Moek de lelijke hond 1

Het was een mooie lente dag. De warme wind deed het helm zachtjes heen en weer golven en de zee spoelde met de regelmaat van de klok zijn golven op het strand. Moek de hond lag prinsheerlijk te genieten van het zonnetje. Met één oog gesloten en de anderhalf wakend geopend, keek hij vanaf zijn duintop over het strand naar de bruisende golven. Dit was zijn plekje en geen mens of wie dan ook moest het wagen om zijn territorium binnen te dringen. Lenig sprong hij op en met opgeheven kop en zijn neus in de wind snoof hij de lente geuren op.
Moek was zo goed als kaal. Alleen op zijn kop en staart bevonden zich een paar plukjes haar. Zo nu en dan blies de wind ze omhoog. Plots spitste hij zijn oren, hij was er zeker van dat iemand zijn richting opkwam. Vastbesloten ging hij eropaf. Spande zijn spieren en sprong bovenop zijn prooi.
‘Ho ho, ik ben het maar,’ hoorde hij angstig onder hem roepen. ‘Ga van me af, ik stik,’ jammerde het konijn.
Moek lag met zijn gespreide poten en zijn tong uit zijn bek bovenop hem. Bevreesd keek hij naar het ineengedoken konijn. ‘Stel je niet zo aan kale,’ grijnsde hij. Ik ben het maar, Moek weet je wel.’
Het konijn haalde opgelucht zijn pootjes voor zijn ogen weg. ‘Kale…, nou dat moet jij nodig zeggen. Heb je weleens goed naar jezelf gekeken. Volgens mij ben je nog kaler dan ik. Wat voor een hond ben je eigenlijk. Ik heb van mijn leven nog nooit zo’n lelijke hond gezien.’
Moek keek eens goed naar zijn poten en staart. Hij moest toegeven dat hij nog minder haar had dan het konijn. Verdrietig draaide hij zich om en met gebogen kop wandelde hij terug naar zijn plekje en zocht de horizon af.
Zwijgzaam ging het konijn tussen de poten van Moek zitten en voelde plots iets nats bovenop zijn kopje uiteenspatten. Schuddend met zijn kopje zwiepte hij het vocht van zijn kale kopje. Toen hij omhoogkeek, gutste er opnieuw een traan, maar nu bovenop zijn neus.
‘Het spijt me Moek. Ik wilde je niet kwetsen. Kom, we zijn beiden nou eenmaal niet moeders mooiste. Wat kan ons dat nou schelen we hebben elkaar toch. Niet huilen Moek, daar kan ik helemaal niet tegen. Kijk eens hoe mooi de zon in het water schittert.’
‘Ach, dat is het niet kale. Ik voel me eenzaam. Niemand wil me hebben. Ik ben gewoon te lelijk voor ze. Misschien ben ik helemaal geen hond, maar één of andere kruising met weet ik veel wat.’
‘Nou mij maakt het niets uit. Je bent gewoon mijn vriend. Ik ben ook te lelijk voor de andere konijnen, maar wij zijn goede maatjes. Ja toch?’
Zwijgend keek hij Moek aan. Die boog diep voorover en gaf hem een lik over zijn koppetje.
‘Niet doen dat kriebelt. Pak me dan als je kan,’ en met een paar flinke sprongen rende hij over het duin. Moek speelde het spelletje mee en rende achter hem aan.

Vanaf het strand keek men toe hoe de hond achter het konijn aanrende. Ze dachten dat hij het konijn als een prooi zag. Kinderen renden in de richting van het prikkeldraad en schreeuwend probeerde zij de hond af te schikken, zodat hij het konijn zou laten gaan.
Moek en zijn vriend hadden helemaal niet in de gaten dat ze zoveel bekijks hadden. Ze renden achter elkaar aan, maar plotseling voelde Moek een harde klap tegen zijn kop. Wazig zag hij een stel kinderen dreigend met stokken naar hem zwaaien. Moeizaam stond hij op en de stokken vlogen links en rechts om zijn oren. Moek rechte zijn rug waardoor zijn enorme omvang zichtbaar werd. Grommend liet hij zijn tanden zien, waarop de kinderen verschikt een stap achteruit deden en zo snel mogelijk maakte dat ze wegkwamen.
Moek begreep er niets van. Waar was zijn vriend gebleven. Hij ontdekte hem in één van de vele lege holen die de duintop bezat.
‘Zo zit je hier,’ en de kop van Moek sloot bijna het hele hol af.
‘Foutje kale, je zult snel moet graven om mij te kunnen pakken,’ hoonde het konijn.
