De toverspiegel 1

Met haar koffertje stevig tegen zich aangedrukt stond Wiesje te wachten bij het hek. Haar vriendinnetjes stonden achter het raam van het tehuis en keken toe hoe Wiesje leunende tegen het hek al duimendraaien de tijd stond te doden. Haar beste vriendin en slaapmaatje stond naast haar en samen keken ze de lange maar smalle straat in.
Wiesje haalde haar schoudertjes op en keek haar vriendin een moment aan.
‘Kon je maar hier blijven, ik ga je vast en zeker missen. Natuurlijk gun ik het je dat je weer bij je moeder kunt gaan wonen en ik ben ook erg blij voor je. Ik hoop dat je gelukkig wordt bij je moeder en haar nieuwe vriend. Is die man, waar ze nu mee samenwoont, aardig?’
Opnieuw haalde Wiesje haar schouders op en zweeg. Ze moest haar beste vriendin het antwoord schuldig blijven.
‘Vergeet me niet te schrijven hoor, ik zal altijd aan je blijven denken. Eigenlijk weet ik niet zo goed hoe ik verder moet zonder jou, we kennen elkaar al zolang,’
Samen lieten ze hun tranen vrijuit over hun wangen rollen. Paula pakte een zakdoek uit haar jaszak en wreef de tranen van hun gezichten. Opnieuw keken ze elkaar aan en Wiesje fluisterde.
‘Eigenlijk ben ik best wel blij dat ik bij mijn moeder ga wonen, maar het doet zo´n pijn om jullie hierachter te moeten laten. We hadden het best fijn samen. Als ik zelf mocht beslissen’, maar ze klapte dicht en zweeg opnieuw.
‘Zeg Wiesje, als je nou zelf mocht beslissen, zou je dan hier bij mij, bij ons blijven.’ Ze keek Wiesje doordringend aan en toen ze er niet op reageerde riep ze. ‘Zeg dan wat,’ en ze schudde haar hardhandig door elkaar.
‘Zeg laat dat, ik kan daar toch niet zelf over beslissen, het is nou eenmaal zo. Laat me toch en ik weet ook niet of ik je wel ga schrijven. Ik wil nooit meer aan dit rothuis denken. Rot toch op en laat me alleen. Ik wil je nooit meer zien,’ schreeuwde ze, gaf haar vriendinnetje een flinke schop en ging met haar koffer aan de stoeprand staan.
Paula keek haar na en begreep niets van de plotselinge gedragsverandering van haar beste vriendin. Verbaast en te neergeslagen draaide ze zich om, maar voor ze wegliep, riep ze huilend.
‘Ik geloof er geen woord van, maar ik ga al en het kan me geen donder schelen als je niet schrijft!’ Paula rende hard weg en smeet de deur achter haar dicht. Huilend liet ze zich achter de deur op de grond zakken en de tranen vloeide uit haar opgezwollen ogen. Ze begreep er niets van. Waarom zei Wiesje dat allemaal. Ze waren toch immers al jaren beste vriendinnen. Zolang ze zich kon herinneren hadden ze samen in dit tehuis gewoond en nog nooit ruzie gehad.
Heb ik me dan zo in Wiesje vergist. Nee, dan kan niet.’
‘Wat is er met jou aan de hand,’ vroeg een oude vrouw die op het lawaai was afgekomen.
‘Ik vind het gemeen dat ze zo naar tegen me deed. Ze wilt me nooit meer zien. We waren altijd zulke goede vriendinnen en nu wil ze niets meer met me te maken hebben. Ik wil hier ook weg. Ik vind het allemaal heel gemeen. Iedereen heeft ouders en ik heb helemaal niets. Ik weet niet eens of ze wel hebben bestaan en …, ik kan er niet meer tegen. Ik wou dat ik dood was!’
De vrouw nam haar onder haar hoede en leidde haar met zachte drang een klein kamertje binnen.
Enkele kinderen hadden haar op een afstand gevolgd en ze wisten maar al te goed wat Paula bedoelde. In stilte namen ze de weg terug naar de recreatiezaal en ieder ging met zijn eigen gedachten verder of met de dingen waar ze mee bezig waren. Maar de meeste vroegen zich af wie die oude vrouw was.

‘Vertel me, wat is er gebeurd,’ vroeg de oude vrouw.
