8 Momfit de mol

Momfit zat verveelt met een pen te spelen, want hij kon vandaag niets op papier krijgen. Wipte op zijn stoeltje en voelde zich naar en eenzaam. Opeens werd het gestamp boven zijn hoofd hem teveel.
‘Die kitten moesten ze maar eens opsluiten. Ik word gek van dat gestamp, knorde hij. ‘Nee dat mag ik niet zeggen dat is slecht van je Momfit,’ strafte hij zichzelf.
Hij legde zijn handen op zijn rug en wandelde van de ene naar de andere kamer.
‘Ik ga er toch wat van zeggen. Het moest maar eens afgelopen zijn met dat lawaai,’ en hij groef een weg naar boven.
Snel liet hij zijn pootjes een gravende beweging maken en toen hij zijn kopje boven de grond uitstak, keek hij recht in het gezicht van een kitten.
‘Hallo Momfit, kom je spelen?’
‘Nou nee, jullie moeten wat rustiger zijn. Ik word gek van dat gestamp!’
Vlekkie deed een stap terug en keek Momfit met een schuin kopje aan.
‘Wat is er met jou gebeurd Mom. Heb je kiespijn. Dan moet je naar de tandarts of heb je gewoon een rotbui?’
‘Dat gaat jou niets aan,’ zette zijn brilletje af en begon te huilen. ‘Ik ben zo eenzaam, allen mollen zijn door de mollenvanger meegenomen. Zelfs mijn geliefde is er niet meer. Ik heb haar nog wel kunnen redden, maar opeens was ze alsnog verdwenen. Ik voel me zo eenzaam Vlekkie.
Vlekkie keek hem mistroostig aan, want zo kende hij Momfit niet. Dat hij vaak bromde dat wel, maar dit. Hij nam een zakdoek uit zijn zak en begon gewillig mee te huilen.
‘Dat vind ik heel erg naar voor jou. Waarom heb je dat ons niet verteld. Wij hebben gewoon staan kijken hoe ze de mollen uit de andere tuin hebben meegenomen.’
Alle kitten kwamen rondom hem staan en zij waren net als Vlekkie diep onder de indruk. Het verdriet van Momfit was zo intens, de tranen stroomde over zijn toetje.
‘Wij dachten dat jij en Mientje alleen in onze tuin woonden, zei Dorientje. ‘Is zij ook gevangen genomen?’
‘Dat weet ik niet zeker. Ze was ontsnapt, maar opeens was ze weg. Ik snap er niets van. Ik weet zeker dat ze me achter na liep,’ en opnieuw barstte hij in snikken uit.
Dorientje wilde hem troosten, maar dat ging Momfit te ver.
‘Blijf van me af. Je wilt mij misschien opeten,’ en dook terug in zijn holletje.
Dorientje stak haar neus in het gat en riep dat ze hem niets wilde aan doen.
‘Kom nou maar Momfit, we zijn toch vrienden!’
Heel voorzichtig kwam hij weer te voorschijn, liet zich door Dorientje aanraken en zei.
‘Het kan me toch niets schelen wat je met me doet. Ik ben zo ongelukkig dat ik dood wil.’
‘Doe niet zo gek Momfit, sprak Toos hem streng toe. We zullen alles doen om jou liefste te vinden. Als jij zegt dat ze zomaar is verdwenen, moet ze toch ergens rond zwerven. Misschien is er onderweg wel iets met haar gebeurd waar jij niets van hebt gemerkt.’
‘Misschien moet ik beter zoeken, maar wie wil mij daarbij helpen,’ vroeg Momfit.
Bukkie bood meteen aan te helpen, maar Momfit zei dat hij dat niet kon.
‘Lotte is kleiner dan jij. Wil jij me helpen Lotte?’
‘Bedoel je mij, meen je dat?’
‘Ja jou bedoel ik. Durf je dat.’
Natuurlijk durf ik dat. Zal ik een zoeklicht en extra batterij meenemen Momfit?’
Momfit vond het best en snapte niet waarom een zoeklicht. Hij zelf kon toch ook de weg door het gangenstelsel vinden.
Op haar buurt keek Lotte naar de anderen die zich rond het gat hadden verzameld en zag aan ze dat ze een beetje jaloers op haar waren. Dapper en met opgeheven hoofd ging ze met Momfit mee onder de grond.
‘Zou je het wel doen,’ begon Bukkie op haar in te praten. ‘Het is daar donker en er is veel instortings gevaar. Ik kan je niet komen redden, want ik kan niet door het gangenstelsel van Momfit.’
‘Wil je me bang maken. Ik vertrouw Momfit en ga hem helpen. Daarvoor zijn we vrienden,’ en daar moest Bukkie het mee doen.
Bukkie nam het zoeklicht uit zijn rugzak, gaf het aan Lotte en zei.
‘Zal je goed op jezelf passen. Ik hoop dat Momfit en jij zijn geliefde vinden,’ en hij gaf haar een dikke pakkerd.
Toen ze achter Momfit aan kroop en het stikken donker werd, knipte ze de zaklamp aan. Ze volgde hem en merkte dat het onder de grond lekker koel aanvoelde.
‘Niet bang zijn Lotte, ik kan heel goed graven. Als het ergens instort is dat normaal. Ik heb je er zo weer uit,’ maar dat deed haar alleen maar schrikken. Ze moest er niet aan denken om onder de aarde te liggen en opeens kreeg ze het erg benauwd.
‘Rustig ademen Lotte, er gebeurd je niets. Vertrouw me.’
Het gangenstelsel was net groot genoeg voor Momfit. Soms moest Lotte zich er door heen wurmen om Momfit te kunnen volgen. Slierten die tegen haar kopje vlijde, gaven haar een eng kriebelig gevoel.
‘Waar zijn we Momfit. En wat moet ik precies doen. Kunnen we niet beter terug gaan,’ maar plots kwamen ze in een grote ruimte.
‘Hier moet je voorzichtig lopen Lotte. Dit is het gevaarlijkste gedeelte. We zitten hier naast de sloot en als het water hoog staat, loopt het hier vol. Ik denk dat ik hier mijn Mientje ben kwijt geraakt. Volgens mij stond het water toen net hoog, maar zeker weten doe ik het niet.’
Lotte besefte opeens dat ze haar angst moest vergeten. Ze bracht de zaklamp ver naar voren en ging Momfit voor. De vele gangen die ingestort waren, wilde ze uitgraven, maar Momfit vertelde dat ze daar niet kon zijn. Een mol kost het weinig moeite om daaruit te komen.
‘Dan weet ik het ook niet. Wat is het probleem dan,’ vroeg Lotte.
Geroffel klonk boven hun hoofd en het leek alsof er een aardbeving losbarste.

