Kerstavond 2

Ergens in de verte ziet hij een schim naderen. Aan zijn bewegingen denkt hij de schim te herkennen. Als hij dichterbij komt ziet hij dat het inderdaad Simon de zwerver is. De meesten zijn bang voor hem en hij moet bekennen dat ook hij ontzag voor hem heeft. Simon heeft een enorm postuur en hij is zeker langer dan 2 meter. Eigenlijk weet niemand waar hij vandaan komt. Gek eigenlijk dat iemand met zo’n postuur, zo anoniem kan zijn, bedenkt Job en vraagt zich af wat de reden is dat hij zo is geworden.
Simon groet hem en zegt: ‘Nou, nou, ik had je bijna over het hoofd gezien,’ en schijnt met zijn zoeklicht op het gezicht van Job.
‘Laat dat, verdomme,’ roept Job pissig.
‘Jij moet die kwajongen uit het dorp zijn. Ik hoor zo nu en dan wat je uitspookt. Wat brengt jou hier op deze kerstavond?’
‘Niets, ik denk na,’ antwoordt Job.
‘Oh, dat kan. Waar denk je over na. Mag ik dat weten,’ en gaat naast hem zitten.
Job kijkt hem aan en haalt zijn schouders op. Ach, wat kan het voor kwaad om hem zijn verhaal te vertellen en voordat hij er erg in heeft lucht hij zijn hart uit bij de zwerver.
‘Tja jongen, je zus heeft wel een beetje gelijk ook al lost dat jouw probleem niet op. Je wilt heel graag een kerstboom hebben voor die Janneke, toch?’
Job knikt en antwoordt: ‘Ja voor Janneke, maar alles loopt verkeerd.’
‘Als je goed om je heen kijkt, vind je de mooiste bomen. Het probleem is dan dat je niet weet welke je moet kiezen,’ en Simon wijst in de richting van de stortplaats.
‘Kom mee Job. Laten we er één gaan zoeken.’ Ze kruipen onder een slagboom door en op nog geen 10 meter afstand doemt een gigantische berg kerstbomen op.
‘Zoek maar uit. Deze zijn nog geen uur geleden hier gedumpt,’ en hij kijkt Job glimlachend aan.
Job weet niet wat hij ziet en zoekt een mooie uit. Steekt zijn hand in zijn zak en wil het geld aan Simon geven. Simon schudt met zijn hoofd en zegt hem dat hij het geld niet wil hebben, maar Job drukt het geld toch in zijn hand en rent met de boom het pad af.
‘Ik hoop dat het je goed gaat en dat je boom gewaardeerd wordt,’ roept Simon hem nog na.
Job stopt en zegt: ‘Janneke krijgt de mooiste boom van de hele wereld,’ en loopt in de richting van het dorp. ‘Bedankt Simon,’ roept hij nog.
Als hij het dorp inloopt kijkt hij naar zijn boom. Een mooiere boom als deze, is er nergens te koop vindt hij. Nu Janneke verrassen, oh wat zal ze blij zijn. In zijn gedachten ziet hij het al helemaal voor zich. Haar blije glimlach als ze zijn boom ziet. Nu hoeft hij alleen nog maar over te steken en aan te bellen. Plots blijft hij staan en ziet dat de kinderen uit zijn klas het huis van Janneke binnen gaan. De gordijnen zijn open en zijn mond valt open van verbazing. In de hoek van de kamer ziet hij de boom staan die hij voor haar had willen kopen. Opgetuigd met ballen, slingers en verlichting. De lichtjes schitteren door het raam en Janneke loopt vrij en opgewekt door het huis. In zijn hand heeft hij nog steeds zijn boom, die hij teleurgesteld los laat. Hij hoort zijn klasgenootjes vol overgaven kerstliederen zingen. Tussen al de andere probeert hij Truus te ontdekken. Zou ze dan toch de waarheid hebben gesproken, toen ze hem waarschuwden dat Janneke hem al die tijd in de maling nam. ‘Ze is een prinses op de erwt,’ hoort hij haar in zijn gedachten zeggen.
Hij ziet Truus nergens en hij besluit dat het maar beter is om naar huis te gaan. Zijn hart gaat tekeer van boosheid. Dan ziet hij opeens Truus de hoek omkomen. Hij wil haar roepen, maar het lijkt wel alsof zijn keel wordt dichtgeknepen. Truus blijft voor het raam staan maar wordt door de moeder van Janneke weggestuurd. Ze draait zich om en ziet Job aan de overkant staan.
‘Hallo Job,’ roept ze hem toe.
Hij zwaait naar haar en ze wil de straat oversteken. Dan ziet Job plotseling een vrachtauto aankomen en hij rent op haar af, maar Truus is sneller en dan volgt er een enorme klap en een schreeuw, die hij de rest van zijn leven nooit meer zou vergeten.
