3 Boris en de dodenrit

Boris lag heerlijk te doezelen, toen hij door het vele lawaai weer eens in zijn droom werd gestoord. Tilde zijn kop op en legde een poot voor zijn grote bruine ogen. Verbaast schudde hij met zijn kop en daardoor zijn lange oren tegen elkaar klapten.
‘Dat wordt hommeles’, bromde hij en legde zijn kop terug op z’n voorpoten.
Hoe lang was het al geleden dat hij eens rustig van zijn middagdutje kon genieten en zich in zijn droomwereldje kon laten wegzakken. Soms droomde hij dat hij een vriendinnetje had waarmee hij eens kon knuffelen of een goed gesprek mee kon voeren. Sinds het katten echtpaar hun kleintjes hadden gekregen was hij af en toe best jaloers op het stel. Maar ja voor een kat lag het net iets anders dan voor honden. Hij was afhankelijk van zijn baas en bazin die moesten immers besluiten of er een tweede hond bij kwam. En dan nog moest hij nog maar eens zien wat voor een hond zij zouden uitkiezen. Neem nou eens die twee dames om de hoek van de straat die hadden zeven tekkels. Daar moet je toch niet aan denken dat je zo’n maatje erbij krijgt. Niet dat hij iets tegen die hondjes heeft, maar vergeleken met zijn enorme lichaam. Nee dan bleef hij maar liever alleen.
Hij strekte zijn nek toen katten uit de buurt zich om Bukkie hadden verzameld.
Dat is hommeles. Daar durf ik mijn bot om te verwedden.
Roberto was een flinke kat en een rivaal van Bukkie. Niet dat ze elkaar voortdurend in de haren vlogen. Nee het uitte zich meer in het doen van stoere en qua katachtige streken.

