1 De kraai

Noortje en de kraai

Nieuwsgierig en onderzoekend bekeek Noortje de nieuwe schommel die papa in de tuin had geplaatst. Mama hing het wasgoed aan de lijn en Droef de hond lag prinsheerlijk in de schaduw van zijn bot te kluiven. Het bot hield hij stevig tussen zijn voorpoten geklemd en zo af en toe keek hij naar Noortje. Hij begreep maar niet wat zij van plan was met dat vreemde geval wat zijn baas in de tuin had neergezet.
‘Mama, het schommelen wil niet lukken!’
‘Blijven proberen schat, straks gaat het je zeker lukken.’
Moeizaam klom Noortje weer op de schommel en klemde haar handjes aan beide kanten stevig aan het touw. Ze wiebelde heen en weer, maar bereikte niet wat ze wilde. Dapper bleef ze het proberen.
‘Harder trekken,’ riep een kraai vanaf een tak uit de boom. ‘Harder trekken en je lichaam meebewegen. Trek maar aan de touwen, je rug iets naar achteren en je beentjes naar voren,’ moedigde de kraai haar aan.
Noortje volgde zijn advies op en na een poosje bereikte ze haar doel. Eerst voorzichtig en langzaamaan steeds sneller.
‘Ik kan het mam, Ik kan het. Kijk mam, ik ga hoger en hoger,’ riep ze blij.
‘Voorzichtig schat. Val maar niet, anders doe je je misschien zeer. Hou je stevig vast,’ antwoordde mama, vertederd keek ze Noortje aan en wandelde met de lege wasmand naar binnen.
‘He Noortje, je doet het goed, maar ik kan je ook leren vliegen,’ riep de kraai.Noortje liet de schommel uit schommelen en tuurde naar de kraai, die fladderend opvloog en op de schommel landde.
‘Kan je me leren vliegen,’ stotterde Noortje.
‘Natuurlijk, kan ik dat. Ik heb je toch ook leren schommelen. Klim maar in die boom daar.’
‘Bedoel je deze,’ en Noortje wees naar de hoogste boom in de tuin.
‘Ja, die,’ antwoordde de Kraai. ‘Klim er maar in. Ik begeleid je wel. Goed zo.’
Noortje begon voorzichtig de boom in te klimmen en volgde behoedzaam de bevelen van de kraai op. ‘Ik vind het wel een beetje eng, maar ik wil ook best leren vliegen zoals de vogels,’ maar toen ze naar beneden keek werd ze toch een beetje draaierig in haar hoofd. ‘Ik durf niet meer verder, ik wil terug,’ smeekte ze de kraai.
‘Je kunt niet meer terug Noor. Je moet nu echt doorklimmen. Het is niet meer zover, nog een paar takken.’ Antwoordde de kraai.
Noortje wilde wel maar was zo bang om te vallen en angstig begon ze om haar moeder te roepen. Maar haar moeder hoorde haar niet meer, ze was al te hoog in de boom geklommen.
‘Ik wil niet meer, ik ben zo bang dat ik val,’ riep ze naar de kraai die telkens een tak hoger met haar mee klom.
‘Niet bang zijn Noor. Het is echt niet zo ver meer. Gewoon door klimmen, anders leer je nooit vliegen.’Noortje verzamelde al haar moed en op aanwijzingen van de kraai klom ze verder. ‘Mijn armen worden zo moe. Is het nog ver. Wanneer ben ik hoog genoeg om te kunnen leren vliegen?’
‘Nog een paar takken en dan ben je er. Wel opschieten, want ik krijg honger. Ik heb nog een lunchafspraak, dus schiet op anders sta je er alleen voor. Kom op, je kunt het,’ riep de kraai ongeduldig.
Noortje voelde de pijn in haar handjes, maar klom toch dapper verder. Opeens bedacht ze dat mensen niet kunnen vliegen. Papa had haar dat zelf uitgelegd, hoe kon ze zo dom zijn om dat te vergeten. ‘Maar lieve kraai, ik denk niet dat ik kan vliegen. Mensen kunnen dat niet leren, uitte ze haar bezorgdheid.
‘Ja wel hoor. Ik ga jou leren vliegen, echt waar,’ antwoordde de kraai.
