Boris is ziek 1

Snippie verveelde zich. Hij lag maar te woelen in zijn mand en uiteindelijk legde hij zijn kopje op de rand. De baas en bazin liepen op en neer en gooide met kleden en matten. Beng beng, klonk het buiten wanneer één van hen met de mattenklopper sloeg.
Loom kroop hij uit zijn mand en liep naar het erf. Verveeld keek hij om zich heen en zag dat Boris zoals altijd voor zijn hok lag. Ook Barend was druk in de weer, hij begroette hem maar ging toen weer verder met zijn bezigheden.
‘Het is hier een saaie boel Snip,’ hoorde hij Bukkie van onder het afdak zeggen. Hij lag daar in zijn Jeep met een poetsdoek in zijn poot. ‘Hij glimt weer lekker of niet?’
Snippie ging naast hem zitten, keek hem aan en haalde zijn schouders op. ‘Je mag er toch niet in rijden, waarom zou je hem dan oppoetsen. Je mag er alleen maar naar gapen, meer niet,’ zei hij.
‘Heb je een rotbui of zo. Wat bezielt je toch,’ vroeg Bukkie.
‘Weet ik niet. Zit niet goed in mijn vel,’ maar verder kwam hij niet.
‘Kom snel,’ riep Toos. Volgens mij is Boris ziek!’
Snippie kwam direct in actie. ‘Je maakt zeker een geintje Toos,’ vroeg Bukkie.
‘Nee, het is echt waar, kijk maar,’ en ze duwde een paar keer tegen de kop van Boris. Die verroerde zich niet, even tilde hij een ooglid op, maar verder kwam er geen reactie.
Bukkie rende naar zijn baas, maar wat hij ook probeerde om de aandacht van hem te krijgen niets hielp. ‘Hoepel toch op,’ was de enige reactie die hij van hem kreeg.
‘Nu je hem nodig hebt, kan hij alleen maar snauwen,’ bromde Bukkie. Hij probeerde het nog eens bij zijn vrouwtje en streek met zijn kopje langs haar been.
‘Weg wezen jij, we zijn aan de schoonmaak. Ga Boris maar pesten’, giechelde ze.
Bukkie deed nog een laatste poging, sloeg zijn nagels uit en zette deze in haar onderbeen. Hij had gehoopt dat ze achter hem aan zou rennen, maar in plaats daarvan, kreeg hij een schop.
‘Ben je nou mal. Weg wezen,’ en zette hem buiten de deur.
‘Nou dan niet,’ en hij rende terug naar Boris.
De rust was verstoord en het nieuw was snel verspreid. Dieren die waren aangekomen spraken door elkaar heen.
Vlekkie, Dorientje, Lotte en zelf Momfit de mol kwamen een kijkje nemen.
Zeg willen jullie niet zo stampen. Daar kunnen mijn oortjes niet tegen, had Momfit de mol geroepen. Maar toen hij hoorde dat Boris ziek was was hij één en al oor.
‘Is hij echt ziek,’ vroeg Barend die op de kop van Boris neerstreek.
‘Niet zo van die domme vragen stellen Barend, probeer het zelf maar,’ en kreeg een tik tegen zijn staart van Toos.
‘Is al goed. Ik hoopte dat het een geintje was,’ antwoordde Barend.
‘Wat nu, vroeg Snippie. De baas wil niet luisteren. Hoe komen we aan een dokter?’
‘Dat is een goede vraag Snip, zei Toos. Ik zou het niet weten. Dierentaal begrijpen ze niet, dus heeft het geen zin om te telefoneren. Wie heeft er een idee, maar één voor één haalde ze hun schouders op.
Terwijl de zon statig naar zijn hoogste punt steeg lag Boris er lamlendig bij. Het enige wat hij wilde was dat ze hem met rust zouden laten. Toos aaide hem over zijn kop en zei dat het haar speet dat ze niets voor hem kon doen. Moeizaam tilde hij zijn kop op en fluisterde. ‘Ik heb zo pijn in mijn buik. Laat me maar met rust. Bedankt dat jullie me willen helpen,’ en legde zijn kop weer terug op het gras.
Barbet streek naast Barend neer, tikte haar geliefde aan zei: ‘Als zijn baasje hem niet kan helpen, dan moeten wij dat doen.’
