noortje is.
‘Buiten schat, kijk maar bij de vijver. Ze zal wel bij de kleine zwaantjes zitten of ze heeft zich inmiddels verstopt.’
Papa doorzoekt de tuin, maar kan haar nergens vinden. Hij doorzoekt het huis en even kijkt hij naar de koffer. Zou ze zich misschien daarin hebben verstopt. Nee, dat doet ze niet, denkt hij.
Opnieuw doorzoekt hij de tuin, maar wederom kan hij haar niet vinden. Hij wordt nu wel een beetje ongerust. Ze zou toch niet in het water zijn gevallen. ‘Ik kan haar nergens vinden, we moeten de politie bellen. Er zit niets anders op.’
Mama kijkt angstig om haar heen. Ze maakt zich verwijten dat ze niet goed op Noortje heeft gelet.
Noortje krijgt het erg warm in de koffer. Haar haren worden nat van het zweet. Ze probeert met haar schouders de koffer open te duwen, maar dat lukt niet. ‘Het was erg dom van mij om me in de koffer te verstoppen,’ mompelt ze. ‘Ik had dit nooit mogen doen. Nu zijn papa en mama erg verdrietig, denkt ze.
De politie komt en zoeken met een rubberboot en een duiker de vijver af. De buurt wordt doorzocht en iedereen zoekt driftig mee. Noortje heeft van dit alles geen weet en af en toe valt ze in slaap en hoopt dat mama of papa haar snel zullen vinden. Ze probeert nog te roepen. ‘Mama…, papa…., ik ben hier. In de koffer,’ maar niemand hoort haar.
De kraai vliegt al geruime tijd door de tuin. Hij probeert de aandacht te trekken, maar mensen worden alleen maar boos op hem. ‘Die vervelende kraai,’ roepen ze.
Hij probeert de aandacht van mama te krijgen maar ook zij roept snikkend dat hij haar met rust moet laten. Hij vliegt weg en laat ze achter. De duiker komt uit het water en vertelt dat hij niets heeft kunnen vinden.
Verderop in de vijver zitten vader en moederzwaan met hun kroost het gebeuren gade te slaan. Ze begrijpen er niets van. De kraai komt naar ze toe en vertelt dat ze op zoek zijn naar Noortje, maar dat ze niet naar hem willen luisteren. Hij weet immers waar ze is. Vader en moederzwaan besluiten te helpen en de hele familie zwaan klimt met zijn allen de kant op. Achter elkaar lopen ze statig door de tuin. Vaderzwaan loopt op Noortjes papa af en zegt. ‘Ik weet best dat u mij kunt verstaan. Kom maar mee, wij weten waar ze is,’
Papa kijkt ze verdwaast aan en loopt achter ze aan. De zwanen lopen naar de koffer en met hun snavel tikken ze ertegenaan.
‘Heb jij in de koffer gekeken,’ vraagt hij aan mama.
‘Nee zeg, dat kan toch niet. Ze verstopt zich toch niet in die koffer.’
Vader opent de koffer en daar ligt Noortje. Haar gezichtje is helemaal rood en ze is doorweekt van het zweet. Een beetje versuft tilt ze haar hoofd op en zegt. ‘Ik kan mij goed verstoppen hè.’
Mama is dolgelukkig dat ze haar hebben gevonden. ‘Lieverd, dat kan wel zo zijn, maar dit moet je maar nooit meer doen. Dit is heel erg gevaarlijk. Voor straf ga je nu naar je kamer totdat ik je weer toestemming geeft om naar beneden te komen.’
‘Het spijt me dat wij u zoveel last hebben bezorgd,’ zegt mama tegen iedereen die geholpen heeft met zoeken.
‘Het is al goed, mevrouw. Gelukkig is alles goed afgelopen. Pak haar niet al te streng aan. Ze wilde alleen maar verstoppertje spelen,’ zegt de oude politieagent.
Papa geeft mama een knuffel en zegt dat hij wel even met Noortje gaat praten.
Noortje ligt snikkend op haar bedje. Papa gaat naast haar zitten en aait haar over haar bol.
‘Weet je waarom mama zo boos is,’ vraagt hij.
‘Nee, niet echt,’ snikt Noortje.
‘Mama is boos, maar ook erg verdrietig. We waren zo bezorgd om jou. Mama’s boosheid gaat wel snel over. Ik ben blij…’
‘Blij, waarom ben je blij,’ vraagt Noortje verbaast.
‘Hoe moet ik dat nou zeggen,’ en hij wrijft ongemakkelijk door zijn haren. ‘Zou je me geloven, als ik je vertel van wie ik hoorde waar je zat?’
Noortje kijkt hem verbaast aan en knikt.
‘De zwanen hebben je verraden. Zij vertelde mij waar jij je had verstopt en zij hadden het weer van de kraai.’
Noortje springt op en slaat haar armpjes rond zijn nek en geeft hem een enorme knuffel. ‘Ik geloof je pap. Ik ben zo blij dat jij ook met ze kan praten.’
‘Ja schat, maar laat het ons geheim blijven. Niemand zou ons geloven, zelfs mama niet en dat is maar goed ook. Je moet me wel beloven dat je nooit, maar dan ook nooit meer zo’n gevaarlijke stunt zult uithalen.’
Ze belooft papa dat ze de volgende keer beter haar best zou doen en samen gaan ze naar beneden. Mama kijkt op en vertederend kijkt ze het tweetal aan.

Einde