Paula vertelde snikkend haar verhaal en de oude vrouw probeerde haar te troosten
‘Dat meent ze niet. Ik denk dat ze je nu al heel erg mist en spijt heeft van hetgeen ze tegen je hebt gezegd. Ze kan er net als jij niet zo goed mee omgaan. Jullie zijn zolang samen geweest. Geloof mij maar ze schrijft je heus wel, reken daar maar op. Laat haar eerst maar aan haar nieuwe omgeving wennen. Wacht maar af en oordeel pas als het zover is.’
‘Ik denk dat ze helemaal niet terug naar haar moeder wil. Ik heb het haar nog gevraagd, maar ze gaf geen antwoord, en ze keek de oude vrouw vragend aan in de hoop dat ze het bevestigde.
‘Laten we maar afwachten lieve schat. Het leven kan behoorlijk verwarrend zijn. Zeker als het noodzakelijk is dat je in een kindertehuis moet opgroeien, maar ergens is er altijd wel weer een lichtpuntje waar te nemen. Vaak hebben we de dingen niet zelf in de hand en denken de instanties dat zij weten wat goed voor je is. Meestal hebben ze daar het recht toe omdat het zo in één van hun wetboeken staat. Daar moeten we, en zeker jullie kinderen mee om leren gaan. Wij kunnen jullie alleen maar zoveel mogelijk steunen. Kom, ga maar snel naar haar toe. Ze staat vast nog op de stoep en laat zien dat je van haar houdt.’
Paula knikte, gaf de vrouw een kus op haar wang en zei.
‘U bent liever dan alle andere verzorgsters bij elkaar. Nou ja, sommige zijn best oke, maar er zijn erbij die de directrice van mijn part meteen naar huis zou mogen sturen.’
‘Het is al goed, ga nou maar gauw. Oh, wacht even, hier geef dit maar aan Wiesje. Het is mijn geluk ring. Hij heeft mij altijd geluk gebracht, geef het maar, wat extra geluk kan ze best gebruiken.’ De oude vrouw pakte de ring uit een fluweelachtig doekje en gaf hem aan Paula. Aandachtig bestudeerde ze de ring en ontdekte dat er een heel klein spiegeltje in verwerkt was. Ze beloofde dat ze hem aan Wiesje zou geven. Opgelucht huppelde ze weer naar buiten in de richting waar Wiesje nog steeds stond te wachten.
De oude vrouw ging naar het raam en keek naar de twee meisjes die elkaar de afgelopen jaren al zo vaak hadden getroost en nu brak de tijd aan dat die band tussen hen verbroken moest worden.
Lieve Wiesje, het is het lot die voor je beslist. Het lot dat je soms in eigen hand hebt. Ik heb met jullie te doen, maar de kracht om goed uit deze situatie te komen is sterk en je moet er vaak een hoge prijs voor betalen. Het leven geeft en neemt, maar je eigen beslissing heb je zelf in de hand, dacht de oude vrouw. Ze sloot het gordijn en haar versleten lichaam nam plaats in de oude maar comfortabele stoel.
‘Ben je weer terug. Was ik niet duidelijk genoeg,’ mopperde Wiesje, maar Paula legde een vinger tegen haar lippen en zei.
‘Ja, je was heel duidelijk en ik geloofde bijna wat je zei, maar ik weet dat je het niet echt meende.’
‘Oh nee,’ maar Wiesje zweeg en met gebogen hoofd en tranen in haar ogen gaf ze toe dat ze het niet zo had gemeend. ‘Je had gelijk, ik ga je ook missen. Ik ben zo bang dat ik het helemaal niet leuk zal vinden bij mijn moeder en haar nieuwe vriend. Ik wil wel en ik wil niet. Ik weet het gewoon niet,’ ze nam haar vriendin bij een arm en zei. ‘Weet je, soms heb ik het gevoel dat ze me eigenlijk helemaal niet willen. Ik heb het gevoel alsof ik een soort koopwaar voor ze ben Volgens mij gaat het hen er alleen maar om dat ze hun zin krijgen. Ik geloof er niets van dat ze mij uit liefde in hun huis nemen. Nog nooit heeft ze zich iets van mij aangetrokken en nu ze een nieuwe vriend heeft…. Nee, ik geloof echt niet in die oprechtheid van ze. Er moet iets achter zitten.
