2 De wolvenfamilie

De storm

De gure wind blies de laatste blaadjes van de bomen. Dit jaar was de herfst sneller ingevallen dan iemand had kunnen verwachten. Een wolf die rusteloos aan de oever van een kolkende rivier stond, snoof diep in en trappelde met zijn achterpoten. De regen viel als pijpenstelen naar beneden en doorweekte zijn bruine vacht. Zonder enige aankondiging zakte een deel van de rivieroever onder zijn poten weg, en werd door het kolkende water opgeslokt. Gelukkig was hij op zijn hoede en kon zich net in veiligheid brengen. Hief zijn kop op en zag dat de dam door het dikke regengordijn bijna onzichtbaar was geworden. Terwijl hij zijn poten iets uiteenzette, zwommen een paar bevers op en neer en probeerden met de weggespoelde takken de dam te repareren. De harde wind liep op tot storm en de wolf tuurde naar de grauwgrijze lucht. Een moment van onoplettendheid zorgde dat hij door de wind uit zijn evenwicht werd gebracht. Hij legde zijn oren diep in zijn nek, toen deze pijnlijk tegen zijn oren zwiepte. Zijn instinct vertelde dat er groot gevaar dreigde. Gehaast keek hij om zich heen, trok zich wat verder terug van de rivier, ging op zijn buik liggen en dacht diep na. Hij mocht nu geen fouten maken, want een dergelijke storm had hij zelden meegemaakt.
‘Krak.’ Klonk het vanaf de dam. Met zijn scherpe ogen zocht hij de omgeving af en hij schrok toen hij de dam zag opzwellen. Toen hij het water over de rand zag sijpelen, moest hij een besluit nemen. Hij besefte dat de meeste wolvenfamilies nog niet op de lange reis waren voorbereid. Nog eenmaal keek hij naar de dam, zette zijn achterpoten diep in de grond en spurtte het bos in.
‘Ik moet vrouw en kinderen naar een veilige plek brengen.’ En met de tong uit zijn bek, schoot hij als een pijl weg. Hij had nu maar één doel voor ogen en dat was zijn gezin redden. Terwijl hij zich een weg baande tussen bomen en struiken, zwiepten de takken gemeen tegen zijn opkomende wintervacht. Met zijn tong hangen uit zijn bek, bereikte hij het hol dat onder een paar struiken lag verborgen.