Truus wordt op zij gegooid en beland onder de vrachtauto. Deze heeft niets gemerkt en rijdt door. Job kijkt verstrooid naar haar bewegingloze lichaam, die midden op de weg ligt.
‘Nee, niet Truus,’ schreeuwt hij en rent op haar af. Legt haar hoofd op zijn schoot en door zijn tranen heen roept hij. ‘Niet doodgaan Truus. Alsjeblieft, blijf bij me. Je had al die tijd gelijk,’ en zachtjes aait hij met zijn hand door haar haren.
Truus opent haar ogen en kijkt Job aan. ‘Ik heb zo’n pijn Job en het is zo koud. Blijf bij me, ik vind je al heel lang erg lief. Wees maar niet al te boos op Janneke, zij kan er ook niets aan doen dat ze zo geworden is,’ zegt ze zacht en sluit haar ogen.
‘Niet doodgaan Truus. Het spijt me, dat ik je niet geloofde. Alsjeblieft, blijf bij me,’ en probeert haar wakker te houden.
Er komen mensen, die op de klap zijn afgekomen, aanstormen en halen Truus brut van hem weg. Ze schoppen hem weg en beschuldigen hem ervan dat hij haar onder de vrachtwagen heeft geduwd. Dan opeens is Simon de zwerver er. Pakt Truus met zijn grote handen op en rent met haar weg. De menigte rent achter hem aan, maar het lijkt erop alsof hij van de aardbodem is verdwenen.
De ambulance, die met gillende sirene komt aanrijden gaat weer weg. Er is immers geen slachtoffer meer. De politie ondervraagt de menigte en Job wordt meegenomen. Hij wordt beschuldigd van poging tot moord, ook al is er geen slachtoffer meer te vinden.
Hij wordt overgebracht naar een tehuis, waar hij een straf moet uitzitten van iets wat hij niet heeft gedaan. Zo af en toe komt zijn zus hem opzoeken en vertelt hem wat er in het dorp zoal over hem wordt gezegd. Job blijft telkens zijn verhaal herhalen, maar geen mens wil hem geloven. Wat hij nog het ergste vindt is dat hij er geen idee van heeft hoe het met Truus is afgelopen. In zijn dromen ziet hij haar gezichtje voor zich en haar laatste woorden zullen hem altijd bijblijven.
Er vallen nu pas een hoop stukjes voor hem op zijn plaats en hij herinnert zich steeds vaker de momenten die zij in hun jonge leventje samen waren. Herinneringen die hij nu koestert. Had hij toen maar geweten wat er werkelijk in haar hoofdje omging. Zo verstrijken de jaren en uiteindelijk komt de dag dat hij op eigen benen mag staan. Hij weet dat de komende tijd allesbehalve makkelijk voor hem gaat worden. Ten slotte moet hij nu mee gaan draaien in een maatschappij die hem onvriendelijk bejegend, en zeg maar rustig vijandig benadert.
Hij komt erachter dat zijn ouders inmiddels zijn verhuist naar een ander dorp. Zij konden de vele roddels niet meer verdragen. Zijn zus woont nog wel in het ouderlijkhuis en ontvangt hem met open armen, maar in het dorp wordt hij met de nek aangekeken. Zij gunnen hem geen blik waardig. Hij besluit te proberen uit te zoeken waar Truus na het ongeval naar toe is gebracht.
Hij loopt de kerkhoven af in de hoop dat hij haar grafje zou kunnen vinden, maar telkens keert hij zonder resultaat naar huis terug.
Dan gaat de deurbel en Job hoort dat iemand naar hem vraagt. Het is de man die hem tijdens zijn gedwongen verblijf in het tehuis had gecoacht.
‘Hallo Job,’ zegt hij. ‘Ik had je beloofd om je een keer te komen opzoeken. Kunnen we even rustig praten.’
Job knikt en neemt hem mee naar zijn slaapkamer. Daar verzekert hij de man nogmaals dat hij Truus niet onder de vrachtwagen heeft geduwd. Hij vertelt hem wat hij tot nu toe had gedaan om haar te vinden en over de vijandige bejegening naar hem toe, waar hij de rest van zijn leven aan zou moeten wennen.
De man knikt en zegt: ‘Het beste is dat jij een nieuwe start gaat maken en ik ga je daarbij helpen.’
Job voelt een enorme warm gevoel in zich opkomen. Eindelijk iemand die hem zijn hand toereikt en in hem gelooft.