Paula werd er stil van en bedenkelijk keek ze Wiesje aan. Nog nooit had ze haar vriendin zo serieus meegemaakt ‘Dat mag je niet zeggen Wiesje. Ik weet zeker dat ze van je houden, geloof me nou maar’, zei ze zachtjes. Ze gaf haar opnieuw haar zakdoekje, waarmee Wiesje snel haar tranen mee wegveegde.
‘Oh ja, hier, dit moest ik je aan je geven. Het komt van een hele wijze oude vrouw en ze vertelde mij dat deze ring jouw geluk zal brengen.’
Voordat Wiesje kon vragen welke oude vrouw ze bedoelde, stopte er een auto. Een vrouw, die haar moeder bleek te zijn stapte uit. Het was een wat slonzig geklede vouw. Haar haar was hoog geblondeerd en haar gezicht was veel te zwaar opgemaakt. Ze pakte de koffer die naast Wiesje stond en opende de kofferbak. Daar smeet ze de koffer in, keek Wiesje met een ijskoude blik aan en bits zei ze dat zij als de bliksem moest instappen.
‘Schiet op, we hebben geen tijd. Er moeten nog boodschappen worden gedaan en begroet je nieuwe vader!’
Paula kreeg niet eens meer de gelegenheid om afscheid van haar vriendin te nemen en zwaaide naar Wiesje, die met tranen in haar ogen vanuit de auto terugzwaaide.

Toen Wiesje bij haar nieuwe huis aankwam, keek ze eens goed om zich heen. Ze had zich het huis heel anders voorgesteld. Ze kreeg een klein kamertje dat ze moest delen met een ander meisje die ze nog nooit eerder had gezien.
‘Wie ben jij, vroeg het jongere meisje. Is ze soms ook jouw moeder?’
Wiesje knikte en begreep al snel dat ze een lotgenote had. ‘Ja, als ze ook jouw moeder is dan betekend dat dat wij dus zusjes zijn.’
‘Of stiefzusjes,’ zei het meisje fluisterend.
‘Dat kan,’ zei Wiesje weer op haar beurt.
‘We lijken geloof ik best wel een beetje op elkaar. Laten we voor de spiegel gaan staan,’ zei het meisje. Ze haalde een klein spiegeltje uit haar tasje tevoorschijn en één voor één bekeken ze zichzelf.
Jou haren zijn net zo blond als de mijnen, alleen jouw ogen zijn blauw en die van mijn bruin, maar verder lijkt het erop dat we echt zusjes zijn. Waar heb jij al die tijd gewoond? Mijn naam is Jipke, nou niet van Janneke hoor of was het Jip en Janneke?’
‘Moet je mij niet vragen, mijn naam is Wiesje. Wat een bende is het hier zeg. Laten we wat opruimen, want ik denk dat we hier voorlopig nog wel vast zitten.’
Samen ruimde ze het kamertje op en poestte de grote oude spiegel aan de wand op. Al snel hadden ze er samen een klein, maar knus hokje van gemaakt.
‘Neem jij dit kastje voor je spulletjes, dan neem ik deze, vind je dat een goed idee,’ vroeg Jipke.
Plots werd de deur opengesmeten en zagen ze een jongetje van een jaar of zeven binnen komen stormen. Hij keek de beide zusjes vijandig aan. Wild pakte hij alles op wat hij op zijn weg tegen kwam en smeed het op de grond. Toen hij de ringspiegel van Wiesje in het laatje zag liggen, giste hij hem eruit en gooide het hard tegen de muur. Het spatte in duizenden stukje uiteen op haar bed.
Witheet werd ze, pakt hem bij zijn schouders en schudde hem door elkaar. Opeens stond haar stiefvader in de deuropening en aan zijn ogen zag Wiesje dat ze hier niet ongeschonden uit zou komen.
Hij nam Wiesje bij haar haren en schreeuwde.
‘Ben je nou helemaal bedonderd,’ en sloeg haar hard in het gezicht. Door de klap werd ze met haar hoofd tegen de muur gesmeten en het bloed spoot uit haar neus.
Nijdig keek hij haar aan. ‘Zo dat zal je leren,’ snauwde hij.
Zijn zoon stond er glimlachend bij te kijken en gooide er nog een schepje bovenop. ‘Papa, ze heeft al mijn spulletjes vernieuwd.’
