3 De wens

Noortje mag een wens doen

Het is een mooie zomerse dag en mijmerend zit Noortje op haar schommel. Al een tijdje heeft ze niet meer over de kraai gedroomd. Eigenlijk is ze er nog steeds niet uit of het nu een droom was of dat het echt gebeurde. Droef ligt prinsheerlijk op zijn rug. Hij heeft zijn poten gespreid zodat de zon zijn roze buik kan verwarmen.
‘Droef hou daar mee op. Straks verbrand je je buik en lig je de hele nacht te janken,’ schreeuwt Noortje hem toe. Ze springt van de schommel en geeft de hond een duw, zodat hij op zijn zij rolt. ‘Zo dat is beter. Het is toch geen gezicht zoals je er bij ligt,’ en ze geeft hem een kus op zijn snuit. Hij kijkt haar aan, alsof hij wil zeggen. Nou ja, waar bemoei je je mee. Het is toch zeker mijn buik. Noortje heeft zich nog niet omgedraaid of hij draait zich gewoon weer op zijn rug en geniet weer van de warmte die de zon hem geeft.
‘Nou, dan moet je het zelf maar weten. Als je buik verbrand, dan blijf je vannacht maar buiten in je hok slapen. Domme Droef!’
Noortje verveelt zich en haar blik zoekt de omgeving af. Misschien ontdek ik de kraai toch. Op de één of andere manier miste ze hem. Haar blik vaalt op de boom en kijkt of moeder in de buurt is. Sluipend gaat ze naar de boom en kijkt omhoog. Door de vele bladeren kan ze de top van de boom niet zien. ‘Zal ik er proberen in te klimmen,’ mummelt ze zacht.
‘Nee, niet doen,’ geeft ze zichzelf antwoord. Maar het avontuur lokt haar en ze begint de boom te beklimmen. Ze voelt de spanning in haar kleine lijfje, maar ze is zo nieuwsgierig dus klimt ze verder omhoog.
‘Noortje,’ hoort ze moeder roepen. ‘Noortje, waar ben je. We gaan eten.’
‘Hier boven Mam, in de boom,’ antwoord Noortje. Ze wil naar beneden klimmen, maar het lukt haar niet.
‘Zo, daar ben je weer,’ zegt een heks met een mattenklopper in haar hand. ‘Kom maar, geef me je hand dan help ik je.’
Noortje wil dat niet, maar ze durft ook niet naar beneden. Ze wordt draaierig als ze naar beneden kijkt. De heks pakt haar hand en helpt haar.
‘Word ik straks gewoon weer wakker,’ vraagt ze aan de heks.
De heks begint luid te lagen en vliegt weg op haar mattenklopper. Noortje haalt haar schouders op. Vreemd de vorige keer dat ze de boom was ingeklommen had ze een enorme bloemenzee gezien. Wat ze nu zag was alleen maar zand en waar is iedereen?
Ze verzamelde alle moed en kracht om weer naar beneden te klimmen. Plotseling zag ze een mannetje met een rare hoed zag. In zijn hand had hij een vreemde kromme bewerkte stok
‘Zo, Noortje. Je hebt echt een probleem he? Dat wordt een hele klim naar beneden,’ zegt het mannetje.
Noortje kijkt hem aan en antwoord. ‘Dat zie ik ook wel, maar ik ben niet bang hoor. Straks word ik gewoon weer wakker. Het is gewoon een droom, net als de vorige keren. Alleen toen waren er prachtige bloemen en dansende dieren, nu is er alleen maar zand,’ antwoord Noortje.
‘Kom maar met mij mee. Ik zal je bewijzen dat dit geen droom is,’ zegt het mannetje en samen kijken ze naar beneden. Daar ziet ze dat papa en mama nog steeds naar haar opzoek zijn.
‘Noortje, Noortje,’ hoort ze mama roepen.
‘Zie je wel dat je niet droomt,’ zegt het mannetje.
Noortje staart naar beneden en voelt zich een beetje schuldig omdat mama en papa zich zo ongerust om haar maken. ‘Ik moet nu toch echt naar beneden,’ zegt ze, maar het mannetje smeekt haar om te blijven. ‘Ik kan je echt niet laten gaan. Straks val je nog en bezeer je je ernstig. Misschien kunnen we een afsprak maken?’
‘Waarom, ik wil naar mijn ouders en naar Droef,’ antwoordt ze en wil zich naar de tak beneden haar laten zakken.

