Bram en de kerstboom

Bram stapt uit bed en voelt de kou op zijn botten. De hele nacht had hij liggen woelen. In de loop van de nacht was de kou ingetreden en die ene deken was niet genoeg geweest om hem warm te houden. Uiteindelijk besluit hij maar om op te staan.
‘Jeetje, wat is het koud,’ moppert hij en grijpt naar zijn ochtendjas.
Hij schuift de gordijnen open en probeert naar buiten te kijken. ‘Nee hè, Wat is er met het raam gebeurd. ‘Mam, er is iets met het raam. Ik kan er niet meer doorheen kijken,’ roept hij naar moeder, die beneden in de keuken bezig is.
Moeder loopt de trap op en gaat naar het raam. Ze moet hartelijk lachten om de reactie van Bram en grinnikend zegt ze ‘Welnee joh, de ramen zijn door het vocht bevroren. Vannacht is plotseling de vorst ingetreden. Door de kou bevriest het vocht, wat op de ramen aanwezig is. Kijk het zijn net krisstallen, zijn ze niet mooi. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik dit voor het laatst heb gezien.’
Bram vindt er maar niets aan. ‘Veel te koud,’ zegt hij en rent de trap af.
‘Goedemorgen Droef,’ groet hij de witte herder die hem kwispelend staat op te wachten.
‘Zoek je riem Droef, dan gaan we naar buiten.’ Droef heeft haar naam te danken aan het feit dat ze altijd zo droevig uit haar ogen kijkt. Op een dag had ze voor de deur gestaan. Moeder was het er niet mee eens geweest dat Bram haar wilde houden, maar de hond had haar zo droevig aangekeken. Ze was voor haar blik gezwicht en kon het niet over haar hart verkrijgen om de hond weg te sturen.
‘Eerst ga ik jou uitlaten, dan zorg ik voor je eten en dan…, nou ja dat zien we dan wel weer. Weet je Droef, ik ga mijn kerstvakantie gebruiken om voor de kerst een mooie kerstboom voor moeder te kunnen kopen. Hoe weet ik nog niet, maar dat zien we nog wel.’
Bram pakt zijn das en draait hem om zijn nek. Als hij de voordeur opent dan kijkt hij verrast de witte wereld in. ‘Nu droom ik echt. Mam, kom nou eens kijken. Er ligt wel tien meter sneeuw voor de deur en het sneeuwt nog steeds.’
‘Dat is niet zo mooi jongen. Ik moet de boodschappen nog doen,’ maar Bram biedt meteen aan om haar te helpen.
‘Maar mag ik dan daarna weg, mam?’
‘Natuurlijk jongen. Het zijn maar een paar boodschapjes.’
Bram kijkt zijn moeder aan, hij weet immers dat het altijd dezelfde boodschappen zijn die hij voor haar moet kopen. Havermoutpap, melk, aardappelen en voor Droef een pond pens. Hij weet heel goed dat de pens flink op de portemonnee van zijn moeder drukt, maar ze zegt altijd dat Droef hen beschermd en ze het daarom verdiende.
‘Weet je mam, ik kan nu de slee van tante Bets meenemen.’
De slee hing al zeker twee jaar in de schuur te roesten. Hij had hem van tante Bets gekregen en was er toen zo blij mee geweest. Dit was de eerste keer dat hij hem dan eindelijk kon gebruiken. Moeder kijkt hem vertederend aan en knikt. IJverig gaat ze verder met het verstelwerk. Voor één van de oude dames, die verderop in de straat wonen, deed ze zo nu en dan verstelwerk. Zo kon ze wat extra´s bij verdienen. Af en toe verdenkt ze de dames ervan dat ze haar het werk gaven uit medelijden. De sokken die ze moest stoppen waren eigelijk niet meer te herstellen. Het waren meestal van die moderne sokken die je, als ze stuk waren maar beter meteen kon weggooien. Vaak werd ze er moedeloos van, maar omdat ze het geld hard nodig had en het zeker niet voor niets wilde hebben, bleef ze ze trouw herstellen. Ze vermoedde dat ze zo af en toe steeds dezelfde sokken of lakens kreeg om ze te herstellen. Vaak voelde ze zich schuldig en vond dat ze ermee moest stoppen, maar ze kon niet zonder het geld. Zolang Bram nog niet groot genoeg was om voor zichzelf te kunnen zorgen kon ze elke cent gebruiken.
