4 Opzoek naar Boris

Barend en zijn vrouw Barbet waren druk bezig met het in orde maken van hun nest. Het was pas maart en Barend had een onaangenaam gevoel over het weer. Zijn snavel gericht naar de strakblauwe lucht en in gedachte mummelde hij iets tegen Barbet.
‘Dat wordt hommeles. Ik voel het aan mijn snavel’, sprong op het randje van het nest en keek naar beneden.
De zon verspreidde zijn warmte en hij zag Boris zoals altijd voor zijn hok liggen doezelen.
‘Wat is er Barend’, vroeg Barbet. ‘Je doet zo onrustig.’
Hij wandelde naar het eind van een tak en tuurde opnieuw naar de lucht.
‘Ik maak me bezorgd. Het puntje van mijn snavel is koud en dat maakt me huiverig. Dat heb ik al eens eerder meegemaakt toen ik nog rondzwierf en dat is lang geleden. Laten we het nest snel afmaken en zien dat we een goede beschutting hebben’, en ging meteen aan het werk.
Barbet begreep er niets van, maar om hem gerust te stellen hielp ze hem om het nest in orde te maken. Toen ze bijna klaar waren, keek hij in de richting van Boris. Hij besefte dat Boris niet kan weten welk onheil er opkomst is. Hoe meer hij erover nadacht, hoe zekerder hij van zijn zaak werd.
‘Lieverd, maak jij de rest van het nest in orde. Ik moet Boris waarschuwen. Die ligt daar maar alsof hij de koning van de buurt is’, vloog op, nam een zweefvlucht en landde op de nok van Boris hok. “Hee Boris, ik zou maar zorgen dat je enige beschutting krijgt. Kruip in je hok. Het wordt koud, verschrikkelijk koud!”
Boris tilde zijn kop op en vond dat Barend hem met rust moest laten.
‘Laat me met rust. Ik ben niet bang voor een beetje kou. De winter is trouwens allang voorbij. Het is lente, weet je wel. Dat moet jij toch als vogel weten. En nou wegwezen, ik wil mijn dutje doen.’
Barend spreidde zijn vleugels, wapperde ermee en riep.
‘Doe maar eigenwijs. Ik heb je gewaarschuwd. Als het je dood wordt, moet je niet bij mij komen klagen,’
Boris grinnikte toen hij deze woorden hoorde en mommelde.
Dan hoef ik niet bij hem te komen klagen. Wat verbeeldt hij zich wel. En nu wegwezen. Hapte naar hem, maar Barend ontweek hem met gemak, vloog ophoog en lachte hem uit. Ook wist hij dat het happen niet gevaarlijk was. Boris zou hem nimmer bijten.
‘Kraa kraa, je bent gewaarschuwd. Ik ga terug naar mijn geliefde en we gaan ons daar diep in nestelen.’
Net toen hij wilde wegvliegen vroeg Boris.
‘Zeg Barend is het echt waar wat je verteld?’
‘Kraa kraa, ben ik je vriend of niet. Ja toch?’
‘Natuurlijk Barend dat moet je geloven.’
‘Doe dan wat ik je heb gezegd en kruip diep in je hok. Ik ga nu maar gauw. Tot later, sterkte.’
Boris keek hem na, haalde zijn schouders op en ging door met slapen.

Dorientje voelde zich wat draaierig en nam naast haar moeder plaats. Keek haar van opzij aan en zei.
‘Mam, ik voel me niet zo lekker. Ben ik ziek,’ ze nam de poot van haar moeder en legde hem tegen haar kopje. Ze was al een wat oudere poes van een paar worpen terug. Zij mocht indertijd in het grote huis blijven wonen. De andere uit haar nest hadden nieuwe baasjes en bazinnen gekregen, maar zij mocht van de bazin blijven.
‘Nee hoor meid, dat is de lente die is aangebroken. Het verdwijnt vanzelf wel weer.’
Met dit antwoord nam Dorientje geen genoegen. ‘Wat heeft dat met de lente te maken,’ en opeens stokte ze in haar zin. ‘Is het echt waar mam, ben ik nu volwassen?’
‘Nee, maar over een niet al te lange tijd zal dat zeker komen. Geduld meisje. Wees eerst nog maar even lekker kind. Ga toch buiten spelen,’ wilde ze er nog bij zeggen, maar besloot dat het maar beter was er verder niet op in te gaan. Ze liep naar het kattenluikje, keek voorzichtig om het hoekje en riep de kinderen dat ze bij het huis moesten blijven. Jammerend spartelde ze tegen, maar moederpoes bleef bij haar besluit.
De kitten speelde verstoppertje en Snippie was hem steeds.
