15. Noortje kijkt sip

Buiten woedt er een flinke regenbui. Zo nu en dan is er een bliksemschicht te zien, bijna direct gevolgd door een enorme donderklap. De wind laat enkele bomen overhellen en zo nu en dan lijkt het erop dat de boom het gaat begeven. Vanuit haar raam overziet Noortje het natuurgeweld. Ze is moe van alle gebeurtenissen die haar de afgelopen tijd is overkomen.
Moeder komt naast haar in het brede raamkozijn zitten en aait liefdevol over haar bol.
‘Wat een onweer, vind je ook niet,’ vraagt moeder.
‘Ja mam,’ en ze kijkt haar moeder vluchtig aan.
‘Gaat het wel lieve schat. Je kijkt zo sip. Ik begrijp het wel. Dat hoofdje van jou zit natuurlijk vol vragen,’ ze neemt Noortje op haar schoot en geeft haar een dikke knuffel.
Noortje nestelt zich eens lekker tegen haar moeder aan en samen turen ze weer naar buiten. Ieder verzonken in hun eigen gedachten en raadsels.
‘Mam,’ vraagt Noortje zacht. ‘Weet je. Al die dromen en nachtmerries, daar word ik best wel een beetje bang van,’ en ze kijkt haar moeder vragend aan.
‘Dat begrijp ik kindje. Het is ook moeilijk uit te leggen aan zo’n klein meisje als jij. Maar weet je, eigenlijk ben jij een heel bijzonder kind.’
Moeder neemt haar beide handjes in de haren en gaat verder. ‘Ik zou willen dat ik je kon helpen, maar ik moet hulpeloos toe zien.’
Noortje kijkt haar moeder aan en ziet dat er een traan over haar wang loopt. ‘Niet huilen mam. Ik wil je niet verdrietig maken,’ en met haar handje wrijft ze de traan uit het gezicht van haar mama.
‘Sorry, ik wil ook helemaal niet huilen. Ik moet sterk zijn, maar…, maar…., het is al goed. Kijk ik zie de zon weer doorbreken, misschien moet je even lekker naar buiten gaan. Even spelen.’
Moeder drukt nog een kus op Noortjes wang en loopt naar de keuken.
Noortje kijkt intussen bedroeft door het raam en ziet de zwanen met hun kleintjes aan de rand van de vijver zitten. Om de warmte vast te houden zitten ze dicht tegen elkaar aan. Ze wil wel, maar ook weer niet naar buiten. Noortje is een beetje verdrietig nu ze haar mama heeft zien huilen. Ik wou dat papa thuis was, denkt ze. Hij zou hier vast wel raad op weten. Moeder roept vanuit de keuken dat er een lekker kopje thee klaar staat en ze wandelt naar de keuken.
Op de keukentafel staat een kop thee en mama geeft haar wat heerlijke kaakjes. Daar is ze gek op. Ze legt het kaakje op een kopje en laat er met het lepeltje telkens een druppel op vallen. Het kaakje absorbeert het vocht en al snel lijkt het erop alsof het een hoedje is. Trots laat ze het mama zien. ‘Kijk mam, een hoedje. Het lijkt veel op het hoedje van….., hoe noemen de zwanen hem ook alweer.’ Noortje denkt goed na en dan weet ze het weer.
‘Oh ja, ze noemen hem het takkenmannentje. Sorry, dat mag ik niet zeggen, maar mama kijkt haar glimlachend aan.
‘Kom eens hier. We moeten even praten. Ik ga je iets vertellen, waar je misschien van gaat schrikken,’ zegt mama.
‘Oh, dat hoeft niet hoor mam. Ik weet al dat jij een Fee bent geweest. Ik heb jullie horen praten in de tuin,’ antwoordt Noortje.
Mama staat op en Noortje denkt dat ze een standje krijgt omdat ze best weet dat ze niet mag afluisteren, maar mama neemt haar in haar armen en knuffelt haar.
‘Lieverd, je mag niet afluisteren dat weet je best, maar ik ben blij dat je het nu weet. Kom laten we gezellig een ijsje kopen en dan praten we onderweg.’
Noortje snapt er niets van, maar een ijsje slaat ze niet af. Bij de ijscoman kopen ze een ijsje en samen lopen ze naar het park. Noortje geniet van haar ijsje en haar mama piekert over hetgeen ze Noortje moet vertellen. Ze vindt haar eigenlijk nog veel te klein om deze last te moeten dragen, maar aan de andere kant ziet ze ook wel dat ze zich in een snel tempo ontwikkelt.
‘Mam je moet je ijsje wel opeten hoor, anders smelt hij of lust je hem niet meer?’
‘Ja, hoor schat,’ en ze kijkt haar dochtertje lachend aan.
Als Noortje haar ijsje op heeft zet ze haar bekertje in het gras en kruipt bij mama op schot.
‘Zeg mam, vertel eens hoe het is om een Fee te zijn. Kan ik er ook een worden of probeert de heks dan ook mijn schoonheid af te nemen?’
Verbaast kijkt mama haar aan en vraagt wat zij allemaal weet.
Noortje vertelt haar over het enge mannetje met zijn rare hoed en dat hij haar heeft geholpen. ‘De zwanen noemen hem het takkenmannetje, waar ik je al over vertelde.’
Even is het stil en mama staakt een diepe zucht en zegt. ‘Ja schat, je kan niemand vertrouwen. De heks kan zich in elke gedaante veranderen, behalve die van een Fee.’