Het ergste was dat ze, ook dit jaar weer geen kerstboom in de kamer konden plaatsen. Maanden van tevoren probeerde ze voor de kerstdagen altijd iets opzij te leggen, maar zo nu en dan hadden ze ineens iets nodig waardoor dat potje weer bijna leeg raakte. Ze had dan wel niet veel kerstballen, maar uit eenvoudige middelen was wel iets moois te maken. Gelukkig was de kerstverlichting nog prima in orde. Voor de tafel had ze nog wat gezellige kaarsen om bij de maaltijd op tafel te zetten. Haar vingers jeukte om het mooie tafellaken, dat zij ooit van haar oma had gekregen, te gebruiken voor het kerstdiner. Samen met de kaarsen zou de tafel er prachtig uitzien. Als ze nu ook nog een klein boompje op de kop konden tikken, wat zou dat dan knus zijn, zo samen met Bram.
Elk jaar vertelde ze hem weer een prachtig kerstverhaal uit het mooie boek wat ze ooit als kind van haar ouders had gekregen. Samen genoten ze dan van de kerstavond. Soms had ze het gevoel dat zij er nog meer van genoot dan Bram. Moeder legt het verstelwerk neer en gooit nog wat kolen op de oude kolenhaard. De haard hadden ze langs de weg gevonden. Ze herinnert zich dat nog heel goed. Bram was nog klein geweest. Ook toen sneeuwde het, dat was de laatste keer dat het gesneeuwd had, bedenkt ze zich plots. Bram’s vader had een kleine slee in elkaar gespijkerd en samengingen ze op pad om te kijken of ze goedkoop een boompje op de kop konden tikken. Met zijn kleine beentjes had hij de slee zelf willen trekken totdat hij er moe van werd. Ze struinde de stad af, maar ook toen waren de bomen te duur voor hen. Ze gaf het op toen ze zag dat Bram op de slee zat te bibberen van de kou. Plotseling struikelde ze over een berg sneeuw. Haar voet bleek vast te zitten en toen ze de sneeuw wegwreef, zag ze tot haar verbazing dat haar schoen in het deksel van een kachel vast zat. Met hulp van een oude man, die toevallig langs kwam, hebben ze de kachel op de slee gezet en daar bovenop werd Bram gezet. Wat had hij een plezier gehad. Hij voelde zich een ware koning. Thuisgekomen installeerde ze de kachel in het kleine kamertje en tot op de dag van vandaag snorde de kachel heerlijk en verwarmde hij het kleine kamertje met gemak, ten minste als ze zich hout of kolen konden veroorloven. Kolen waren het grootste probleem. Op een dag had één van de winkeliers, van wie ze zo nu en dan wat hout of kolen kreeg haar voorgesteld haar de kolen te geven als zij voor hem zo af en toe zijn winkel een middagje zou schoonmaken. Tot nu toe werkte dat goed en kregen ze trouw de kolen en soms ook nog wat extra’s als aardappelen en soms wat appels. Ze tuurt door het raam en ziet dat de wind de sneeuw nog steeds door de straat stuift.
Bram komt de keuken binnen en zet de weinige boodschappen op het aanrecht, groet zijn moeder en weg is hij weer. Droef rolt door de sneeuw en Bram kijkt ernaar. Droef heeft er plezier in. Blij rent ze op Bram af die haar sneeuwballen toegooit, waar Droef dan iedere keer naar hapt.
‘Zit,’ roept Bram en Droef gaat direct op haar achterste zitten. Ze kijkt Bram aan en begrijpt dat het spel nu over is. Bram trekt de slee achter zich aan en Droef ziet haar kans schoon en springt er bovenop. Gaat liggen en houdt iedereen, die hen passeert scherp in de gaten.
‘Hee joh, je moet die hond laten trekken. Het is geen gezicht,’ roept een knul naar Bram.
‘Bemoei jij met je eigen zaken, anders stuur ik haar op je af!’
‘Het was maar een grapje hoor. Ik wilde je niet beledigen!’
‘Als je het maar weet,’ en Bram sloft door de hoge sneeuw richting het plein. Hij hoopt dat de kerstbomenverkoper er, net als de vorige jaren, ook dit jaar weer staat. Op het plein ziet hij tot zijn grote vreugde de man staan. Er ligt al een berg kerstbomen te wachten om verkocht te worden. Hij trekt flink aan het touw en de slee schiet vooruit. Door de flinke ruk glijdt Droef van de slee.