Weken later monstert hij aan op een schip. Dat schip wordt zijn thuis. Hij kan goed met de kapitein opschieten en als de andere bemanning gaan passagieren, blijft hij aan boord, daar voelt hij zich veilig en vertrouwd. Op een dag legt het schip aan in zijn thuishaven. Het dorp waar Job is opgegroeid. De afgelopen jaren zijn goed voor hem geweest. Hij is sterker en rustiger geworden. Hij kijkt naar de kalender.

Vierentwintig december!

Leest hij en hij moet denken aan wat er jaren geleden is voorgevallen. Hij voelt een boosheid, die hij al jaren niet meer had gevoeld, in zich opkomen.
‘Ik ben onschuldig, schreeuwt hij door het kombuis en smijt met potten en pannen.
‘Job,’ roept een stem bij de deur!
Hij kijkt om en ziet de kapitein in de deuropening staan.
Sorry,’ en steekt van onmacht zijn handen omhoog.
‘De kapitein vraagt niet waarom hij dit doet, maar overhandig hem een brief.
Job is verbaasd. ‘Een brief voor mij. Van wie kan deze nou zijn?’
‘Dat weet ik ook niet. Lees hem, dan kom je ervan zelf achter.’
Hij opent de brief en leest hardop.

Beste Job,

Het is kerstavond en ik wil je uitnodigen om deze samen met ons te vieren.

Getekend, Simon.

Onderaan de brief staat een adres wat hem wel vaag voorkomt, maar kan zich niet meer herinneren waar het was.

Job denkt. Simon, wie is die Simon. De enige Simon die hij kent is Simon de Zwerver. Nee, dat kan niet. Die man is misschien al jaren dood.
Hij legt de brief opzij en begint de kombuis op te ruimen, maar de brief blijft door zijn hoofd spoken. Opnieuw kijkt hij naar de agenda. Ooit had hij zichzelf beloofd nooit meer terug te keren naar het dorp. Hij sluit zijn ogen en denkt aan het ongeval. Weer ziet hij voor zich hoe Truus door de vrachtwagen werd geschept en in zijn hoofd hoorde hij haar laatste worden. Gek genoeg miste hij haar.
Plots staat de kapitein achter hem en vraagt wat het probleem is.
‘Jongen, wat kan je gebeuren. Misschien loopt het leven toch anders dan je denkt. Ik begrijp het best, na alles wat er met je is gebeurd. Je bang bent. Als het je niet bevalt, kom je toch weer terug. Ik zal je niet laten vallen. Je bent als een zoon voor mij. Ik geloof in je. Eens zal je verantwoording moeten afleggen, positief of negatief.
Job kijkt de oude kapitein aan en besluit om op de uitnodiging in te gaan. Hij neemt een douch, kleed zich aan en neemt afscheid van de kapitein.
‘Jongen, hoe gek het ook klinkt. Ik hoop dat dit een ome keer in je leven zal zijn en dat je een nieuw thuis vindt. Ga mijn jongen, recht je rug en laat je niet onder sneeuwen.
Job knikt, maar voelt de twijfel in zich opkomen. Moet hij dit wel doen. Hij had zijn leventje nu op de rit. Wat voor narigheid zou hij nu weer tegenkomen. De kapitein geeft hem een schouderklopje en zegt zacht: ‘Ga maar, ik zal er altijd voor je zijn.’

