Kerstavond

De mist valt als een grijze deken over het dorp en een bijtende oostenwind laat de temperatuur snel dalen.
Een ambulance komt de straat ingereden en stopt voor het huis van Janneke. Zij wordt de ambulance uitgetild. Voor dat ze naar binnen wordt gedragen, stoppen de broeder haar nog even extra goed in. Even tikt de brancard tegen de deurpost en Janneke laat pijnlijke kreet horen. De broeder excuseert zich.
In de woonkamer staat moeder haar dochter op te wachten en loopt naar het bed dat zij voor het raam hebben geplaatst.
‘Schat, nu kun je naar buiten kijken en zo kunnen je vriendinnen naar je zwaaien als ze uit school komen,’ zegt moeder.
‘Fijn mam. Zo heb ik ook wat afleiding totdat ik beter ben.’
‘Wordt maar snel beter,’ zegt moeder. Pakt de handjes van haar dochter vast en kust ze voorzichtig. In haar hart voelt ze de twijfel en moet telkens aan de woorden van de arts denken. ‘Het is in Gods handen,’ had hij haar gezegd. Wat heeft ze nou aan zo’n antwoord, alsof God niets anders te doen had. De arts kon natuurlijk ook niet weten dat zij totaal niet gelovig was.

De klas.

Het is de laatste week voor de kerstvakantie en de klas is rumoerig. Job is in zichzelf gekeerd en hoort maar half wat ze hem toeschreeuwen. Hij luistert met een half oor naar wat ze zeggen en vaak lukt het hem om zijn zelfbeheersing te bewaren, maar soms ook weer niet, dan is hij moe en bijt hij van zich af. Ze blijven doorgaan en dan staat hij op en geeft Truus een schop. Zij pakt hem bij zijn haren en trekt hem onder de tafel. Nu begint de hele klas Truus aan te moedigen en lachen hem uit. Hij geeft haar een duw en dan laat ze hem los. In haar handen heeft ze een bos haar die ze uit zijn hoofd heeft getrokken.
De Juf komt de klas in en vraagt wat er aan de hand is.
Truus staat nog steeds met de haarplukken in haar hand. Job gaat voor de juffrouw staan, plukt de haren uit haar hand en zegt: ‘Kijk eens juf, deze lag onder het tafeltje van Truus. Ja toch Truus?’
Ze kijkt hem aan en knikt. Eén van de andere meisjes geeft haar een schop tegen haar enkels. Zij vindt dat ze de juffrouw moet vertellen dat Job is begonnen met pesten, maar Truus is dat niet van plan.
‘Ja, ja,’ zegt de juffrouw. ‘Ik kom hier nog op terug. Nu allemaal weer terug naar jullie eigen tafeltje, ik moet jullie helaas iets vervelends melden. Jullie weten allemaal dat Janneke ziek is,’ begint ze.
Job schuift wat heen en weer op zijn stoel en steekt zijn vinger op.
‘Wat is er Job?’
‘Juffrouw, u gaat ons toch niet vertellen dat ze na de feestdagen niet meer terugkomt op onze school?’
De juffrouw buigt haar hooft. Ze had niet op deze directe vraag gerekend en al helemaal niet van Job. Nu wordt het wat lawaaierig in de klas en de kinderen praten door elkaar heen. Ze maant ze stil te zijn.
‘Voorlopig komt Janneke niet op school. We moeten afwachten, dat is het enige wat ik jullie kan vertellen.’
‘Juffrouw, wat heeft ze dan,’ vraagt één van de meisjes.
De juffrouw kijkt de klas rond en vraagt zichzelf af of ze het moet vertellen, zeker zo vlak voor de kerst. Aan de andere kant is het ook heel goed mogelijk dat ze het te horen krijgen van vreemden. Nu zou ze er nog op in kunnen springen, maar in de kerstvakantie zou ze de kinderen niet kunnen begeleiden in deze tragedie.
‘Ik weet niet precies wat er aan de hand is. Ze heeft een gezwel in haar hoofd waar zij waarschijnlijk aan geopereerd gaat worden. Ze weten niet hoe lang het gaat duren voordat zij weer beter is en of zij nog beter wordt.’
Job buigt zijn hoofd. Hij is duidelijk van slag en eigenlijk voelt hij zich schuldig. Misschien is het wel zijn schuld, denkt hij. Hij had haar immers een keer gepest en haar een duw gegeven. Ze was toen met haar hoofd tegen de muur gevallen. Misschien was dat wel de oorzaak, piekert hij.
De juffrouw hoort hij niet meer. Staat op en loopt de klas uit. Buiten is het geur en hij duikt diep zijn jas in. Hij slaat het pad in wat hem naar het strand leidt. De wolken stappelen zich op en de lucht is zwart. Plotseling begint het te hagelen. De hagelstenen zijn zo groot als knikkers en slaan tegen zijn gezicht. Hij duikt nog dieper zijn jas in en neemt de volgende afslag. Via een duinpan kijkt hij over de zee en schreeuwt: ‘Het is mijn schuld dat ze doodgaat. Het is mijn schuld,’ herhaalt hij telkens.
‘Zeg Job,’ hoort hij een meisjesstem roepen. ‘Loop nou niet iedere keer weg als ik je roep. Blijf nou eens staan.’
Job draait zich om en kijkt in het gezicht van Truus. ‘Kom jij mij vertellen dat het mijn schuld is dat Janneke doodgaat,’ reageert hij boos.
Truusje pakt een zakdoek uit haar zak en dept zijn gezicht af. ‘Je oog zit vol bloed. Wat heb je toch gedaan.’
‘Niets, er kwam een hagelsteen tegen mijn oog. Wat maakt het uit. Laat me met rust.’
‘Doe niet zo lijp. Het is toch niet jouw schuld en het heeft al helemaal niets met die klap op haar hoofd te maken. Kom we gaan weer naar school.’
Samen wandelen ze terug naar het schoolplein en even draait Truus zich naar hem toe.
‘Weet je Job, je doet nu wel altijd zo stoer, maar ik denk dat ik de enige ben die je begrijpt. Ik weet dat jij het, net als ik niet makkelijk hebt thuis. Ze lachen ons achter onze rug uit, maar laat ze toch schelden. Schelden doet geen zeer, toch?’
Job kijkt haar aan en zegt: ‘Het doet mij pijn. Waaraan verdienen wij dit. We doen toch niemand kwaad. Trouwens volgens mij ben jij jaloers dat Janneke en ik elkaar graag mogen. Ik wil haar een mooie kerstavond geven. Misschien is het wel haar laatste kerst.’
Truus staat er beteuterd bij en antwoordt; ‘Jaloers of niet, maar jij denkt toch zeker niet dat jij haar een betere kerstavond kan geven. Laat je toch niet zo in de maling nemen. Ze lacht je gewoon uit. Het is een prinses op de erwt. Het enige wat zij wil is altijd en overal haar zin in krijgen. Net als die keer dat ze zogenaamd tegen die muur viel,’ roept Truus en van schrik slaat ze haar handen voor haar mond. Dit was immers een geheim tussen de meiden. Nee, dat had ze niet mogen zeggen. Als ze erachter zouden komen dan…
Job kijkt haar wantrouwend aan en voordat hij kan antwoorden rent Truus weg.
Wat zou ze bedoelen. Hij gelooft er niets van en roept haar na: ‘Pokken meid.’

