10 De deftige dame

Een opzichtige uitziende Sint-bernard hond met opgestoken haar was door toeval in de problemen geraakt. Uit pure noodzaak moest ze zich melden bij de HOP (honden opvangplaats.) Eén van de zwerfhonden die ze onderweg was tegengekomen, had haar een briefje waarop het adres van de stichting HOP stond, meegegeven.
‘Hier moet het zijn,’ en ze kwam bij een betegeld pad tot stilstand.
Omzichtig gluurde ze door de smalle poort en wist niet wat ze zag.
‘Moet ik hier overnachten. Een slaapplaats in een achterbuurt,’ zei ze op snerpende toon. Arrogant stapte ze op de vrouw af die achter de toonbank stond. Die bleef opvallend vriendelijk en vertelde haar dat dit de enige opvang in deze omgeving was.
‘Dan moet het maar,’ antwoordde ze bits en ze sloeg de lange haren rond haar hals.
‘U moet zich melden bij Boris. Hij wijst waar u kunt overnachten. Het kost u veertig brokken.’
‘Veertig brokken, dat kan nooit iets zijn. Is er een waterbed?’
‘Ik denk het niet,’ zei een uit de kluiten gegroeide Boxer lachend achter haar. Neem de slaapplaats nou maar of ga ergens anders staan zeuren,’ mopperde hij.
Maar dat was haar trots te na.
Wat denkt die boxer wel, en voor ze het pad opwandelde vergewist ze zich ervan dat niemand haar zag. Charmant stapte ze voort en kwam eindelijk aan in de tuin van Boris. Hief haar hoofd zo hoog mogelijk en haar zelfingenomenheid werd alleen maar versterkt door het zien van de tuin.
Boris lag voor zijn hok en had er geen flauw benul van dat deze dag zijn hele leven zou veranderen. Bukkie die haar het eerst zag, sloop op haar af, nam haar van top tot teen in zich op en zag enige gelijkenis met Boris. Hij boog iets naar voren, keek onder haar buik en zag dat het hier een teef betrof.
‘Wie ben jij,’ vroeg hij voorzichtig?
Behoedzaam keek ze achterom en zei.
‘Hoe bedoel je. Zie je dan niet dat ik een hond van stand ben. Je moet beter uit je ogen kijken. Zo klein ben ik nou ook weer niet,’ snauwde ze naar hem. Ze draaide zich een halve slag om zodat ze Bukkie van top tot teen in zich kon opnemen.
‘Je hoeft niet zo uit de hoogte te doen, anders stuurt Boris je meteen de laan uit. Ik zou maar wat aardiger zijn als ik jou was. Heb je een naam? Dat praat wat makkelijker.’
Ze was niet onder de indruk van hem en zei.
‘Mijn naam is Dinij. En heb niet het lef om te zeggen dat het een rotnaam is.’
‘Waarom zou ik je om je naam uitlachen, die valt wel mee. Nee dat stomme opgedofte haar, dat is geen gezicht. Dinij is wel een aparte naam. Of is het Di-nij,’ en hij lachte er hartelijk om.
‘Sta je me uit te lachen?’
‘Welnee, ik vind het een grappige naam. Klemtoon op Di-nij ha ha ha.’
Voor hij wegrende, keek hij haar met een schuin kopje aan, dacht diep na en zei.
‘Als je echt een mooie naam wilt, weet ik een hele leuke, maar daar praten we nog weleens over als je hier voorgoed blijft.’
‘Wat bedoel je met voorgoed? Ik ben morgen vertrokken, rot kit!’
Bukkie maakte een lange neus en vertrok.
‘Ik krijg je wel belhamel,’ riep ze hem na en nam meteen de omgeving eens goed in zich op. Zette zich in beweging en al wandelend door het hoge gras, klonk plots boven haar hoofd.
‘Zoek je Boris,’ Barbet spreidde haar vleugels eens goed uit en liet de wind erdoor wuiven?
Vanaf het moment dat de hond de tuin was binnen gewandeld, had ze haar gevolgd en ze vond het maar niks.
Wat een arrogantie zeg.
‘Boris, wie is toch die Boris waar ze het hier allemaal over hebben. Wat moet je van mij.’
‘Ik moet niets. Boris moet niets. Je ziet er wel deftig uit, maar erg slim ben je volgens mij niet. Wat een kapsones heb jij zeg.’