‘Oké, deze keer heb jij gewonnen. Lachte Moek.
‘Zullen we naar het dal gaan, maar dan moet jij me wel dragen. Neem me maar in je bek, maar wel voorzichtig hóór.’
‘Oké, laten we dat maar doen. Daar is het in ieder geval rustiger dan hier,’ antwoordde Moek.
Hij pakte het konijn in zijn bek en liep richting het dal.
Vanaf een afstand hadden de kinderen toegekeken hoe Moek het konijn in zijn bek nam. Ze waren in de veronderstelling dat het hem uiteindelijk toch was gelukt om het konijn te pakken te krijgen.

Dagen verstreken zonder dat er maar iets noemenswaardig gebeurde. Moek wandelde door het helm opzoek naar zijn vriend, het kale konijn. Het was vreemd. Hij had hem al een tijdje niet gezien. Uiteindelijk besloot hij een kijkje te gaan nemen bij zijn lievelingshol. Het voelde niet goed. Dit was niets voor zijn vriendje om dagen niets van zich te laten horen. Bij het hol aangekomen kreeg hij de schrik van zijn leven. Zijn vriend lag doodstil voor zijn hol.
‘Oh nee hè, dat is niet goed. ‘Hé kale, wordt eens wakker,’ voorzichtig schudde hij met zijn snuit tegen het kopje, maar het konijn bleef bewegingloos liggen.
Ineens zag hij wat er aan de hand was. Rondom het nekje van zijn vriend zag hij een draad lopen. Moek begreep dat zijn vriend in één van die gemene strikken was gelopen. ‘Rustig maar Kale, ik zal je bevrijden van dat gemene draad.’
‘Ik stik, ik stik Moek,’ riep het konijn en probeerde los te komen.
‘Niet doen Kale, rustig blijven liggen. Zo trek je het draad nog verder aan. Ik zal je helpen,’ maar wat Moek ook probeerde, het zag er slecht uit.
‘Laat me maar. Ik heb het zo benauwd,’ en vragend keek hij Moek aan.
Moek begon een beetje moedeloos te worden. Wat hij ook ondernam, het maakte niets uit en keek zoekend om zich heen. Plotseling kreeg hij een ingeving. De stok waar het draad aan vastzat trok hij uit de grond en rende met het konijn in zijn bek het duin over.
Op een duinpan tuurde hij in het rond. Daar zag hij waar hij op gehoopt had. Verderop speelde een stel kinderen en om ze geen angst aan te jagen wandelde hij voorzichtig met het konijn in zijn bek hun richting op. Niemand had hem in de gaten, totdat er plotseling één van de kinderen begon te schreeuwen. ‘Kijk uit, die lelijke hond komt eraan!’
Met zijn allen rende ze weg en Moek zag zijn laatste kans op de redding van zijn vriend in rook opgaan. Plotseling bleef er een meisje staan en keek achterom. Voorzichtig wandelde ze terug en liep op Moek af. Moek wandelde haar tegemoet en zag de ernst in het meisjesgezicht.
Hij voelde zijn buik warm worden en zijn hart ging sneller kloppen. In zijn hoofd begon een stemmetje hem vragen te stellen. Hij begreep niets van deze gevoelens, maar op dit moment was de redding van zijn vriend belangrijker. Over die gevoelens moest hij later maar het antwoord op weten te vinden.
‘Hallo, je gaat me niet bijten hè? Je mag ook dat konijn geen kwaad doen hoor,’ fluisterde ze.
Voorzichtig legde Moek het konijn voor haar voeten en likte zacht het koppetje van zijn vriend.
Het meisje legde het konijn op haar schoot en toen ze zijn koppetje wilde aaien voelde ze het draad om zijn nekje zitten. Kale tilde zijn kopje op en keek haar met tranen in zijn ogen aan. Vertwijfeld staarde het meisje naar het draad en weer naar de hond. Ze schrok van zijn grote en had geen idee hoe ze veilig uit zijn poten kon blijven. Hij bukte zich en drukte zijn natte neus tegen haar kleine neusje.
‘Mag ik het draad van zijn nek halen,’ fluisterde ze.
Moek begreep haar, ging braaf op zijn kont zitten en knikte met zijn kop.
Terwijl ze het draad probeerde los te maken, begon ze te vertellen.
‘Ik heet Lies. Heb jij ook een naam? Vast niet. Weet je wat. Ik noem je Moek. Dat is een mooie naam. Je zult je wel afvragen waarom Moek. Nou dat is mijn geheim. Nee hóór, jij mag het best weten. Ooit had ik zelf een hond die Moekie heten. Hij was nog heel klein en toen ik op een morgen wakker werd was hij plots verdwenen. Ik heb hem nooit meer teruggevonden.’