Bukkie rende op de buurjongen af, zette een hoge rug op en blies naar hem.
‘Weg wezen rot kat. Wil je een schop hebben,’ maar Bukkie liet zich niet zomaar wegjagen. Een paar maal haalde hij met zijn nagels uit naar het been van de buurjongen en pardoes kreeg hij zelf een flinke schop. Vloog door de lucht en belandde onder de boom van Barend en Barbet.
‘Ga je leren vliegen Bukkie. Dat moet je aan vogels overlaten,’ zei Barend grinnikend. ‘Laat je niet door die rotknul op je kop zitten, ik help je wel,’ dook op de knul af en pikte tegen zijn hoofd.
In paniek sloeg hij om zich heen, maar moest wijken voor de vele dieren die hem belaagden.
‘Ik kom terug. Die mol in de mollenval wil ik hebben!’
Boris die zag dat de andere dieren het wel zonder hem afkonden, was plots klaar wakker toen hij de naam mollenval hoorde.
‘Mollenval, wat hoor ik, is er een mollenval in de tuin.’
De anderen verdrongen zich rond Boris en wisten niet wat ze hoorde. Ze moesten dus opzoek naar een mollenval en die rotknul wist waar het zich bevond.
Op dit moment kwam de man die alle mollen uit de tuin ernaast had gehaald. Boris schoot op hem af en liet zijn tanden zien. De mollenvanger begreep er niets van, want ze hadden hem verteld dat Boris zo mak als een lammetje was.
‘Rustig maar, ik doe je geen kwaad. Ik wil er alleen even langs,’ maar Boris was niet van plan om maar één centimeter te wijken.
De buurjongen ging zich er mee bemoeien en nam een stok en van achter het hek probeerde hij Boris ermee te raken. De stok raakte zijn neus en riep, ‘Na na na na, na na na na na!’
‘Zeg, wil jij dat laten. Je lijkt op die knul uit die reclame met die olifant. Maak dat je weg komt,’ en gaf hem een schop onder zijn kont.
Boris wreef met zijn kussen van zijn poot over zijn neus en liet zich gewillig door de mollenvanger aaien.
‘Wat doe jij nou,’ riep Toos. ‘Je laat je aaien door die mollenvanger. Je moet hem wegjagen, niet aardig vinden!’
Boris droop af en ging slap voor zijn hok liggen.
‘Ik wil hem ook niet op mijn erf, maar als ik hem bijt, krijg ik het met mijn baas aan de stok.’
‘Ik snap je wel Boris, maar we moeten toch iets ondernemen. Momfit is zijn geliefde kwijt en dat is erg triest.’
‘Dat vind ik ook, maar ik mag niet zonder meer iedereen bijten. Laten we iets bedenken.’
Bukkie knikte en vond dat hij gelijk had. Ze volgden de mollenvanger die over het gras liep te stampen met zijn grote laarzen.