‘Je hebt zelf kapsones. Vlieg op en maak dat je uit mijn ogen verdwijnt. Als ik wil, koop ik die hele tuin hierop en zorg ik er voor dat jij moet vertrekken.’
Barbet grinnikte en zei.
‘Onuitstaanbare rot hond. Geef mij Boris maar. Hij is van hetzelfde ras als jij, maar veel en veel liever. Je moest je eens nalaten kijken verwaand nest. Ach laat maar. Wat kom je hier eigenlijk doen?’
‘Dat gaat je niets aan.’
Intussen was ook Vlekkie in de tuin verschenen en had het twistgesprek tussen Barbet en Dinij gevolgd. Hij trok aan haar staart en zei dat ze niet zo vervelend moest doen. Dat deed de deur dicht. Maar om de één of andere reden kon ze het niet over haar hart krijgen om hem een veeg uit de pan te geven. En wandelde zonder verder nog een woord te zeggen de tuin door.
Boris keek opeens scheel toen hij haar zag aankomen en stak al snuffelend zijn neus omhoog. Snel bracht hij zijn vacht in orde en fier ging hij voor zijn hok staan. Zijn ogen rolden in zijn oogkassen en richtte zijn blik op de charmante hond.
Een dergelijke mooie dame ben ik nog niet tegen gekomen,’ probeerde zijn verlegenheid weg te stoppen maar het was al te laat.
Toen hun ogen elkaar kruisten, sprongen de vonken over en hartjes zweefde over en weer.
En als niemand dit nog niet weet. Het was liefde op het eerste gezicht. Ook bij haar was haar arrogante en verwaande houding verdwenen en met trillende poten wandelde ze op hem af.
‘Mijn naam is Dinij,’ fluisterde ze. Even was ze bang dat hij net als die kitten om haar naam zou gaan lachen. Mij is verteld dat ik hier zou kunnen overnachten,’ en toen zweeg ze.
Boris schudde zijn kop, deed een stap dichterbij en had door de liefde die hij in zich mee droeg, haar niet weerstaan.
Wat is ze prachtig en wat heeft ze een lieve snoet.
Wil je… wil,’ maar verder kwam hij niet.
‘Kan ik hier overnachten of niet. Doe je bek eens open. Oeps,’ en even kwam haar verwaande houding weer boven.
‘Ik vind het best, kan me niet schelen. Wat is je naam ook alweer. ‘Mijn naam is Boris, aangenaam,’ en stak haar een poot toe.
Ze drukte de hare in de zijne en even staarde ze elkaar een moment aan. Ze voelde zich verlegen en verward. Ze begreep niets van haar gevoelens voor hem en Boris niet voor haar.
Bukkie die het allemaal op een korte afstand bekeek en een grijns op zijn snuit tevoorschijn toverde, greep in en zei.
‘Zeg Boris, wat krijgen we nou, ben je verlegen? Dat ben je anders nooit. Trouwens, je hebt al een vriendin. Als ze dit ziet, kan je het wel schudden. Die hond is niet zo lief als ze zicht voordoet hoor. Ik vind haar een haaibaai. En dan die naam.’
Boris schopte met zijn achterpoot tegen Bukkie’s achterwerk en zei.
‘Wegwezen jij, ik heb helemaal geen vriendin,’ en al grinnikend droop Bukkie af.
Dinij boog haar kop en vroeg opnieuw of ze kon blijven logeren. Boris die een paar keer moest slikken doordat hij van de kaart was door haar schoonheid, fluisterde.
‘Dat mag best. Als je wilt kan je in mijn hok overnachten. Ik slaap wel onder het afdakje.’
‘Dat vind ik erg lief van je Boris,’ en ze gaf hem een pakkerd op zijn natte snuit.
‘Dat is dan geregeld, ik ga meteen mijn hok in orde maken. Wil je een brokje. Neem maar, er is meer dan genoeg. Je zult wel honger hebben.’
‘Ik wil dat het hok van jou schoon is voor ik erin ga slapen. Mest het maar goed uit,’ en ze nam zelf voor het hok plaats. Rook aan de brokken en haalde haar neus op.
Boris was helemaal in de wolken en Bukkie, Toos en Vlekkie stonden de hond even verderop aan te gapen.