‘Ik stop ermee, jullie spelen vals’, en nam plaats op één van de bielzen aan de rand van de tuin. Rillerig schudde hij zijn lichaam en merkte dat het opeens koud werd. Hij keek naar de lucht en zag dat er donkere wolken overtrokken en al snel vielen de eerste sneeuwvlokken.
‘Ik ga naar huis’, zei hij stampvoetend. ‘Het is daar veel warmer en ik heb honger!’
De anderen die zich tot nu toe nog steeds door hun spel warm hadden gerend, voelde nog niets van de kou en speelden gewoon door. Toen de wind harder ging waaien en de sneeuwval doorzette, volgde ze Snippie.
Moederpoes keek om het hoekje en zag de sneeuw met vlagen tegen het kattenluik aan slaan. Ze telde snel haar kroost, maar na een paar keer rondkijken of ze al binnen waren, miste ze er twee.

Toos en Lotte zwierven door de tuin, terwijl moederpoes ze nadrukkelijk had gezegd dat ze dichtbij het huis moesten blijven. De sneeuw snerpte in hun gezicht en al gauw stonden ze tot hun middel in de sneeuw.
‘Nog even volhouden Lotte, ik geloof dat we er bijna zijn, maar dat zei ze alleen maar om haar gerust te stellen.
Omdat de jachtsneeuw pijn aan hun oogjes deed, boksten ze met gebogen kopjes tegen de stormachtige wind op. Af en toe keek Toos om om te zien of haar zusje haar wel volgde. Ook al waren ze nog zo moe ze moesten sterk blijven en de kou trotseren. Alleen voor Lotte was het teveel. Ze bleef staan en riep.
‘Ik kan niet meer!’
Toos rende terug, toen ze haar zusje zag wankelen.
‘Laten we even uitrusten, Mijn pootjes doen zo’n pijn en mijn oren voelen zo koud aan.’
Toos nam haar dicht tegen zich aan en schreeuwde boven de wind uit dat ze door moesten.
‘Als we gaan rusten dan is het met ons gedaan. We moeten doorgaan. Niet opgeven Lotte, we zijn er zo. Ik zie de boom van Barend en Barbet al,’ probeerde Toos haar moed in te spreken.
Lotte zag niets en zei.
“Ik kan niet meer, ga jij maar en liet zich languit in de sneeuw vallen.
‘Nee Lotte, niet gaan liggen. Zo vries je dood.’
Ze probeerde Lotte te helpen, maar zelf was ze ook moe. Net toen ze naast Lotte neerviel, dook er een schaduw op. Ze keken verschrikt op en tot hun blijdschap, zagen ze hun vader boven hen staan.
‘Wat doen jullie beiden zover van huis,’ en nam de verkleumde Lotte op zijn rug. Zijn staart gaf hij aan Toos en zei dat ze hem moest volgen.
Bij het kattenluikje stond hun moeder ze al op te wachten en opgelucht sloot zij ze in haar poten. ‘Ze hebben geluk dat ik ze toevallig tegenkwam. Het was of ik het aanvoelde. Ik neem nooit deze weg naar huis. Stop ze maar snel onder de dekens, want ze zijn ijs en ijskoud’, zei hij klappertandend.

Terwijl de temperatuur sterk was gedaald, blies de wind de striemende sneeuw tegen het nest. Barend kroop dicht tegen zijn geliefde aan. Door de windvlagen kromde de boom zich heftig om zich vervolgens weer los te maken en even tot rust te komen.
‘Gelukkig hebben we het nest op tijd winddicht kunnen maken liefje. Ik moet er niet aan denken dat we nu op een kale en niet beschutte tak zouden moeten zitten.’ Hij spreidde een vleugel over haar rug en zei dat ze haar energie moest sparen.
Barbet kroelde zich nog steviger tegen hem aan en voelde langzaam de angst uit haar lichaam trekken. Ze was opeens niet bang meer nu ze de warmte van haar liefste voelde.

De storm was op zijn hoogste punt en de tuin was in één grote witte deken van sneeuw om getoverd. Achter het raam op het aanrecht lagen de kitten te spinnen.
Snippie rekte zich uit en schrok toen hij niets zag. De wind die pal op het huis stond had al de sneeuw tegen het raam opgehoopt. Bukkie kwam naast hem staan en drukte zijn neus tegen het raam. Hij tuurde naar de plek waar hij Boris voor het laatst had gezien, maar de sneeuw was zo dicht dat hij niets kon onderscheiden.
‘Zie je wat’, vroeg Snippie gespannen.
‘Nee joh, het sneeuwt zo hard dat je Boris hok niet van hier kan zien.’
‘Boris zal het toch wel warm hebben’, zei Snippie.
‘Natuurlijk, dat kan niet anders, hij heeft een dikke vacht’, zei Bukkie.
Snippie knikte, maar de angst dat Boris het koud zou hebben kon hij niet wegnemen. En samen probeerden ze een glimp van Boris op te vangen.