Moek keek haar nadenken aan. Hij vond haar wel aardig. Wel oké, voor een mens dan.
Zorgvuldig maakte Lies het draad dos. ‘Zo, kijk eens hij is los. Kom maar, sta maar op,’ maar het konijn lag doodstil voor haar. Ze schudden nog een paar keer, maar er zat geen leven meer in. Ze keek Moek aan en zei. ‘Volgens mij is hij dood,’ en wachtte gespannen zijn reactie af. Ze wist ten slotte ook niet wat hij nu met haar zou kunnen doen. Ze realiseerde zich dat ze zich behoorlijk in de nesten had gewerkt. Waarom was ze ook teruggegaan.
Moek keek haar vragend aan en ze zag zijn oren heen en weer zwaaien. Als hij niet zo’n groot beest was geweest had ze hem liefdevol om zijn hals geslagen om hem te troosten, hij zag er zo hulpeloos uit.
Plots zag ze het kopje van het konijn heel even bewegen. Ze pakte hem op en legde hem in haar schoot. Zachtjes begon ze zijn lichaampje te masseren en tranen van vreugde rolde over haar wangen toen het hij pardoes van haar schoot sprong en voor haar ging zitten.
‘Nou zeg, dat was fijn, zoals jij mij aaide. Zullen we vriendjes worden?’
Lies begreep er niets van. Dat kon toch niet. Dit is vast weer één van die vreemde dromen van mijn. Gewillig liet het konijn zich door haar oppakken en ze aaide hem liefdevol over zijn bolletje. Lies keek in het rond en merkte dat alle andere kinderen waren vertrokken.
‘Ze zijn zeker bang voor je Moek.’
Moek spitste zijn oren. Hij was zenuwachtig en bleef alert. Hij vertrouwde de andere kinderen voor geen cent. Het liefst had hij ze in hun billen gebeten, maar zo was hij niet. Hij wilde met iedereen vriendjes zijn, maar hij begreep niet waarom ze hem altijd zo pestte. Daarom bleef hij maar het liefst zover mogelijk bij ze uit de buurt. Hij deed een stap naar voren en zag dat Lies hem van top tot teen, of in zijn geval poot in zich opnam. Hij wiebelde wat heen en weer en twijfelde over wat hij haar zou zeggen.
‘Je zult ons wel lelijk vinden. Dat vindt toch iedereen van ons. Ik ben Moek, de pup die in de duinen werd achtergelaten. Daarom komt jouw geur mij zo bekend voor. Ik zou die nooit meer vergeten. Jij aaide en vertroetelde mij altijd en je gaf er niets om dat ik zo lelijk was.’
Lies sloeg haar armen rond zijn dikke nek en knuffelde hem. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent Moekie. Ja, je was niet moeders mooiste, maar je was zo lief. Het kon mij niets schelen.’
‘Ha ha ha, hij is allang geen Moekie meer hoor,’ gniffelde het konijn.
Verschikt keek Lies op. Ze realiseert zich dat de tijd voorbij was gevlogen en ze had allang thuis moeten zijn. ‘Ik moet nu echt naar huis. Morgen kom ik jullie weer opzoeken, maar wel pas na schooltijd hoor.’
‘Klim maar op mijn rug dan breng ik je tot aan de rand van de duinen,’ zei Moek en hij ging languit in het zand liggen zodat ze gemakkelijk op zijn rug kon klimmen. ‘Houd me maar goed vast aan de weinig plukken die ik nog heb.’
‘Ben je gek, ik hou me wel aan je hals vast. Die paar haren die je nog hebt daar zijn we zuinig op.’
‘Oké, daar gaan we hoor.’ Moek stond op en wandelde met Lies bovenop zijn rug naar de rand van de duinen.
‘Als de kinderen dit zien, dan dan…’ maar ze was direct stil en vroeg Moek om te stoppen.
Ze liet zich van zijn rug glijden en ging voor hem staan.
‘Wat is er Lies, vroeg het konijn. ‘We zijn nog niet aan de rand van de duinen.’
‘Dat weet ik, maar ik ga vanaf hier liever alleen verder. Als iemand ons ziet, dan krijgen we gedonder. Ik zie jullie morgen wel weer, oké?’
