Moek de lelijke hond 2

Verschikt keek Lies hem aan en verstopte zich in het hoge helm. Daar zag ze dat een heel stel kinderen hun kant opkwamen. Ze kende ze maar al te goed. Altijd rotzooi trappen. Nee, ze zorgde wel dat ze uit hun buurt bleef. Waarom kwamen ze de boel nu weer verzieken. Ze hadden het net zo gezellig met zijn drieën. Met bonkend hart wachtte ze af wat er komen ging.
‘Ik heb die Lelijke hond hier voor het laatst gezien. Ik heb het de politie verteld en ook dat hij al een aantal van ons heeft gebeten. Denk erom dat jullie me niet in de steek laten!’
Verscholen achter het helm volgde ze zijn beweging en tot hun schrik zag ze hem plotseling met een mes rondzwaaien.
‘Als die hond tevoorschijn komt dan snij ik zijn strot eraf,’ schreeuwde hij.
Eén van de andere probeerde hem ervan te overtuigen dat hij het mes weer weg moest doen, maar dat had geen enkel nut.
Lies en Moek hadden zich zo geruisloos mogelijk achter het helm verscholen en al snel verdwenen ze achter een duinpan.
‘Weet je Moek. Ik denk dat het verstandig is dat je een poosje weggaat, totdat het weer rustiger is. Als het waar is wat die knul zei, dan is de politie naar je opzoek. Als ze je vinden dan zullen ze niet aarzelen om op je te schieten. Ze denken immers dat je gevaarlijk bent.’
Moek gromde en wilde die knul het liefst morris leren. Lies die ook boos was, wilde er niets van weten en zei. ‘Niet doen Moek. Dan hebben ze toch hun zin. Alsjeblieft, ga een poosje weg.’
Hij knikte en zei. ‘Je hebt gelijk. Het is misschien beter dat ik ga. Maar ik kom terug. Dat beloof ik. Kom zullen we nog één keer samen spelen voor ik ga.’
Lies omhelsde hem en ze renden achter elkaar aan.
Intussen was Kale de kinderen gevolgd. Voor hem was het niet moeilijk om zich zo onzichtbaar mogelijk te bewegen. Wanneer hij zich niet veilig voelde verschool hij zich in één van zijn holen.
‘Óei, dat ziet er niet goed uit,’ fluisterde hij. En in de verte zag hij een stel agenten en een koddebeier aankomen. ‘Ik moet Moek en Lies gaan waarschuwen.’ Hij keek om en zag dat ze bovenop een duinpan aan het ravotten waren. Het was al te laat, ook de anderen hadden ze ontdekt.
‘Daar is die gemene hond die me heeft gebeten,’ riep de knul die eerder met het mes in het rond had staan zwaaien.
Eén van de agenten hield de kinderen op een afstand en een ander richtte zijn geweer op Moek.
‘Opschieten,’ riep één van de agenten. ‘Straks heeft hij het meisje te pakken.’
Intussen was er een menigte ontstaan. Ook vanaf het strand was het te zien hoe een stel agenten de kinderen op een afstand hielden. Kale kon niets meer doen dan lijdzaam toezien wat er te gebeuren stond. De agent ontgrendelde zijn wapen en schoot.

Moek keek verbaast naar Lies die plots doodstil voor zijn poten lag. Haar witte jurkje veranderen in en steeds grotere rode vlek. Dit zag er niet goed uit. Wat moest hij doen? Om zich heen hoorde hij een fluitend geluid en begreep niet waar dat vandaan kwam. Plots ontdekte hij dat de menigte en de agenten dichterbij kwamen. Vertwijfeld keek hij naar Lies. Hij kon haar hier toch niet achterlaten, maar hij begreep dondersgoed dat hij niet anders kon. Haar zouden ze verzorgen maar voor hem zag het er niet goed uit. Hij draaide zich om en rende de duinpan af. Nog een paar maal hoorde hij het fluitende geluid vlak langs hem gaan. Eén van de kogels schampte zijn voorpoot. Hij verstopte zich in zijn hol en verslagen likte hij de wond schoon. Na een poosje hoorde hij zacht geritsel en stond Kale voor hem. Ze gingen dicht tegen elkaar aanliggen en tegen de avond vielen ze beiden in slaap. Het enige wat ze op dit moment konden doen was zo ver mogelijk bij de mensen uit de beurt blijven.

