5 Boris en de brand

Een felle zon scheen boven het hok van Boris. En in de schaduw steeg de temperatuur naar de dertig graden.
‘Hier Boris’, zei de baas en plaatste een parasol in de droge grond naast zijn hok. ‘Dat helpt tegen de ergste hitte. Meer kan ik niet voor je doen’, en wrijvend met zijn zakdoek langs zijn voorhoofd, wandelde hij terug naar zijn werkschuur.
‘Puff‘, morde Boris en draaide zich op zijn zij. ‘Deze hitte is echt niet te verdragen’, mummelde hij naar Vlekkie.
Die sprong opzij omdat hij niet geplet wilde worden door Boris.
‘Hee, doet voortaan wat voorzichtiger. Ik lag bijna onder je!’
‘Niet zeuren Vlek, het is daar veel te warm voor. Er zou echt niets gebeurd zijn’, en Vlekkie nestelde zich opnieuw in de nek van Boris.
‘En nu stil blijven liggen, anders ga je maar ergens anders een koelplekje zoeken.’
‘Ja ja, het is al goed. Ik lig lekker zacht.’
Met één oog tuurde Vlekkie naar de moestuin waar de sperziebonen er gezond bij hingen. En aan de stokken lonkte de snijbonen om opgegeten te worden.
De andere kitten hadden nergens zin in en lagen te luieren tussen de struiken. Alleen Barend en Barbet hadden het druk met hun kindertjes. Om de beurt vlogen ze af en aan. En het leek alsof de kleintjes nooit tevreden waren met al het eten dat door Barend en Barbet om de beurt werd gebracht.
‘Waar zou Bukkie zijn’, vroeg Vlekkie.
‘Weet ik niet en het kan me ook niet schelen, ga toch slapen’, bromde Boris.
‘Ja Boris, je kan me wat. Zolang als ik je ken, voer je geen moer uit. Het enige wat je doet is slapen en eten. Jij wordt nog eens zo vet dat je je hok niet meer in kan.’
Boris vond het zo wel genoeg, hij tilde zijn poot op en duwde Vlekkie zijn hok binnen.
‘Ga daar maar liggen. Dat gezeur van jou ben ik zat.’
‘Is al goed, ik verstop me wel onder je staart.’

Bukkie lag ergens achter in de tuin nietsvermoedend na te denken, toen opeens een dikke vette worm voor zijn neus opdook. En voor hij het gedag kon zeggen, pikte Barend hem voor zijn neus weg. Bukkie sprong op, haalde naar hem uit en kreeg hem zowaar te pakken.
‘Zo Barend, ik heb er lang op moeten wachten, maar eindelijk heb ik je’, en opende zijn bek om naar hem te happen. Barbet had haar mannetje gevolgd en het gebeuren gadegeslagen. Dook naar beneden, ging boven op de kop van Bukkie zitten en gaf hem een flinke tik met haar snavel tegen zijn kop.
‘Wil jij dat laten Bukkie, en ze ging pal voor hem staan. ‘Deze worm is voor mijn kinderen en Barend had hem het eerste, laat los jij!’
Bukkie was zo verbaasd dat hij Barend meteen losliet. Die vloog terug naar het nest, terwijl Barbet nog een veer naar hem op stak en zei.
‘Je bent gewaarschuwd mannetje. De volgende keer pik ik een gat in je hoofd’, vloog op en volgde Barend.
Bukkie keek ze na en kon zichzelf wel voor zijn kop slaan.
‘Ik lust helemaal geen wormen’, riep hij ze na. Ik wilde Barend opeten, en stokte in zijn zin. Nee, dat was een geintje. Jeetje, wat is die Barbet een…, nee laat maar, ik ben er ingetuimeld.’
Toos, Lotte en Dorientje grinnikten om het gebeuren.
‘Je hebt je mooi door Barbet in de maling laten nemen Bukkie’, giechelde Toos. ‘Ben jij die stoere kat die je beweerd te zijn’, zei Lotte op haar beurt.
Dorientje wreef met een voorpoot langs het hoofd, snoof diep in, bracht haar neus omhoog en zei: ‘Een kat die bang is voor een vogel, zou ik niet als man willen hebben, lafaard.’
Bukkie werd kribbig. Hij stapte op haar af en zei.
‘Dat zal wel, maar jij bent af en toe een onuitstaanbaar typetje’, en wandelde opgelaten op Boris af.
Die zag hem aankomen en voelde meteen nattigheid. Plots bleef Bukkie staan toen hij zag dat de buurjongen het hek opende.
Die komt Boris natuurlijk opnieuw pesten, dacht hij. Maar Daan was heel iets anders van plan. Hij liep naar de rand van de sloot bleef daar staan, keek schichtig om zich heen en verdween tussen de struiken.
‘Die is wat van plan’, mompelde Boris.