De moederwolf was verbaasd toen ze haar liefste uitgeput voor haar zag staan. Alleen de kinderen hadden nergens erg in en waren blij hun papa terug te zien. En zoals altijd bij zijn thuiskomst, sprongen ze op zijn rug.
Vaderwolf gaf een grom als antwoord en de kleintjes kropen snel achter hun moedersrok. ‘We moeten de bergen invluchten, want de dam staat op springen. De bevers doen hun best, maar kunnen het geweld van het water niet lang meer tegenhouden. Het wordt een zware tocht voor de kinderen, maar het kan niet anders, hier blijven is levensgevaarlijk!’
Moederwolf riep haar kroost bij een en spoorde de ze aan om voort te maken.
Haar man die ongeduldig bij de uitgang op hen stond te wachten, nam haastig afscheid van de kinderen. ‘Goed naar je moeder luisteren, want er is nu geen tijd meer voor spelletjes! Ik kom zo snel mogelijk achter jullie aan.’ ‘Ja pap”, riepen de kleintjes in koor.
Fluisterend, zodat de kinderen hem niet konden horen, zei hij tegen zijn vrouw. ‘Probeer de kinderen naar een hoge en veilige plaats te brengen. Ik als hoofd van de roede, heb de plicht om de andere families te waarschuwen,’ en vervolgens vertrok hij. Ze deed geen moeite hem tegen te houden en gaf hem een goedkeurende lik over zijn kop. Zonder om te kijken, besefte ze dat hij zijn leven voor de anderen op het spel zou zetten en dat ze hem misschien nooit meer terug zou zien.
Met moeite bereikten moederwolf en de kleintjes de voet van de berg. Ze tuurde naar boven en zag dat het een hele opgave zou worden. Ze spoorde de kleintjes aan om haar te volgen en klommen achter elkaar over gladde rotsen. Het water dat langs de rotsen naar beneden stroomde, spatte rond de wolven uiteen. Voortploeterend nam ze de kleinsten in haar bek en verzekerde zichzelf omkijkend ervan, dat de rest haar volgde. Toen ze zich nogmaals omkeerde, zag ze één van haar kroost uitglijden en over de rand verdwijnen. De kinderen die ze in haar bek meedroeg, moest ze daarom wel loslaten. Ze nam een zweefsprong over de rest van de kleintjes. Haar poten glibberden over de gladde stenen onder haar en op het moment dat het jong in de kolkende rivier zou verdwijnen, greep ze hem in zijn nekvel. Zette haar nagels in de harde grond en bracht het jong in veiligheid. Terug bij de anderen was er geen tijd om het kroost te troosten. Op haar commando moesten ze elkanders staart vastpakken en verder klimmen. Zo kon de één als de ander uitgleed, zijn broertje of zusje optrekken. Tevreden zag moeder dat alles prima verliep.
Tot plotsklaps de bliksem insloeg en ze door de lichtflits werden verblind. Door het felle licht en de schrik lieten ze elkanders staart los en sloegen hun pootjes voor de ogen. Door de wind verloren de kleintjes hun evenwicht en vielen terug naar de voet van de berg.
Twee waren door de val zo hard terechtgekomen, dat ze verdoofd bleven liggen. Moeder nam de bewegingsloze kinderen in haar bek en spoorde de anderen aan om het opnieuw te proberen. Eén van de kleintjes keek haar met een scheef kopje aan en piepte dat het zo moe was. Omdat ze er al twee in haar bek meedroeg, zat er niets anders op dan de anderen te vertellen dat ze haar moesten volgen. Kreunend van vermoeidheid begonnen ze de beklimming van de berg weer van voren af aan. Het water zocht een uitweg tussen de spleten en zodoende begonnen er zich riviertjes te vormen. Hierdoor werd het voor de kleintjes steeds moeilijker om vooruit te komen en halverwege de beklimming werd het zo bar, dat ze zich door het neerslaande water moesten worstelen. Moeder die in de gaten kreeg dat haar kinderen oververmoeid raakten, stopte en riep boven het loeien van de wind uit. ‘Kinderen doen jullie mij maar na, goed kijken hoor!’ Kwispelend met hun natte staartjes, volgden ze hun moeder die behendig over een snelstromend beekje sprong. Ze hielp de kleintjes zo goed als het maar kon. Twee van hen twijfelden en staarden naar het water. Toen ze eindelijk de sprong durfden te wagen, belandden ze op het gladde groenenmos. Beiden verloren hun evenwicht en vielen pardoes in het water. Met gekrijs ging door merg en been en ijverig probeerden ze al zwemmend de kant te bereiken, maar de stroom was zo sterk dat ze meegesleurd werden en uit het zicht verdwenen. Moederwolf keek ze droevig na; ze kon niets meer voor haar kleintjes doen en er was weinig tijd om erbij stil te blijven staan. Ze moest de anderen in veiligheid brengen.
Het is een harde wereld, dacht ze, met tranen in haar donkerbruine ogen vervolgde ze haar weg met de twee kleintjes beschermend in haar bek. Wat ze niet wist was dat de druk op de dam steeds sterker werd en dat het een kwestie van tijd was voordat hij zou breken. Een moment had ze de moed durven opbrengen om te blijven staan en zag dat de bevers hard werkten en niet van plan waren om het op te geven. Ze zwommen af en aan en vlochten de losgeraakte takken steeds opnieuw in de dam.
Opeens was er een luid geronk en de dam barste met veel geweld uiteen en verzwolg de hardwerkende bevers. Terwijl moederwolf haar blik afwendde, voelde ze plots een hevige pijn in haar rug. Een golf van water kwam op haar af en ze kon hem niet meer ontwijken. Ze spreidde haar poten zover mogelijk uit elkaar, probeerde haar kinderen tegen het aanstormende water te beschermen. De druk van het water was echter veel te sterk en trok haar met zich mee. Ze snakte naar adem en moest haar kleintjes loslaten. Opeens gebeurde er zoveel tegelijk dat ze ervan in de war raakte. Door het opkomende water raakte ze los van de grond en verloor alle grip. Het zag er niet best voor haar en de kinderen uit en vechtend tegen het water probeerde ze grip te houden. Niets hielp en ze voelde langzaam de greep op de grond te verliezen. Opeens voelde ze een paar tanden in haar nek en werd ze op het droge gezet. Een reu bracht haar terug op de grond en vroeg of hij haar pijn had gedaan.
‘Nee hoor bedankt, maar waar zijn mijn kinderen?’
‘Hier’, hoorde ze iemand roepen. Ze keek op en zag dat een andere moederwolf haar van angst trillende kinderen bij zich had. Ze bedankte haar en nam haar kroost dankbaar tussen haar poten. Ook de twee kleintjes die door het stromende water waren meegesleurd zaten veilig aan de kant.
Eén van de wolven vertelde dat haar man hen net op tijd gewaarschuwd had en dat hij de kleintjes tijdens zijn vlucht uit de beek had gevist. Moeder zocht de omgeving af en vroeg de andere wolven of zij haar geliefde nog hadden gezien. Eén van hen vertelde dat haar man de laatste familie, die diep in het bos hun territorium hadden, was gaan waarschuwen. Op deze woorden, bogen de meeste wolvenmoeders hun kop zo diep mogelijk. Ze durfden haar niet recht in de ogen te kijken en ze begreep wat deze houding te betekenen had.
De reu die haar gered had maande de wolven nu om door te lopen. ‘Het is al erg genoeg dat onze held het niet heeft gered. Hij zou niet gewild hebben dat dit alles voor niets zou zijn geweest.’ De wolven volgden hun instinct en trokken hoger de bergen in. Alleen de wolvin en haar kroost bleven achter. Zij werd overspoeld door emoties om het gemis van haar liefste en kon het niet meer opbrengen om de anderen te volgen. Ze klom op een hoge rots en tuurde over de vallei. De vallei leek met modder te zijn overgoten en ze besefte dat daar geen enkel dier tegenop gewassen zou zijn. Nee, zelfs haar held zou zoiets niet kunnen overleven. Nog één etmaal wachtte ze, toen stond ze op. Haar ledematen waren stram van het lange liggen en haar ogen branden van het turen, maar ze begreep maar al te goed dat ook zij verder moest. Ze riep haar kroost bijeen en met haar kop voorovergebogen, ging ze op zoek naar de anderen.

