Het witte kistje 1

Tot eind 1970 bestond er aan de kust een woonwijkje dat in de volksmond, “Het eiland vloek,” werd genoemd. Het was omringd door de zee, haven, sluizen en de duinen.
Een geweldige plek voor kinderen om op te groeien.
Het was een wijkje waar veel grote gezinnen in veel te kleine huizen waren gehuisvest. De meeste hadden moeite om het hoofd boven water te houden. Velen werkten op de sleepheling of voeren op één van de velen vissersschepen die Nederland in die tijd nog rijk was.
Sommige hadden van tijd tot tijd geen geld om hun vaste lasten te betalen en werden zo nu en dan afgesloten van gas of elektriciteit. Zo nu en dan ontstond er ook weleens een burenruzie.
De saamhorigheid was groot. Toch moest dit wijkje eind jaren 60 wijken voor het grote geld.
De grond werd voor en symbolisch bedrag van 1 gulden verkocht of verpacht. Er werd een derde haven gebouwd om het grote geld binnen te halen.
Veel kinderen hebben daar hun jeugd met plezier doorgebracht en zagen hun plekje als een verzonken wijk onderwater verdwijnen.
Ook Sofie heeft er gewoond. Dit verhaal is op waarheid gebaseerd.

De zon scheen volop, zelfs in de schaduw was geen verkoeling te vinden. Sofie hinkelde over de door haar gemaakte hinkelbaan.
‘Dat is één, dat is twee, dat is drie, dat is vier, mijn mama krijgt een baby. Ik krijg een broertje of zusje’, riep ze vrolijk.
De buurvrouw die haar wilde passeren sprong nog net op tijd opzij, anders had ze haar omver gelopen. ‘Lieve schat, pas toch op, straks val je nog op je knietjes.’
Nee hoor buurvrouw, ik zal niet vallen. Onze baby wordt geboren, ik kan zijn gehuil al bijna horen,’ riep ze uit volle borst.
De buurvrouw schudde met haar hoofd, gaf haar een aai over der bolletje en wandelde glimlachend verder.
U komt toch wel naar mijn broertje of zusje kijken hè,’ riep ze haar al hinkelend na.
’Natuurlijk lieve meid. Dat wil ik voor geen goud missen.’
’Kost niets hoor buurvrouw. Ik zal dan wel een lekker bakje koffie voor u zetten en u krijgt er ook een beschuit met muisjes bij,’ en vrolijk hinkelde ze verder.
Één van de buurjongens kwam op haar af en vroeg of ze ook mee wilde naar de keien. ‘We zijn met zijn allen een hut aan het bouwen. Doe je mee?’
‘Nee joh, ik moet hier blijven van tante Lien. De ooievaar komt mijn broertje of een zusje brengen.’
‘Nou dan zal ik maar goed opletten als ik jou was. Je kan hem het beste vanuit het je slaapkamerraam zien aankomen vliegen. Voor je het weet mis je hem’, grinnikte hij.
‘Ik de ooievaar misse. Nee joh, ik let heel goed op,’ en turend naar boven zocht ze de hemel af.

‘Lieverd, kom je naar je zusje kijken,’ wuifde tante Lien in de deuropening.
Sofie sprong op, struikelend over haar eigen voetjes, kroop overeind en rende naar binnen. Daar lag een klein rozig kindje in de armen van haar moeder.
‘Mag ik haar aanraken mam? Oh, wat ziet ze er lief uit. Kijk nou, ze doet haar oogjes open. Nu heb ik eindelijk een zusje na al die broertjes. Kan ik haar later een hinkelbaan leren krijten,’ en heel voorzichtig gaf ze haar zusje een kusje op het voorhoofdje.
Nu moet mama rusten Sofie. Straks mag je weer naar je zusje komen kijken,’ zei de wijkzuster.
Ze kende de wijkzuster erg goed. De vorige keren, toen haar broertjes werden geboren was ze er ook geweest, maar vandaag was het toch anders geweest dan de vorige keren. Natuurlijk, het is anders,’ dacht ze. Ik het er nu immers een zusje bij.
De wijkzuster loosde haar met vriendelijke woorden de slaapkamer uit. Vluchtig keek ze naar haar kleine zusje en slofte in gedachten naar de woonkamer. Ze was blij, maar om de één of andere reden voelde het niet goed. Het was toch anders dan de vorige keren en het gaf haar een gevoel van onbehagen.
In de huiskamer ging ze op de stoel, die naast de tv stond, zitten. Trok haar beentjes op en liet haar gedachten de vrije loop. Straks zouden haar broertjes weer komen. Ze waren voorlopig ondergebracht bij buren omdat de familie zelden, nee eigenlijk kwamen ze nooit. Waarom was haar nooit duidelijk geworden. Vermoeid viel ze in slaap.