‘En hoe zou jij dat dan willen doen Barbet, vroeg Toos. Even naar een dokter gaan en zeggen dat Boris ziek is. Vertel jij me maar eens hoe wij dat de mensen wijs kunnen maken.’
Barbet was niet zo snel uit haar hum te halen en had al een plannetje zitten uitbroeden.
‘Kom maar met me mee, dan zal ik jullie vertellen wat mijn plan is en vloog hen vooruit. Niet ver weg landde zij op één van de raam kozijnen.
‘Kijk daar staat een telefoon.’
De anderen schoten in de lach. ‘En hoe had jij dan gedacht de dokter te kunnen waarschuwen, ze verstaan ons toch niet,’ grinnikte Bukkie.
‘Dat ga ik je haar fijn vertellen. Jij gelooft niet in mij hè knulletje. Ik heb jou daar al eens eerder voor op je kop gepikt.’
Meteen bracht hij zijn pootje naar zijn hoofd en even dacht hij dat ze het weer zou doen.
Ik wil niet opnieuw een tik van haar snavel, dacht hij.
‘Luister goed naar me. Vooral jij Buk. Ik heb jou hard nodig.’
‘Oh ja, is dat echt waar Barbet. Heb je me nodig. Dat vind ik toch aardig van je, maar je bekijkt het maar.’
‘Natuurlijk ga je me wel helpen. Ik meende het niet wat ik zei. Kom spring op de tafel en ga bij de telefoon staan. Dan leg ik je uit wat de bedoeling is,’ zei Barbet.
Bukkie keek eerst om zich heen voor dat hij naar de telefoon durfde. Barbet vloog naar de telefoonagenda die naast de telefoon lag en bladerde het door. Met het puntje van haar vleugel wees ze naar een nummer en zei: ‘Tik dit nummer in of kan je nog niet tellen?’
Bukkie haalde diep adem en zei dat hij de beste van de klas was. ‘Laat mij nou maar en zeg het nummer maar op.’
Steeds als ze een nummer noemde, tikte Bukkie het in. Dat moest nauwkeurig gebeuren, want als hij even zijn poot verkeerd zette dan moet hij opnieuw beginnen. Ze spraken af dat wanneer er zou worden opgenomen Momfit het gesprek zou voeren. Het duurde niet lang of er werd aan de andere kant opgenomen.
‘Hallo, dierenambulance, zegt u het maar.’
‘Miauw, kraa kraa en piep,’ antwoordde Moffit.
‘Er zijn weer grappenmakers aan de lijn,’ hoorde ze aan de andere kant zeggen en de hoorn werd er opgelegd.
‘Wat nu, zo komen we nergens, sprak Momfit. We moeten een beter plan hebben, maar merkte op dat hij alleen was. Nou ja zeg, waar is iedereen nu, dacht hij.’
Plots hoorde hij een gil achter zich. Van schrik bleef hij even stokstijf staan. Keek om en zag de vrouw van de baas op een stoel staan.
De man kwam op het gegil van zijn vrouw af en begon hard te lachen. ‘Kom meid, het is maar een mol, zie je dat niet. Een muis ziet er heel anders uit.’
Momfit rende weg en verdween in één van zijn holletjes. Stak zijn kopje over de rand, zocht naar de anderen en zag dat ze zich hadden verstopt onder het afdakje. Toen de kust weer veilig was rende ze naar binnen en probeerde het opnieuw.
‘Met de dierenambulance, zegt u het maar,’ en meteen begon Bukkie te kermen dat er niet omloog. Nu werd het even stil aan de andere kant.
‘Er is iets aan de hand, laten we het zekere voor het onzekere nemen en een kijkje gaan nemen,’ en het werd weer stil.
Toos vroeg op haar beurt hoe ze nou konden weten waar ze moesten zijn. Barbet legde een veer tegen haar snavel en Toos begreep dat ze stil moest zijn.
‘En nu 112 bellen Buk, snel.’
‘Ja ja rustig maar, en drukte de knoppen in. Zo goed?’
‘Prima, en nu afwachten. Blijf bij de herhalingsknop staan Buk.’