Ze moeten nog een paar dagen naar school voordat de vakantie begint. De rust is weer teruggekeerd. Job loopt elke dag langs het huis van Janneke en zwaait naar haar. Plotseling wenkt ze hem dat hij even langs moet komen, maar verder dan de voordeur komt hij niet.
‘Ik wil dat jij haar met rust laat. Je hebt hier niets te zoeken,’ is het antwoordt dat haar moeder hem geeft. Vrijwel direct wordt de deur voor zijn neus dicht gesmeten.
Aan de overkant van de straat ziet hij dat de gordijnen worden dicht geschoven, wat hem het zicht ontneemt. Janneke schuift voorzichtig een stukje van het gordijn op zij en drukt haar hand tegen het glas. Job drukt ook zijn hand tegen het glas en het lijkt net alsof hij de warmte van haar hand door zijn hand voelt stromen. Hij ziet een traan over haar wangen rollen. Ze brengt haar hand naar haar mond en geeft er een kus op. Dan blaast ze de kus zijn richting op en hij doet net alsof hij hem heeft gevangen. Wuift naar haar en gaat weer naar school. Heel even voelt hij een warm gelukkig gevoel in zijn buik opwellen. Nu weet hij zeker dat Truus heeft gelogen.

De laatste schooldag is aangebroken. Job had nog geprobeerd iets speciaals voor Janneke te organiseren, maar de juffrouw had haar schouders opgehaald. Niemand had het nog over Janneke. Ze vonden het wel een leuk idee en hadden zelfs een tijd afgesproken om erover te praten en ideeën uit te wisselen, maar niemand was op de afgesproken tijd op komen dagen. Verslagen was Job weer weggegaan. Ook Truus was niet komen opdagen en dat deed hem nog het meeste pijn. Waarom doet ze toch zo, vroeg hij zich af. Zijn gevoel ging met hem op de loop. Soms leek het erop dat hij gedwongen werd om te kiezen tussen Janneke en Truus.
Waarom begreep Truus toch niet dat hij Janneke alleen maar een mooie kerstavond wilde bezorgen. De kans dat ze dood zou gaan was erg groot en hij had zichzelf beloofd dat hij koste wat kost haar die kerstavond zou geven.
Hij weet ook wel dat hij altijd de klos is en dat hij regelmatig het slachtoffer is van hun pesterijen, maar dat geeft Truus nog niet het recht om hem ervan te weerhouden Janneke een mooie laatste kerstavond te bezorgen. Nee, hij zou er voorgaan. Als haar ouders zouden zien wat een mooie boom hij voor haar meebracht, dan gaan ze vast anders over hem denken.