“Zeg Sofie, wordt eens wakker. Je moet naar school. Kind heb je hier de hele nacht op die stoel liggen slapen’, vroeg Tante Lien die eigenlijk niet echt een tante was, maar ze mocht haar zo noemen.
Ze wreef vluchtig haar ogen uit, maar ze moest toch eerst even haar gezicht wassen voor ze naar school ging.
‘Ga maar snel naar school, anders kom je nog te laat,’ zei Tante Lien.
‘Kan ik Suus nog even gedag zeggen. Alsjeblieft Tante Lien, mag ik nog even.’
Tante Lien kon haar vragende ogen niet weigeren en heel eventjes mocht ze in het oude en versleten wiegje gluren. Haar zusje lag op haar rug en een moment keek ze Sofie met een wijze blik aan.
‘Wat lief hè mamma,’ maar die wendde haar hoofd af. Ze keek haar moeder vragend aan en zag plots tranen over haar gezicht glijden.
‘Huil je mama. Niet huilen hoor. We hebben er toch een zusje bij. Ik ben zo blij met haar.’
‘Ga maar snel naar school. Straks kom je nog te laat. Ik zou niet willen dat mijn Sofie een dom meisje wordt’, en snel wreef ze haar tranen weg.
Ze keek haar moeder argwanend aan. Haar kleine hersentjes draaiden op volle toeren. Het was een vreemde gewaarwording dat haar moeder vond dat ze naar school moest. Terwijl ze haar altijd thuis hield omdat ze haar nodig had bij de verzorging van de andere kinderen. Niet begrijpend keek ze haar aan. In haar moeders blik kon ze niets uit opmaken.
‘Het is toch veel te zwaar voor je mam,’ stamelde ze. Vertwijfeld haalde ze haar schoudertjes op, gaf haar moeder en kus en huppelde snel naar school.
Tante Lien en haar moeder keken elkaar begrijpend aan en wisten niet hoe ze dat Sofie moesten vertellen. Als de situatie met kleine Suus niet zou veranderen, zag het er somber voor de kleine uit.