Onderwijl zei Momfit dat Lotte hem moest volgen en ze belanden uiteindelijk bij de sloot.
‘Ik begrijp het niet Lotte. De mollenvanger zet zijn vallen altijd op de juiste plaats. Wij volwassen mollen weten hoe hij te werk gaat. Mijn kleintjes zijn in deze val gelopen voor ik er erg in had. Alleen mijn geliefde kan nooit in een val geraakt zijn. Dat is niet mogelijk, maar waar ze wel is, weet ik niet.’
Lotte drukte hem dicht tegen zich aan, probeerde hem te troosten en kwam opeens op een idee. ‘Zeg Mom, laten we nog een keer jou gangen bekijken. Je weet maar nooit. Ik heb zo’n gevoel dat ze vlakbij is.’
Momfit begreep er niets van, maar deed wat ze vroeg. Hij groef als een wilde, maar waar ze ook kwamen, zijn Mientje was nergens te vinden.
‘Ik heb nu alle gangen gehad en je ziet, hier is Mientje niet. Ze is er niet meer,’ en weer rolde de tranen vanuit zijn kraaloogjes.
‘Niet opgeven Mom en wat is die rot herrie toch boven ons hoofd? Straks stort alles in.’

‘Hier is alles schoon, zei de mollenvanger tegen de baas, die met de maaimachine over het gras reed. ‘Even de hoopjes weg trappen en u hebt een nieuw veld.’
De maaimachine zigzagde over het veld, toen de buurjongen boven het geluid schreeuwde of hij de rest mocht maaien.
De baas stopte met maaien en zei.
‘Dat vind ik een goed idee, dan kan ik het onkruid nog even wieden. Bedankt. Als je klaar bent kom je maar iets lekkers halen.’
De buurjongen duwde de maaimachine over het veld, maar op een of andere manier vergat hij steeds een klein stukje gras of deed hij dat express?
‘Ik wil die mol hebben. Die stomme mollenvanger zal die ene verroeste val toch niet missen,’ en grijnzend rende hij met de maaimachine over het gras.
Toen hij klaar was, zette hij de machine in de schuur, nam plaats bij het gat waar de val stond en keek er stiekem in.

Wees maar niet bang Lotte, dat is alleen maar de grasmaaimachine, maar wat is jou plan?’
‘Vertel me eerst maar waar ongeveer je Mientje bent kwijtgeraakt. Van daaruit gaan we het plan uitwerken.’
Momfit ging haar voor en wees de plaats aan waar hij haar voor het laatst had gezien. Lotte liet de lichtstraal langs de wand glijden en vroeg wat die losse aarde betekende.
Momfit zette zijn brilletje verder op zijn neus en bekeek het eens grondig. Dat kan geen gang zijn, maar het is wel een instorting. Ik zal het moeten uitgraven. Hij was nog maar net begonnen, toen er al een lichtschijnsel naar binnen kwam.

De knul zat nog steeds op het gras en wachtte geduldig af. De dieren hadden zich terug getrokken, maar hielden hem goed in de gaten. Boris wandelde zijn hok binnen, draaide zich om en hield hem van daaruit goed in de smiezen. De schemer viel in en toen de baas de deur achter zich sloot, kwam de knul in actie. Hij bukte, duwde zijn hand naar binnen en…