Opnieuw pakte hij Wiesje beet en smeet haar op het bed.
Geschokt had Jipke het gebeuren gadegeslagen en durfde zich niet meer te bewegen. Bang dat ook zij ervanlangs zou krijgen. Haar stiefvader nam haar bij de arm en sleurde Jipke het kamertje uit.
De beide zusjes werden uit elkaar gehaald en de deur van het kamertje werd op slot gedraaid. Wiesje liep naar de deur en schreeuwde dat ze eruit wilde, maar de deur bleef dicht. Ze liep naar het raam en opende hem. Ze begreep al snel dat er via het raam geen ontsnapping mogelijk was. Het was veel te hoog. Verbitterd ging ze op het randje van haar bed zitten en keek naar de vele stukjes van het gebroken glas dat verspreid over de vloer en op het bed lag. Ze probeerde zoveel mogelijk de stukjes bij elkaar te rapen en schrok toen ze opeens een vrouwenstem hoorde zeggen.
‘Houd ze goed vast lieve kind, laat ze niet los,’ maar van schrik liet ze bijna de stukjes vallen.
Ineens gebeurde er iets wonderlijks met de scherven. Ze werden als het ware naar elkaar toe gezogen en weer tot één geheel gebracht.
De ring had zichzelf weer hersteld en ze kon haar gezicht weer in het spiegeltje bekijken. Opeens zag ze in de spiegel de verschijning van de oude vrouw.
‘Bent u soms de vrouw die Paula deze ring voor mij heeft geschonken. Wat gebeurt er met me. Ik zit hier opgesloten en wil zo graag weer terug naar mijn vriendinnen. Helpt u me alsjeblieft.’
‘Lief kind, ik kan niets voor je doen, maar ik geef je een raadsel en als je deze oplost, komt alles weer goed. Luister goed naar wat ik zeg, want ik vertel het je maar één keer, meer kracht heb ik niet meer. Mijn tijd is bijna om. Ben je er klaar voor,’ Wiesje snapte er niets van, maar knikte bevestigend.
‘Lief kind, het werkt maar eenmaal. Je krijgt geen tweede kans daar is mijn macht niet sterk genoeg meer voor. Ik ben een oude vrouw en zal spoedig sterven. Luistert goed, hier is het raadsel.

Kijk niet in de spiegel, maar achterom.

Wiesje begreep er niets van en toen ze de oude vrouw om uitleg wilde vragen, vervaagde het beeld en verdween de vrouw. Voorzichtig wreef ze met haar vinger over het glas.
‘Kom terug oude vrouw,’ smeekte ze, maar de spiegel gaf het geheim niet prijs. Ze verstopte hem onder haar matras en hoopte dat niemand hem daar zou vinden. Ze ging in het hoekje op haar bed zitten en trok haar knieën op, legde haar armen rond haar benen en duwde het hoofd in haar schoot. Nu liet ze haar tranen de vrije loop en fluisterde; ‘Ik wil terug naar mijn vriendinnen. Ik wil helemaal geen ouders. Waarom lieten ze me niet daar. Wat willen ze van me.’
Als ze dit van tevoren had geweten was ze nooit in de auto gestapt. Ze had dan alles op alles gezet om uit de handen van haar moeder en stiefvader te blijven. Maar diep vanbinnen wist ze maar al te goed dat het geen enkele nut zou hebben gehad.
Wiesje schok toen ze het slot van de deur hoorde schuiven. De deur zwaaide open en daar stond haar moeder. Ze had zich omgekleed en verbijsterd staarde Wiesje haar aan. Nog nooit had ze zo iets gezien, of wel… Ja, op de TV had ze wel eens van die dames gezien. Dames van lichte zeden werden ze genoemd. Wat ze daar nou mee bedoelde, daar was ze niet achter gekomen en de leidsters hadden hun schouders opgehaald. ‘Dat leer je later nog weleens,’ hadden ze geantwoord.
Ze bekeek haar moeder en zag dat haar borsten zowat uit haar veel te strakke truitje puilde en haar rokje was zo kort dat je nog net haar onderbroek niet kon zien.
‘Zo lieve schat, hier is je eten voor vandaag,’ en ze gooide een zak patat en een flesje water op het bed.