Blij huppelde Sofie het schoolplein op en vertelde aan iedereen die het maar wilde horen dat ze er een zusje had bij gekregen. ‘Haar naam is Suusje,’ zei ze tegen een klasgenootje.
‘Oh ja joh, nou mijn moeder zegt dat ze jouw moeder onvruchtbaar moeten maken. Jullie ouders lijken wel konijnen,’ riep ze. Dreigend ging ze voor Sofie staan en schudde haar flink door elkaar. Trok aan haar blauwe blouse waar de knopen al snel vanaf sprongen. Verschikt keek Sofie naar de blouse die ze kortgeleden van tante Lien had gekregen. Het was dan wel geen nieuwe, maar ze was er zo blij mee. En iedereen vond dat de kleur haar zo goed stond. Nu waren meer dan de helft van haar knopen verdwenen en zaten er kleine scheurtjes in.
Er verzamelde zich meer kinderen rondom haar en al duwend en trekkend zette ze haar klem in een hoek.
‘Zo wat heb je nu weer voor een stomme blouse aan,’ krijste één van de meisjes. Weer trokken ze aan haar kleding en spuugde haar in het gezicht.
Plots kwam Bram opdagen en wrong zich tussen de kinderen door.
‘Laat haar met rust. Moet dat nou. Ze doet jullie toch geen kwaad. Sodemieter op.’
De meeste dropen af, maar één van de meiden was niet van plan om zich door Bram opzij te laten zetten.
‘Je moeder is een vuile hoer,’ schreeuwde ze.
Sofie was niet zo snel boos, maar nu kon ze zich niet meer beheersen. Het meisje was al eens eerder zo tegen haar te keer gegaan en was huilend naar huis gerend. Haar moeder had haar toen verteld hoe de vader van het meisje aan zijn eind was gekomen.
Blind van woede en zonder er verder bij na te denken schreeuwde ze haar toe. ‘Oh ja, nou mijn vader heeft zich in ieder geval niet aan de trapleuning opgehangen!’
Verschrikt keken ze Sofie aan. Ook Sofie schrok van haar eigen reactie. Normaal gesproken liet ze alles gelaten over zich heen gaan, maar deze keer was het haar toch te veel geworden.
Angstig keek ze om zich heen en het liefst zou ze van de aardbodem willen verdwijnen.
De meester kwam met grote stappen op haar af en gaf haar een flinke draai om haar oren. Hij liet haar in het fietsenhok in de hoek staan en vond dat ze daar voor de rest van de dag wel kon blijven staan.
Even later zag ze Bram binnenkomen. ‘Wat kom je hier doen,’ vroeg ze.
Ze was blij dat ze even niet alleen was en een vertrouwd gezicht zag.
‘Die rot griet bleef maar door janken, nou janken, het leek wel een viswijs, antwoordde Bram.’
Er verscheen een lichte glimlach op haar gezicht, maar voor ze iets kon zeggen, vroeg Bram.
‘Sta je me nou uit te lachen. Nou mooi hoor. Kom ik speciaal even naar je kijken, ga jij me staan uit……, maar verder kwam hij niet.
‘Joh, haar vader liep altijd met vis. Het is een over het paard getilde rotmeid. Ik kon er echt niets aan doen hoor Bram. Ik flapte het eruit zonder erbij na te denken.’
‘Welnee joh, als ik het had geweten, had ik net zo gereageerd, moet ze maar eens leren haar grote mond te houden.’
‘Wie zegt dat jullie met elkaar mogen praten,’ schreeuwde één van de leerkrachten.
‘Bram, bemoei jij je niet met haar,’ en de juf stuurde hem naar de klas.
Zo jonge dame, nu ga jij me eens de waarheid vertellen waarom je de afgelopen tijd niet op school bent geweest. Ruw pakte ze haar bij haar oor en trok haar mee de klas in. Ook daar werd ze weer in de hoek gezet.
De kinderen keken haar na. En sommige staken zelfs grinnikend hun tong naar haar uit.
Toen ze na een uur in de schoolbank plaats mocht nemen, nam ze opgelucht haar taalboek uit haar versleten tas.
‘Zo Sofie, kom jij eens voor de klas staan en vertel ons eens waar je al die dagen hebt uitgehangen. Jij denkt toch zeker niet dat je zomaar van me af bent,’ schreeuwde de juf haar toe.
Ze zag dat iedereen naar haar keek en weer voelde ze zich angstig en verlaten. Met knikkende knieën stapte uit de bank en staarde voor zich uit. De hoge ramen die op haar afkwamen, het geroezemoes van de kinderen en de blik van de juffrouw, leek de klas eindeloos groot. Af en toe durfde ze een blik in de klas te werpen. De oude schoolbanken leken enorme blokkenhout. Haar blik viel op een paar leerlingen. Sommigen gniffelden, maar een enkeling keek verschikt naar wat er gaande was.
De juf kwam naast haar staan en bleef de vraag maar herhalen. ‘Nou zeg op!’
Met een brok in haar keel fluisterde Sofie. ‘Ik moest mijn mama helpen. Ik heb er een zusje bij,’ maar daar wilde de juf niet naar luisteren. Telkens weer bleef ze de vraag monotoon herhalen. En elke keer vertelde Sofie dat ze haar moeder had moeten helpen.
Ze nam Sofie bij haar haren en sleepte haar door de klas. ‘Je moet niet tegen mij liegen. Waar heb jij al die dagen uitgehangen’, riep ze venijnig.
‘Echt waar juf, ik moest mijn mama helpen. Ze ligt op bed en mijn broertjes zijn nog zo klein. En er is niemand die ons kan helpen.’
Nu werd de juf wel heel erg boos. Ze sloeg hard in het angstige en bleke gezichtje dat al snel een rode plek vertoonde. ‘En nu spreek je de waarheid, anders…’
Ze loog niet, maar kennelijk wilde de juf iets anders van haar horen dan de waarheid. Ze kon de vernedering en de pijn niet langer verdragen en verslagen zei ze zacht.
‘Ik heb gespijbeld en ben bij mijn oma geweest.’
Het werd doodstil in de klas. De juf keek haar triomfantelijk aan. En Sofie kreeg het gevoel alsof ze in haar hoofdje kon kijken en zien wat er in haar gedachten omging.