Hij snapte er niets van, maar deed wat ze van hem verwachtte. Op deze manier ging het een paar keer tot Barbet er zeker van was dat er hulp opkomst was. Nog geen minuut later werd er teruggebeld. De baas nam de hoorn op en op het commando van Barbet begonnen ze allen te krijsen. Rende door het huis en verdwenen met de baas achter zich aan in de richting van Boris. Daar bleven ze staan en wachtten net zolang tot de hun baas merkte dat er iets met Boris aan de hand was. Ze hoorde sirenes naderen en al snel stond de politie en de dierenambulance voor het huis van hun baasjes. Een kort gesprek was het gevolg, maar geen mens begreep wat er precies was gebeurd. Een man in een witte jas betaste Boris en vond dat hij meteen naar de dokter moest. Terwijl Boris in de ambulance werd gelegd, stonden alle beesten voor de poort.
Eén van de agenten zei: ‘Als ik het niet met mijn eigen ogen zou zien zou ik het niet geloven,’ en tikte zijn maat aan. ‘Dat geloof je toch niet moet je eens zien. Vogels, katten en zelf een mol staan te kijken alsof ze begrijpen wat er aan de hand is. Jij ziet het toch ook?’
‘Waar heb je het over,’ vroeg zijn collega.
‘Zie je dat dan niet,’ maar toen hij weer keek waren ze allemaal verdwenen.
‘Kom nou maar man, je zit te lang in het vak.’
De agenten stapte weer in de dienstauto maar één van de agenten keek toch nog een paar keer om. Hij was er zeker van dat de hond door een stel dieren was uitgezwaaid. Maar ja, wie zou hem geloven.
De dieren verzamelde zich bij het hok van Boris en zwijgend keken ze elkaar aan. Bukkie keek het hok in, maar daar was Boris niet. ‘Het is gek ik weet dat hij weg is, maar toch ging ik kijken of hij in zijn hok lag. Ik mis hem nu al.’
‘Misschien gaat hij wel dood en dan komt hij nooit meer terug,’ huilde Vlekkie.
Troostend zei Toos hem dat het wel mee zou vallen, maar was er zelf ook niet gerust op.
‘We gaan gewoon naar het ziekenhuis,’ stelden Dorientje voor.
‘Weet jij dan waar dat is,’ vroeg Bukkie snikkend.
‘Ik weet waar het is, zei Barend die midden in de groep landde. Het is niet zover hier vandaan. Twee straten verderop, maar je moet wel langs de HELL-CATS.’
De HELL-CATS was een bende waar je maar beter bij uit de buurt kon blijven. Dat wist iedereen. Daar kom je niet zomaar langs. En als ze je te pakken kregen, haalde ze uit met hun lange scherpen nagels.
Bukkie deed een stap naar voren nam naast Barend plaats en vroeg: ‘Zeg Barend, kan jij ons er niet doorheen loodsen?’
‘Dat is wel te regelen. Ik heb de boel al een beetje verkend, maar het zal moeilijk worden. Ze staan of liever ze hangen rond elke hoek,’ antwoordde Barend
Ineens wilden iedereen naar het ziekenhuis, maar Toos en Barbet vonden dat alleen Bukkie en Snippie mochten gaan. Mokkend zwaaide de anderen ze uit en wenste ze veel succes.

Bukkie sloop langs de muren, maar af en toe verstopte ze zich in een portiek of struik. Barend vloog vooruit om te zien of er een plek was waar ze konden doorbreken. Overal was door de HELL-CATS de toegang naar het ziekenhuis afgesloten. ‘Waarom moet het ziekenhuis nu net in de wijk van de HELL-CATS liggen,’ bromde Barend. Maar hij hield de HELL-CATS goed in de gaten. Nam plaats op een lantaarnpaal wachtend hij op Bukkie en Snippie.
‘Kraa Kraa, schreeuwde hij naar ze. ‘Dekking Snip. Ze zijn dicht in de buurt.’
Barend leidde ze naar een goede plek met veel uitzicht op de bende. Bukkie moest even slikken toen hij twee uit de kluitengewassen katten zag staan. Het herkenningsteken op hun jack gaf hem een angstaanjagend gevoel. HELL-CATS stond er achterop met daaronder een gemeen uitziende kop van een Kat.
‘Moeten we daar langs,’ fluisterde Snippie.
‘Als je naar Boris wilt, dan moet dat,’ en probeerde zelf zijn angst weg te slikken.
Barend zweefde rond de bende, landde op de dakgoot en begon hard naar ze te schreeuwen. Verbaast keken de bendeleden omhoog.