Haar kinderen, die niets van de hele commotie begrepen, huppelden rondom haar alsof er niets was gebeurd. De oren die ze in haar nek had gelegd, kwamen plots overeind, toen er wolven gejank door de vallei galmde. Ze draaide zich om, hief haar kop op en met gespitste oren luisterde ze geboeid naar het gejank. Ze bracht haar kop zo hoog mogelijk en zocht met haar scherpe ogen de omgeving af.
Net toen ze dacht dat ze zich vergist had, kwam er een zwart gevaarte op haar af. Ze wist dat als haar geliefde het niet had overleefd, een andere wolf het leiderschap op zich nam en haar ertoe zou bewegen om de vallei achter zich te laten. Instinctief had ze het gejank wel herkend, maar haar verstand zei iets anders.
Het grijszwarte gevaarte kwam tot stilstand om haar daarna al sluipend te naderen. Verkleumt en zich verloren voelend, wachtte ze buigzaam af. Omdat de wind van haar af blies, kon ze hem ook niet ruiken. Alleen aan zijn silhouet kon ze zien dat het een uit de kluiten gewassen reu moest zijn. Uit onderdanigheid ging ze op haar buik liggen en wachtte af. Toen zag ze het… ineens kon ze haar geluk niet op. Twijfelde nog een moment, maar het was haar held die gehavend op haar afkwam. Ze likte zijn wonden, jankte van blijdschap, besnuffelde hem en kroelde zich tegen hem aan.
‘Het spijt me liefje.’ ‘Wat spijt je?’ ‘Ik heb niet alle families op tijd kunnen bereiken, dus moest ik met lede ogen aanzien dat ze door het hoge water werden ingesloten. Het was een verschrikkelijke aanblik en ik ben zonder omkijken als een laffe wolf weggerend.’ De wolvin troostte hem en zei dat hij meer dan zijn best had gedaan. ‘Zo is nu eenmaal het wolvenleven.’ Ze zochten snel een droge en beschutte plaats op, kropen dicht tegen elkaar aan en riepen hun kroost bij zich. De kleintjes nestelden zich tussen hun poten en verwarmde zich tegen de dikke warme vacht en allen vielen in een diepe slaap.

Einde