Snippie zat wat verlegen achteraf en trilde op zijn pootjes. Hij vertrouwde het niet, maar kon nietsdoen om hen tegen te houden, want dat zouden Roberto en zijn broer niet pikken. Verraders lieten ze links liggen en dan mocht hij ook niet meer meespelen. Beteuterd en in tweestrijd keek hij om zich heen.
Wat moet ik doen. Het is zo gevaarlijk. Zo komt Bukkie misschien in de problemen, dacht hij van machteloosheid en bracht zijn pootjes voor zijn ogen.
Opeens hoorde hij het gebrom van Boris achter zich. Zelf vond hij Boris maar lui. Hij had geen enkel oog voor wat er om hem heen gebeurde. Het liefst was hij in zijn hok gekropen, maar daarvoor was het nu te warm.
Snippie nam een besluit en rende op hem af.
‘Boris Boris, Bukkie gaat de dodenrit rijden; jij moet hem tegenhouden’, maar zag dat Boris aan de lijn lag en het hem niets uitmaakte. Hij besefte dat hij niet op Boris hoefde te rekenen. Verslagen en met gebogen hoofd wandelde hij terug naar waar de gevaarlijkste race ter wereld zou gaan plaatsvinden.
Bukkie keek zijn rivaal Roberto diep in zijn ogen.
Ik zal hem weleens laten zien wie hier gaat winnen, dacht hij.
Uren had hij aan zijn voertuig gepoetst en alle onderdelen had hij wel tien keer nagekeken. De motor stond onder hem te blinken en zijn blik op oneindig voelde hij zijn hart sneller kloppen.
Op een gevaarlijke plaats waar het parcours lag, werd ook wel de dodenrit genoemd.
Toos stapte op hem af en probeerde hem van de wedstrijd te weerhouden.
‘Ik ben je zus niet meer als je gaat race!’
Hij keek haar schouderophalend aan en mompelde.
‘Ze beseft niet dat het hier om de eer gaat’, en lachte haar met een opgetrokken bovenlip uit. Roberto zat heel stoer op zijn motor, zwaaide naar Toos en riep.
‘Als ik win, gaan we op stap. Althans, als je niet naar de begrafenis van je broer moet’, grinnikte hij. Roberto had iets wat andere katten niet hadden. En ondanks zijn overdreven stoerheid, had hij iets persoonlijks waar de poezen voor vielen. Niemand begreep wat het was maar het was er. Daarom maakte dat de andere katten vaak jaloers. Hij zag er goed uit en vooral als hij zijn lederen motorjack aan had.
Wacht maar, dacht Bukkie en hij legde zijn uitgeslagen nagels over de gashendel.
‘We zullen wel zien wie hier lef heeft. Ik ben wel kleiner dan jij, maar voor de duivel niet bang. Als je de afgrond instort, lach ik,’ en liet het publiek genieten van zijn brullende en knetterende motor.
Iedereen deed een stapje terug toen een blauwe pluim de uitlaat verliet. De spanning was te snijden en ze beseften allemaal dat het ook weleens slecht af zou kunnen lopen met die twee.
Allen, uitgezonderd de katten die alleen om het leed vermaak kwamen, wachten ze angstig af.
Snippie drukte zich stevig tegen Toos aan, tilde zijn kopje op en zei.
‘Zullen we het aan mama vertellen. Straks rijdt Bukkie zich misschien dood.’
Zijn zus aaide hem over zijn kopje en drukte hem op het hart dat hij het nimmer tegen papa en mama mocht zeggen.
‘Je wil toch niet een eenzame kat worden? Het is een ongeschreven regel Snip. Daar mag en durft niemand aan te zitten,’
Snippie knikte en tuurde naar de meute die zich rondom de motoren op hielden. De twee werden naar de startplaats geleidt en voorovergebogen wachten ze beiden op het startsein.
Katten die zich pas bij de groep hadden aangesloten, mochten de wedstrijd nog niet volgen. Zij stonden bij iedere hoek of ingang op wacht, want niet één buitenstaander mocht in de buurt komen. Zodra er een andere kat zich in hun wijk durfde te vertonen, brak de hel los.
Bukkie’s oog viel op iets glibberigs, sprong van zijn motor en gebaarde dat de start even moest worden uitgesteld. Het publiek begreep er niets van en verdrong zich om te zien wat Bukkie toch zo belangrijk vond om de start uit te stellen.
Hij bukte, raapte het glibberige beest van de grond en legde het in zijn handpalm. Bekeek het aandachtig en toen hij het terug in het gras wilde zetten, gebeurde er iets onverwachts. Zijn rivaal zetten zijn helm die van een oud vergiet was ontworpen af, stapte breeduit op Bukkie af en proestte het uit van het lachen.
‘Is dat het waar je voor stopt. Je durft zeker niet meer’, en pakte de naaktslak uit Bukkie’s hand. Bestudeerde het en gooide het in de richting van Boris. Terwijl Boris hem lodderig nakeek, probeerde de naaktslak zich slepend over het gras zo snel mogelijk weg te komen.
Bukkie stond verbluft om zich heen te kijken en zag het publiek fluisteren.
‘Nou ja, wat is dat nou. Zo ga je toch niet met beesten om, je moet je schamen’, snauwde Bukkie tegen Roberto.
Niet onder de indruk van zijn woorden, schudde hij met zijn hoofd. Klom terug op zijn motor en gaf vol gas. Hij had helemaal geen zin in een preek over het feit hoe je met elkaar hoort om te gaan.
Bukkie stapte geïrriteerd terug op zijn motor en draaide de gashendel open, keek Roberto recht in zijn ogen en dacht.
Ik moet de wedstrijd winnen en gebaarde naar zijn rivaal dat hij de pot op kon.
Bukkie was erg nerveus, maar probeerde zich toch stoer voor te doen. Hij wist dat het voor hem erg belangrijk was om deze wedstrijd te winnen. Als hij de wedstrijd verloor dan zou hij het ook weleens verbruid kunnen hebben bij de meisjes.
De motoren brulden opnieuw, keek elkander nog eenmaal aan en lieten hun blik op de smalle doorgang rusten. Bukkie die opeens aan de afgrond moest denken, kreeg het er warm van. Het water droop van onder zijn helm vandaan en dacht.
Het is niet voor het eerst dat iemand deze rit niet overleefde. Even kwam het bij hem op om ermee te kappen, maar drong deze gedachten naar een achterkamertje in zijn kop. Hij wilde er nu niet meer aan denken, want niets kon hem er nog van weerhouden. Hij moest er niet aan denken om voor de rest van z’n hele leven als een bangerik door het leven te moeten gaan. Nee daar had hij geen zin in.
Toen het startschot klonk, gaven beiden vol gas en met slippende wielen reden ze over het pad.

Vanuit de hoogste boom bekeek Barend de kraai het schouwspel. Hij spreidde zijn vleugels en al zwevend zette hij de daling in. Cirkelde boven de twee racers en de schrik zat er meteen in.
‘Dit gaat verkeerd. Pas op Bukkie, rem af’, probeerde hij boven het lawaai uit te roepen. Zelfs hij moest de nodige moeite doen om in de lucht te blijven door de obstakels te ontwijken en scheerde langs muren, beplanting en schuttingen.