Moek was het volledig met haar eens, maar het konijn begreep er geen sikkepit van. Lies vervolgde haar weg, terwijl Moek en het konijn haar van uit de bosjes nakeken. Toen ze er zeker van waren dat ze veilig het dorp had bereikt, namen ze de weg terug naar hun eigen stekkie. Deze lag goed verborgen. Ze hadden er samen hard aangewerkt. Kale had van binnenuit het hol uitgehold en Moek had het zand naar buiten geschoven. Door het overhangende helm lag het hol goed verscholen. Menig regenachtige dag hadden ze samen behaaglijk tegen elkaar aangelegen. Opnieuw nam het konijn plaats tussen de poten van Moek en samenvielen ze vermoeit in slaap.

Diep in de nacht werd Moek wakker en rekte zich eens lekker uit. Ook Kale was inmiddels waker geworden. Er werd geen woord gesproken. Ze waren goed op elkaar ingespeeld. Het spel kon beginnen en ze liepen richting het dorp. Inmiddels hadden ze geleerd waar ze het meeste succes zouden hebben om iets te eten te vinden. Zelfs in welke poort ze wel en in welke ze niet moesten zijn. In de zomer was het voor de Kale niet zo moeilijk om iets lekkers te vinden. Dan stond er genoeg lekkers in de tuintjes die de kinderen bewerkte. Je moest wel opletten voor dat ijzeren gevaarte wat telkens langskwam. Voor Moek nam hij dan altijd wat boontjes mee, daar was hij gek op. Moek wandelde langs de vuilnisbakken opzoek naar eten.
‘Hier zit iets lekkers in, fluisterde hij. Daar gaan we kale.’
Het konijn verstopte zich achter de vuilnisbak en Moek rende naar de andere bakken een eindje verderop. Hij duwde tegen de vuilnisbak die met een klap omviel. Gewekt door het lawaai werden hier en daar de gordijnen opzijgeschoven of een raam geopend om te kijken wie dat lawaai veroorzaakte. Er werd zelfs een slof naar buiten gegooid die Kale nog net kon ontwijken. Eén van de bewoners deed de deur open om te kijken wat er aan de hand was. In het schijnsel van het licht zag hij het konijn staan en riep: Vort, wegwezen rotbeesten,’ en keek verbaast naar de omgevallen vuilnisbak. Hij kon niet geloven dat dit het werk van een konijn kon zijn.
‘Is die al weg Jaap? De gemeente moet er toch maar eens wat aan doen. Je kunt niet eens meer rustig slapen.’
‘Ja, ja. Ga maar weer slapen. Wat het ook is geweest, het is alweer weg,’ en hoofdschuddend sloot hij weer de deur.
‘Ik geloof er geen barst van,’ zei de vrouw. ‘Laat mij eens kijken.’ Ze opende de deur en bleef stijf van de schrik in de deuropening staan.
Ze keek in een paar ogen waar ze bang van werd en Moek zag de angst in haar ogen schitteren. ‘Woef!’
Snel sloot ze de deur en gilde naar haar man. ‘Het was, het was die grote hond. Die hond die in de duinen rondstruint.’
‘Mens doe niet zo gek. Je bent moe. Ga nou maar slapen. Die hond is banger voor jou, dan jij voor hem.’
Moek en de Kale hadden intussen het lekkers te pakken. Moek een lekker stuk bot en Kale had wat peen weten te bemachtigen.
Kale spong weer op de rug van Moek en samen wandelde ze weer in de richting van de duinen. Plots stond Moek stil.
‘Wat ga je doen,’ vroeg het konijn.
‘Hier woont Lies.’
‘Hoe weet jij dat nou.’
‘Omdat ik als pup hier ook woonde. Ze zal wel lekker liggen te slapen.’
Hij blafte één keer en wachtte rustig af. Misschien herkent ze mijn blaf, maar het bleef stil achter de gordijnen. Net toen hij weg wilde lopen, werd er een raam geopend en zag hij Lies.
‘Wegwezen Moek. Als ze je zien, pakken ze je op. Morgen kom ik zo gauw als ik kan, naar je toe.’
Moek pakte zijn bot en zei dat het konijn zijn wortel zelf maar moest dragen.
‘Nee, dank je wel. Ik houd het bij rauwkost. Die peen is oud en zacht en ik eet niets dat zacht is. Het moet knapperig zijn dat weet je toch.’
Samen wandelde ze het pad op naar hun vertrouwde plekje.

Lies dolde wat met de hond en het konijn. Plotseling spitste Moek zijn oren. In de verte meende hij het geluid van een stel kinderen te horen.
‘Snel Lies, verstop je.’

Einde deel 1