De volgende morgen staat hij al vroeg op. De broodtrommel is leeg en dat betekend dat hij zonder ontbijt de straat op moet. Niet dat dat ongewoon was. De enige dag dat er altijd ontbijt op tafel is, was de zondag. Dan maakt hij samen met zijn zus het ontbijt klaar. Het lekkerste vindt hij altijd twee boterhammen met speculaas ertussen. Daar kan hij zo van genieten.
Het is koud en Job kleed zich snel aan en verlaat het huis. Het is nog donker en de hemel is helder. Hij ziet de vele sterren twinkelen, zelfs de grote beer is goed zichtbaar. Bewonderend kijkt hij naar de hemel waar hij steeds meer sterren ontdekt.
Job trekt zijn jas goed dicht, de koude wind snijdt door de stof heen en even rilt hij van de kou.
‘He jo, heb je in je nest gezeken,’ schreeuw een man hem na.
Job wil nog iets terugroepen, maar de man fietst de hoek om. Hij haalt zijn schouders op en loopt naar het plein. Daar ziet hij dat een man en een vrouw druk bezig zijn om kruizen onder de kerstbomen te timmeren. Tussen al die bomen staat een reusachtige boom hem aan te staren.
Vol bewondering stapt hij erop af en bekijkt hem van alle kanten.
‘Kan ik je helpen,’ vraagt de vrouw. ‘Jij bent er vroeg bij, maar je kunt maar niet vroeg genoeg zijn,’ zegt ze glimlachend.
Even is hij sprakeloos dan zegt ze: ‘Wel opschieten, ik heb jouw tijd niet. Wil je die boom of niet? Je bent er toch niet op uit om het te stelen,’ roept ze ineens op een andere toon.
Job druipt af en doet een stap achteruit. Uit ervaring weet hij dat ze hem gaat afwijzen.
Even had hij met de gedachten gespeeld, maar kerst onder een gestolen boom. Nee, dat kan niet. Trouwens als ze erachter zouden komen, dan zijn de rapen gaar.
‘Ik zou uw boom niet durven stelen. Ik wil hem wel kopen, maar heb te weinig geld,’ fluistert hij.
De vrouw kijkt hem aan en ziet de verwarring in zijn ogen. ‘Maar schat, laat eens zien hoeveel je hebt?’
‘Mijn vriendin is erg ziek. Ik denk dat ze doodgaat en daarom wil ik haar nog een mooie kerst geven. We zouden met alle kinderen uit de klas geld ophalen, maar…’
Hij haalt het geld uit zijn zak en laat haar het kleingeld zien. ‘Tja, ik weet dat dit nog lang niet genoeg is en ik weet ook niet hoe ik het geld voor de boom bij elkaar kan krijgen. Iedereen laat me in de steek.’
‘Misschien hebben ze daar wel een goede reden voor,’ zegt de vrouw en kijkt naar het weinige geld in zijn hand. ‘Dan zou ik hem bijna voor niets moeten geven. Dat kan echt niet. Weet je, als je het geld voor morgenmiddag bij elkaar kan krijgen is deze boom voor jou. Ik beloof je hem tot dit tijd niet te verkopen.’
Job springt van vreugde bijna een gat in de lucht en bedankt de vrouw. Hij vraagt haar wat de boom moet kosten en ze geeft hem een vriendenprijs op, maar hij weet ook nu al dat het niet haalbaar is om zoveel geld in korte tijd bij elkaar te krijgen.
Er zit maar een ding op, denkt hij en besluit langs de deuren te gaan en zijn verhaal te vertellen, maar ook dat brengt niets op. Uren heeft hij van deur naar deur gelopen. Hij is uitgescholden en weggeschopt. Een enkeling dreigt de politie te bellen als hij niet maakt dat hij wegkomt.
Opnieuw telt hij het geld. ‘Nou, dat schiet lekker op,’ fluistert hij.
Het weer slaat om. De wind wakkert aan en sneeuwvlokken dalen al wiegend naar beneden, raken de grond en smelten weg.