‘Wat heb jij een kapsones zeg. Je komt zeker uit die rijke buurt,’ Zei Toos geprikkeld.
‘Ga weg kitten. Boris en ik willen alleen gelaten worden,’ antwoordde ze hooghartig.
Terwijl Boris zijn best deed om zijn hok zo goed mogelijk uit te mesten, vijlde zij in die tijd haar nagels bij.
‘Misschien moeten we het hok scheiden. Er is plaats voor twee of wil je liever alleen liggen.’
‘Dat is een goed plan, daar ben ik het helemaal mee eens,’ zei ze met een zwoele stem tot haar eigen verbazing.
Boris wist niet wat hij hoorde en gaf haar uitbundig een kus op haar neus. Helemaal in de wolken, besefte hij plots dat hij te snel van start ging.
‘Lobke is haar naam,’ riep Bukkie plots.
Dinij sprong op, liep op Bukkie af, maar die verroerde geen vin.
‘Wat verbeeld jij je wel,’ begon ze. Ze legde een nagel van een poot tegen haar kin en dacht diep na over de naam Lobke.
Eigenlijk vind ik het best een mooie naam en zeg nou eens eerlijk tegen je zelf, Dinij heb ook nooit zo mooi gevonden. Misschien moet ik me maar Lobke laten noemen.
‘Ik weet niet wat me plots mankeerde, sorry mijn naam is inderdaad Lobke,’ verontschuldigde ze zich.
Boris die vond dat zijn hok schoon genoeg was ging naast haar gaan zitten. Haalde zijn schouders op en zei.
‘Al goed, het hok is uitgemest, denk ik. Je moet het er mee doen.’
De andere wisten niet wat ze hoorden en verzamelden zich rond de nieuwgebouwde visvijver.
‘Dit is het verhaal van de dag. Laten we de krant inschakelen, zei Toos.

De krant die werd gedrukt van eikeltjes inkt. En door gebroeders eekhoorn afgedrukt werd op door hun zelfgemaakte drukmachine, verspreidde het nieuws zich als een lopend vuurtje.
Boris die geen flauw benul had wat er om hem heen gebeurde, had alleen nog maar oog voor Lobke en hij trok zich samen met haar terug in zijn hok.
‘Boris, ik vind het heel lief van je dat je mij hier laat overnachten. Ik kom uit een hondenras familie die het vaandel heel hoog heeft staan,’ een moment zweeg ze en keek hem ontwijkend aan.
Ze moest opeens aan haar verloofde denken die zo heel anders was dan deze Boris.
‘Boris, ik moet je iets vertellen. Ik vind jou een hele lieve hond, maar ik heb al een vriend,’ zei ze verlegen en wetend dat ze hem nu misschien zou kwetsen.
‘Oh,’ was het enige antwoordt van Boris. Het was voor hem allemaal zo verwarrend dat hij niet wist wat hij moest zeggen.
‘Ja en als hij daarachter komt, breekt de hel los. Ik heb beloofd om met hem te trouwen, dus na deze nacht moet ik echt terug’.
Boris legde een kussentje van zijn poot tegen haar lippen en zei.
‘Hij zal van mij niets horen. Ik zwijg als het graf.’
Haar ogen spraken boekdelen en keken hem bedroeft aan. Verlegen wendde hij zich van haar af, rolde zich op en probeerde de slaap te vatten. Hij probeerde niets te laten merken, maar de nacht werd lang en onrustig voor hem.
De volgende morgen zat hij al vroeg voor het hok en dacht na over de gevolgen. Een eekhoorn op een roodfietsje die als gewoonlijk het ochtendblad rondbracht, zag aan Boris dat hij verdrietig was.
‘Zeg Boris wat is er met jou aan de hand, al zo vroeg op. Dat ken ik niet van jou. Hier je krantje, je staat zelfs op de voorpagina,’ en hij gooide het precies tussen zijn poten.
‘Is dat echt Bas,’ hij vouwde het open en zag zijn foto levensgroot hem aan zitten staren. Alleen het verhaal dat erbij stond deed hem schrikken. Het leek of de buurt van alles op de hoogte was, behalve van de waarheid.
Bukkie kwam naast hem zitten en vroeg of hij met Lobke ging trouwen.
‘Je moet niet zo raar doen Buk. Ze heeft al een vriend en vandaag gaat ze weer terug naar huis.’