Als hij het dorp inloopt ziet hij dat er niet veel is veranderd. Jongens sjouwen met kerstbomen en een enkeling steekt een rotje af. De jongen kijkt goed om zich heen. Hij weet donders goed dat dit nog niet is toegestaan. Job wandelt door de straat waar hij is opgegroeid en ontdekt dat er wel meerdere auto’s in de straat staan. Waarschijnlijk is er hier en daar wat meer te besteden, zodat zij zich een auto kunnen veroorloven. Op eens staat hij op hetzelfde punt waar hij op die bewuste avond stond. Ook nu is het koud, net als toen. Aan de overkant is het huis waar Janneke ooit woonde. Het is er donker en na al die jaren vraagt hij zich af wat er van haar terecht is gekomen. Is ze ooit hersteld van haar ziekte. Vreemd dat hij daar nooit meer bij stil had gestaan.

Even heeft hij de behoefte om weg te lopen. Zijn gevoelens worden versterkt, het gemis van Truus en het smachten naar de veiligheid die hij inmiddels had opgebouwd.
Plotseling ziet hij aan de overkant een meisje staan. Even denkt hij dat het Truus is. Hij hoort het geronk van een motor en hij schreeuwt dat ze op de stoep moet blijven staan. Dan rijdt de auto met een rotgang voorbij en hij ziet tot zijn opluchting dat het meisje is blijven staan.
Ze steekt veilig over en roept hem toe: ‘U hoeft niet zo tegen me te schreeuwen hoor, ik weet heus wel hoe ik veilig moet oversteken,’ en ze steek haar tong naar hem uit.
Opgelucht zwaait hij terug en even kan erbij hem een glimlach af.
‘Goed gedaan hoor, meneer,’ zegt een vrouw die hem aan zijn mouw vastpakt. ‘Als ze had overgestoken was ze onder die auto terecht gekomen. Ze rijden hier als gekken,’ en schuifelt verder.
Job steekt over en de deur, waar Janneke ooit woonde, wordt geopend en een man komt naar buiten. Hij weet zeker dat dit niet de vader van Janneke is en besluit de man aan te spreken. Uit zijn zak haalt hij de brief van Simon en vraagt aan de man of hij weet waar hij het adres kan vinden wat op de brief staat vermeld.
‘Ik zal het even voor u uittekenen. Het ligt nogal afgelegen,’ antwoord de man en pakt vanachter zijn oor een potlood. Op de envelop tekent hij uit waar Job moet zijn.
‘Als u gaat lopen denk ik dat u er een minuut of twintig over doet. Volg de route dan komt u er wel.’
Job bedankt hem vriendelijk, maar wordt een beetje achterdochtig. Waarom spreekt Simon op zo’n afgelegen plek af. Weer speelt hij met de gedachten terug te keren naar zijn schip, maar dan hoort hij de kapitein zeggen. ‘Kom op Job, wat kan je gebeuren.’
Hij volgt de route die de man voor hem heeft uitgetekend. Die leidt hem door een pad met enorme bomen waar achter een huis opdoemt. Het gehele huis is verlicht. In de tuin staat een ouderwetse arrenslede met een aantal rendieren ervoor die briezen staan te wachten totdat ze weer in actie mogen komen. Hij hoort de wind door de bomen zijn klaaggezang neuriën en het begint zachtjes te sneeuwen. Even moet hij lachen om zijn eigen gedachten. Job loopt op het voorportaal af en hij hoort dat er vanuit het huis kerstmuziek klinkt.
Net als hij wil aankloppen wordt de deur geopend en ziet hij Simon de zwerver voor hem staan. Die neemt hem in zijn armen en roept dat hij zo blij is dat hij is gekomen.
‘Man, ik heb je gezocht en gezocht. Niemand wist waar je was, maar eindelijk hier ben je dan. We dachten al dat je dood was.’
Niet begrijpend kijkt Job hem aan en vraagt hoe het dan mogelijk is dat hij hem heeft gevonden en wat is hier de bedoeling van.
‘Dat is nu niet van belang. Je bent er. Kom ik heb een verrassing voor je. Jeetje, mijn kerst kan niet meer stuk. Ik kan niet geloven dat je voor me staat, levend en wel. Blijf even hier, beloofd. Oh jee, dit wordt de mooiste kerstavond van…,’
Simon sluit de deur en Job weet nog steeds niet wat hij ervan moet vinden. Waarom is hij hier en wat heeft Simon de zwerver hier mee te maken. Niet veel later komt Simon terug en vraagt hem binnen te komen. Job loopt achter hem aan en als hij binnen is ziet hij een kamer vol mensen hem aanstaren. Even heeft hij de neiging om zich om te keren, zo ver mogelijk hier vandaan. Hij laat zijn blik over de menigte gaan en hij meent er enkele te herkennen. Janneke, ja het kan niet anders. Ze is volwassen geworden en wat is ze mooi. Simon loopt nog steeds voor hem uit en maant hem dan plaats te maken op één van de stoelen. Hij begrijpt er niets van, maar besluit toch maar te gaat zitten. Dan hoort hij plotseling dat iemand op de piano Stille nacht, heiligen nacht speelt en dan begeleiden de aanwezige al zingend de pianist. Hij krijgt er kippenvel van.
Als het stil wordt, komen de mannen en vrouwen langs hem wandelen. Maken een kniebuiging en betuigen hem hun spijt, omdat ze hem zo lelijk en vijandig hebben behandeld.
Zijn hersens draaien over uren. Plots staat hij op en begint ze toe te spreken.
‘Bedankt, al is het wel rijkelijk laat. Ik krijg hier Truus niet mee terug, staat op en loopt in de richting van de deur. Net als hij de deur wil openen, staat er een vrouw op, die hem de weg verspert.
‘Hallo Job.’
Hij kijkt de vrouw niet begrijpend aan en hij begrijpt al helemaal niet waarom ze huilt. Hij wil haar vragen hem door te laten, maar dan herkent hij iets in haar ogen en een bekende geur komt hem tegemoet.
‘Ik ben het echt Job, fluistert ze met een trillende stem. Ik ben zo blij dat je hier bent.’
Ze ziet zijn verwarring ‘Je droomt niet Job, echt niet, geloof me. Kijk me eens goed aan, alsjeblieft.’
Onderzoekend blijft hij haar aankijken en ontdekt het lichtbruine vlekje op haar wang wat hij altijd zo bijzonder had gevonden. Heel soms, in de zomer als haar huid kleurde, had het op een vlinder geleken. Hij pakt haar beide handen en zegt zacht: ‘Je bent het echt Truus. Je bent het echt. Vind je me nog altijd lief,’ vraagt hij glimlachend.
‘Als ik me goed herinner, waren dat de laatste woorden die ik tegen je zei. Ik weet het nog goed. Jij hield me in je armen en troostte me. Ik vind je nog altijd lief. Ik hou van je,’ en ze kuste hem innig.