Ze kijkt Bram verbaast aan alsof ze wil zeggen dat ze dat niet leuk vond.
‘Kom Droef, opschieten,’ pakt haar riem en rent met het touw van de slee in zijn andere hand op de berg kerstbomen af.
De klanten verdringen zich om de mooiste boom te bewonderen en te kopen. De verkoper roept dat hij er genoeg heeft en dat ze allemaal van goede kwaliteit zijn. ‘Wacht rustig op u beurt,’ roept hij en toen werd het rustiger.
‘Brengt u ze ook thuis, vraagt een vrouw in een nepbontjas?’
‘Nou nee mevrouwtje, daar kan ik niet aan beginnen. U neemt de boom zelf mee of laat hem iemand thuisbrengen,’ en dat was nou precies het moment waarop Bram had gewacht.
‘Mevrouw ik wil hem best voor u thuisbrengen,’ en gaat tussen de vrouw en de verkoper instaan.
De man kijkt hem bedenkelijk aan en vraagt: ‘Hoe oud ben je?’
‘Ik ben al bijna tien jaar. Ik kan het best hoor. Kijk en dit is Droef. Zij helpt mij om de boom veilig bij uw klanten thuis te bezorgen.’
De man wrijft langs zijn kin en denkt diep na. De vrouw springt voor Bram in de bres en zegt:
‘Nou goed dan, je krijgt een euro als je deze boom veilig thuisbezorgt,’ ze geeft het adres en wandelt zonder op zijn antwoord te wachten weg.
De man staat Bram nog steeds aan te kijken, maar de overige klanten beginnen te morren dat ze geholpen wilde worden.
Hij geeft Bram een aai over zijn bol en zegt: ‘Het ziet ernaar uit dat je een baantje hebt. Breng deze kerstboom naar dit adres en kom dan terug. Ik kan jou best gebruiken, wil je dat?’
Nou, daar hoefde hij niet lang over na te denken. Gedreven legt hij de boom op de slee en samen met Droef treken ze de slee door de diepe sneeuw op weg naar zijn eerste verdiende euro.
Op het adres aangekomen belt hij aan en wacht geduldig tot de deur opengaat. De vrouw was heel vriendelijk tegen Droef en hem. Droef mag zelfs mee naar binnen. Bram aarzelt niet en helpt haar de boom stevig in de hoek van de kamer neer te zetten.
‘Die staat stevig mevrouw, hij past maar net. Maar nu moet ik weer gaan, want de kerstbomen verkoper heeft nog veel meer werk voor mij,’ maar toen hij wilde weglopen, werd hij door haar tegengehouden.
´Vergeet je niet iets. Je hebt mij erg goed geholpen. Hier heb je een munt van twee euro. Die heb je best verdiend.’
Hij stopt de munt diep in zijn zak en zegt: ‘Dank u wel mevrouw en tot ziens.’
De vrouw kijkt hem glimlachend na en sluit de deur.
Bram spant Droef voor de slee en gaat er zelf bovenop zitten.
‘Rennen Droef, misschien kunnen we nog wel meer van deze klusjes veroveren.’
De verkoper ziet ze aankomen en als het even rustig is zegt hij: ‘Als jij goed je best blijft doen, krijg je een mooie boom van mij. Ga er maar vast één uitzoeken en zet hem dan veilig achter de caravan,’ Bram zoekt een mooie, maar niet al te grote uit. ‘Zo Droef, deze is heel mooi,’ en hij zet hem veilig achter de caravan. Daar staat hij veilig uit het zicht van de klanten. Hij weet vrijwel zeker dat als ze deze boom zouden zien, ze hem zouden willen kopen. Nee, deze is voor hem. Wat zou moeder opkijken als hij met de boom thuis zou komen.