Noortje staart voor zich uit en kijkt haar mama aan. In gedachten draait haar vinger krulletjes in haar haar en ze vraagt. ‘Dus als de heks jouw schoonheid krijgt, is ze ook een Fee?
‘Dat klopt, maar het ergste is dat ze ook een heks blijft.’
‘Maar mam, je zegt zelf dat ze zich in elke gedaante kan veranderen. Dus kan ze zich toch ook in een schoonheid veranderen. Hoe kan dat?’
‘Ja dat kan, maar als Fee heb je bijzondere gaven en dat is iets wat zij niet krijgt, ook al verandert ze zich in een schoonheid. Omdat ze een heks is zal die schoonheid weer snel verdwijnen, daarom mag ze nooit mijn schoonheid krijgen, want dan bezit ze ook mijn gave. Ik kan je alleen maar zeggen. Vertrouw niemand.’
‘Maar mam, en de zwanen dan. Of de kraai, ook die niet en Mellie mijn beste vriendin?’
‘Kindje, de dieren waarmee jij kunt praten zijn ook betoverd. Mellie is volgens mij gewoon een mens, maar wees heel voorzichtig. Blijf altijd op je hoede.’
Noortje vindt het maar verwarrend en wil weer terug naar huis. Daar gaat ze op de bank liggen en denkt na. Toch is ze blij dat ze nu wat meer weet en dat mama haar in vertrouwen heeft genomen, ook al weet ze dat er nog veel meer moet zijn dan hetgeen mama haar heeft verteld.

Buiten betrekt de lucht zich en opnieuw begint het te regenen en barst het onweer weer los. Opeens bedenkt Noortje dat ze een keer met papa op de zolder is geweest, maar mama heeft haar verboden om in haar eentje naar de zolder te gaan. Nieuwsgierig kijkt ze naar de trap en sluipt naar boven. Moeder is in de keuken druk in de weer met het avondeten, dus zal ze haar even niet missen. Voorzichtig duwt ze het luik open en kijkt de donkere ruimte in. Zo nu en dan wordt deze verlicht door de lichtfitsen die het onweer voortbrengt. Met trillende beentjes klimt ze de ruimte in en zachtjes sluit ze het luik. Op de tast pakt ze de zaklamp, waarvan ze weet waar papa deze de vorige keer heeft achtergelaten. Op haar tenen sluipt ze door de ruimte en blijft bij een enorme koffer staan. Ze opent hem en het ene na het andere kledingstuk haalt ze eruit. Ze heeft ze nog nooit gezien. Opnieuw pakt ze een kledingstuk uit de koffer, maar heeft geen idee wat het voor moet stellen. Dan verlicht een bliksemschicht de ruimte en ziet ze dat de stof onzichtbaar is. Toch voelt ze de stof en het lijkt wel alsof er geen einde aankomt. Met haar zaklantaren schijnt ze in de doos en dan ontdekt ze een prachtig versiert boek.
‘Als ik jou was zou ik het boek niet aanraken lieverd,’ hoort ze achter zich.
Ze kijkt om en ziet het enge mannetje met zijn rare hoed staan.
‘Als je het boek aanraakt, verbranden je handen, ha, ha, ha, ha.’
Verbijstert kijkt ze het mannetje aan en kijkt dan weer naar het boek.
‘Pak het maar, hij is voor jou,’ hoort ze een stem uit de koffer zeggen.
‘Niet doen Noortje,’ schreeuwt het mannetje.
Noortje kan het boek niet weerstaan en ze pakt hem uit de koffer.
Angstig wacht ze af wat er gaat gebeuren, maar er gebeurt niets.
‘Jij leugenaar,’ roept ze naar het mannetje, maar die is nergens meer te bekennen.

Einde.