‘Ik kan niet meer,’ riep ze. Haar handjes waren rood van het klimmen en ze deden verschrikkelijk pijn. De tranen sprongen in haar ogen ze huilde om haar mama.
‘Kom Noor, nog één tak. Je bent er bijna. Pak mijn vleugel, dan help ik je met de laatste tak.’
Ze probeerde zijn vleugel te pakken, maar dat lukte niet en dus moest ze de laatste hindernis zelf nemen. Ze trok zich op en verbaast keek ze om zich heen. Voor haar lag een enorme vlakte. Ze zag een bloemenzee met de mooiste kleuren die ze ooit had gezien. Angstig zette ze voorzichtig een stap op het enorme grastapijt. Even dacht ze dat ze er doorheen zou zakken, maar dat gebeurde niet. Ze tuurde naar beneden, maar daar bevonden zich grote witte wolken die langzaamaan haar voorbij gleden.
‘Ik kom straks terug om je te leren vliegen,’ riep de kraai. ‘Eerst moet ik naar mijn lunchafspraak,’ en hij verdween in de wolken.
Noortje snapte er niets van en keek verdwaast om haar heen. Even kneep ze in haar arm, ‘au,’ riep ze uit. ‘Kom je ook dansen?’ hoorde ze zacht achter zich. Geschrokken draaide ze zich om en daar zag ze een mannetje dat net zo groot was als zij. Op zijn hoofd droeg hij een blauwe muts en hij had een grote rode neus. Voor ze hem kon antwoorden nam hij haar hand en leidde haar naar een kring met, tja wat waren het? Ze herkende ze wel uit haar sprookjesboeken die mama haar voorlas voor ze slapen ging. Ze herkende Roodkapje, Sneeuwwitje en haar dwergen. Ook zag ze Doornroosje met haar spinnenwiel en de zeven geitjes met hun moeder. Plotseling voelde ze dat er een klein wezentje langs haar jurk omhoogklom. Dat was kleinduimpje. ‘Dat is te gek,’ riep ze blij. ‘Dit is nog leuker dan leren vliegen,’ en ze dansten de hele dag door met haar sprookjesvrienden.
Onverwacht werd het feest verstoord door een hoop lawaai. De grond trilde onder haar voetjes, het leek wel een aardbeving. Al haar nieuwe vrienden maakte dat ze weg kwamen en zochten een veilig onderkomen. Ook Noortje wilde zich verstoppen, maar had geen idee waar of ze zich kon verbergen. Plots zag ze net over de rand van de wolken het hoofd van een reus uitsteken. Hij tilde zijn armen omhoog om haar te kunnen pakken. Zijn hand omsingelde haar en greep haar vast.
‘Nou, nou. Dat is nog eens een onverwachte lekkere maaltijd die op mijn pad komt.’
Hij bekeek haar aandachtig en vroeg zich hardop af hoe of hij haar het beste kon bereiden. ‘Misschien moet ik je roosteren en met een sausje opeten,’ opperde hij.
Noortje keek hem verschikt aan. Ze had ook nooit naar de kraai moeten luisteren. Oh, wat ben ik dom geweest.
De reus speelde nog wat met haar. Hij had nog geen besluit kunnen nemen of hij haar zou roosteren of op een andere wijze zou bereiden. Hij raakte met zijn duim haar kin aan en sperde zijn mond wijd open. Noortje rook een geur die haar heel bekend voorkwam.
‘Schat, het ontbijt staat klaar. Wordt eens wakker,’ hoorde ze in de verte de stem van haar vader.
Ze opende haar ogen en zag haar vader die onder haar kin kietelde.
Noortje was zo blij haar papa te zien en ze sloeg haar armpjes om zijn nek. ‘Goedemorgen papa,’ riep ze vrolijk.
‘Goedemorgen lieverd. Heb je lekker geslapen?’
Noortje knikte. Oh wat was ze blij dat alles maar een droom bleek te zijn. Eén ding wist ze zeker. Ze zou nooit, maar dan ook nooit in een boom klimmen om te leren vliegen.

Einde