Het leek of iedereen opeens op hun hoede was en verzamelde zich bij het hok van Boris. Het zuchtje wind dat over de tuin waaide viel weg. Het werd dood en doodstil en je kon de angst van de beesten voelen. Ze waren er allemaal zeker van dat er iets stond te gebeuren.
Plots vloog Barend uit de boom, begon te krijsen en cirkelde rond boven de plek waar de buurjongen was verdwenen.
Onbewust keek Bukkie om en zag nog net de auto van zijn baas wegrijden.
‘Daar heeft hij opgewacht’, mummelde hij.
‘Waar opgewacht’, vroeg Boris.
‘Onze baas en bazin zijn met de auto weggereden. Dat pestjoch is op rottigheid uit!’
Niemand durfde de buurjongen te lijf, want hij is sterk en gemeen.
Opeens stond Roberto achter ze en vroeg wat er aan de hand was. ‘Kan ik helpen?’
‘Ik denk het niet Roberto’, zei Toos en ging naast hem staan. Nam zijn poot tussen de hare en glimlachte naar hem.
‘Goed, als jullie het me niet willen vertellen’, trok zijn lederen jack recht en schudde wat met zijn schouders. Meteen voelde hij zich gevlijd dat Toos een beetje verliefd op hem was en dat maakte hem nog stoerder. Vluchtig keek hij haar aan, maar draaide zijn blik meteen weer de andere kant op. Buiten Toos had niemand aandacht voor hem, maar dat hoefde zij niet te weten. Beiden tuurden naar de plek waar de buurjongen zich moest bevinden.
‘Dat ziet er niet goed uit’, zei Barend die onrustig heen en weer over de nok van Boris hok trippelde. ‘Volgens mij gaat hij daar de boel in de fik steken. Mijn kindertjes zitten in het nest en ze kunnen nog niet vliegen. Wat moet ik doen?’
En ja hoor, opeens dwarrelde er rook op uit de bosjes onder de boom.
‘Brand, er is brand’, en ze rende als een stel kippen zonder kop door elkaar.
Boris stond op en rende er heupwiegend op af.
‘Woef woef, en sprong tussen de struiken. Dan opeens werd het er rustig. Iedereen hield hun hart vast en wachtte gespannen af. Het duurde niet lang toen de jongen, met Boris op zijn hielen, maakte dat hij wegkwam. Boris rende achter hem aan en had moeite om hem in te halen. Nam een sprong en kreeg een broekspijp te pakken. Gaf er een ruk aan en opeens had hij een lap stof in zijn bek. De jongen dook over het hek en wist dat hij daarachter veilig voor de hond was. Boris blafte nog een paar keer naar hem, maar werd met een lange neus uitgejouwd.
‘Brand brand’, riep Barbet vanuit het nest. ‘Help mijn kinderen’, en ze dook op het vuur af. Pikte naar de vlammen die door de droogte snel om zich heen greep.
Barend spreidde zijn vleugels, wipte van het hok en vloog op haar af.
‘Kraa kraa, maak dat je weg komt, op deze manier verbrand je.’ Ze besefte opeens dat Barend gelijk had. Vloog terug naar de boom en wipte zenuwachtig rond het nest.
‘De kinderen Barend. Ze zullen verbranden’, en door de vele rook, en begon te kuchen door de vele rook.
Barend wilde een jong in zijn snavel nemen, maar die was te zwaar voor hem.
Als er geen wonder gebeurt dan zullen ze levend verbranden, dacht hij.
‘Kom Barbet, we moeten hulp halen. Misschien komt de brandweer op tijd. Weet je wel die mensen met de rare pakken’, maar ze luisterde niet naar hem en schreeuwde.
‘Mijn kinderen verbranden, doet iets Barend!’
Barend boog zijn kopje en durfde haar van schaamte niet aan te kijken.
Wat kan ik doen. Ik ben niet sterk genoeg om ze in mijn snavel op te pakken. Ik zal er niet mee weg kunnen vliegen, dacht hij.
Machteloos moest hij toezien hoe hun kleintjes waren overgeleverd aan het gevaar.
Boris rende terug naar de anderen die zich op één plek hadden verzameld.
‘Wie gaat de kinderen van Barend en Barbet redden. Zeg jij Roberto, toon nu eens hoe stoer je echt bent, zei Bukkie!’
Roberto stond erbij en keek ernaar, maar hij dacht er niet over om de boom in te klimmen om ze te gaan redden. Opeens rende hij weg en riep.
‘Ik moet mijn moeder helpen met de was. Het spijt me, maar ik wil met dit mooie weer geen straf krijgen’, en weg was hij.
Iedereen keek verbaasd, want dit hadden ze niet van hem verwacht.
‘Kijken help niet’, huilde Barbet. ‘Wie gaat mijn kinderen redden. Schiet een beetje op, doe iets.’