Truus leidde hem terug de kamer in en het werd een mooie kerstavond. Ze leerden elkaar opnieuw kennen. Er waren zoveel vragen en eenieder kreeg de tijd om deze te stellen en te beantwoorden. Truus vertelde dat Simon haar die avond van het ongeluk had verteld over de boom die hij voor Janneke had willen kopen. Simon op zijn beurt vertelde hoe hij Truus had opgepakt en verzorgt, samen met haar moeder. Zij en haar moeder waren verhuisd en ze hebben nooit geweten dat er zo’n ophef over het gebeuren in het dorp was ontstaan.
‘Mijn moeder is helaas overleden. Ik hoop dat je iedereen uit het dorp kunt vergeven, ook al zal dat een moeilijke opgave voor je zijn na alles wat je hebt meegemaakt,’ zegt Truus.
Even wordt het Job te veel en zegt dat het wel enige tijd zal duren, voordat hij daar overheen zou zijn. Als iedereen is vertrokken, staan Job en Truus alleen in de grote zaal.
‘Moet jij niet met Simon mee,’ vraagt hij.
Truus kijkt hem verbaast aan en zegt. ‘Waarom zou ik?’
‘Hij is toch je vader, of heb ik dat verkeerd begrepen?’
‘Welnee, ik kreeg een kaartje met de vraag of ik hier kerstavond wilde komen vieren. Eigenlijk dacht ik dat het jouw vader was.’
‘Oh…, vreemd. Dit lijkt wel één van die kerstlegendes, fluistert hij.
‘Ach ja…, Het is tenslotte kerstavond, en geeft hem een kus.

Bij het verlaten van het huis kijken ze nog éénmaal om. Verwondert kijken ze elkaar aan. Het huis is verdwenen en ze zien Simon in het duister naar hen zwaaien.
Langzaam verandert hij in een stralende goudenbal die plots begint te tollen en zich losmaakt van de aarde en verdwijnt in het licht van de maan.

Einde.