‘Ik moet nu echt naar huis. De verkoopster had beloofd dat hij tot de volgende middag de tijd had. Dat moest hem zeker gaan lukken. Moegestreden en koud loopt hij nog een keer langs het plein. Er staan niet veel bomen meer, maar zijn boom staat er gelukkig nog.
Thuis zitten zijn ouders en zijn zus rond de kachel. De kachel kan maar net de hele kamer verwarmen, Zwijgend trekt hij een stoel bij en warmt zijn handen. Oh, wat zijn ze koud en ze beginnen dan ook te tintelen.
‘Niet te dicht bij de kachel,’ fluistert vader en gaat door met zijn denkpuzzel.
Job voelt de warme straal zijn gezicht verwarmen, maar zijn rug voelt nog steeds koud aan. Het is bijna donker en de gloeilamp aan het plafond straalt een flauw lichtje uit. Moeder is in de keuken in de weer met voorbereidingen voor het eten.
‘Hoe laat gaan we eten, pap?’
‘Als de aardappels gaar zijn, nog vijf minuten,’ roept moeder uit de keuken.
Vader staat op, duwt hem opzij en zegt. ‘Ga de tafel dekken, dan doe je nog wat voor de kost.’
Morrend dekt Job de tafel. Hij heeft honger en de lucht van het eten maakt het nog erger. Intussen wind vader de klok, die op de schoorsteen staat. Met gelijke slagen op. Het is een vast ritueel. Elke avond weer opnieuw. Even moet hij erom lachen als hij bedenkt dat er jaren voorbij kunnen gaan zonder dat er wordt afgeweken van de gebruikelijke dagelijkse routine. Nee, dat gaat hij later toch echt anders doen, neemt hij zich voor.
De tafel is sober gedekt en moeder komt binnen met de pan. Vandaag is het zuurkool. Elke dag van de week heeft zijn vaste groente. Vandaag is dat dus zuurkool en weer moet hij er om grijnzen. Moeder schept voor ieder op en geeft hem de lege pan. ‘Hier zet deze alvast in het water, zodat hij straks makkelijk schoon te maken is. Kom, schiet op luiwammes!’
‘Ja, ja, ik ga al. Ik moet hier ook alles doen,’ moppert hij nijdig.
‘Kop houden en snel,’ zegt vader boos.
Zijn bord is snel leeg en eigenlijk is zijn honger nog niet gestild maar hij weet maar al te goed dat er niets overblijft. Ook al hoopt hij daar altijd op. Aan tafel wordt niet gesproken. Er wordt nooit gesproken. Ook niet gevraagd hoe de dag was verlopen of hoe het op school was. Eigenlijk is het een dooie boel hier thuis, bedenkt hij zich en even voelt hij zich erg eenzaam.
Na de afwas zet moeder koffie en vader sluit het deurtje van de kachel. Zet de schoorsteenklep bijna dicht en de kachel houdt op met snorren.
‘Ik ga naar bed vrouw. Morgen weer vroeg op. Nog een half dagje werken.
Zijn moeder en zus tuigen de kerstboom op. Hij mag de kerstballen aangeven. Dit jaar hebben ze er voor het eerst elektrische verlichting in en Job volgt ze met arendsogen. Dan floept de verlichting aan en zijn mond valt open. Het zijn gekleurde lichtjes en ze laten de ballen in de boom schitteren. Zo’n boom wil ik aan Janneke geven, denkt hij.

De volgende morgen.

Job ligt te woelen en schrikt wakker. Zijn voeten voelen ijskoud aan. Door een kier van het gordijn ziet hij het maanlicht naar binnen schijnen. Snel kleed hij zich aan. Het heeft geen zin om in bed te blijven liggen omdat de dekens hem toch niet goed verwarmen. Het raam is door de vorst voorzien van ijsbloemen die door het licht van de maan schitteren. Hij bewondert de prachtige kristallenvormen die dit natuurverschijnsel laat zien.