Voor het eerst zag hij de tranen bij Boris over zijn wangen druipen. Hij kroop dicht tegen hem aan en kroelde zijn kopje tegen zijn snorharen.
‘Nou ik blijf heel veel van je houden hoor Boris,’ probeerde Bukkie hem te troosten.
Onderwijl was Lobke naast ze komen zitten. Bukkie groette haar, stond op, gaf haar een knipoog en liet ze alleen.
Lobke nam Boris bij een poot en vroeg of hij wilde luisteren. Boris bewoog zich nauwelijks, maar had veel begrip voor haar.
‘Niets meer zeggen Lobke, laat het zo. Misschien komen we elkaar nog eens tegen. Mooie naam heb je. Past wel bij je.’
Ze wilde zeggen dat haar naam echt dinij was, maar vond het niet meer zo belangrijk en hield het voor zich.
‘Bedankt Boris, ik zal er zuinig op zijn,’ en even kwam er een korte glimlach op haar snoet.
‘Ga naar je geliefde. Ik red me wel. Ik heb de tuin, de beesten om me heen en het zijn allemaal stuk voor stuk vrienden.’
Lobke gaf toe dat het hier erg gezellig was en het gaf haar een fijn gevoel. Ze hield van haar verloofde en die kon ze toch niet zomaar laten vallen.
‘Ik hou echt van hem Boris,’ maar erg overtuigend was ze niet. ‘Ik moet gaan, maar één ding. We zijn en blijven maatjes. Als er met één van ons beide iets gebeurt, kan ik dan op je rekenen?’
‘Belooft Lobke, laat het me maar weten,’ hij bracht haar naar de straatkant waar de hondentaxi haar op stond te wachten.
‘Bent u de dame die deze taxi heeft besteld,’ sprak een sterke uitziende Mechelse herder.
Lobke gaf Boris een kus, stapte in en liet de chauffeur de auto in beweging zetten.
Boris zwaaide haar uit en merkte dat ze niet eens de moeite nam om over haar schouder te kijken. Droevig wandelde hij naar zijn hok en samen met Vlekkie tussen zijn poten, verzonk hij diep in gedachten.
Een week later werd de rust plots verstoord. Bas de eekhoorn zette zijn fietsje tegen het hok, wipte op de rug van Vlekkie en vertelde Boris dat Lobke in gevaar was.
‘Ze is diepongelukkig in dat dure huis. Haar verloofde wil niet dat ze de Villa verlaat. Ze mag pas naar buiten als ze met hem trouwt. Het zijn geruchten, maar ik heb ze uit betrouwbare bron,’ en hij zag aan Boris gefronst voorhoofd dat hij piekerde.
We zijn en blijven maatjes. Als er met één van ons beide iets gebeurt, kan ik dan op je rekenen. En maatjes doen alles om elkaar te helpen.
Vlekkie voelde dat de spieren van Boris zich begonnen te spannen. Hij zette ze in beweging en vroeg aan Bas of hij wist waar ze woonde. Bas knikte en al snel ging hij samen met Bas en Barend op pad. En deze keer mochten van hem de kittens niet mee.
‘Ik vind het jammer Boris dat wij niet mee mogen, maar we wensen je veel geluk. Ze mag van ons best hier komen wonen hoor,’ zei Vlekkie.
‘Dat vind ik lief van je, maar ik ga die kwast alleen maar even de les lezen. Hij moet goed voor haar zorgen, anders.’
Bond op aanraden van de anderen zijn rugzak met daarin wat rantsoen op zijn rug. En om zijn nek droeg hij een klein tonnetje met drinken voor de lange reis.
De rust in de tuin ging over in het lawaai op straat. Veel mensen noemden hem bij zijn naam en aaide hem over zijn trotse kop.
‘Neem je vriendin mee terug,’ werd er aan de overkant geroepen.
Hij keek op en zag Lotte en Dorientje. Ze hadden het nieuws uit de krant gelezen die ze in de winkel van de vader van Roberto hadden zien liggen. Ze waren beiden de hele nacht stiekem opstap geweest, maar toen ze de foto van Boris in de krant hadden gezien, wilde ze zo snel mogelijk terug naar huis.
Boris bleef even staan, keek ze aan en vroeg waar zei de hele nacht waren geweest.