Toen de avond inviel en ze hun bakje eten met moeite naar binnen hadden kunnen werken, moesten ze zich wassen, tandenpoetsen en naar hun bedje.
Bukkie lag achterover en kon Boris maar niet uit zijn gedachten zetten.
‘Zeg Bukkie’, vroeg Snippie en ging naast hem liggen. ‘Hoe zou het met Boris zijn. Hij kan nergens heen, want hij ligt aan de riem. Moeten we hem niet gaan helpen?’
Bukkie zei dat hij dat wel zou willen, maar dat het veel te gevaarlijk is. Hulpeloos stapte hij uit de mand, sprong lenig op het aanrecht en verdween achter het gordijn. In het licht van de buitenlamp zag hij niets anders dan sneeuw. Rende terug naar Snippie, schudde hem heftig door elkaar en fluisterde.
‘We moeten Boris waarschuwen en in veiligheid brengen. Straks gaat hij dood!’
Snippie sprong uit de mand en volgde zijn broertje.
Samen rende ze naar het kattenluikje, maar toen ze deze wilde openen was er geen beweging in te krijgen. Bukkie sprong terug op het raamkozijn, maakte zich zo groot mogelijk en zag dat de sneeuw hun weg versperde.
‘We kunnen het vergeten. Boris zal het nu zwaar krijgen’, snotterde Snippie.
Samennamen ze hun plaats in bij het raam en vielen al snel in slaap. De volgende morgen keek Bukkie uit het raam en zag dat de wind was gaan liggen. Zijn baasje liep voor het raam langs en schepte de sneeuw weg.
‘Zoveel sneeuw heb ik in mijn leven nog niet gezien’, lachte hij naar zijn vrouw. ‘Houdt het kattenluikje maar dicht, want het is veel te gevaarlijk voor de kitten in deze kou.’
Bukkie hoorde het gesprek tussen de baas en zijn vrouw, twijfelde geen moment en nam een besluit. Ook zijn moeder had het gesprek tussen de baas en zijn vrouw gehoord en hield haar kroost scherp in de gaten. Bukkie rende op het luik af en Snippie er meteen achteraan, voordat de bazin hem kon afsluiten.
Ook Toos wilde erop af maar moederpoes pakte haar net op tijd bij haar nekvel en zei lachend.
‘Hier blijven jij.’
Bukkie en Snippie verdwenen onder de sneeuw en hielden zich zo stil mogelijk.
‘Nu’, fluisterde Bukkie en ze groeven een gang door de dikke laag sneeuw. Af en toe sprong Bukkie omhoog om te zien op welke hoogte ze zich bevonden, toen hij plots de buurjongen aan zag komen. Voor het hok van Boris lag een grote hoop sneeuw en opeens snapte hij wat er was gebeurd. Opnieuw sprong hij boven de sneeuw uit en zag tot zijn tevredenheid dat die rotknul de tuin verliet.
‘We moeten Boris nu echt gaan helpen Snip, hij ligt onder een hoop sneeuw.’
Snippie deed zijn broer na en sprong zo hoog als hij maar kon.
‘Ja Bukkie, dat moet wel snel gebeuren. Volgens mij is hij al bijna dood.’
Opeens kwam er gesnuffel onder de sneeuw vandaan. Bukkie kromde zijn rug ging in een aanvalshouding staan. Zijn nagels uitgeslagen en wachtte gespannen af wat komen ging.
Als het maar even gemeen wordt, vecht ik me dood.
De sneeuw werd opzij geduwd en daar zag hij Momfit de mol die hem met zijn kraaloogjes aankeek. Bijna had hij willen vluchten, maar wat was hij opgelucht om Momfit de mol te zien.
‘Hallo Momfit, niet bang zijn. Ik doe je niets. Wij zijn het Snippie en Bukkie’, fluisterde Bukkie.
‘Nou zeg, ik schrok me een hoedje. Wat doen jullie hier in de sneeuw. Dit is geen plek voor beesten zoals jullie.’
‘We zoeken Boris. Hij ligt volgens ons onder de sneeuw voor zijn hok. Hij is vast dood. Er zit geen beweging meer in hem’, vertelde Snippie en snoof eens diep in. ‘Jeetje de koude lucht doet pijn aan mijn neus’, maar niemand luisterde naar hem.
De mol schudde met zijn kopje en zei.
‘Dan moeten we meteen gaan kijken. Ik denk dat die rotknul nog meer sneeuw over hem heen heeft gegooid. Hij wil natuurlijk van Boris af. Loop maar achter mij aan, we zijn er zo,’ en hij groef zich een weg door de sneeuw. Zwijgend liepen ze achter hem aan en het water liep uit Bukkies bek. Normaal had hij Momfit moeten grijpen en oppeuzelen, maar nu moest hij alles op alles zetten om hem met rust te laten. Momfit groef plots naar boven en zag dat de grote hoop niet ver van ze vandaan lag.