Hij krijgt heel wat opdrachten, maar het is niet altijd zonder gevaar. Zo nu en dan komt hij jongens tegen die de boom van hem wilde stelen, maar gelukkig heeft hij Droef bij zich en als ze haar zien trekken ze zich snel terug. Op een keer belde hij bij een klant aan en even had hij niet goed opgelet. Hij had wel iemand achter zich door de sneeuw horen lopen, maar er geen aandacht aan geschonken. Droef stond immers bij de slee en ze zouden het wel laten om de boom te stelen. Hij belde aan, de deur zwaait open en een man verschijnt in de deuropening. ‘Uw kerstboom meneer,’ maar toen Bram terugliep om de kerstboom op te halen, was de boom verdwenen. Bram zag nog net een jongen met zijn boom de hoek omrennen. Hij kijkt naar Droef en wilde haar een standje geven, maar dan ziet hij dat ze haar aan een ijzeren hek hadden vastgebonden. Droef likte zijn bek af en Bram besefte dat ze haar met iets lekkers hadden weggelokt. Beteuterd maakt hij haar los en begreep dat ze nu een probleem hadden. De man die vond dat het wel erg lang duurde, staat opeens voor hem en vraagt waar zijn boom is.
‘Ze hebben hem gepikt,’ stottert Bram.
‘Nou ja zeg, wat is dat dan voor een hond. Een schoothondje of zoiets en hoe ga jij ervoor zorgen dat ik mijn boom terugkrijg. Ik wil dezelfde boom en je zorgt er maar voor dat ik hem krijg, anders ga ik naar de verkoper om hem te vertellen dat jij geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel hebt,’ en boos wandelde hij naar binnen.
Bram staat er verslagen bij. Hij weet niet wat hij moet doen om dit probleem op te lossen. De boom, die hij voor moeder had uitgezocht, kon hij nu ook wel vergeten.
´Kom maar Droef, jij kunt er ook niets aan doen, dan maar weer geen kerstboom dit jaar.’
Hij steekt zijn hand in zijn broekzak en haalt het geld, dat hij al had verdiend eruit. Telde het, maar het was nog lang niet genoeg om er een boom voor te kopen.
Droef kijkt hem lodderig aan, steek haar snuit in zijn handpalm en blaft naar hem. Bram begrijpt niet wat Droef wil, maar als ze zich opeens lostrekt en begint te rennen, rent hij achter haar aan. Met de slee achter zich voortslepend loopt en glijdt hij over en door de sneeuw. Droef blijft bij elke hoek staan, snuffelt over de grond en net als Bram hem bijna weer had ingehaald rent ze weer vooruit.
‘Wacht op mij Droef. Ik kan je bijna niet bijhouden en ik ben buiten adem.’
Het lijkt erop of Droef hem begrijpt. Plots blijft ze staan en doet een paar stappen achteruit. Als ze Bram ziet aankomen, gaat ze liggen. Bram weet wat dit betekende, hij had het haar immers zelf geleerd. Voorzichtig kijkt hij om het hoekje en verderop ziet hij een groep jongens staan. Bram weet niet zo goed wat hij moet doen. Trouwens, hij zou ook nog eens moeten bewijzen dat zij de boom hadden gestolen.
Droef gaat staan, en sluipt op de jongens af.
‘Niet doen Droef, laat nou maar. Straks doen ze je nog wat,’ maar Droef weet wat ze doet en met een opgetrokken bovenlip loopt ze op de jongens af.
Eén van hen ziet haar aankomen en verschuilt zich achter een muurtje. De één na de ander maakt dat hij weg komt en verstopt zich. Droef blijft voor de poort staan en begint hard te blaffen. Bram wordt nu ook brutaal en gaat naast hem staan.
‘Rustig maar Droef, maar hou ze in de gaten. Bram ontdekt één van de jongens en roept. ‘Zeg jij daar, ja jij op dat hek daar, waar is die boom die jullie van mijn slee hebben gestolen. Ik wil het nu weten, anders stuur ik mijn hond op je af. Denk maar niet, dat ze je op die hoogte niet kan pakken want ze is hiervoor getraind,’ bluft Bram.
Hij ziet de angst in de ogen van de jongen, die geen woord meer durft te zeggen.
Opeens antwoordt een andere jongen, die zich in een boom had verstopt. ‘De boom ligt nog hier. Het was maar een grapje hoor. We hadden hem heus wel aan je teruggegeven.’
‘Ja, ja een grapje, maakt dat de kat wijs. Hier die boom en snel, anders stuur ik mijn hond alsnog op jullie af.’
Eén van de jongens gooit de boom over de muur en samen met Droef verlaat Bram tevreden de straat.
Opnieuw belt hij bij de klant aan, die is zichtbaar tevreden en blij met zijn boom. Bram krijgt ook nu zelfs wat extra geld voor de bezorging. Samen met Droef rent hij weer terug naar het plein. Intussen is het redelijk laat geworden en de man stuurt hem naar huis. ‘Moet u dan niet naar huis,’ vraagt Bram.