Daar had Barend op gerekend, spreidde zijn vleugels en vloog in een duikvlucht op de bende af. Scheerde over hun hoofden en pikte gemeen naar ze.
‘He, wat wil die stomme kraai van ons. Ga je weg anders…, maar hij dook opnieuw, landde op de kop van één van hen en pikte hard tegen zijn neus. Dat herhaalde hij een paar keer, totdat ze achter hem aankwamen. ‘Kraa ‘Kraa, wat zijn jullie sloom,’ grinnikte hij naar ze.
Razend werden ze en begonnen hem met rozenbottels te bekogelen.
‘Pak aan Kraai,’ maar Barend vloog te hoog voor ze.
Bukkie begreep dat Barend ze wilde afleiden zodat hij met Snippie ongezien langs de bende kon komen.
‘Rennen Snip, ik weet niet hoelang het duurt voor dat ze het spelletje van Barend doorkrijgen.’
Toen ze ver genoeg van de bende waren verwijderd rusten ze een ogenblikje uit. Bukkie keek eerst of alles veilig was voor hij zijn rugtasje opende om er wat lekkers uit te toverde. Snippie was zo bang dat hij niets door zijn keel kon krijgen. Bukkie stopte het lekkers weer terug in de rugzak en zei: ‘Misschien heb je straks honger. Kom we moeten verder,’ en met hun kop trots omhoog huppelden zij achter elkaar richting ziekenhuis.
Onderwijl was Barend weer terug en leidde hen de goede richting op.
Bij het ziekenhuis aangekomen verstopten ze zich tussen de struiken.
‘We moeten binnen zien te komen Snip,’ zei Bukkie.
‘Ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Kijk eens hoe druk het is.’
Snippie sloop langs de muur en kwam bij een hek van dik gaas.
‘He Snippie, werd er vanachter het hek geroepen. Wat doe jij hier. Ik ben al lekker opgeknapt, maar Boris die vandaag is binnen gebracht is er slecht aan toe!’
Snippie herkende Joppie de kat van de buren aan de overkant van de sloot. Ook wist Snippie niet dat Joppie ziek was. Hij rende terug naar Bukkie en riep: ‘Bukkie Bukkie, het gaat slecht met Boris dat zegt Joppie,’ en bracht hem naar het hek.
Hij begroette Joppie en vroeg hoe ze bij Boris konden komen.
Joppie wist de oplossing. ‘Loop rond het hek door de struiken en dan zie je vanzelf een gat in het gaas. Doe het nu meteen, want we moeten zo ons hok weer in.’
Bukkie stond plots stil en keek om zich heen. De ren waar de katten en poesen in speelde, was niet groot en zelfs het dak was volledig met gaas bedekt.
‘Kom nou Buk, straks zijn we te laat!’ Ze kropen door het gat en werden omringd door vele poesen en katten.
‘Hierheen,’ riep Joppie. E voor ze er erg in hadden waren ze binnen. ‘Verder moeten jullie het nu alleen doen. Ik wens jullie succes,’ en weg was hij.
Bukkie zocht en zocht totdat ze bij een groot aantal hokken belandden. Daar lag Boris gewikkeld in verband. Ze wipten door de tralies en keken beduusd naar de zieke.
Hij verroerde geen vin en toen Snippie aan zijn neus kriebelde, was er nog steeds geen teken van leven. ‘Hij is echt erg ziek Buk. Misschien gaat hij wel dood.’
‘Doet niet zo mal. Volgens mij slaapt hij, kijk maar naar zijn buik. Die gaat steeds op en neer.’ Een deur piepte en stemmen naderde het hok van Boris.
‘Wegwezen,’ riep Bukkie en beidde kropen ze achter de brede rug van Boris.
Twee mensen in witte jassen deden het hok open en één van hen voelde aan Boris oren. ‘Ik hoop dat hij het haalt. We hebben de schat op het nippertje kunnen helpen. Het was een moeilijke operatie, wat denk jij ervan,’ vroeg hij aan een wat oudere doktersvrouw.
‘We hebben ons best gedaan, meer kunnen we niet doen. Het is afwachten,’ en verlieten de ruimte.
‘Heb je dat gehoord Snip. Ik blijf net zolang hier tot ik zeker weet dat hij beter wordt.’
‘En ik blijf aan je zijde Buk. Ik moet er niet aandenken dat Boris het niet haalt,’ en hij barstte in tranen uit.

wordt vervolgd