Ze voelt dat ze licht in haar hoofd wordt en klampt zich vast aan de boom. Ze weet nu dat het mannetje haar niet zomaar zal laten gaan en vraagt wat hij van haar wil.
‘Je mag van mij één wens doen. Daar moet je goed over nadenken. Kijk om je heen, één en al woestijn,’ antwoordt het mannetje.
‘Ja, dat zie ik ook wel, waar zijn de andere gebleven. Waar zijn de dieren en Sneeuwwitje,’ vraag ze.
‘Sneeuwwitje had zo’n honger, dat ze besloot om maar in haar glazenkistje te blijven liggen. De ouders van Kleinduimpje hadden zo’n honger dat ze niet eens de kracht meer hadden om de kinderen naar het bos te brengen. Hans en Grietje hadden zo’n honger dat ze het hele huisje van de heks hebben opgegeten. De heks heeft ze daarom allebei in het hok opgesloten. Zo zie je maar, alleen jij kan die vloek opheffen. Als jij wenst dat alles weer bij het oude wordt dan wordt alles weer zoals het was, maar besluit je om weer terug te gaan naar je papa en mama dan…..’’
Noortje is in de war. Wat moet ze nou. Zorgen dat alle sprookjesfiguren en de natuur zich weer herstelt of kiest ze ervoor om terug te gaan naar papa en mama. Kinderen hebben sprookjes nodig om groot te worden. Nee, dat kan hij toch niet van haar verlangen. Papa en mama opgeven, dat kan toch niet. ‘Mag ik hier even over nadenken,’ vraagt ze.
Het mannetje zet zijn hoed af en maakt een diepe buiging. ‘Natuurlijk, als het maar niet te lang gaat duren,’ antwoordt hij. Het mannetje verdwijnt achter een flinke grote tak.
‘Nou ja zeg, nu laat hij me mooi alleen.’
Ze begrijpt er niets van. Is dit weer één van mijn dromen? Net als bij de kraai. Ze kijkt in het rond en ziet nog steeds die grote zandvlakte. Hoe anders was dit de vorige keer niet geweest. Als ze haar ogen dicht doet ziet ze weer die enorme mooie bloemenzee. En al die sprookjesfiguren, de beesten die vrolijk in het rond danste. Ik kan ze toch niet in de steek laten? Vraagt ze zich af.
Boven haar hoofd verschijnen grote zwarte wolken en plotseling begint het heftig te regenen. Lichtflitsen doen haar opschikken en het gedonder schut haar kleine lichaampje door elkaar.
‘Noortje, wakker worden!’
Noortje opent haar ogen en ziet mama staan.
‘Lieve schat, waar heb je al die tijd gezeten. We hebben je overal gezocht.’
Noortje wrijft haar ogen uit en ziet dat ze tussen de poten van Droef ligt.
‘Ik was…,’ maar zwijgt verder. Ze weet toch wel dat mama haar niet zou geloven.
‘Kom laten we snel naar binnen gaan. Zo dadelijk breekt het onweer in alle hevigheid los,’ zegt papa. Hij neemt haar in zijn armen en brengt haar snel naar de huiskamer. Droef huppelt vrolijk met ze mee. Hij is niet van plan om alleen buiten te blijven in dit nootweer.
Noortje gaat in haar slaapkamer voor het raam zitten en kijkt naar de boom. Heeft ze die nu wel of niet beklommen. Nu kan ze wel het topje van de boom zien, maar verder ziet ze niets. Het onweer barst in alle hevigheid los en als ze naar de tuin kijkt ziet ze naast de boom het mannetje met zijn vreemde stok naar haar zwaaien. Ze roept haar moeder en die vraagt. ‘Wat is er schat?’
‘Daar, zie je dat mannetje. Die heb ik vanmiddag gezien. Hij wilde dat ik een wens deed om alle sprookjes weer terug te laten keren,’ vertelt ze en ze wijst naar het mannetje.
De regen klettert tegen het raam en het mannetje is niet meer te ontdekken. ‘Het is goed met je Noor. Hou op met die fantasieverhalen. Blijf in het vervolg in de tuin, anders moet ik je net als Droef aan de lijn leggen,’ antwoordt mama. Ze geeft Noortje een aai over haar bol en verlaat de slaapkamer.

Einde