‘Waar is Jitske?’
‘Dat gaat je geen moer aan. Jij komt snel genoeg aan de beurt, wees maar niet bang,’ opeens stond ook haar stiefvader in de deuropening.
‘Jij gaat veel geld opbrengen. Als je meewerkt, zal ik je goed behandelen. Zo niet, dan zijn de gevolgen voor jou. Je zult niet de eerste zijn die we uit de weg ruimen. Dus, je bent gewaarschuwd,’ waarschuwde hij. De deur werd opnieuw op slot gedraaid en ze hoorde dat er iets zwaars voor werd geschoven. Verbaast staarde ze naar de deur. Ze begreep er niets van. Wat bedoelde ze met…
‘Jij komt snel genoeg aan de beurt!’
Angstig ging ze weer in het hoekje van haar bed zitten. Ze maakte zich zorgen om haar zusje. Misschien was haar al iets overkomen. Wat bedoelde hij met; ‘jij gaat veel geld opbrengen’.
Ze begreep er niets van. In het kindertehuis was ze altijd beschermd en veilig geweest. Ze had niet kunnen bedenken wat haar nog te wachten stond.
‘Ik moet hier zien weg te komen, maar hoe?’ en ze zocht naar een uitweg. Keek in het rond en opende opnieuw het raam. Tuurde over de rand van het raamkozijn, maar wat ze ook proberen zou, een oplossing vond ze niet. Al zou ze de lakens aan elkaar knopen dan nog was de afstand te hoog. Door de val zou ze zich vast bezeren en dan was ze nog verder van huis.
Nee, ik moet iets anders verzinnen, maar wat?
Verloren liet ze zich weer op het bed vallen. Het was een tijdje erg stil, maar opeens was er een hoop kabaal op de gang, wat haar deed opschrikken. Even dacht ze dat ze de stem van haar zusje hoorde, maar opeens was het weer doodstil.
Toktok, klonk het aan de andere kant van de muur. Voorzichtig stond ze op en luisterde aandachtig of er opnieuw op de muur werd gebonkt. Ze sloop naar de andere kant, legde haar oor tegen de muur en riep. ‘Ben jij het Jitske,’ maar ze kreeg geen antwoord?
Ze hoorde wel stemmen en opeens hoorde ze haar zusje kermen van de pijn.
‘Ik zal stil zijn. Niet meer slaan mama. Echt ik zal stil zijn en naar jullie luisteren. Ik zal doen wat jullie zeggen, als je me maar geen pijn meer doet!’
Wiesje wilde zo graag haar zusje helpen maar begreep dat ze niets voor haar kon doen. Hoe vaak had ze er samen met Paula niet over gefantaseerd dat ze een zusje of een broertje hadden en nu had ze er één en kon ze niets voor haar doen. Even later werd haar deur geopend en daar stond haar moeder halfnaakt in de deuropening.
‘Als je het lef hebt om nog maar één woord te zeggen dan krijg jij flink op je lazer. Heb je het begrepen?’ Wiesje dook in elkaar en knikte bevestigend.

In het kindertehuis was het vertrek van Wies niet ongemerkt voorbijgegaan. Paula was stiller dan anders. Diverse keren had zij de andere uitgelegd hoe zij afscheid van Wies had moeten nemen en dat zij haar een gelukring had gegeven. Ze vertelde dat zij de ring voor Wiesje van de oude vrouw had gekregen. De meeste kinderen hadden haar uitgelachen. Een enkeling had haar stilletjes aangekeken. Dat waren degene die de oude vrouw in het verleden ook al eens hadden ontmoet en haar die avond met Paula hadden gezien.
‘En waar heb je haar dan gezien. Volgens mij zie je spoken meid,’ riep een knul van rond de veertien. Dus jij beweerd dat je haar daarin dat kleine kamertje hebt gezien. Waar wachten we dan nog op. Kom laten we daar een kijkje gaan nemen,’ zonder op de anderen te wachten wandelde hij in de richting van het kamertje.
‘Wij hebben Paula zelf met de oude vrouw naar binnen zien wandelen,’ riep één van de meisjes.
Paula kwam rustig op hem aflopen, keek hem strak aan en zei. ‘Ik ben binnen geweest bij de oude vrouw, echt waar. Als je me niet wilt geloven dan moet je dat maar zelf weten. Je hoort toch dat ook de anderen haar gezien hebben.’