Bukkie keek even in het rond en zag niemand aanstalten maken. Hij schraapte zijn voorpoten tegen een boom, haalde diep adem en rende op de brand af. Achter de schuur waar de boom stond, zag hij het vuur hoog oplaaien. Omdat de wind zwak was, dwarrelde de rook recht omhoog.
Ik moet ze redden. Al moet ik mijn leven ervoor geven. Barbet moet haar kleintjes tussen haar vleugels kunnen sluiten, dacht hij.
Een moment twijfelde hij maar sprong toen naar de boom, klom omhoog en viel terug. ‘Schiet op Bukkie’, moedigden ze hem aan.
De brand verspreidde zich snel en opnieuw nam hij een aanloop, sprong zo hoog mogelijk en zetten de nagels diep in de schors. Een moment bleef hij hangen, spande al zijn spieren en kreeg een tak te pakken. Als een acrobaat trok hij zich omhoog en balanceerde over een tak. De rook die zich steeds meer ging ontwikkelen, deed de kleintjes kuchen. Hij keek vluchtig naar de brand en zag dat hij weinig tijd had. Nam twee vogeltjes in zijn bek en keerde terug naar de stam.
‘Ga je ons opeten poes’, vroeg één van de vogeltjes huilend.
Door deze woorden, kwam hij tot stilstand en voelde zijn instinct opkomen. Het water liep uit zijn bek.
‘Opschieten’, riepen ze beneden.
Bukkie bleef stokstijf staan en twijfelde.
Barend nam naast hem plaats, spreidde zijn vleugels en smeekte hem om zijn kleintjes niets aan te doen.
‘Alsjeblieft lieve Bukkie. Ik zal alles voor je doen om het in de tuin naar de zin te maken’, en legde een vleugel over de kop van Bukkie. Daardoor kwam hij weer bij zinnen en schaamde zich. Keek Barend aan en zei.
‘Ik kan er niets aan doen. Het spijt me Barend.’ Barend trok zijn vleugel terug, boog zijn kopje en zei.
‘Ik begrijp het Bukkie. Er zit niets ander op. We willen vaak vergeten dat wij dieren zijn en het gevoel dat de natuur ons heeft gegeven, willen vergeten. Ik zal je er niet kwaad op aan kijken, maar Barbet maak je heel erg verdrietig.’
‘Opschieten’, werd er beneden geroepen. ‘De brand heeft de boom al bereikt. Als je te lang wacht kun je ze niet meer redden’, riep Toos, die besefte dat Bukkie er het moeilijk mee had.
Barbet vloog op en landde naast Barend.
‘Opschieten Bukkie.’
Barend legde een vleugel voor haar snavel en zei. ‘Hij moet zijn gevoel dat de natuur hem heeft gegeven volgen. We zijn onze kinderen kwijt. Wat Bukkie ook zal doen, we mogen het hem niet kwalijk nemen, beloof je dat?’
‘Wat bedoel je Barend. Ik wil mijn kroost terug. Bukkie en wij zijn toch vrienden. Laat dat niet toe. Ben jij een vader!’
Barend wist dat ze gelijk had, maar tegen de natuurwetten konden ze niet op. Hij verontschuldigde zich tegenover Barbet en liet zich van schaamte uit de boom vallen. Snippie rende op hem af en vroeg wat er aanscheelde. Hij tilde zijn snavel op en zei.
‘Ga weg, Bukkie eet mijn kindertjes op. Nu durf ik Barbet niet meer onder ogen te komen’, en hij plofte terug op de grond. ‘Laat me maar, ik wil niet meer leven.’
Snippie snapte er niets van en geloofde hem ook niet. ‘Nee, zoiets doet Bukkie niet. Verbeest je en kom van die boom vandaan, voor je zelf in de fik staat.’
Het vuur omarmde de boom en bereikte de eerste takken. Toos en Snippie sleepten Barend van het vuur vandaan en probeerde hem gerust te stellen.
‘Niet bang zijn Barend, je kindertjes worden heus wel gered’, maar toen ze naar de boom keek, begon ze ook te twijfelen.
Barbet duwde aan Bukkie’s lichaam en smeekte dat hij haar kinderen moest loslaten. Opeens keek hij op en merkte voor het eerst dat Barbet naast hem stond. Het was of hij bang voor haar was en sprong pardoes uit de boom. Legde de jonge voor Boris en rende terug de boom in. De vlammen schroeide zijn lichaam en de reuk van verbrand haar, gaf hem nog meer kracht. Hij nam de twee anderen vogeltjes in zijn bek, wilde terug keren, maar zag dat hij door het vuur was ingesloten. En door de vele rook, kon hij geen steek zien. Op blind vertrouwen probeerde hij terug naar de stam te komen. De vlammen hadden de boom helemaal in zijn grip en niets kon het opkruipende vuur nog tegenhouden. De rook was zo hevig dat de anderen niets meer van de boom konden onderscheiden.