‘Laat maar, we praten er wel over als ik weer terug ben,’ en wierp ze een glimlach toe.
Hij kon nooit lang boos zijn op die twee, maar als hij terug was zou hij ze toch eens ernstig toespreken.
‘Als die rot hond je vriendin slecht behandelt, moet je hem goed op zijn punten zetten,’ riep Lotte. Voor Boris zijn weg vervolgde, wandelde hij op ze af, drukte ze beide dicht tegen zich aan en zei: ‘Misschien, maar ze komt niet uit ons milieu. Ik doe dit alleen maar omdat ik een afspraak met haar heb gemaakt en die wil ik nakomen. Ga nu maar snel naar jullie ouders, want ze zijn ongerust,’ en hij gaf een lik over hun bolletje.
Barend vond dat hij voort moest maken en Bas kroop wat dieper in zijn vacht. Hij zat makkelijk en niemand kon hem op deze manier zien. Barend wees Boris de weg door steeds van boom naar boom te vliegen en zo wandelde ze voort.
Buiten het dorp volgden ze een zandpad en stopte pas toen de schemer in viel.
‘Zo, dat is genoeg voor vandaag, zei Boris. Eerst een tukje doen voor we verder gaan.’
Hij kroop onder een dichte struik en rolde zich op. Bas nestelde zich in de vacht van Boris en viel inslaap.
Gerommel deed Boris opschrikken en al snel viel de regen met bakken naar beneden. En als klap op de vuurpijl, sloeg de bliksem in één van de bomen niet ver van de plek waar ze hadden liggen slapen. Door de schrik maakte hij een sprong opzij. Bas die zich net uitrekte, kon zich nog net aan zijn haren vastpakken.
‘Zeg Boris, kan het wat rustiger. Ik werd bijna door jou geplet.’
‘Het spijt me Bas, maar het was de schrik. Laten we maar gaan, het wordt toch al licht,’ ze schudden het water van hun lichaam en gingen opzoek naar Barend.
‘Waar is Barend gebleven. Er is hopelijk niets met hem gebeurd,’ vroeg Boris.
‘Alsjeblieft niet zeg. Al moet ik zeggen dat ik met zulk weer me zorgen ga maken.’
‘Kraa kraa,’ klonk het boven hun hoofd. ‘Zijn jullie eindelijk wakker. We moeten hier weg, het is levensgevaarlijk,’ en Barend landde boven op Boris z’n kop. Wees naar de boom die er verbrand en gespleten bij stond en zei.
‘Ik ben op het nippertje uit die boom gevlogen. Tjonge wat een schrik.’
Drijfnat en koud vervolgden ze hun weg. Bas die de omgeving goed in de gaten hield, riep dat Boris moest stoppen.
‘Hier moet het zijn Boris. Kijk dat grote huis achter dat hek daar.’
‘Hoe komen we hierbinnen,’ vroeg Boris ongeduldig.
‘Dat is heel makkelijk. Duw met dat grote lichaam van jou tegen het hek, dan moet het lukken.’
Boris duwde en duwde en zowaar het hek opende zich al krakend in zijn voegen. Hij wipte naar binnen, sloop op de villa af en kwam voor een open deur tot stilstand. Barend verstopte zich in één van de bomen. Bas volgde zijn voorbeeld en zei.
‘Nu sta je er alleen voor. Wij kunnen je niet meer helpen,’ en hij verstopte zich achter een berg eikenbladeren.
Boris mummelde wat onverstaanbaars, spitste zijn oren en toen hij iemand hoorde aankomen, verschool hij zich achter een struik. Wachtte af, maar toen er niets gebeurde, sloop hij naar de deur. Wipte naar binnen en opeens stond hij in een hal met een blinkende vloer. Nog nooit had hij zo’n glimmende vloer gezien. Zijn spieren gespannen sloop hij langs de kant van de muur om niet verrast te worden.
‘Word jij onze pappa,’ vroeg een stemmetje achter hem. Hij draaide zich om en zag twee wollen puppies kwispelend naar hem kijken.
‘Jij wilt toch wel onze papa worden. Je lijkt precies op onze mama. Ik ben Does en dit is mijn zus Fleurtje. Mijn mama moet trouwen met een hond die voor geen meter op haar lijkt,’ zei Does.