De ouders van Roberto waren in het bezit van een supermarkt in honden en kattenvoer. Daardoor waren zij in de gelegenheid om voor hem de modernste motor te kopen, uitgerust met de nieuwste snufjes. Dus was Bukkie dat techniek betreft altijd in de minderheid. Hij moet het van zijn kracht en slimheid hebben.
Zijn rivaal schoot plots vooruit en wat hij ook probeerde, hij besefte nu al dat hij de wedstrijd zou gaan verliezen. Zijn motor maakte een snerpend geluid en kraakte in al zijn voegen. Bukkie spande al zijn spieren en met een rood hoofd snelde hij achter Roberto aan. De wind suisde om zijn oren en hij reed over het steeds smaller wordende pad. Door zijn enorme wilskracht had hij succes en zijn rivaal kwam in zicht.
Hij naderde Roberto op zijn staart en kon zelfs naast hem komen. Door het dollen heen vergat hij wat de eigenlijke bedoeling van de wedstrijd was. Een moment bleven ze op gelijke hoogte en ze keken elkander verbeten aan. Beiden gingen zo op in de wedstrijd dat ze de afgrond vergaten. Opeens schoot Roberto opnieuw vooruit en liet Bukkie ver achter hem.
Barend de kraai vloog boven Bukkie en schreeuwde dat hij bij de volgende bocht moest afremmen. ‘Niet plompverloren de bocht omgaan Bukkie. Roberto heeft er een val laten aanleggen. Je moet afremmen bij de derde bocht en rechts van de weg blijven!’
Bukkie hoorde hem nauwelijks door het geronk van zijn motor. Even durfde hij omhoog te kijken en zag Barend voor hem vliegen.
’Bocht val, wat wil Barend toch van me’, en draaide de gashendel nog verder open. Maar tot zijn spijt kon hij het niet verder opendraaien.
Grinnikend draaide Roberto het gas dicht en liet de motor langzaam de bocht omgaan. Doordat Roberto gas terugnam, was het voor Bukkie mogelijk om zijn rivaal in te halen. Hij nam de eerste bocht en zag opeens Roberto vlak voor hem opduiken. Roberto stond vol op zijn rem, maar kon niet voorkomen dat hij in een slip raakte. Behendig ontweek Bukkie de motor van zijn rivaal en lag hij vooraan. Roberto had hier geen rekening meegehouden en volgas volgde hij Bukkie.
Ze reden nu op het zandpad waar veel kuilen in zaten en beiden moesten ze alles op alles zetten om niet onderuit te gaan. Het publiek zag het spel met angst en beven tegemoet en niemand waagde het om te dicht bij de bochten te gaan staan.
Alleen geen van beiden wilden toegeven aan de ander. Roberto die opnieuw naast Bukkie kwam rijden, zag de tweede bocht op hem afkomen. Bukkie remde hard af, maar kon nog net als eerste door de bocht. Met slippende wielen lag hij schuin op de weg en het zag ernaar uit dat hij zal onderuitgaan. Plots kregen de banden weer grip op de grond en met een trillend stuur kwam hij overeind. Roberto profiteerde van zijn fout en schoot hem voorbij. Bukkie snelde er achteraan en opeens moest hij aan de woorden van Barend de kraai denken.
Bij de volgende bocht verdween Roberto uit het zicht, terwijl Bukkie’s motor plots begon te sputteren Hij vervolgde zijn weg en besefte dat hij de wedstrijd verloren had.
Tegen zo’n motor kan ik niet op. Het is al stom dat ik het heb geprobeerd. Wat moeten de anderen wel niet van me denken, dacht hij.
Toen de volgende bocht naderde, nam hij gas terug. Het gedonder van het onweer dat al een tijdje dreigend boven hem hing, naderde en al snel begon het te regenen.
Barend fladderde opnieuw boven hem en waarschuwde opnieuw voor de val.
Bukkie knikte dat hij het had begrepen en vertraagde zijn snelheid. Net op tijd, want er lag werkelijk een plas olie op de grond te blinken. Handig ontweek hij de plas olie en kon niet begrijpen dat Roberto zo gemeen kon zijn.
Roberto wachtte hem met een grijns op zijn bek op. Dreigend balde Bukkie zijn vuist naar Roberto en riep dat hij hem wel zou krijgen.
Barend op zijn beurt was blij dat Bukkie hem had begrepen. Vloog naar beneden en riep in volle vlucht naar Roberto.
‘Haal die grijns van je bek, anders pik ik een oog uit je kop lafbek’, en vloog naar de eerste de beste boom.
De regen stroomde met bakken naar beneden en stortte zich op de twee. Opeens zag Bukkie zijn kans schoon en volgas reed hij zijn verbaasde rivaal voorbij, die hem met open mond nastaarde. Even was hij van slag, gaf vol gas en woedend snelde hij achter Bukkie aan. Blind van woede zagen beiden het gevaar niet op hen afkomen.
De motoren knalden tegen een opstaande rand. Beiden vlogen over het stuur en hoog boven een afgrond, bleven ze een moment stilhangen. Het was of alles in langzaam tempo hen voorbijging en samen zagen ze de grond onder hen op zich afkomen. Bukkie sloot zijn ogen en wachtte op de klap. Toen de klap moest komen, werden ze in hun nekvel beetgepakt en hingen beiden met slappen pootjes in de lucht.
‘Zo, als ik niet op tijd was geweest waren jullie beiden kemphanen lelijk toegetakeld. Jullie kunnen wel denken dat je zeven levens hebt, maar dat is toch echt een fabeltje. Er is duidelijk afgesproken dat er hier in deze omgeving niet met jullie motoren gecrost mag worden’, zei de vader van Bukkie. Hij liet de twee belhamels pas los, wanneer ze plechtig beloofden dat ze het niet meer zouden doen.
Boris keek tevreden op toen hij ze heel maar druipnat en met hun helm onder hun pootje aan zag komen wandelen. Kroop terug in zijn hok en zei. Zo eindelijk weer rust’, en rolde zich op.

EindeEinde.