‘Waar blijft Bukkie toch’, trappelde Toos van ongeduld. Hij had allang uit de boom moeten zijn. Ik ga hem helpen’, maar Vlekkie en de anderen hielden haar tegen.
‘Niet doen Toos, dat is levensgevaarlijk. Bukkie redt zich wel’, zei Dorientje en trok haar nog verder van de brandhaard vandaan.
Iedereen was het erover eens dat Bukkie dit nooit zou kunnen redden.
Door al het gedoe, zagen ze plots een straal water over hen heen komen. Ze hadden uiteindelijk niet eens de brandweer horen aankomen. De brand was snel geblust, maar er was van Bukkie en de twee jonge vogeltjes niets meer te vinden.
Bukkie’s broertjes en zusjes waren huilend naar huis gelopen. Boris wreef de tranen uit zijn ogen en troostte Barend en Barbet.
‘Niet boos op me zijn Barend’, snikte Barbet. ‘Het lot heeft beslist, maar ik vind het heel erg voor Bukkie. Die heeft zijn leven gegeven om onze kleintjes te redden’, fluisterde ze tegen Barend.
De brandweer vertrok en de stilte keerde terug in de tuin. Iedereen zat in hun eigen wereld en moesten het verlies van Bukkie en de kinderen van Barend en Barbet op hun eigen manier verwerken. Boris nam plaats voor zijn hok en miste Bukkie nu al.
Het zal stil worden in de tuin Buk. Ik mis nu je plagenrijen al. Waarom moest je op deze manier van ons vandaan getrokken worden. Maar opeens werd hij erg boos. Als ik die rotknul te pakken krijg, gaat hij eraan. Het is zijn schuld, dacht hij.
Hij stond op en liep terug naar Barend en Barbet waarvan Barend een vleugel om haar nek had gelegd. De hitte was ook een treur dag geworden. Met een trieste ouders, moest ook Boris opnieuw een traantje wegvegen.
‘Zeg Barbet, laat je me rondzeulen met die kinderen van je. Neemt ze eens over’, en daar stond Bukkie met twee kleintjes tussen zijn poten aan de andere kant van de sloot.
Gek van blijdschap vlogen ze erop af en sloten ze in hun vleugels. Barbet wilde hem bedanken, maar dat wuifde hij met een poot weg. Boris wandelde hij straal voorbij en ging op huis af.
Daar waren ze net zo blij als Barend en Barbet om hem weer te zien. Dorientje liep op hem af, sloot hem in haar poten en zei.
‘Ik heb jouw verkeerd beoordeeld Bukkie. Je bent helemaal geen lafaard, je bent nu de held van de buurt.’
“Ja ja, laat maar, het is al goed’, en gaf haar een dikke knuffel.
Boris had het niet meer. Niemand zei iets tegen hem en verbitterd kroop hij zijn hok binnen. Nam plaats in een hoek, rolde zich op en ondanks dat Bukkie hem zomaar voorbij was gelopen, was hij blij dat er niets met hem was gebeurd.
De volgende dag kwam Bukkie Barend tegen en raakte aan de praat.
‘Zeg Buk, wilde jij mijn kindertjes echt opeten?’
‘Welnee joh, ik had opeens hoogtevrees en kon me niet meer verroeren. Toen er aan mijn lichaam werd getrokken, kwam ik weer tot mezelf. Ik zou nooit jouw kindertjes kunnen opeten.’
Barend bedankte hem nog eens en vloog terug naar een nieuwe boom.
Daar was Barbet alweer bezig met veren en losliggende takjes om een nieuw nest op te bouwen.
Bukkie nam de weg naar Boris, schudde aan zijn neus en toen die zijn ogen opende, was hij blij Bukkie te zien.
‘Zeg Buk, waarom liep je me straal voorbij gisteren. Ik heb je toch niets gedaan?’
Bukkie keek hem aan en begreep niet wat hij bedoelde. Hij kon zich niet herinneren dat hij Boris voorbij was gelopen.
‘Ik denk dat ik zover weg was met mijn gedachten dat ik je niet heb zien liggen. Het spijt me Boris, maar je kunt niet altijd de aandacht hebben. Ik heb me rot gewerkt om Barbet en Barend hun kinderen te redden en jij zit te mokken dat ik je niet heb gezien. Ik heb er niet bij stilgestaan lieve vriend van me. Het spijt me dat je het op deze manier ziet,’ en gaf hem een aai over zijn natte neus.
‘Al goed Bukkie, ik ben blij dat je nog leeft. We zijn toch nog wel vrienden?’ ‘Ja hoor het is goed met jou, ik ga mijn bakje leegeten, voor Toos alles weg pikt’, en rende terug naar huis.

Einde.