5 De dokter

Noortje moet naar de dokter

Dromerig zit Noortje op haar schommel en kijkt over de tuin en het meer uit. Papa is met Droef op pad en de zwanen zwemmen samen met hun zeven kinderen vrolijk rondjes op het meer. Zodra één van de kleintjes te ver uit de buurt van de ouders is komt er één in actie.
‘Nee nee, we gaan er nog niet alleen op uit. We hadden afgesproken dat jullie bij papa en mama in de buurt zouden blijven,’ spreekt hij ze streng toe.
Noortje springt van de schommel en gaat aan de kant van het meer zitten. De zwanenfamilie zwemt statig haar kant op. ‘Zijn mijn kinderen niet mooi,’ vraagt papazwaan. ‘Ze zijn nu nog grijs, maar later zijn ze net zo sneeuwwit als mijn vrouw en ik.’ Trots als een pauw wappert hij met zijn vleugels.
‘Ik vind ze erg mooi,’ mummelt Noortje.
Moeder zwaan hupt de kan op en gaat voor Noortje zitten. Tikt met haar snavel tegen haar hoofd. ‘Niet doen, ik heb al pijn in mijn hoofd. Dat vind ik niet leuk,’ zegt Noortje.
‘Waarom ben je zo droevig mijn schat? Het is zulk mooi weer, wat wil je nog meer?’
‘Ik zou van u zeven gouden eieren krijgen. Ach laat ook maar. Ik moet van mama naar de dokter, ze gelooft niets van wat ik over jullie en de boom vertel. Mama denkt dat ik niet goed wijs ben.’
Mamazwaan gaat naast haar zitten en legt haar snavel in haar schoot. Zachtjes zegt ze.
‘Ach, lieve schat, wat moet zo’n klein meisje nou met zeven gouden eieren. Daar wordt je alleen maar verdrietig van.’
Noortje aait over haar zachte vacht en zegt: ‘Nou verdrietig ben ik nu ook.’
‘Dat is waar, maar wat ga je ze dan vertellen als ze vragen hoe je aan die eieren komt. Er zijn altijd andere die ze van je af willen pakken.’
‘U zult wel gelijk hebben. Ik ga een bammetje eten. Zal ik ook wat brood voor u en de kinderen meenemen?’
‘Nee hoor schat, wij vinden ons eten in het meer. Ik vind het wel heel lief van je,’ en ze laat zich weer het meer inglijden.
Na de lunch moet Noortje van mama haar jas pakken. ‘Kom, we hebben een afspraak bij de dokter. Ik maak me een beetje zorgen om jou.’
‘Ik ben niet ziek, waarom moet ik naar de dokter. Ik krijg toch geen prik, hè?’
Mama kan erom lachen en stelt Noortje gerust. In de wachtkamer voelt ze zich een beetje misselijk worden. Ze is toch een beetje bang voor de dokter. Dat gefriemel vindt ze maar niets.
‘Noortje,’ roept een vrouw in de deuropening en Noortje kijkt haar een beetje bang aan.
‘Ben jij Noortje. Ga je even met me mee. Je hoeft niet bang te zijn, het is niet eng en het doet geen pijn,’ zegt de zuster.
Beteuterd loopt ze mee naar een kamertje. De zuster legt haar uit dat ze haar gaat wegen en meten. Daarvoor moet ze eerst haar schoenen uittrekken en dan mag ze op de weegschaal gaan staan. Ook moet ze tegen de muur gaan staan en ze moet haar hielen tegen het ijzeren plaatje aanhouden. Dan rolt de zuster een plankje naar beneden tot dat het op haar hooft rust en ze noteert haar bevindingen op een papiertje. Nu weten ze hoe veel ze weegt en hoe groot ze is. ‘Dat doe je goed hoor. Nu nog één testje.’ De Zuster doet een bandje om haar bovenarm en verteld haar dat daar eerst lucht in wordt geblazen en daarna loopt hij vanzelf weer leeg. Noortje voelt dat het bandje steeds strakker om haar arm gaat zitten en net als ze wil zeggen dat het een beetje pijn gaat doen, loopt het bandje weer leeg en voordat ze het weet is het klaar.
‘Zo meten we je bloeddruk. Je hebt het heel goed gedaan,’ zegt de zuster weer. Noortje mag haar schoenen weer aan doen en de zuster vertelt mama, dat het goed is gegaan. ‘Komt u maar met mij mee, de dokter heeft nu tijd voor u.’
De dokter geeft mama en Noortje een hand en vraagt of ze plaats willen nemen. Mama en de dokter gaan in gesprek, maar Noortje begrijpt er niets van en voelt zich weer een beetje misselijk.
Dan vraagt de dokter of ze haar shirt wil uitdoen en op de onderzoekbank wil klimmen. Noor doet braaf wat haar wordt gevraagd. ‘Dit is een stethoscoop,’ zegt ze. ‘Hiermee kan ik je hart en je longen beluisteren. Het voelt een beetje koud aan.’
Daarna kijkt de dokter ook nog in haar oren en keel. Ze betast haar nek en daarna onderzoekt ze ook nog haar buik. Ondertussen vraagt ze mama of ze goed eet, slaapt, speelt en of ze goed poept. Daar moet Noortje wel een beetje bij lachen. POEP. Ze kijkt Noortje aan en samen moeten ze een beetje lachen. De dokter zegt dat ze het erg goed doet en Noortje glimlacht haar verlegen toe.
‘Nou jonge dame, je bent zo gezond als een vis. Weet u ik denk dat het het beste is dat Noortje een paar ochtenden naar school gaat. Zou je dat willen Noortje?’ Noortje knikt. Ze vindt alles best, als ze hier maar weer weg mag.
Thuis gekomen rent ze naar mamazwaan en vertelt haar dat ze naar school mag. Mamazwaan is heel bij voor haar en van vreugde wappert ze met haar vleugels.
‘Wat goed. Je bent best al knap. Ten slotte kan je al tot zeven tellen, ja toch. Hoeveel kinderen heb ik?’
Noortje begint te tellen. ‘1, 2, 3, 4, 6.’
‘Nee.., roept mamazwaan, eerst 5 en dan pas 6.’
Ze heeft hier geen zin in. In de verte hoort ze Droef blaffen. Niet veel later springt hij tegen haar op. Hij is zo blij haar weer te zien. Samen rollen ze over het gras. Droef pakt zijn bal en brengt hem naar haar toe. Ze neemt de bal van hem aan en gooit hem zover als ze kan. Droef rent erachter aan en verdwijnt onder een struik. Noortje wacht, maar Droef komt zonder de bal onder de struik vandaan. Blaffend draait hij rondjes. Uiteindelijk kruipt ze zelf maar onder de struik om de bal te zoeken. Daar ziet ze tot haar verbazing het mannetje met dat gekke hoedje.
‘Hoi Noortje, ik hoor dat jij naar school gaat. Daar kom ik ook wel eens. Leuk dan kunnen we daar samen wat kletsen als je dat wilt.
Noortje wordt humeurig en zegt.’ Als je dat maar laat. Ik wil je daar nooit zien. Ik ga naar school. Jullie van de sprookjeswolk moeten mij met rust laten. Ik heb je nooit gezien en nu wegwezen. Ze pakt de bal en gooit hem terug naar Droef.

Einde