‘Nee, jongen dat zou niet zo slim zijn. Als ik dan morgen terugkomt, ligt er geen enkele boom meer. Kom morgen maar weer terug, de laatste dag voor de kerst is er nog volop werk.’
Voordat Bram naar huis gaat kijkt hij nog één keer achter de caravan. Zijn boom staat er nog en moe, en tevreden loopt hij samen met Droef naar huis.

De laatste dag voor de kerst is aangebroken en degene die nog in het bezit zijn van een boom, koopt er nog snel één. Bram is samen met Droef behoorlijk in de weer. Ze bezorgen de ene na de andere boom bij de kopers thuis. De verkoper overhandigd hem steeds weer opnieuw een adres waar hij een boom moest bezorgen. ‘Zo Bram, dit is het laatste vrachtje voor vandaag. Deze moet worden afgeleverd bij dat grote huis net even buiten het dorp. Wil je hem brengen?’
Bram knikt en de verkoper vertelt hem dat de laatste bomen voor de helft van de prijs worden verkocht. ‘Ga, maar gauw. Zoals je ziet is het nog erg druk hier.’
Bram trekt de slee achter zich aan. Hij voelt dat de harde koude wind aanwakkert. Droef buigt zijn kop en trotseert de sneeuw die jachtig tegen zijn snuit slaat. ‘Het wordt wel heel erg koud hé Droef. Laten we bij de bakker iets lekkers gaan halen en bij de slager een lekker stukje vers vlees voor jou. Dat hebben we wel verdiend, na al dat harde werken. Bij de bakker koopt hij voor zichzelf een lekkere knapperige krakeling en hapt er gretig in. Buiten pakt hij de slee en wandelt verderop de slagerswinkel binnen. ‘Ik wil een stuk vlees voor mijn hond kopen.’
De slager kijkt hem aan en vraagt hoe zwaar deze moet zijn. Hij herkent Bram omdat hij op dezelfde kleuterschol als zijn dochters had gezeten. Hij kon de dag, dat zijn beide dochtertjes huilend waren thuisgekomen nog goed herinneren. Ze vertelde dat de vader van Bram was verongelukt. Iedere keer als hij met zijn bus de weg op moest hadden ze hem gesmeekt voorzichtig te zijn omdat ze bang waren dat ook hem iets zou overkomen. Die periode was hem altijd bijgebleven. Zijn dochters hadden het nooit over een hond gehad. Ook zijn zoon, die wat ouder is dan Bram, had hij er nooit over gehoord. Het tragische ongeval van zijn vader had erg veel roering in het dorp gebracht. Uiteindelijk had de gemeente iets aan die gevaarlijke kruising gedaan, maar daar moest wel eerst een gezin zijn naaste voor verliezen.
‘Mijn hond is een grote witte herder, zoveel vlees wil ik voor hem. Ze heeft zo hard gewerkt voor mij. We hebben kerstbomen rondgebracht en nu ik wat centjes heb verdiend, trakteer ik mezelf en mijn hond,’ vertelt hij trots.
‘Tja, dan moet het rundvlees zijn,’ zegt de slager.
‘Waarom rundvlees slager?’
‘Omdat honden geen varkensvlees mogen. Dat is niet goed voor ze en omdat jouw hond hard heeft gewerkt, heeft ze dat nodig. Er zitten veel vezels en bepaalde voedingstoffen in, dat is ook goed voor haar vacht. Het is toch een haar?’
‘Ja meneer, een teefje.’ Bram kijkt in het rond en de slager neemt plaats achter zijn hakblok.
‘Geef me maar een groot stuk slager, zei Bram.
Even later komt de slager met een paar flinke stukken vlees terug en stop deze in een zak.
‘Kijk eens, dit zal ze wel lusten, wat over is moet je maar aan je moeder geven. Dan hebben jullie met de kerst ook nog een lekker maaltje.’
‘Wat krijgt u van mij,’ vraagt Bram en haalt zijn verdiende geld uit zijn zak.