‘Kraa kraa, klonk het boven ze. Momfit aarzelde geen moment en vluchtte weg. Bukkie keek over de rand en zag Barend rusteloos boven hen cirkelen.
Toen Barend de twee kitten zag nam hij plaats op het hok van Boris.
Wat moeten die twee daar nou en waar zijn die ouders van dat stel? Dat ga ik eens even op mijn gemak bekijken.
Snippie begon te zeuren dat zijn pootjes zo koud aanvoelde, dus zat er niets anders op om de weg terug te nemen. Omdat Momfit er vandoor was, begrepen ze dat zij het zoeken moesten staken, anders konden ze niet meer terug naar huis. Nu konden ze nog terug via de weg die Momfit voor ze had vrijgemaakt.
Snippie sprong telkens omhoog en vroeg aan Barend of hij wist waar Boris was.
‘Ik heb hem nergens gezien. Zijn baasje was ook al naar hem opzoek.’
‘Barend’, sprak Bukkie met een brok in zijn keel. ‘Jij moet Boris gaan zoeken.’
‘Dat heb ik al zo vaak gedaan en altijd komt hij vanzelf weer terug. Ik heb daar niet zoveel zin in en wil met dit weer zo dicht mogelijk bij ons nest blijven.’
‘Dan doe je het maar nog een keer. Boris is gevlucht voor de sneeuw of hij ligt ergens dood te vriezen’, snauwde Snippie hem toe.
‘Ja ja, rustig maar, ik ga al’, en vloog op.
Zelf renden ze terug naar huis en daar aangekomen stuurde hij Snippie als eerste naar binnen om te zien of het er veilig was.
‘Waarom ik eerst. Straks kan ik de klappen opvangen. Laten we samen naar binnen gaan. Dat is veel eerlijker.’
Ze slopen via de achterdeur naar binnen en even later zaten ze bij de snorrende kachel zich te warmen. Moederpoes en vaderkat hadden ze alleen maar even aangekeken en waren blij dat ze weer terug waren.
Bukkie kon zijn draai maar niet vinden en moest steeds aan Boris denken en hoopte zo dat Barend meer succes had bij zijn zoektocht.
Dorientje kwam dicht tegen hem aan liggen, legde een poot rond zijn nek en vroeg of hij Boris gevonden had.
‘Dat vind ik lief van je Dorien, maar ik moet je teleurstellen. We konden niet helemaal bij zijn hok komen. Boris zal nu wel dood zijn.’
Ze drukte haar kopje vluchtig tegen de zijne en zei.
‘Niet opgeven joh. Je hebt toch die jeep in de schuur staan. Je mag er niet mee rijden, maar dit is toch een noodgeval. Bind er een plank voor dan heb je een sneeuwschuiver.’
‘Je bent een schat Dorien, help me hier weg te komen.’
Samen met Toos zette Dorientje hun ouders op een dwaalspoor en zo konden Bukkie en Snippie weer naar buiten ontsnappen. Ze renden naar het afdakje en toen ze het dekzeil ervan aftrokken, kregen ze er kippenvel van. Daar stond de jeep te blinken in weerkaatsend licht van de sneeuw. Bukkie was trots op de jeep, maar hij was nog te jong om erin te mogen rijden. De jeep was van zijn opa geweest en hij mocht hem hebben omdat hij hem altijd hielp met oppoetsen.
Snippie gaf hem een duw en zei dat ze moesten opschieten. Samen bonden ze een plank op de voorbumper en daarna startte Bukkie de motor. Een lage bromtoon en een blauwe walm verliet de uitlaat.
‘Daar krijg ik nou echt een kik van Snip. Laten we gaan voor Papa ons opmerkt.
‘Ja snel Buk, want dan zijn we nog niet jarig.’
Alles hadden ze ervoor over om Boris onder de sneeuw vandaan te halen. Hij zette de versnelling in zijn eerste stand en reed ermee naar de heuvel waar hij dacht dat Boris onder moest liggen. ‘Misschien leeft hij nog Snip.’ ‘Laten we het hopen.’
De jeep ploeterde en ploeterde tot Snippie hem op zijn schouder tikte en wees naar het raam van de voorkamer.
‘Kijk daar eens. Daar sloven wij ons nou zo voor uit. Geheid krijgen we van pa op onze donder, kijk dan Buk!’
Daar zagen ze Boris achter het raam van het zonnetje genieten. Blij dat hij nog leefde, maar ook teleurgesteld, staarde ze naar het raam. Boris hief zijn kop op, zwaaide naar ze en legde zijn kop terug tussen zijn poten.

Einde.