‘En het is een eerste klas rotzak. Hij heeft mijn moeder al een paar keer gebeten,’ zei Fleurtje en ze liet hem zien waar hij hun moeder altijd beet.
‘Kijk zo doet hij dat. Alleen die rotzak doet het allen veel harder bij mama en dan huilt ze de hele nacht.
‘Wat heeft dit te betekenen,’ bulderde een zware stem door de ruimte. En tot Boris schrik stond er een enorme rottweiler in de deuropening.
Rustig blijven Boris, niet laten zien dat je bang bent, dacht hij.
‘Ben je doof, ik vroeg je wat!’
Boris maakte zich zo groot mogelijk en ze zei.
‘Ben je tegen iedereen zo vriendelijk. Daar maak je vrienden mee.’
‘Dat maak ik uit. Ga van mijn erf en laat je hier nooit meer zien,’ maar dat was Boris helemaal niet van plan.
De puppies verstopte zich achter een paraplubak en besefte dat het hommeles werd.
Boris was nu heel boos, zo boos dat hij zich niet kon beheersen. De rottweiler legde zijn tanden bloot en stapte op hem af en was niet van plan om zijn erf met wie dan ook te delen.
‘Stop daarmee,’ golfde een stem door de hal. Boris keek omhoog en zag Lobke boven aan de trap staan.
Charmant en heupwiegend daalde ze van de trap en ging naast Boris staan.
‘Ik ben blij dat je er bent, maar hij is erg gemeen en gevaarlijk. Je moet maar gaan. Ik wil niet dat je gewond raakt.’
De puppies schaarde zich achter hun moeder. Toen Boris dit zag, nam hij een besluit. Hij blies een paar keer, liep op de rottweiler af en zei.
‘Ik heb een hekel aan dat ras van jou. Je laat Lobke met rust of ik zal vechten tot ik er dood bij neer val!’
Men kon de angst bij Lobke van haar gezicht aflezen. Ze nam de twee puppies onder haar hoedde, zodat zij het gevecht niet konden volgen.
Boris was niet van plan terug te deinzen, ook niet toen hij de tanden van zijn vijand op zich af zag komen. Hij maakte zich zo groot mogelijk en liep stoer op de rottweiler af.
Het leek erop dat het een gevecht om leven en dood zou gaan. Maar opeens zette de rottweiler het op een loop. Rende naar buiten en vluchtte het bos in.
Boris was opgelucht. Hij had zich er met een enorme bluf doorheen geslagen. Nooit zou hij van de rottweiler hebben kunnen winnen, hij was maar wat blij dat die lafaard de benen had genomen nog voor dat het tot een gevecht was gekomen.
Lobke was zo verlegen dat ze Boris niet durfde aan te kijken. Hij nam haar poot en voelde de warmte door zijn lichaam stromen. Lobke ik wil, maar ze wilde zelf ook eerst haar verhaal kwijt. Fleur en Does wrongen zich tussen beide en Fleur sloeg met haar pootjes tegen de onderbuik van Boris om de aandacht te trekken.
‘Mijn mama heet Dinij en niet Lobke,’ en opeens was ze stil. Ze keek haar broertje aan en die zei meteen. ‘Is wel een hele mooie naam Lobke.’
’Dat vind ik ook. Ik hou deze naam,’ zei Lobke.
Boris begreep er niets van en deed er ook geen moeite voor. Hij was al gelukkig dat hij haar weer had gevonden en dat ze had besloten om met hem mee te gaan. Pas nu voelde hij hoe veel hij haar gemist had de afgelopen week.
‘Boris ik moet je iets vertellen, deze twee puppies zijn van mij,’ en verlegen boog ze haar kop.
‘Dat weet ik. Ik heb ze al ontmoet en ze gaven mij de kracht om die rotzak een lesje te leren. Het kan me niet schelen van wie ze zijn, ik wil samen met jou heel graag voor ze zorgen?’
Lobke draaide verlegen met haar kop en kon het niet geloven. Hief haar kop op, keek in zijn bruine ogen en zei.
‘We zijn maatjes en dat wil ik graag blijven. Nee zeg niets. We zien wel hoe het gaat.’
Ze wilde de puppies roepen. Maar die stonden al gepakt en bezakt bij de voordeur op ze te wachten om samen met hun nieuwe papa naar hun nieuwe huis en vrienden te gaan.

Einde.