‘Niets jongen, het is kerstavond en jij, je moeder en de hond hebben dit verdiend. Hoe heet je hond?’ ‘Droef meneer, ze zal het heerlijk vinden en mijn moeder ook.’ Hij bedankt de slager vriendelijk en verlaat de winkel. De slager kijkt hem na, niet wetende dat hij zoveel goeds had verricht. Hoewel, hij had wel gezien dat het bij Bram thuis geen vetpot was. De jas en de schoenen van de jongen waren nodig aan vernieuwing toe. Misschien moet ik Elly vragen of zij weet waar de jongen woont, misschien zou ik wat meer voor hem kunnen doen, neemt hij zich voor en belt zijn vrouw.
Droef ligt geduldig voor de slee op zijn baasje te wachten. Als je niet zou weten dat ze daar lag zou je haar niet eens zien liggen, zo wit is haar vacht.
‘Oh nee hé niet weer.’ Van schrik laat Bram het pak vlees vallen en ontdekte dat voor de 2e keer de boom verdwenen was.
‘Nee hè, toch niet weer. Waarom reageert Droef toch niet. Die rotknullen,’ moppert Bram.
Droef schut zich uit en snuffelt aan het pak met vlees.
‘Nee Droef, je krijgt niets. Je hebt opnieuw zomaar een boom laten pikken,’ maar Droef snapt er niets van. Wat Bram ook tegen haar zegt, ze blijft maar met haar staart kwispelen. Opeens begint ze hard te blaffen en loop van de slee weg.
‘Weet je dan waar die boom is. Sorry Droef, sorry dat ik zo lelijk tegen je deed,’ maar Droef gaat helemaal niet achter de kerstboom aan, maar neemt de weg terug naar huis.
Bram roept haar terug en zegt dat ze pas naar huis kunnen als ze de laatste kerstboom op zijn bestemming hebben gebracht.
‘Als de verkoper erachter komt dat we hem kwijt zijn kunnen we onze kerstboom wel vergeten,’ schreeuwt hij Droef na.
Hij neemt het touw van de slee en voelt de pijn in zijn botten. Vermoeit sleept hij de slee voort en hoopt dat hij de boom alsnog terugvindt. Zijn benen willen niet meer en ook Droef vertikt het om verder te gaan. Hij geeft het zoeken op en neemt de weg terug naar het plein.
Het begint al te schemeren en het wordt steeds kouder en kouder. Zijn handen en voeten doen pijn van de kou en hij probeert zijn handen warm te wrijven. Zo lopen ze beiden verder. Droef laat zijn kop hangen, niet begrijpend waarom haar baasje zo narrig tegen haar doet.
‘Ik ben zo moe Droef. Hoe moet ik de verkoper uitleggen waar de boom gebleven is.’
Droef drukt zijn snuit tegen zijn hand en even leek het erop alsof hij voelde wat zijn baasje bedoelde. Eindelijk komen ze bij het plein, maar het plein is leeg en verlaten. De verkoper en zijn caravan zijn verdwenen. Er is geen kerstboom meer te zien. Verdrietig laat Bram zich in de sneeuw vallen en Droef likt troostend zijn gezicht en begint te blaffen.
‘Je wilt naar huis hè Droef. Tja, laten we maar gaan er zit niets anders op. Maar ik vind het wel een rotstreek dat hij onze kerstboom heeft verkocht. Hij kon toch niet weten dat we de laatste boom niet op het adres hebben afgeleverd. Ik vind het een rotstreek,’ mopperde hij triest.
Hij neemt het zichzelf kwalijk dat hij de laatste opdracht niet goed had uitgevoerd, maar dat was geen reden om hem zo te behandelen. Ten slotte hadden Droef en hij de afgelopen twee dagen hard gewerkt.
Iedere keer als Bram langzamer ging lopen, kwam Droef terug en spoorde hem aan om op te schieten. Maar voor Bram hoefde het niet meer.
Deze kerst wordt toch geen moer meer aan en ik kan niet terug naar huis. Ik heb gefaald en wat moet ik moeder zeggen. Ze wil natuurlijk weten wat we de afgelopen twee dagen hebben uitgevoerd, maar Droef duwt hem tegen zijn achterste of hij nu wilde of niet, ze zorgde dat hij de weg naar huis moest bewandelen. Met knikkende knieën van schaamte opent Bram de keukendeur en ziet zijn moeder aan het aanrecht staan.
‘Zo, ben je er eindelijk. Ik maakte me al ongerust. Waar heb je al die tijd gezeten en wat heb je daar bij je,’ en ze pakte het pak aan. Toen ze de zak opende sloeg ze haar handen voor het gezicht. Verbaast kijkt ze hem aan en vraagt. ‘Hoe kom je eraan. Je hebt het toch niet gestolen?’