Dagen verstreken. Iedere dag nam Moek weer een andere weg naar de rand van de duinen. Daar bleef hij telkens trouw wachten totdat Lies naar hem toe zou komen. Pas wanneer de zon onderging ging hij weer verloren naar zijn schuilplaats terug. Hij begreep maar niet waarom Lies niet meer kwam. Ze moest toch weten dat hij op haar wachtte. Vaak liep hij diep in de nacht nog even naar haar huis en probeerde daar een glimp van haar op te vangen. Dan blafte hij eenmaal om haar aandacht te trekken en verschool zich dan snel in een portiek, maar altijd bleef het raam gesloten. Op één van die nachten kwam hij weer terug bij zijn hol en zag Kale liggen. Hij ging zoals gewoonlijk bij hem liggen en sloeg beschermend zijn poot om hem heen. De volgende ochtend stond hij op en rekte zich eens goed uit. Kale las nog steeds te slapen.
‘Zeg Kale, doe niet zo ongezellig. Blijf je slapen.’ Hij stootte Kale aan, maar die voelde koud en slap aan. Hij was rustig ingeslapen. Voorzichtig nam hij zijn beste vriendje in zijn bek en bracht hem naar de plek waar ze altijd samen aan het ravotten waren. Daar had hij een hol waar hij zich altijd in schuil hield wanneer ze verstoppertje speelde. Hij had altijd gedaan alsof hij hem dan niet kon vinden en Kale had dan de grootste lol gehad. Daar legde hij zijn vriend in en sloot de gang af met zand. Nog eenmaal keek hij om en met natte ogen verliet hij zijn beste vriend.

Maanden gingen voorbij. De winter verdween en de lente begon. Ook al was de lente begonnen het weer zat niet mee. Een pak sneeuw bedekte de duinen en de wind was koud en guur.
Moek lag beschut in zijn hol en dacht aan de beide vrienden die hij zo kort na elkaar verloren had. Hij was moe en eenzaam. Als pup had niemand, buiten het kleine meisje, hem willen hebben.
Moegestreden tuurde hij naar het strand en volgde de mensen die langs de vloedlijn wandelde. Intussen was de zon doorgebroken en begon de sneeuw langzaam te smelten. Langzaam sjokte hij terug naar zijn schuilplaats. Bovenop de duinpan zag hij dat er een stel kinderen voor zijn hol stonden. ‘Nee hé, laten ze me dan nooit met rust’.
Hij ging liggen en bekeek wat ze nu weer van plan waren en hoopte dat ze zijn schuilplaats niet zouden ontdekken. Waarom schreeuwde ze toch zo. Toen zag hij dat er een klein jongentje hartverscheurend zat te huilen. De andere om hem heen schopte en sloegen hem. Het jongentje schermde zijn gezicht met zijn handen af. Hij kon geen kant op, zat als een rat in de val.
Hij herkende de kinderen wel. Het waren dezelfde die Lies en hem hadden verraden. Langzaam en grommend ging hij op ze af en de groep pestende kinderen hadden hem niet in de gaten. Hij sprong tussen de groep en bleef bovenop één van de kinderen zitten. Voorzichtig zette hij zijn tanden in zijn arm. Net genoeg om hem in de greep te houden, maar niet stevig genoeg om een beet te veroorzaken. De anderen sloegen op de vlucht en het joch dat hij vast had deed het van angst in zijn broek. Met uitpuilende ogen keek hij de grote hond aan. Hij voelde een lichte druk in zijn arm en begreep dat wanneer hij zich zou verzetten hij een behoorlijke wond in zijn arm aan over zou houden. Moek liet zijn arm los en de jongen kroop snel bij hem vandaan.
De kleine jongen die met opgetrokken knietjes tegen het duin was gekropen keek hem verdrietig aan. Moek ging naar hem toe en gaf hem een lebber in zijn gezicht.
De jongen begreep dat hij hem had gered en dat hij niets van de hond te vrezen had.
‘Bedankt. Lies had al die tijd gelijk. Je bent niet gevaarlijk, eigenlijk ben je heel lief, maar niemand wilde haar geloven. Nu moet ik echt gaan hoor,’ hij aaide Moek en strompelend liep hij naar het pad.

Moek bleef vol twijfel achter. Ze zouden ongetwijfeld weer achter hem aangaan. Deze keer kon hij er maar beter voor zorgen dat hij op tijd weg was. Het laatste beetje voedsel dat hij nog had peuzelde hij op en ging opzoek naar een veiliger onderkomen.
Nog eenmaal besloot hij naar de plek te gaan waar hij altijd op Lies had staan wachten als ze uit school kwam. Het was er stil. Het enige geluid waar de wind meespeelde was het gepiep van de tram die rond de lus reed. Binnen de lus bevonden zich de schooltuinen. Oh, wat had Kale daar altijd heerlijke peentjes, boontjes of radijsjes vandaan gehaald. Samen hadden ze die dan verderop zitten oppeuzelen. Hij miste de Kale en Lies. Net toen hij zich wilde omdraaien, hoorde hij in de verte rumoer. Een groep kinderen duwde een soort stoel voort. ‘Nee hé, wat hebben ze nu weer verzonnen. Houdt het dan nooit op.’
‘Opschieten, straks is die weg,’ hoorde hij een bekende stem roepen. ‘Kom we hebben geen tijd te verliezen’
Daar bij de tramhalte kon Lies, de plek waar Moek altijd op haar lag te wachten overzien.
Voorzichtig probeerde ze uit de rolstoel te komen. Ze moest weten of hij er nog was. Heel even kon ze staan, maar toen verloor ze weer het gevoel in haar benen en moest ze weer in die ellendige stoel gaan zitten.
De kogel had haar rug geraakt en de doktoren hadden haar ouders verteld dat ze nooit meer zou kunnen lopen. Lies weigerde die hoop op te geven.
’Eens kan ik weer lopen,’ had ze steeds gezegd. ‘Ik zal jullie bewijzen dat Moek onschuldig is. Het zijn allemaal leugens wat dat rotjoch over hem verteld. Ik ga alles doen om weer te kunnen lopen, ik laat me niet kisten.’
Haar moeder had alleen maar geknikt. En haar vader…. Daar was ze heel boos op. Hij had Moek immers als pup in de duinen achtergelaten. En waarom? Alleen maar om dat hij hem niet mooi genoeg vond. Op een avond was hij bij haar aan de rand van het bed komen zitten en had het haar verteld. Hij was er niet trots op en het was niet fraai van hem geweest, had hij gezegd. Als blijkt dat Moek nog in leven is, zou hij hem met alle liefde opnemen.
‘Lieve meid van me, had hij gezegd. Ik weet niet hoe ik het weer goed moet maken, maar morgen gaan we samen opzoek naar Moek,’ had hij beloofd.
Ze had haar armen om hem heen geslagen en kon niet wachten tot morgen.