Bram, die enkele schoolbanken van haar vandaan zat, kookte van woede. Net als de meeste kinderen, durfde hij zich bijna niet te verroeren.
Eindelijk ging de bel. Het was kwart voor twaalf, de middagpauze was begonnen en mochten ze naar huis. Bram kwam naast haar lopen en legde een arm rond haar schouder.
‘Heeft ze je erg veel pijn gedaan’, fluisterde hij?
‘Gaat wel, maar ik heb echt niet gelogen hoor. Ik moest echt mijn moeder helpen. Ik vind dat niet eerlijk. Ze gelooft me alleen als ik lieg, dat kan toch niet. Je mag helemaal niet liegen.’
‘Ik ben overmorgen jarig. Wil je op mijn verjaardag komen,’ vroeg Bram.
Verbaasd keek ze hem aan. Ze kon niet geloven dat hij haar uitnodigde om op zijn verjaardagspartijtje te komen. Wat haar nog meer verbaasde was de datum waarop hij jarig was, zij was overmorgen immers ook jarig.
‘Erg lief van Je Bram, maar overmorgen ben ik zelf ook jarig.’
Verbaast keek hij haar aan. ‘Maar dat is hartstikke leuk, dan kunnen we allemaal leuke dingen gaan doen op onze verjaardag.’
Ze hoorde hem aan, maar wist best dat er niets van kon komen. Ze vermoedde dat ze de komende tijd voorlopig niet op school zou zijn.
‘Ik zie je morgen weer, toch…. En overmorgen deel ik uit. Krijg jij extra snoep van mij. Deel jij ook uit?’
Ze haalde haar schoudertjes op en zei dat ze dat nog niet wist. ‘Misschien wel, maar ik moet nu snel gaan. Ik wil naar mijn zusje.’

Als een jong veulen huppelde ze naar huis. Ze meed de straat en nam steevast de poorten. Dat voelde veiliger aan en zo had ze de minste kans om één van haar klasgenootjes tegen het lijf te lopen. Nu nog een paar kleine straten en dan was ze bij de sluis, nog even en ze was weer thuis.
Tante Lien stond haar al op te wachten. ‘Hallo Sofietje, zou jij een boodschap voor mij willen doen?’
‘Natuurlijk tante Lien, maar ik wil eerst even naar Suus kijken.’
‘Nee, lieve kind, ga eerst even een pak watten halen. Die hebben we hard nodig.’
Sofie hield haar kleine handje op om het geld te ontvangen voor de boodschap. Tante Lien schudde zachtjes haar hoofd en zei dat ze het moest laten opschrijven.
Zo klein als ze was begreep ze maar al te goed dat er weer geen geld was. Ze was eraan gewend geraakt dat zij erop uit werd gestuurd om aan de winkelier te vragen of hij de boodschap wilde opschrijven.
De winkel juf legde de watten voor haar op de toonbank en zei: ‘Dat is dan 25 cent.’
Sofie deed haar bekende verhaal. ‘Mijn moeder vraagt of u het zou willen opschrijven, zodra ze weer uit bed mag komt zij u zelf betalen.’
‘Nee, dat gaat niet meer jonge dame. Je moeder heeft al zoveel laten opschrijven. Ze moet eerst de andere rekeningen betalen. Ook wij moeten onze rekeningen betalen,’ zei de winkelier.
‘Maar het is voor mijn zusje Suus, alsjeblieft,’ maar de vrouw hield voet bij stuk en legde de watten weer terug op zijn plaats.
‘Nou u hebt groot gelijk. Iedereen moet zijn boodschappen betalen,’ zei een grote blonde vrouw achter haar.
Sofie schaamde zich en haar hoofdje tolde. Tientallen vragen kwamen in haar op. Hoe moesten ze aan het geld komen. Waar zou ze nu heen moeten om aan geld te komen voor de boodschappen. Met gebogen hoofd liep ze de winkel uit.
‘Jongedame,’ riep een man die haar achterna was gelopen. Ze draaide zich om en zag een man in een witte schildersjas met een pak watten in zijn handen.
‘Hier, deze is voor jou. Die hoef je niet te betalen. Gratis en voor niets. Geef maar gauw aan je mama voor je zusje. Je bent wel heel erg trots op haar hè? Je glundert helemaal, als je het over je zusje hebt. Ga maar gauw, nee je hoeft mij niet te bedanken. Ga maar naar huis, je zusje wacht op je.’
Ze bedankte de man vriendelijk en snel rende ze terug naar huis. Stel je voor dat de man zich bedacht en het pak watten terug wilde.
Ze vertelde tante Lien over de man die haar had geholpen, maar zij had geen tijd voor haar.
Sofie liep naar de rand van de wieg en zag dat Suus erg bleek was. Ze hadden haar onder een stel dikke dekens gelegd en onder het voeteneinde hadden ze stevige blokken gezet zodat het bedje schuin kwam te liggen. Ze begreep er niets van. Toen haar broertjes werden geboren was dit haar nooit opgevallen en die waren altijd mooi roze geweest.
‘Mag ik er even bij,’ vroeg tante Lien en duwde haar met zachte dwang opzij. ‘Ik moet nu echt de dokter bellen,’ hoorde Sofie haar nog net zeggen voordat ze naar de huiskamer werd gestuurd.
‘Tante Lien, is Suusje ziek?’
Tante Lien keek haar verschikt aan en aaide haar over haar blonde haren. ‘Ja lief kind, Suus is ziek, maar ze wordt vast wel weer beter. Ga maar lekker buiten spelen,’ maar daar had ze helemaal geen zin in.
‘Ze gaat toch niet dood hè tante, nee toch?’
‘Dat weet ik niet lieverd. Ga nou maar,’ en ze verdween weer in het kamertje.
Sofie begreep er niets van, ging op de bank zitten en luisterde gespannen naar de geluiden die vanuit het kamertje kwamen. Het enige wat ze kon opvangen was geroezemoes waar ze geen wijs uit kon worden.