In de woonkamer zit zijn vader te genieten van een kop koffie.
‘Wat moet jij zo vroeg al op,’ vraag hij.
Job haalt zijn schouders op en zegt dat hij niet meer kon slapen. ‘Maar waarom bent u zo vroeg op. Het is toch zaterdag?’
‘Ja jongen, je vader moet nog een paar uurtjes werken. Ik zal de kachel nog even opstoken want het is behoorlijk koud buiten. Ga toch lekker terug naar je mandje.’
Job kijkt op de klok en ziet dat het inderdaad nog erg vroeg is. Veel te vroeg om nu al langs de deuren te gaan, maar hij wil eerst nog even kijken of de boom er nog staat. Als vader op de fiets stapt, komt hij in actie. Moeder heeft dikke sokken voor hem klaargelegd. Die trekt hij snel aan. Hij pakt zijn jas en dikke wanten van de kapstok en dan sluipt hij de achterdeur uit. Buiten voelt hij de kou in zijn gezicht slaan en het is gevaarlijk glad op straat. De sneeuw, die gisterenavond is gevallen is in de loop van de nacht gaan opvriezen. Voorzichtig schuifelt hij over straat. Hij ziet een enkele fietser door de gladheid onderuitgaan. Een koude wind steekt op en het begint weer te sneeuwen.
Voordat hij er erg in heeft licht er al snel een centimeter verse sneeuw, wat hem het lopen iets makkelijker maakt. Op het plein ziet hij tot zijn grote vreugde dat zijn boom nog niet is verkocht.
Hij heeft nog een paar uur om het geld bij elkaar te krijgen en begint gedreven aan zijn opdracht. Wonder boven wonder lukt het hem om het geld bij elkaar te krijgen. Hij begrijpt er niets van. Gisteren werd hij telkens afgesnauwd, maar vandaag kreeg hij vrijwel bij elke deur waar hij aanbelde iets toegestopt. Hij telt het opgehaalde bedrag wel drie keer na.
‘Zie je wel, dat het je lukt. Nu kan ik voor Janneke de mooiste en grootste kerstboom kopen,’
Prijst hij zichzelf.
Vermoeid rent hij naar het plein om de boom te kopen. Daar blijft hij van verbazing staan en wrijft nog even goed zijn ogen uit. De boom is weg. Hij was verkocht. ‘Die mevrouw had nog zo belooft hem tot vanmiddag niet te verkopen,’ fluistert hij in zichzelf. Teleurgesteld gaat hij naar huis.

Als hij thuis komt zit zijn zus aan de grote tafel en vraagt waar hij toch al die tijd is geweest. Hij vertelt haar het ver haal en ze gaat naast hem voor de kachel zitten.
‘Ja joh, zo vergaat het in het leven. Je zult nog wel meer teleurstellingen moeten verwerken. We zijn nou eenmaal niet rijk. Kop op joh, laat die boom toch. Kijk eens wat een mooie boom we zelf hebben,’ en ze geeft hem een aai over zijn bol.
Job denkt na over hetgeen zijn zus zegt, maar hij is niet van plan om het op te geven. Tegen de tijd dat hij weer is opgewarmd gaat hij weer naar buiten. Het sneeuwen is inmiddels opgehouden. De donkere wolken zijn weer verdwenen en de hemel is weer zo helder als glas.
Hij wandelt langs het huis van Janneke en ziet dat de gordijnen open zijn. Hij gluurt naar binnen, maar kan Janneke niet ontdekken. Zou ze al dood zijn, denkt hij. Veel tijd om er over na te denken heeft hij niet. Hij wil alsnog een mooie boom voor haar score en struint uren het dorp af, maar er is nergens meer een boom te koop.
Hij telt nogmaals het geld. Het zou zeker genoeg geweest zijn om er één van te kopen, dat is een ding wat zeker is
In de verte denkt hij Truus te zien, maar het blijkt een ander meisje te zijn. Verloren kijkt hij om zich heen. Het is al laat en het begint te schemeren. Sloffend besluit hij naar huis te gaan. Niet dat hij daar veel zin in heeft, maar de vermoeidheid begint nu toch zijn tol te eisen.
Als hij voor zijn huis staat besluit hij toch maar om nog even naar strand te lopen. Even zijn hoofd leeg maken. De afgelopen dagen waren best intensief en een wandeling door de duinen en het strand helpen hem altijd om het één en ander op een rijtje te zetten. Inmiddels is het al behoorlijk donker geworden. Het duinpad is verlaten en diep in gedachten komt hij aan bij de trap die naar het strand leidt. Hij gaat bovenaan de trap zitten en tuurt over de zee. Duik nog dieper in zijn jas omdat de kou door zijn jas heen snijdt. Hij ziet de witte schuimgolven omkrullen en zich met een roffel en sissend over het stand verspreiden.

Einde deel 1