De volgende morgen hoorde ze herrie. Voorzichtig schoof ze het gordijn iets opzij en zag een jongen voor het hek staan.
‘Ik wil Lies spreken. Ik heb Moek gezien en ze heeft gelijk. Hij doet geen vlieg kwaad en is heel lief. Hij heeft mij gered van dat stel pestende rotzakken. Kijk maar,’ en hij liet moeder zijn blauwe plekken zien.
Haar moeder geloofde hem en zei dat hij maar snel binnen moest komen. Lies werd meteen in haar rolstoel gezet en samen met de jongen namen ze de weg richting de duinen. Onderweg riep de jongen tegen de andere kinderen. ‘Kom we gaan Moek redden.’
Lies liet zich weer voortduwen, maar toen ze bij hun vertrouwde plekje kwam, was Moek in geen velden of wegen te bekennen.

Ik kan hier blijven, dacht Moek, maar het wordt nooit meer zoals het was. Lies is er niet meer. Nu moet ik echt vertrekken. Hij keek nog eenmaal om en verdween tussen de hoge struiken.
Hij sjokte van de ene duinpan naar de anderen, maar wilde nog wel even langs Kale om voor altijd afscheidt van hem te nemen. Ook al was hij er niet meer. Zo af en toe ging hij even bij hem langs.
Plots spitste hij zijn oren. En weer die bekende stem. De stem van Lies, maar dat kan niet. Schuddend met zijn kop en wandelde weer verder.

‘Moek, waar ben je. Ik ben het Lies. Alsjeblieft, laat iets van je horen. Je mag mee naar mijn huis. Er wordt niet meer op je gejaagd,’ riep Lies met een brok in haar keel.

Ik word gek, ik moet hier echt weg. Er is te veel gebeurd hier. Mijn besluit staat vast, dacht Moek en sjokte op het grafje van Kale af.
‘Ik ga je verlaten Kale. Hier is het niet leuk meer. Ik zal altijd aan je blijven denken. Je was mijn beste vriend. Lies is er ook niet meer en dat is mijn schuld. Ik zie wel waar ik terecht kom. Het leven heeft voor mij eigenlijk geen zin meer, maar…, en stokte in zijn gedachten.
Nog eenmaal tuurde hij over het water en vertrok.

De kinderen duwde de rolstoel in de richting van het strand. Misschien was hij wel op de plek waar hij altijd samen met het konijn aan het ravotten was, riep ze naar de anderen.
Bij het hek liet ze zich uit de rolstoel vallen en tijgerde onder het hek door. De kinderen keken haar na, maar zeiden niets. Misschien uit schaamte door wat ze haar hebben aangedaan. De kracht en de moed die ze had, wilde ze niet verstoren.
Met moeite, maar met vooruitgang, tijgerde ze de duintop op. Vermoeid liet ze zich vallen en wist dat ze te laat was. Hier was niets te zien. Geen Moek en geen konijn.
‘Kom me maar halen,’ riep ze al snikkend naar de kinderen, maar die bleven zwijgend staan. Niemand deed een poging om haar kant op te komen.
‘Achter je,’ riep de jongen die door Moek gered was.
Toen ze omkeek, kreeg ze plots een lebber over haar gezicht. Daar stond Moek.

Lies knapte snel op en het duurde niet lang meer voordat haar benen weer de eerste stapjes konden zetten. Aan het eind van de zomer was ze zover dat ze weer samen met Moek door de voor hen bekende duinen kon struinen. Natuurlijk altijd voorzichtig genoeg om niet door de koddebeiers ontdekt te worden. Maar daarbuiten waren er genoeg velden waar ze samen konden rennen. Zelfs met de fiets hadden ze enorm veel plezier. Wanneer ze een dijk afreedt kon ze Moek maar met moeite bij houden.
Moek had eindelijk een thuis gekregen. Hij mocht gaan en staan waar en wanneer hij maar wilde. Het liefst was hij buiten in de duinen en bleef soms dagen weg. Alleen in de winter, als het erg koud was. Dan lag hij het liefst voor de snorrende kachel. En liet zich lekker verwennen door Lies.

Einde.