‘Nou mam doe niet zo raar. Ik wilde een stuk vlees voor Droef kopen, van mijn eigen verdiende geld, maar de slager vond dat wij met kerst ook wel wat lekkers hadden verdien en heeft iets extra’s meegegeven. Maar of ik het echt verdien dat, weet ik niet.’
Ze stuurt Droes naar de woonkamer en neemt Bram’s handen in de haren. Wrijft ze warm en vraagt waarom hij het niet verdient. Hij vertelt haar het verhaal en moeder kijkt hem glimlachend aan.
‘Sluit je ogen en hou mijn hand vast. Niet kijken hoor. Ik zorg dat je nergens tegenaan loopt,’ en ze neemt hem mee naar de huiskamer. Daar mag hij zijn ogen openen en dan ziet Bram tot zijn grote verbazing zijn kerstboom. Versiert met lichtjes en slingers naar hem pronken. Sprakeloos staart hij naar de boom, maar dan fluistert hij. ‘Maar mam, dat is niet eerlijk. Die mensen waar ik de boom moest brengen, hebben nu geen leuke kerst. Misschien hebben ze wel kinderen. Ik voel me er zo rot onder. Zo kan ik toch geen kerst vieren. Ik moet dan steeds aan dat gezin denken. Het is niet eerlijk. Kunnen we deze boom niet brengen?’
‘Nee jongen, jij hebt deze boom met je hart en ziel verdient. Hij staat er nu en hij blijft staan,’ Bram kijkt zijn moeder aan en vraagt opeens. ‘Maar hoe komt hij dan hier?’
‘De verkoper had een vergissing gemaakt. Hij had per ongeluk jouw boom op de slee gelegd en toen hij je bij de slager zag staan, heeft hij hem van de slee gehaald en naar hier gebracht. Het moest een verrassing voor je zijn, maar ik weet zeker dat, als hij dit geweten had, hij het heel anders had aangepakt.’
‘Oh, daarom deed Droef niets. Hij kent de kerstbomenverkoper heel goed en zag er dus geen kwaad in toen hij onze boom meenam. Maar hoe zit het dan met die mensen waar ik een boom naar toe moest brengen?’
‘De verkoper had er nog een paar liggen en heeft de klant uitgelegd dat de boom die zij hadden uitgezocht eigenlijk al verkocht was. Als troost heeft hij de klant niet één, maar twee bomen gegeven. En…, ze hoefde er maar voor één te betalen.’
Bram sloeg zijn armen om haar nek en zei. ‘Mam, ik houd zoveel van je. Nu hebben we een kerstboom en lekker runderlapjes voor ons alle drie en kijk eens.,’ hij haalde zijn zakken leeg en samentelde ze het geld. Zijn mond viel open van verbazing.
‘Heb ik dit allemaal verdien. Nu hebben we voorlopig te eten mam en kunnen we wat extra hout voor de kachel kopen.’ Bram trok Droef naar zich toe, kuste haar boven op haar snuit en zegt. ‘Dat hebben we toch maar samen goed gedaan hé Droef,’ maar Droef snapt er niets van, die geniet alleen maar van het lekkere stukje vlees dat ze van haar baasje kreeg.
Plotseling wordt er hard aan de deur geklopt. Moeder en Bram kijken elkaar aan, niet begrijpend wie er op dit tijdstip nog langs zou kunnen komen. Moeder staat op en strijkt haar wollen jurk glad, loopt naar de deur en opent hem. Verbaast kijkt ze naar buiten. Er werd toch echt aan de deur werd geklopt, denkt ze. Net als ze de deur weer wil sluiten ziet ze een grote kist staan.
Ze roept Bram en samen tillen ze hem de huiskamer in. Daar maken ze de kist open en van verbijstering valt hun mond open. De inhoud van de kist straalt hem toe. Hij zit vol levensmiddelen en warme kleding voor Bram. Bovenop ligt een briefje en moeder leest het met sierlijke letters geschreven briefje voor.

Kerstfeest moet voor ieder van ons een blijde gebeurtenis zijn met warmte en liefde van onze naaste.
Sommige van ons voelen het gemis van hun dierbare en moeten dag in, dag uit de eindjes aan elkaar knopen om rond te komen. Met deze inhoud hopen wij (uw gulle gevers) een warme kerst toe.

Einde.