Momfit snapte er niets van en groef als een wilde om zich heen.
‘Wat ben je aan het doen,’ vroeg Lotte verontrustend.
Momfit stopte met graven en zei dat hij zeker wist dat hij deze gang niet had gegraven en zei.
‘Laat me nou maar, ik zie je zo. Ga maar alvast naar huis,’ maar dat pikte ze niet. Ze schoof de aarde die Momfit achter zich gooide verder de gang in.
Momfit was niet meer te houden en hij voelde aan zijn theewater dat zijn Mientje in de buurt moest zijn.
‘Au,’ hoor Lotte opeens. Ze ging naast hem staan en vroeg wat er aan de hand was.
‘Ik heb mijn pootje aan iets scherps opengehaald,’ en liet haar zijn bloedend pootje zien.
‘Ga jij maar even rusten, ik neem het wel van je over,’ en al snel zag ze tot haar schrik een mollenval opduiken.
Door het maaien van het gras was er veel aarde in de val terechtgekomen en konden ze niet zien of Mientje er in zat. Beidde keken elkaar een moment aan en schrokken toen er opeens een hand door het gat werd gestoken. Momfit werd razend en zonder erbij na te denken beet hij in de hand.

Opeens zagen de dieren de buurjongen krijsend opspringen en ze rende er meteen op af. Boris zette zijn tanden in de broek van de jongen en zei.
‘Hier, en nou wegwezen. Ik wil je hier niet meer zien,’ trok nog eens extra aan de broek zodat deze losscheurde.
Die knul maakte dat hij weg kwam en de kitten vlogen achter hem aan. Bij de heg sprong de rotknul als een acrobaat erover heen en verdween. De kitten wilde het niet opgeven, maar werden door Barend de kraai terug gefloten.
‘Niet verder gaan. Hij staat jullie met een knuppel op te wachten. Hij is de gemeenste knul hier in de buurt.’
De kitten rende snel terug naar Boris. Vertwijfeld bleef de knul achter en wreef met zijn hand door zijn haren.
Wat vreemd ze weten precies wat ik ga doen. Ik denk dat ik voortaan maar een beetje bij ze uit de buurt blijf. Het lijkt wel of het daar spookt, en opeens kreeg hij een pik tegen zijn hoofd van Barbet.
‘Dat zou ik maar doen. Ik waarschuw je, laat je neus hier niet meer zien. Wegwezen, want de volgende keer kom je er niet zo goed vanaf,’ en vloog terug naar het nest.
Vogels kunnen niet praten. Ik word gek of ik droom. Dat moet ik Mn vader vertellen, maar die zegt zeker dat ik gek ben. En diep onder de indruk slofte hij weg.

Momfit stak zijn kopje boven de grond en vroeg of Boris wilde helpen. Die snuffelde de grond af en blies Momfit terug het gat in.
‘Zeg, als ik je vraag me te helpen dan moet je me niet wegblazen. Wil jij deze val uit de grond trekken.’
‘Dat is geen probleem, zo gepiept,’ zette zijn tanden in de val en trok hem langzaam omhoog. Gespannen keken de anderen naar waar Boris mee bezig was en hoopte dat Mientje in de val zou zitten. Toen de korf boven de grond stond gluurde ze in de val maar er was geen teken van Mientje te bekennen. Teleurgesteld en met diep gebogen hoofdjes wandelden ze weg.
Boris schudde hard aan de val, toen hij geschrokken een paar stappen achteruit deed.
‘Hee zeg, doe eens wat rustiger. Ik zie allemaal sterretjes,’
Momfit kroop uit het gat en zag zijn Mientje gezond en wel in de kooi zitten.
‘Waar bleef je nou Mom, ik zat maar op je te wachten. En waar zijn de kinderen?’
Momfit slikte een paar keer en vertelde haar verlegen dat ze door de mollenvanger waren meegenomen en dat hij ze niet meer had kunnen redden.
‘We hadden ze nog zo gewaarschuwd dat ze in de buurt moesten blijven, maar ze hebben onze waarschuwingen in de wind geslagen. Ik hoorde van Boris en de kitten dat ze door de mollenvanger zijn meegenomen. En je weet dat ze dan nooit meer terug zullen komen en een nieuw leven in een ander gebied gaan opbouwen,’ lieve Mientje.
Boris snapte er de ballen niet van en staarde hem vragend aan.
‘Wat bedoel je Mom, worden ze dan niet gedood?’
‘Nee hoor, mensen hebben alleen maar last van mollen. Waarom begrijp ik niet. We doen zoveel goeds voor de natuur. Mijn kindertjes worden ergens anders uitgezet. We zullen vast wel snel genoeg horen waar ze zich dan bevinden en dan kunnen we altijd een keer bij ze op visite gaan.

Einde.