Hij keek Paula aan en begreep dat hij aan haar verhaal niet hoefde te twijfelen. Zeker nu er andere beweerde dat ook zij de Paula en de oude vrouw samen hebben gezien. Toch bleef hij nieuwsgierig en haastig liep hij op het kamertje af. Langzaam duwde hij de deurknop naar beneden maar het kamertje was net als altijd op slot.
Wat gebeurt hier,’ vroeg één van de leidsters die opeens achter hem stond.
De kinderen ratelden door elkaar. De leidster begreep er niets van en wees één van de kinderen aan om rustig en bedaard te vertellen wat er zo belangrijk was. Stotterend vertelde ze over de oude vrouw en vroeg of ze een kijkje in het kamertje mochten nemen.
De leidster wreef met haar hand langs haar voorhoofd. Ze begreep er niets van, maar omdat enkele van haar pupillen beweerden dat ze de oude vrouw hadden gezien, ging ze op zoek naar de sleutel van het kamertje.
‘Ik ga kijken wat ik voor jullie kan doen, maar in die tussentijd gaan jullie terug naar de klas. Ik wil niet dat jullie hier problemen mee krijgen.’
De kinderen liepen terug naar hun klaslokaal en intussen ging de leidster in het kantoortje opzoek naar de sleutel. Ze zocht het kantoortje grondig af maar de sleutel was nergens te vinden.
‘Zoek je iets,’ hoorde ze de stem van de directrice achter haar fluisteren.
Even overwoog ze of ze de directrice het verhaal zou vertellen, maar besloot het toch maar niet te doen.
‘Zoek je soms de sleutel van het kamertje in de gang, naast de hoofdingang?’
‘Eh nee, ja toch wel,’ en ze keek de directrice onzeker aan.
‘Er is geen sleutel van die deur. Ook ik ben erg nieuwsgierig en opzoek gegaan naar de sleutel, maar iemand heeft mij op het hart gedrukt in geen geval de deur te openen en het kamertje te betreden.’
‘Maar vindt u dat dan niet vreemd?’
De directrice knikte en zei. ‘Ach, soms moet een mens in zijn leven dingen accepteren omdat het nu eenmaal zo is. Ga nu maar weer terug naar uw klas en laat het voor wat het waard is.’
De leidster groette de directrice en wandelde weg. Toen ze langs het bewuste kamertje liep bleef ze even staan. Van onder de deur zag ze een lichtschijnsel en even dacht ze dat er een schaduw was te zien. Vreemd, sinds Wiesje weg is lijkt het erop of niets meer hier in het tehuis hetzelfde is. De kinderen zijn onrustig en ik heb het gevoel alsof er iets aan de hand is.
In de klas keken de kinderen haar vragend aan. Ze begrepen dat ook de juf geen verklaring had voor het hele gebeuren.
Paula hakkelde: ‘Juf, ik ben daar echt binnen geweest, maar wat er precies is gebeurd, kan ik me niet meer herinneren.
‘Ga maar aan je werk, ik zal er nog eens goed over nadenken. Weet je wat, ik zal Wiesje bij haar ouders gaan opzoeken en zal haar vertellen dat jullie haar ontzettend missen. Jullie zullen zien dat alles goed met haar gaat. Afgesproken?’ De kinderen knikte instemmend.

Wiesje zat nog steeds in haar kamertje. Af en toe mocht ze er even uit om een douche te nemen of om de pot te legen waar ze haar behoefte in moest opvangen. Van haar zusje had ze niets meer gezien of gehoord. Het enige wat ze te eten kreeg was wat patat en een beker water voor de dorst, verder kreeg ze niets.
De dagen slopen voorbij. Het lawaai van getimmer en boren dat een paardagen had geduurd was opgehouden. Het was stil geworden in het huis. Er drong geen enkel geluid meer door. Het leek erop alsof ze helemaal alleen op de wereld was. In paniek bonkte ze op de deur, maar het enige wat ze daaraan overhield was de pijn aan haar handen. Ze rende naar het raam en opende hem, maar toen ze wilde schreeuwen merkte ze dat dat geen enkel nut zou hebben. Haar raam was het enige raam wat uitkwam op de binnenplaats.

Einde deel 1