Ze nam haar broertjes bij de hand en ging buiten op het stoepje zitten. Ze zou in ieder geval probeerde haar broertjes bezig te houden. Beduusd keek ze om haar heen. Uit haar jaszak haalde ze een knikker. De knikker die ze altijd bij haar had. Het was haar geluk knikker en liet hem voorzichtig over haar handpalm rollen.
Een donkerblauwe auto stopte voor de deur. Er stapte een man uit die een indrukwekkende hoed droeg. Haar broertjes keken met grote ogen naar de auto. Een auto zagen ze immers niet dagelijks. Je moest wel heel rijk zijn om er zo één te bezitten.
‘Mag ik er even door jongedame,’ vroeg de man die zijn hoed oppakte en lichtjes met zijn hoofd knikte.
Ze sprong op en liet de man door. ‘Oh, ik zie het al. U bent de dokter. Gaat u naar mijn zusje kijken en maakt u haar weer beter?’
‘Laat me er maar eerst even door. Dan ga ik direct kijken wat er met jouw zusje aan de hand is.’
Even keek hij Sofie en haar broertjes aan voor hij het huis binnen wandelde. Sofie rende achter hem aan, maar tante Lien hield haar tegen.
‘Nee lieverd, nu niet. Laat de dokter maar even. Straks mag je weer naar je zusje.’
Tante Lien klonk niet overtuigend en een onbehagelijk angstig voorgevoel borrelde bij haar boven. Zo kende ze Tante Lien niet.
‘Dat vind ik gemeen. Ik wil weten wat er met Suus aan de hand is. Ze is mijn zusje,’ stampvoette ze. Tante Lien ontfermde zich over haar en probeerde Sofie te troosten.
‘Kom Sofie, zo ken ik je niet. We moeten afwachten hoe het met Suusje verder gaat.’
Ze keek tante Lien vragend aan en was bang dat ze boos op haar zou zijn omdat ze haar had tegengesproken.
‘Kijk hier is een lijstje met boodschappen die we nodig hebben. Als jij nou eens die boodschappen ging halen. Vraag aan de winkelier of hij het even wil opschrijven.’
Ze deed wat haar werd opgedragen, maar al snel zonk de moed in haar schoenen. Geen enkele winkelier wilde haar de boodschappen geven. Eerst moesten de rekeningen die nog open stonden worden voldaan. Pas dan zouden ze haar willen helpen. Vermoeid slofte ze terug naar huis. Er moest echt een wonder gebeuren, anders zouden ze deze avond zonder eten naar bed moeten.
Op hun vader hoefde ze ook al niet te rekenen. Die was op zee en ondanks alles hoopte ze dat hij voorlopig weg zou blijven. Altijd was er die spanning, als hij thuis was. Stiekem was ze altijd blij wanneer de 48 uur die hij tussen twee reizen thuis was voorbij waren. Zijn buien konden van de één op de andere minuut opeens veranderen. Het beste wat je op dat moment kon doen was uit zijn beurt blijven.
Stilletjes wandelde ze de slaapkamer van haar moeder binnen. Die vroeg meteen of ze de boodschappen had. Ze haalde haar schoudertjes op en liep naar het wiegje. Suusje lag op haar rug en keek haar met grote oogjes aan. Haar mondje vertrok enigszins en het leek net of ze Sofie wilde toelachen.

‘Kijk eens mam, Suusje kijkt in het rond. Volgens mij gaat het al wat beter met haar. Tjonge, wat heb ik me ongerust gemaakt,’ zei ze wijs. Voorzichtig aaide ze over het kleine hoofdje van haar zusje.
‘Het komt wel goed. Ga maar naar oma en vraag of ze ons wat geld kan lenen. Straks komen je broertjes thuis en die kunnen we toch niet zonder eten naar bed sturen,’ zei haar moeder met een brok in haar keel.
Vertwijfeld keek ze haar moeder aan. ‘Denk je dat oma ons wil helpen?’